De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Spelling en Schrijven en formuleren hoofdstuk 1,2&3 VMBO GT klas 2.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Spelling en Schrijven en formuleren hoofdstuk 1,2&3 VMBO GT klas 2."— Transcript van de presentatie:

1 Spelling en Schrijven en formuleren hoofdstuk 1,2&3 VMBO GT klas 2

2 Spellen volgens de regels  Hoofdletters:  Aan het begin van een zin.  Bij namen  Woorden die zijn afgeleid van namen

3 Leestekens  Punt aan het eind van een zin  Vraagtekenaan het eind van een zin  Uitroepteken aan het eind van een zin

4  Komma:  Tussen 2 pv’s  Tussen de delen van een opsomming (behalve bij en)  Na een naam of een uitroep aan het begin van een zin. Gepke, ga eens zitten! He, hou daar eens mee op!  Voor het woord maar als het een tegenstelling aangeeft.  Voor doordat, nadat, omdat, terwijl, voordat, want, zodat, zodra

5  Dubbele punt  Als je iets aankondigt  Opsomming

6 -d of -t  Verlengproef  Dit kan alleen als het woord niet de pv is. voorbeeld: fout – fouten geschilderde - geschilderd

7 Meervoud op -en  Zelfstandig naamwoord met een meervoud op -en moet je soms ook:  Een letter verdubbelen: rok – rokken  Een a,e,o,u weglaten: raam – ramen  Een f in een v of een s in een z veranderen Raaf – raven Roos - rozen

8 Meervoud op -s  Zelfstandig naamwoord met een meervoud op –s  Je zet er ‘s achter als het woord eindigt op –a, -o, -u, -i of –y en als het een afkorting is.  Tosti- tosti’s  Piano – piano’s  Tv – tv’s  In de andere gevallen de –s er meteen achter  tip - tips

9 Bijvoeglijke naamwoorden  Als je de lange vorm van het bijvoeglijk naamwoord spelt moet je soms:  De laatste letter verdubbelen: gek- gekke  Een a, e, o of u weglaten: zuur – zure  Een f in een v of een s in een z veranderen: lief – lieve; boos-boze

10 ‘t x kofschip  Als de laatste letter van de stam in ‘t x kofschip staat, dan gebruik je TE of TEN In alle andere gevallen gebruik je DE of DEN

11 Voorbeeld Hele werkwoordgooien Stam gooi ‘t x kofschip?Ja/nee Uitgang –te of –de? Verleden tijdgooide/gooite gooiden/gooiten

12 Hele werkwoordwerken Stam werk ‘t x kofschip?Ja/nee Uitgang –te of –de? Verleden tijd?

13 Hele werkwoordwerken Stam werk ‘t x kofschip?Ja/nee Uitgang –te of –de? Verleden tijd?

14 Hoofdstuk 2  Samenstelling In de slaapkamer is het ‘s zomers erg warm. Wat is de samenstelling? In de slaap+kamer is het ‘s zomers erg warm.

15 Samenstelling  Een samenstelling bestaat uit twee of meer woorden.  Deze woorden kunnen ook zelfstandig voorkomen en samen één nieuw woord vormen.  In het Nederlands kun je op deze manier heel veel nieuwe woorden maken.

16  Samenstellingen staan als één woord in het woordenboek.  Samenstellingen schrijf je aan elkaar.  Splitsbare werkwoorden, zoals plaatsnemen  De gasten nemen aan de tafel plaats.  De gasten hadden aan de tafel plaatsgenomen.

17 Schrijven en formuleren hoofdstuk 1  Interview uitwerken  Maak tijdens een interview aantekeningen of neem het op.  Noem in de eerste alinea het onderwerp.  Schrijf in de volgende alinea wat er over het onderwerp gezegd is.

18 De manieren:  Directe rede – je citeert dan letterlijk wat er is gezegd  Je gebruikt bij een citaat altijd aanhalingstekens. Voorbeeld: ‘Toen het onweer zo erg was, was ik wel heel erg bang.’

19  Indirecte rede – je schrijft in je eigen woorden op wat het antwoord is.  Bij indirecte rede gebruik je géén aanhalingstekens. Voorbeeld: Ze was bij het erge onweer heel erg bang.  In het antwoord kun je de vraag laten terugkomen.  Je schrijft de vraag dan niet nog eens op.

20  Bewaar de belangrijkste vraag tot het laatst.  Zet een passende titel boven je tekst.

21 TIP!  Werk je aantekening snel uit na het interview, je schrijft niet altijd alles op.  Laat je uitwerking zien en lezen aan de persoon die je hebt geïnterviewd.

22 Spreken en gesprekken hoofdstuk 2  Navertellen van een gebeurtenis.  Vertel welke gebeurtenis je navertelt  Wees volledig, maar hou je aan de hoofdzaken  Vertel je verhaal in chronologische volgorde (dat is de volgorde waarin het gebeurd is)  Spreek rustig en verstaanbaar  Sta rustig en kijk de klas in.

23 Schrijven en formuleren hoofdstuk 2  Een schrijfplan maken  Je hebt een verhaal of tekst niet in een keer goed op papier. Maak daarom een schrijfplan.  Denk na over de inhoud van je tekst. Wat wil je vertellen  Maak een woordveld of schrijf steekwoorden op.  Kijk wat je bij elkaar kunt zetten in een alinea  Bedenk een goede volgorde van je verhaal.

24 Schrijfplan schrijven  Noteer :  Het onderwerp  Inleiding  Middenstuk  slot

25 Een enthousiaste tekst schrijven  Gebruik positieve woorden  Vertel zo kort mogelijk de feiten, maar schrijf ze wel op.  Let op dat je niet te kort op schrijft  vb Het was gezellig  Het was een gezellige avond waar we lekker met elkaar hebben gekletst.

26 Schrijven en formuleren hoofdstuk 3  Instructie schrijven  Maak direct duidelijk waar de instructie over gaat  Geef de informatie stap voor stap  Zet de aanwijzingen in de goede volgorde  Gebruik in elke zin een doe-woord (werkwoord) vb: pak, doe, neem enz.  Voeg eventueel een afbeelding toe om het duidelijker te maken.

27 Signaalwoorden Signaalwoorden zijn woorden die aangeven op welke manier:  De woorden  Zinnen  Alinea’s In de tekst met elkaar samenhangen. Voorbeelden van signaalwoorden zijn: Later, terwijl, ten eerste, ook, maar, toch etc.

28 Wat zijn signaalwoorden? Signaalwoorden zijn woorden die aangeven op welke manier:  De woorden  Zinnen  Alinea’s In de tekst met elkaar samenhangen. Voorbeelden van signaalwoorden zijn: Later, terwijl, ten eerste, ook, maar, toch etc.


Download ppt "Spelling en Schrijven en formuleren hoofdstuk 1,2&3 VMBO GT klas 2."

Verwante presentaties


Ads door Google