7. Spieren en beweging 1.

Slides:



Advertisements
Verwante presentaties
Spier- of gewrichtspijn, waarom ?
Advertisements

Thema 20 Bewegingsapparaat
Kennis van het menselijk lichaam
Thema 18: Brainwave 18.2 en 18.3.
Regeling Thema 6.
Thema 5. Impulsgeleiding
Bouw en functie van het zenuwstelsel
Spierwerking als reactie op prikkels
Thema 18: Brainwave 18.2 en 18.3.
Algemeen Boekje spieren. Algemeen Boekje spieren.
4. Het autonome zenuwstelsel
Spierwerking als reactie op prikkels
Bouw en functie van het zenuwstelsel
Spierwerking als reactie op prikkels
Spierwerking als reactie op prikkels
TRAININGSLEER Eelbode Elke.
Weefsels Epitheelweefsel Zenuwweefsel Spierweefsel steunweefsel.
Thema 6: Regeling Basisstof 4.
Thema 6: Regeling Basisstof 6.
Thema 6: Regeling Basisstof 1 en 2
2.3 Spieren.
Spieren.
De weg die impulsen afleggen
Ontvanger prikkel = receptor Zenuwstelsel = conductor = geleider
Waaruit is het menselijk lichaam opgebouwd?
Zenuwen en hersenen.
Spieren.
Spieren.
Vragen Wat zijn impulsen? Wat zijn receptoren? Wat is een neuron?
EHBO I Les 2.
Thema 31 Zenuwstelsel en spieren
Thema 31 Zenuwstelsel en spieren
Thema 6 Gedrag en Beweging
Niet zenuwachtig worden, he?
ANATOMIE FYSIOLOGIE PATHOLOGIE
KENNIS OVER SPIEREN SXL BI H2.
Spieren en spierstelsel
Het hormoonstelsel 4 havo.
5 Transport ©JasperOut.nl.
Thema 6 Regeling en waarneming B. Stof 3 Zenuwstelsel
Thema 6: Regeling Basisstof 6 en 7.
Thema 6Regeling en waarneming Onderdeel Spieren en beweging
Leskaart 2: Spierballen
Skelet en spieren. Skelet Ondersteuning Aanhechting Beweging Bescherming Vorming bloedcellen.
Thema 6 Regeling en waarneming B. Stof 3 Zenuwstelsel Par Zenuwcellen en 31.4 Zenuwstelsel.
Waar is het voor? Hoe werkt het ook alweer?
§2.2 Spieren.
§2.2 Spieren.
Bewegen en verplaatsen
Energie Brandstof voor sporten
Spierwerking als reactie op prikkels
H16 Sport.
SPieren.
Hormoontest.
Waaruit is het menselijk lichaam opgebouwd?
Spieren Joska de Kroon.
Zenuwstelsel =organenstelsel
Thema 6: Beweging Basisstof 3.
Kennisblokken 1 en 3.
Thema 6: Regeling Basisstof 1 en 2
Stevigheid en beweging
2.3 SPIEREN 1 HV.
Stevigheid en beweging
zenuwstelsel prikkel Impuls impuls Hersenen CZ Zintuig zenuw zenuw
Anatomie & Fysiologie Gezondheid VE31.
Herhaling Module 3 Basisstof 5-8.
Stevigheid en beweging
Het actieve bewegingsapparaat
dierlijke cel en een plantaardige cel
Soorten Spierweefsel.
Transcript van de presentatie:

7. Spieren en beweging 1

spierweefsel Beweging  doordat spierweefsel zich samentrekt glad spierweefsel: organen Geïnnerveerd door autonome zenuwstelsel Samentrekking traag, niet snel moe Langwerpige cel met celkern Huid Wand van buisvormige of holle organen Darmkanaal Bronchiën Bloedvaten blaas Urinewegen Zaadleiders Eileiders baarmoeder

skeletspieren Dwarsgestreept spierweefsel Bestaat uit spiervezels met veel celkernen (versmelting van vele spiercellen) Dwarse streping Geïnnerveerd door animale zenuwstelsel Vast aan skelet of huid huidspieren: beide uiteinde vast aan huid Tongspieren gelaatspieren

hartspier Dwarsgestreept met verbindingen tussen de vezels

Bouw en werking van de skeletspieren is omgeven door bindweefsel =spierschede Bindweefsel gaat over in pezen spier bestaat uit spierbundel, Spierbundel bestaat uit spiervezels

zenuwimpuls Motorische eenheid = Impuls motorische zenuw  axon vertakt zich  motorisch eindplaatjes  ≠ spiervezels Motorische eenheid = Alle spiervezels die via motorische eindplaatsjes in verbinding staan met 1 motorisch zenuwcel

impuls Alle spiervezels van een motorische eenheid trekken samen op dezelfde tijd dezelfde prikkeldrempel voor motorische eenheid Prikkeldrempel Hangt samen met de impulsfrequentie Bepaalde spieren trekken samen bij lage impulsfrequentie andere bij hoge impulsfrequentie

Samentrekking spier Samentrekking volgens “Alles of niets-wet” Altijd maximaal  krachtige samentrekking veel motorische eenheden trekken samen  veel motorische zenuwen kregen impuls

Spier microscopisch Spiervezel  groot aantal spierfibrillen Tussen spierfibrillen veel mitochondriën Veel glycogeenkorrels (reservestof) Elke spierfibril bestaat uit filamenten spierfibril

filamenten Dunne filamenten uit actine Dikke filamenten uit myosine Regelmatig patroon  dwarse streping

samentrekking Impuls  motorische eindplaatjes schuiven actine en myosinefilamenten in elkaar  spier wordt korter  energie nodig  door dissimilatie van glucose Glycogeen omgezet in glucose Niet alle motorische eenheden tegelijk  Snelle vermoeidheid tegengaan

Houding en beweging Elke houding en elke beweging  veel spieren betrokken Bij ontspanning: skeletspier nooit helemaal ontspannen  motorische eenheden geven nu en dan impuls  motorische eenheid trekt zich nu en dan samen Aantal te klein om beweging te veroorzaken Wel trekkracht op aanhechtingsplaats pezen  spierspanning  handhaven lichaamshouding Rechtstaan wordt reflexmatig gecorrigeerd (o.a.kuitspieren)

Antagonisten Spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect geeft Biceps en triceps samentrekken biceps  spierspanning triceps laag  triceps ontspannen  minder weerstand bij buigen arm Triceps trekt samen  arm gestrekt

conditie Regelmatige lichaamsbeweging krachttraining  minder snel geblesseerd Kans op hart en vaatziekten kleiner Zittend leven  minstens 3x per week ½ uur lichamelijke activiteit ( zwemmen, hardlopen, fietsen) krachttraining  betere prestaties Spieren worden zwaarder Meer spiervezels, meer spierfibrillen Training op uithoudingsvermogen Doorbloeding neemt toe  spieren worden niet zwaarder

doping Anabole steroïden Stimulerende middelen Zelfde werking als testosteron eiwitsynthese, groei van spieren Vorming van bloedcellen Vrouwen gaan er mannelijker uitzien Stimulerende middelen  prestatieverhoging door onderdrukking vermoeidheid Gevaarlijk: voelt niet hoever hij/zij kan gaan Dopingcontrole : urine positief diskwalificatie Ben johnson 1988

Anabole steroïden Bij mannen verhoogt het de kans op impotentie.