De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Vervoerder van dieren 1. Identificatie en registratie Module runderen Vervoerder van dieren 2.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Vervoerder van dieren 1. Identificatie en registratie Module runderen Vervoerder van dieren 2."— Transcript van de presentatie:

1 Vervoerder van dieren 1

2 Identificatie en registratie Module runderen Vervoerder van dieren 2

3 Identificatie en registratie 1.1 Indien een rund maar beschikt over één oormerk, mag dit dan afgevoerd worden naar een binnenlands slachthuis?  Ja  Neen  Ja, mits het gebruik van een slachthuisetiket 3 Vervoerder van dieren 

4 Identificatie en registratie 1.2. Op een oormerk wordt het aantal hermerkingen aangegeven door  Een arabisch cijfer (1,2, …)  Een Romeins cijfer (I, II,…)  Een letter (a, b,…) 4 Vervoerder van dieren 

5 Identificatie en registratie 1.3 Bij het vervoer moet een rund vergezeld zijn van  Het vertrekluik  Het paspoort  Het meldingsformulier 5 Vervoerder van dieren 

6 Identificatie en registratie 1.4 Een paspoort is geldig met  Verkleefd sanitair vignet  Vertrekdatum en handtekening van de overlater  Vertrekdatum, handtekening van de overlater en verkleefd sanitair vignet 6 Vervoerder van dieren 

7 Identificatie en registratie 1.5 Bij afvoer van een rund naar het slachthuis is het sanitair vignet beperkt geldig, meer bepaald  5 dagen  7 dagen  14 dagen 7 Vervoerder van dieren 

8 Identificatie en registratie 1.6 Wat noteert de vervoerder op het vertrekluik bij het laden van een dier?  Vertrekdatum  Vervoerdersnummer  Vertrekdatum en vervoerdersnummer 8 Vervoerder van dieren 

9 Identificatie en registratie Module varkens Vervoerder van dieren 9

10 Identificatie en registratie 1.7 Een beslagoormerk vermeldt  De beslagcode  Een verbondscode  Het inrichtingsnummer 10 Vervoerder van dieren 

11 Identificatie en registratie 1.8 Een varken dat afgevoerd wordt naar het slachthuis wordt gemerkt met  De klophamer  Een exportoormerk  Een verbondsoormerk 11 Vervoerder van dieren 

12 Identificatie en registratie Module kleine herkauwers Vervoerder van dieren 12

13 Identificatie en registratie 1.9 Elk schaap of geit, niet bestemd om binnen het jaar te slachten, geboren na 10 juli 2005 moet beschikken over  1 plastieken oormerk  2 identieke plastieken oormerken  1 plastieken oormerk, tenzij voor uitvoer dan moet het beschikken over 2 identieke plastieken oormerken 13 Vervoerder van dieren 

14 Identificatie en registratie 1.10 Indien een schaap bestemd voor afvoer naar een binnenlands slachthuis één oormerk verloren is, dan mag het toch vervoerd worden  Indien er twee nieuwe oormerken geplaatst worden  Indien er bijkomend een beslagoormerk geplaatst wordt  Met één oormerk 14 Vervoerder van dieren 

15 Identificatie en registratie Module paarden Vervoerder van dieren 15

16 Identificatie en registratie 1.11 Welk document moet een paard steeds vergezellen?  Paspoort  Vervoersbewijs  Laad- en losbon 16 Vervoerder van dieren 

17 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Algemene Module Vervoerder van dieren 17

18 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.1 Welke van volgende dieren mogen niet vervoerd worden?  Pasgeboren zoogdieren waarvan de navel nog niet geheeld is  Een licht gewond dier waarbij het transport geen extra lijden veroorzaakt  Een drachtig dier over de helft van de draagtijd 18 Vervoerder van dieren 

19 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.2 Het vervoermiddel moet voorzien zijn van  Een hefplatform  Een antislipvloer  Zwaailicht 19 Vervoerder van dieren 

20 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.3 Zogende koeien, ooien en geiten die niet vergezeld worden van hun jongen moeten minimum gemolken worden om de  8 uur  12 uur  14 uur 20 Vervoerder van dieren 

21 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.4 In welk geval mogen dieren van verschillende soorten samen behandeld en vervoerd worden?  Als ze even groot zijn  Als ze van hetzelfde bedrijf komen  Als ze bij elkaar opgefokt zijn 21 Vervoerder van dieren 

22 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.5 De maximale duur van een kort transport is  12 uur indien het geen grensoverschrijdend transport is  12 uur  10 uur 22 Vervoerder van dieren 

23 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.6 Drachtige dieren mogen vervoerd worden tot de dracht  70% gevorderd is  80% gevorderd is  90% gevorderd is 23 Vervoerder van dieren 

24 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.7 Hoeveel dagen mag een dier na het werpen niet vervoerd worden?  10 dagen  7 dagen  14 dagen 24 Vervoerder van dieren 

25 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.8 Op welke wijze is op de vrachtwagen aangegeven dat het een transport van dieren betreft?  Er staat een tekening van de desbetreffende diersoort op de vrachtwagen  Op de vrachtwagen staat een merkteken zoals ‘vervoer van dieren‘  Er is geen aanduiding 25 Vervoerder van dieren 

26 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.9 Er moet strooisel of een ander gelijkwaardig materiaal voorzien worden voor:  kalveren jonger dan 6 maand  kalveren ouder dan 6 maand  kalveren ouder dan 8 maand 26 Vervoerder van dieren 

27 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.10 Ingeval van lang transport mogen runderen (geen slachtvee) maximaal  19 uur + eventueel 2 uur vervoerd worden  29 uur + eventueel 2 uur vervoerd worden  24 uur + eventueel 2 uur vervoerd worden 27 Vervoerder van dieren 

28 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.11 Vanaf welk gewicht mogen biggen lang transport ondergaan?  5 kg  10 kg  12 kg 28 Vervoerder van dieren 

29 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.12 Hoelang mag een lang transport van varkens duren alvorens ze uitgeladen, gevoederd en gedrenkt moeten worden en 24 uur rust krijgen?  14 uur  20 uur  24 uur 29 Vervoerder van dieren 

30 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.13 Hoe moet het dak zijn van een vervoermiddel voor lang transport?  zwart  donkere kleur  lichte kleur 30 Vervoerder van dieren 

31 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.14 Hoeveel mag de temperatuur (wettelijk) bedragen in het voertuig? (met een tolerantie)  Tussen de –5°C en 10° C  Tussen de 5°C en 30° C  Tussen de 10°C en 35 °C 31 Vervoerder van dieren 

32 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.15 Hoelang moet het ventilatiesysteem (wettelijk) onafhankelijk van de motor kunnen werken?  2 uur  4 uur  8 uur 32 Vervoerder van dieren 

33 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Module runderen Vervoerder van dieren 33

34 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.16 Kalveren met geheelde navel en jonger dan 10 dagen  Mogen niet vervoerd worden  Mogen onbeperkt vervoerd worden  Mogen over maximum 100 km vervoerd worden 34 Vervoerder van dieren 

35 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.17 Kalveren van ongeveer 50 kg moeten beschikken over  0,70 tot 0,95 m² oppervlakte per dier  0,30 tot 0,40 m² oppervlakte per dier  0,40 tot 0,70 m² oppervlakte per dier 35 Vervoerder van dieren 

36 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.18 Runderen van ongeveer 550 kg moeten beschikken over  0,70 tot 0,95 m² oppervlakte per dier  1,30 tot 1,60 m² oppervlakte per dier  0,40 tot 0,70 m² oppervlakte per dier 36 Vervoerder van dieren 

37 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Module varkens Vervoerder van dieren 37

38 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.19 Bij een transport van varkens moeten  Alle varkens kunnen gaan liggen  De helft van de varkens kunnen gaan liggen  De varkens niet kunnen gaan liggen 38 Vervoerder van dieren 

39 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.20 Tot welke leeftijd mogen biggen over max. 100 km vervoerd worden ?  1 week  2 weken  3 weken 39 Vervoerder van dieren 

40 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.21 Er moet strooisel of een ander gelijkwaardig materiaal voorzien worden voor:  biggen minder dan 10 kg  varkens meer dan 20 kg  varkens ouder dan 5 maand 40 Vervoerder van dieren 

41 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Module kleine herkauwers Vervoerder van dieren 41

42 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.22 Geiten van minder dan 35 kg moeten beschikken over  0,70 tot 0,95 m² oppervlakte per dier  0,30 tot 0,40 m² oppervlakte per dier  0,20 tot 0,30 m² oppervlakte per dier 42 Vervoerder van dieren 

43 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.23 Tot welke leeftijd mogen lammeren over max. 100 km vervoerd worden  1 week  2 weken  3 weken 43 Vervoerder van dieren 

44 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.24 Er moet strooisel of een ander gelijkwaardig materiaal voorzien worden voor:  lammeren minder dan 20 kg  lammeren meer dan 20 kg  lammeren ouder dan 5 maand 44 Vervoerder van dieren 

45 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Module pluimvee Vervoerder van dieren 45

46 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.25 Hoeveel ruimte moeten eendagskuikens hebben  cm² per kuiken  cm² per kuiken  cm² per kuiken 46 Vervoerder van dieren 

47 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.26 Tot welke leeftijd mogen eendagskuikens vervoerd worden?  48 uur  72 uur  24 uur 47 Vervoerder van dieren 

48 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.27 Voor eendagskuikens moet, indien het transport langer dan 24 uur duurt, voorzien worden:  Voeder  Water  Voeder en water 48 Vervoerder van dieren 

49 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Module paarden Vervoerder van dieren 49

50 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 2.28 Er moet strooisel of een ander gelijkwaardig materiaal voorzien worden voor:  Veulens jonger dan 4 maand  Veulens ouder dan 4 maand  Veulens ouder dan 5 maand 50 Vervoerder van dieren 

51 Administratieve verplichtingen Module runderen Vervoerder van dieren 51

52 Administratieve verplichtingen 3.1 Een vervoerder van runderen moe  Het register van het vervoer registreren via een internettoepassing  Het register van het vervoer opsturen naar DGZ / ARSIA  Het register van het vervoer bewaren op de bedrijfszetel 52 Vervoerder van dieren 

53 Administratieve verplichtingen 3.2 De vervoerder moet het ontsmettingsboekje  Altijd bij hebben  Enkel bij hebben bij vervoer naar het slachthuis  Nooit bij hebben 53 Vervoerder van dieren 

54 Administratieve verplichtingen 3.3 Welk van onderstaande documenten moet de vervoerder bewaren op het bedrijf?  Originele toelating als vervoerder  Getuigschrift van vakbekwaamheid  Rijbewijs 54 Vervoerder van dieren 

55 Administratieve verplichtingen 3.4 Bij het laden noteert de vervoerder:  De vermoedelijke lostijd  De effectieve lostijd  Geen lostijd 55 Vervoerder van dieren 

56 Administratieve verplichtingen Module varkens Vervoerder van dieren 56

57 Administratieve verplichtingen 3.5 Op de laadplaats moet de vervoerder volgend exemplaar van de laad-en losbon nalaten  wit  geel  roze 57 Vervoerder van dieren 

58 Administratieve verplichtingen 3.6 De vervoerder moet het ontsmettingsboekje  Altijd bijhebben  Enkel bijhebben bij vervoer naar het slachthuis  Nooit bijhebben 58 Vervoerder van dieren 

59 Administratieve verplichtingen 3.7 Welk van onderstaande documenten moet de vervoerder bewaren op het bedrijf?  Originele toelating als vervoerder  Getuigschrift van vakbekwaamheid  Rijbewijs 59 Vervoerder van dieren 

60 Administratieve verplichtingen 3.8 Bij het laden noteert de vervoerder:  De vermoedelijke lostijd  De effectieve lostijd  Geen lostijd 60 Vervoerder van dieren 

61 Administratieve verplichtingen Module kleine herkauwers Vervoerder van dieren 61

62 Administratieve verplichtingen 3.9 De vervoerder moet het ontsmettingsboekje  Altijd bij hebben  Enkel bij hebben bij vervoer naar het slachthuis  Nooit bij hebben 62 Vervoerder van dieren 

63 Administratieve verplichtingen 3.10 Het document om een vervoer van kleine herkauwers te noteren is  Een laad-en losbon  Een begeleidingsdocument  een verplaatsingsdocument 63 Vervoerder van dieren 

64 Administratieve verplichtingen 3.11 Welk van onderstaande documenten moet de vervoerder bewaren op het bedrijf?  Originele toelating als vervoerder  Getuigschrift van vakbekwaamheid  Rijbewijs 64 Vervoerder van dieren 

65 Administratieve verplichtingen 3.12 Bij het laden noteert de vervoerder:  De vermoedelijke lostijd  De effectieve lostijd  Geen lostijd 65 Vervoerder van dieren 

66 Administratieve verplichtingen Module pluimvee Vervoerder van dieren 66

67 Administratieve verplichtingen 3.13 De vervoerder moet het ontsmettingsboekje  Altijd bij hebben  Enkel bij hebben bij vervoer naar het slachthuis  Nooit bij hebben 67 Vervoerder van dieren 

68 Administratieve verplichtingen 3.14 Welk van onderstaande documenten moet de vervoerder bewaren op het bedrijf?  Originele toelating als vervoerder  Getuigschrift van vakbekwaamheid  Rijbewijs 68 Vervoerder van dieren 

69 Administratieve verplichtingen 3.15 Bij het laden noteert de vervoerder:  De vermoedelijke lostijd  De effectieve lostijd  Geen lostijd 69 Vervoerder van dieren 

70 Administratieve verplichtingen Module paarden Vervoerder van dieren 70

71 Administratieve verplichtingen 3.16 De vervoerder moet het ontsmettingsboekje  Altijd bij hebben  Enkel bij hebben bij vervoer naar het slachthuis  Nooit bij hebben 71 Vervoerder van dieren 

72 Administratieve verplichtingen 3.17 Welk van onderstaande documenten moet de vervoerder bewaren op het bedrijf?  Originele toelating als vervoerder  Getuigschrift van vakbekwaamheid  Rijbewijs 72 Vervoerder van dieren 

73 Administratieve verplichtingen 3.18 Bij het laden noteert de vervoerder:  De vermoedelijke lostijd  De effectieve lostijd  Geen lostijd 73 Vervoerder van dieren 

74 Eerste hulp bij ongevallen Module runderen Vervoerder van dieren 74

75 Eerste hulp bij ongevallen 4.1 In geval van betrokkenheid bij een verkeersongeval met een vrachtwagen geladen met runderen tracht ik:  de runderen zo snel mogelijk uit de laadruimte te halen  eventueel gewonde dieren te verzorgen  steeds de hulpdiensten én een dierenarts te verwittigen 75 Vervoerder van dieren 

76 Eerste hulp bij ongevallen 4.2 Wanneer ik tijdens een routinecontrole van kalveren in de laadruimte merk dat er enkele dieren erg onderkoeld zijn dan:  verwittig ik onmiddellijk een dierenarts  probeer ik de onderkoelde dieren met warme doeken en wrijfbewegingen terug op te warmen en verwittig een dierenarts als er na 30 minuten geen zichtbaar herstel optreedt  laad ik de dieren uit om ze naar een warmere plaats te brengen 76 Vervoerder van dieren 

77 Eerste hulp bij ongevallen 4.3 Men spreekt van hypothermie of onderkoeling bij een rund:  als de dieren hypergevoelig worden en beginnen te hijgen  als de lichaamtemperatuur boven de 41°C uit stijgt  als het dier koud aanvoelt, suf wordt en de lichaamtemperatuur onder de 38°C zakt 77 Vervoerder van dieren 

78 Eerste hulp bij ongevallen Module kleine herkauwers Vervoerder van dieren 78

79 Eerste hulp bij ongevallen 4.4 Wanneer ik bij het vervoer van schapen bij enkele dieren oververhitting vaststel dan:  kan ik de dieren die reeds te ver in shock zijn uit hun lijden verlossen door middel van een slachtpistool  probeer ik de dieren zo snel mogelijk met koud water af te koelen en verwittig ik, indien na 30 minuten geen beterschap optreedt, een dierenarts  verwittig ik onmiddellijk een dierenarts en probeer ondertussen de dieren met koud water wat af te koelen 79 Vervoerder van dieren 

80 Eerste hulp bij ongevallen Module paarden Vervoerder van dieren 80

81 Eerste hulp bij ongevallen 4.5 Wanneer onderkoeling van paarden optreedt tijdens het verloop van een transport moet ik:  de dieren zo snel mogelijk naar een warmere plaats overbrengen  proberen om met warme doeken en wrijfbewegingen de dieren op te warmen en indien na 30 minuten geen beterschap optreedt, een dierenarts te verwittigen  steeds onmiddellijk een dierenarts verwittigen en intussen het paard (of paarden) proberen op te warmen door middel van warme doeken, wrijfbewegingen of overbrenging naar een warmere plaats 81 Vervoerder van dieren 

82 Eerste hulp bij ongevallen Module pluimvee Vervoerder van dieren 82

83 Eerste hulp bij ongevallen 4.6 De beladingsgraden bij pluimveetransport zijn afhankelijk van:  het gewicht  de leeftijd  de rijafstand 83 Vervoerder van dieren 

84 Eerste hulp bij ongevallen 4.7 Voor kippen moet geen voeder of water voorzien worden als het transport korter duurt dan:  24u  48u  12u 84 Vervoerder van dieren 

85 Eerste hulp bij ongevallen Module varkens Vervoerder van dieren 85

86 Eerste hulp bij ongevallen 4.8 Wat is de normale lichaamstemperatuur bij varkens?  37.5°C  38.5°C  39.5°C 86 Vervoerder van dieren 

87 Eerste hulp bij ongevallen 4.9 Wanneer kan bij varkens van oververhitting gesproken worden? Bij een rectale temperatuur boven:  39°C  40°C  41°C 87 Vervoerder van dieren 

88 Eerste hulp bij ongevallen 4.10 Welke maatregelen kunnen door de chauffeur van het veetransport onmiddellijk genomen worden ingeval van onderkoeling van de varkens?  laat de dieren bekomen – sluit alle luchttoevoer af om tocht te vermijden  verwarm de dieren – breng de dieren in een verwarmde ruimte over  bel de dierenarts en blijf rustig afwachten 88 Vervoerder van dieren 

89 Eerste hulp bij ongevallen 4.11 Hoe kan men op basis van uitwendige tekenen vaststellen dat varkens aan oververhitting lijden, wanneer men niet over een thermometer beschikt?  rillen – sufheid – hijgen  hijgen – benauwdheid – speekselen  benauwdheid – overmatig speekselen – koud aanvoelen 89 Vervoerder van dieren 

90 Eerste hulp bij ongevallen 4.12 Welke directe maatregelen kan men nemen bij varkens die aan oververhitting lijden?  koel de dieren af met ijskoud water  verwittig de dierenarts en wacht ondertussen af  verfris de dieren met matig koud water - verwittig ondertussen de dierenarts 90 Vervoerder van dieren 

91 Eerste hulp bij ongevallen 4.13 Hoe herkent de chauffeur van het varkenstransport dat de biggen aan onderkoeling lijden?  hijgen – rillen – benauwdheid  rillen – speekselen – koud aanvoelen  sufheid – koud aanvoelen – rillen 91 Vervoerder van dieren 

92 Reinigen en ontsmetten Algemene Module Vervoerder van dieren 92

93 Reinigen en ontsmetten 5.1 Waarom dient een vrachtwagen na de reiniging nog ontsmet te worden?  om visuele reinheid te accentueren  om de overgebleven bacteriën en virussen te doden  om de schimmelconcentratie te minimaliseren 93 Vervoerder van dieren 

94 Reinigen en ontsmetten 5.2 Welke zijn de belangrijkste parameters voor een succesvolle ontsmettingsprocedure?  contacttijd – waterkwaliteit  contacttijd – productconcentratie  contacttijd – productkeuze 94 Vervoerder van dieren 

95 Reinigen en ontsmetten 5.3 Welke zijn de mogelijke gevolgen van een onvoldoende naspoeling na het ontsmetten van de laadruimte?  houtkrullen blijven plakken aan de oppervlakte  irritatie bij contact met dieren  geurhinder in de stuurkabine 95 Vervoerder van dieren 

96 Reinigen en ontsmetten 5.4 Wat is het doel van reinigen?  wegspuiten van grof materiaal en mest  verwijderen van alle zichtbare verontreinigingen  de bacteriën en virussen doden 96 Vervoerder van dieren 

97 Reinigen en ontsmetten 5.5 Welk is een mogelijk nadeel van ontsmettingsmiddelen?  bij lange inwerkingsduur worden teveel kiemen afgedood  slechte werking bij onvoldoende verdunning  schadelijk voor milieu 97 Vervoerder van dieren 

98 Reinigen en ontsmetten 5.6 Welke zijn de logische stappen in het R&O-proces?  reinigen – naspoelen – drogen  voorbehandeling – reinigen – ontsmetten  ontsmetten – reinigen – naspoelen 98 Vervoerder van dieren 

99 Reinigen en ontsmetten 5.7 Wat is de functie van de voorbehandeling?  de essentiële stap vooraleer te ontsmetten  verwijderen van alle vastzittende vuil en beddingmateriaal  het schoonmaken van de stuurcabine 99 Vervoerder van dieren 

100 Reinigen en ontsmetten 5.8 Hoe wordt een goede reiniging best aangepakt?  eerst de vloeren, vervolgens opgaand verder werken tot aan plafond  eerst de hekken, dan de vloeren en finaal de plafond  eerst de plafond, vervolgens wanden, hekken, vloeren 100 Vervoerder van dieren 

101 Reinigen en ontsmetten 5.9 Wat is het doel van spoelen na de reiniging en ontsmetting?  verwijderen van schuim om visuele reinheid na te streven  wegspoelen ontsmettingsmiddelen om irritatie te voorkomen  wegspoelen van losgemaakt vuil en neutralisatie reinigingsmiddelen 101 Vervoerder van dieren 

102 Reinigen en ontsmetten 5.10 Welke producten kan men aanwenden om het reinigingsproces vlotter te laten verlopen?  koud water  ontsmettingsmiddelen (bv. formol of alcohol)  reinigingsmiddelen (bv. zepen of detergenten) 102 Vervoerder van dieren 

103 Reinigen en ontsmetten 5.11 Welk is een mogelijk nadeel van ontsmettingsmiddelen?  schadelijk voor de transportwagen bij langdurig contact  slechte werking bij onvoldoende verdunning  bij lange inwerkingsduur worden teveel kiemen afgedood 103 Vervoerder van dieren 

104 Reinigen en ontsmetten 5.12 Welk is een mogelijk nadeel van ontsmettingsmiddelen?  slechte inwerking bij onvoldoende verdunning  schadelijk voor mens en dier  bij lange inwerkingsduur worden teveel kiemen afgedood 104 Vervoerder van dieren 

105 Reinigen en ontsmetten 5.13 Welk onderdeel van de vrachtwagen moet op regelmatige basis, doch niet bij elk reinigings- en ontsmettingsproces, meegenomen worden?  dak van de vrachtwagen  de voorruit  stuurcabine 105 Vervoerder van dieren 

106 Reinigen en ontsmetten 5.14 Visuele inspectie van het R&O-proces is de eerste stap. Waarom moet bij onvoldoende visuele reinheid geen verdere bacteriologische controle uitgevoerd worden?  ontsmettingsmiddelen werken zeer goed in aanwezigheid van organisch materiaal  onvoldoende visuele reinheid duidt erop dat de vrachtwagen correct ontsmet is  de bacteriologische controle levert in dit geval geen negatieve resultaten op 106 Vervoerder van dieren 

107 Reinigen en ontsmetten 5.15 Wat spoort men bij een bacteriologische controle op het R&O-proces op?  virussen  gebruikte ontsmettingsmiddelen  bacteriën 107 Vervoerder van dieren 

108 Dierenwelzijn en transport Algemene Module Vervoerder van dieren 108

109 Dierenwelzijn en transport 6.1 Is dierenwelzijn tijdens transport belangrijk voor een goede vleeskwaliteit?  Soms  Nooit  Altijd 109 Vervoerder van dieren 

110 Dierenwelzijn en transport 6.2 Is de buitentemperatuur belangrijk voor het welzijn van de dieren in de vrachtwagen?  Enkel bij hoge luchtvochtigheid  Niet bij hoge luchtvochtigheid  Altijd 110 Vervoerder van dieren 

111 Dierenwelzijn en transport 6.3 Is het belangrijk om de dieren rustig te laden, te transporteren en te lossen?  Ja, omdat de lichaamstemperatuur niet zou stijgen  Neen, want dan duurt het te lang  Heeft geen enkel belang 111 Vervoerder van dieren 

112 Dierenwelzijn en transport 6.4 Moet de beladingsdichtheid aangepast worden in winteromstandigheden?  Neen, want dan is de standaard van toepassing  Ja, want dan kan men de ladingsdichtheid verhogen  Heeft geen belang 112 Vervoerder van dieren 

113 Dierenwelzijn en transport 6.5 Moet de beladingsdichtheid aangepast worden in zomeromstandigheden?  Ja, om de dieren tegen de hoge temperaturen te beschermen  Neen, want de standaard moet gerespecteerd worden  Ja, en tegelijk moet de luchttoevoer gemaximaliseerd worden 113 Vervoerder van dieren 

114 Dierenwelzijn en transport 6.6 In geval het transport langer dan 8 uren duurt, is het dan aangeraden om water aan slachtdieren te geven?  Ja, om het lichaam normaal te laten functioneren  Neen, want dat is moeilijk te regelen  Neen, want de dieren verliezen geen lichaamsvocht 114 Vervoerder van dieren 

115 Dierenwelzijn en transport 6.7 Zijn elektrische prikkelaars toegelaten?  Ja, want dan is het opdrijven gemakkelijker  Ja, want dieren hebben daar geen last van  Ja, maar wordt best vermeden, want naast pijn, kan de vleeskwaliteit er onder lijden 115 Vervoerder van dieren 

116 Dierenwelzijn en transport 6.8 Het rijgedrag van de chauffeur is  Onbelangrijk voor het dierenwelzijn  Zeer belangrijk om de dieren rustig te houden  Onbelangrijk voor de vleeskwaliteit 116 Vervoerder van dieren 

117 Dierenwelzijn en transport 6.9 Om het opdrijven van dieren te vergemakkelijken moeten zij lopen van  Donker naar licht  Licht naar donker  Licht naar licht 117 Vervoerder van dieren 

118 Dierenwelzijn en transport 6.10 De bevloering in de drijfgangen is best bedekt met  Water  Metaal  Rubber 118 Vervoerder van dieren 

119 Dierenwelzijn en transport 6.11 Is het een goed idee om in zomeromstandigheden de dieren te scheren voor transport?  Neen, want dan krijgen ze het te koud  Ja, want dan warmen ze minder snel op  Is van geen belang 119 Vervoerder van dieren 

120 Dierenwelzijn en transport 6.12 Vernevelinstallaties in de wachtruimte van slachthuizen zijn voordelig, omdat  De hokken dan vochtiger zijn  De dieren rustiger worden en sneller afkoelen  Het geschreeuw gedempt wordt 120 Vervoerder van dieren 

121 Dierenwelzijn en transport 6.13 Ventilatoren in een vrachtwagen moeten bij motorpech op maximale capaciteit kunnen blijven draaien gedurende  4 uren  8 uren  16 uren 121 Vervoerder van dieren 

122 Dierenwelzijn en transport 6.14 Of dieren problemen hebben tijdens het transport, kan op zicht vastgesteld worden aan de hand van  Hun ademhalingsfrequentie  Hun bloedsomloop  Hun ogen 122 Vervoerder van dieren 

123 Dierenwelzijn en transport 6.15 De ventilatiecapaciteit in een vrachtwagen is in winteromstandigheden minimaal  0,1 m³/kg.uur  0,25 m³/kg.uur  1,00 m³/kg.uur 123 Vervoerder van dieren 

124 Dierenwelzijn en transport 6.16 De ventilatiecapaciteit in een vrachtwagen is in zomeromstandigheden best  0,1 m³/kg.uur  0,25 m³/kg.uur  >1,00 m³/kg.uur 124 Vervoerder van dieren 

125 Dierenwelzijn en transport Module paarden Vervoerder van dieren 125

126 Dierenwelzijn en transport 6.17 De helling van een laadbrug voor paarden  Mag groter zijn dan 25°  Mag groter zijn dan 20°  Moet kleiner zijn dan 20° 126 Vervoerder van dieren 

127 Dierenwelzijn en transport 6.18 Paarden verkiezen te stappen door een  Verlichte gang  Verduisterde gang  Versierde gang 127 Vervoerder van dieren 

128 Dierenwelzijn en transport Module varkens Vervoerder van dieren 128

129 Dierenwelzijn en transport 6.19 De helling van een laadbrug voor varkens  Mag groter zijn dan 25°  Mag groter zijn dan 20°  Moet kleiner zijn dan 20° 129 Vervoerder van dieren 

130 Dierenwelzijn en transport 6.20 Varkens moeten uitgevast worden vóór transport gedurende  3 uren  6 uren  12 uren 130 Vervoerder van dieren 

131 Dierenwelzijn en transport 6.21 Varkens moeten uitgevast worden vóór slachten gedurende  6 uren  12 uren  18 uren 131 Vervoerder van dieren 

132 Dierenwelzijn en transport 6.22 Om varkens rustig te houden tijdens transport is het aangewezen om  Onbekende dieren vooraf te mengen  Onbekende dieren vooraf niet te mengen  Bekende dieren vooraf te mengen 132 Vervoerder van dieren 

133 Dierenwelzijn en transport 6.23 De meest voorkomende afwijkende vleeskwaliteit bij varkens t.g.v. slechte transportomstandigheden is  DFD  PSE  DFD en PSE 133 Vervoerder van dieren 

134 Dierenwelzijn en transport 6.24 De groepsgrootte voor varkens in de wachtruimte van een slachthuis is per hok  Onbeperkt  Best minder dan 60  Best minder dan Vervoerder van dieren 

135 Dierenwelzijn en transport 6.25 De vorm van de hokken in de wachtruimte is voor varkens best  Vierkant  Rechthoekig  Ruitvormig 135 Vervoerder van dieren 

136 Dierenwelzijn en transport Module herkauwers Vervoerder van dieren 136

137 Dierenwelzijn en transport 6.26 Om schapen rustig te houden tijdens transport is het aangewezen om  Onbekende dieren vooraf te mengen  Onbekende dieren vooraf niet te mengen  Bekende dieren vooraf te mengen 137 Vervoerder van dieren 

138 Dierenwelzijn en transport 6.27 Om schapen gemakkelijk te laden,  houdt men best rekening met hun afstamming  worden ze best gegroepeerd 2 à 3 dagen op voorhand  houdt men best rekening met het weerbericht 138 Vervoerder van dieren 

139 Dierenwelzijn en transport 6.28 Indien schapen langer dan 24 uren getransporteerd worden wordt de beladingsdichtheid best verminderd met  5%  10%  15% 139 Vervoerder van dieren 

140 Dierenwelzijn en transport 6.29 In de wachtruimte van een slachthuis is er watervoorziening noodzakelijk:  Altijd  Soms  Nooit 140 Vervoerder van dieren 

141 Dierenwelzijn en transport Module pluimvee Vervoerder van dieren 141

142 Dierenwelzijn en transport 6.30 Pluimvee moet rustig geladen worden om  Kneuzingen en sterfte te vermijden  Weinig tijd te verliezen  Minder werk te hebben 142 Vervoerder van dieren 

143 Dierenwelzijn en transport 6.31 De meest voorkomende afwijkende vleeskwaliteit bij pluimvee t.g.v. slechte transportomstandigheden is  DFD  PSE  DFD en PSE 143 Vervoerder van dieren 

144 Dierenwelzijn en transport Module runderen Vervoerder van dieren 144

145 Dierenwelzijn en transport 6.32 De meest voorkomende afwijkende vleeskwaliteit bij runderen t.g.v. slechte transportomstandigheden is  DFD  PSE  DFD en PSE 145 Vervoerder van dieren 

146 Praktische aspecten van de omgang met dieren Module runderen Vervoerder van dieren 146

147 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.1 Een rund kan geluiden horen die wij als mens niet kunnen horen  Neen, mens en rund kunnen exact hetzelfde horen.  Neen, een mens hoort meer dan een rund.  Juist, een rund kan inderdaad meer horen dan een mens. 147 Vervoerder van dieren 

148 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.2 Laagtonige geluiden werken bij het rund  kalmerend.  stresserend.  prikkelend. 148 Vervoerder van dieren 

149 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.3 Onderbroken, onbekende geluiden maken het rund  kalm.  nerveus.  slaperig. 149 Vervoerder van dieren 

150 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.4 Door de zijdelingse inplanting van de ogen ziet het rund  zeer scherp over een brede gezichtshoek.  zeer scherp binnen een kleine gezichtshoek.  nergens scherp. 150 Vervoerder van dieren 

151 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.5 Door de zijdelingse inplanting van de ogen kan je een schuwe koe best benaderen  van voor.  van opzij of schuin van achteren.  vanuit gelijk welke positie. 151 Vervoerder van dieren 

152 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.6 Door de zijdelingse inplanting van de ogen heeft het rund  een zeer goed dieptezicht.  het gemakkelijk om afstanden in te schatten.  een slecht dieptezicht. 152 Vervoerder van dieren 

153 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.7 Een rund geraakt afgeschrikt door bruuske bewegingen  omdat het deze bewegingen niet als een vloeiende beweging waarneemt.  omdat het deze bewegingen als vloeiende bewegingen waarneemt.  omdat het van alles wat leeft en beweegt bang heeft. 153 Vervoerder van dieren 

154 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.8 Je kan verhinderen dat een rund doorloopt op zijn/haar weg  door stil, stokstijf te gaan staan voor het lopende rund.  door snelle bewegingen met je armen te maken voor het lopende rund.  door te zeggen dat het rund moet stoppen met lopen. 154 Vervoerder van dieren 

155 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.9 Een rund ziet  een rode kleur beter dan een groene.  een groene kleur beter dan een rode.  een rode en groene kleur evengoed. 155 Vervoerder van dieren 

156 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.10 Bij een verandering van lichtintensiteit  heeft de pupil van het menselijk oog zich sneller aangepast dan de pupil van het rund.  heeft de pupil van het rund zich sneller aangepast dan de pupil van het menselijk oog.  gebeurt de aanpassing van pupil bij mens en rund even snel. 156 Vervoerder van dieren 

157 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.11 Runderen lopen het liefst  van licht naar donker.  van donker naar licht.  maakt geen verschil uit of het van licht naar donker of van donker naar licht is. 157 Vervoerder van dieren 

158 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.12 Een stier kan een tochtige koe reeds in een zeer vroeg stadium waarnemen  door zijn breed gezichtsvermogen.  door zijn beweegbare oren.  doordat hij goed kan ruiken. 158 Vervoerder van dieren 

159 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.13 Een geslachtsrijpe stier die tussen een kudde geslachtsrijpe runderen loopt  kan zeer gevaarlijk naar de mens uithalen, zeker wanneer er een tochtige koe in de kudde aanwezig is.  zal helemaal niet gevaarlijk zijn voor de mens omdat hij alleen maar oog zal hebben voor de koeien.  is niet gevaarlijker dan een koe. 159 Vervoerder van dieren 

160 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.14 Je kan een rund kalmeren door  te krabben langs de staartinplanting.  te krabben tussen de achterbenen.  bruuske bewegingen te maken. 160 Vervoerder van dieren 

161 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.15 Een rund dat de kop laag bij de grond houdt, met de voorpoot in de grond krabt, met de nek over de grond schuurt, met de horens in de grond boort, … toont  een dreigende houding t.o.v. kuddegenoten of de mens.  een spelende houding t.o.v. kuddegenoten of de mens.  een onderdanige houding t.o.v. kuddegenoten of de mens. 161 Vervoerder van dieren 

162 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.16 Het in contact brengen van kalveren op jonge leeftijd met soortgenoten, mensen, vreemde voorwerpen,  is positief voor een goede socialisatie.  kan de oorzaak zijn van ongewenst, afwijkend gedrag op latere leeftijd.  is slecht voor een goede socialisatie. 162 Vervoerder van dieren 

163 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.17 Runderen van vleesrassen van Franse origine  hebben een zeer groot kuddegevoel en zijn daardoor individueel moeilijker te hanteren.  zijn zeer rustige dieren die gemakkelijk uit een vertrouwde kudde kunnen verwijderd worden.  zijn wat karakter betreft, vergelijkbaar met de Belgische dubbeldoelrassen. 163 Vervoerder van dieren 

164 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.18 Een gezonde koe heeft  het moeilijk om zich te bewegen.  een gladde, glanzende, propere vacht.  heel veel huidbeschadigingen. 164 Vervoerder van dieren 

165 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.19 Een rund dat ergens pijn heeft  zal minder eten en drinken en zondert zich vaak af van de groep.  probeert dit te verbergen t.o.v. mens en kuddegenoten.  zal heel actief zijn. 165 Vervoerder van dieren 

166 Praktische aspecten van de omgang met dieren Module varkens Vervoerder van dieren 166

167 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.20 Omdat varkens over een breed gezichtsveld kunnen zien,  is het aangewezen dat de wanden waarlangs ze bij het drijven moeten lopen, uit open traliewerk gemaakt zijn.  is het aangewezen dat de wanden waarlangs ze bij het drijven moeten lopen, dicht zijn.  is het van geen enkel belang of de wanden voor het drijven dicht zijn, dan wel uit open traliewerk bestaan. 167 Vervoerder van dieren 

168 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.21 Wat is niet correct:  Varkens kunnen in de zomer vlugger last van hittestress hebben omdat ze geen zweetklieren bezitten.  Varkens gaan, als ze de mogelijkheid hebben, tijdens warme dagen extra morsen met water om erin te gaan liggen.  Varkens gaan tijdens warme zomerdagen extra hard zweten, om de overtollige lichaamswarmte kwijt te geraken. 168 Vervoerder van dieren 

169 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.22 Wanneer varkens last hebben van de hitte  gaan ze zeer veel in het rond lopen.  gaan ze meer water drinken en ook meer morsen met het water.  gaan ze zeer veel beginnen eten. 169 Vervoerder van dieren 

170 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.23 De lichaamstemperatuur van een gezond vleesvarken van 100 kg bedraagt  38,5 à 39 °C.  35,5 à 36°C.  39,5 à 40,5 °C. 170 Vervoerder van dieren 

171 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.24 De ademhalingsfrequentie van een gezond en uitgerust (gerecupereerd) slachtrijp vleesvarken bedraagt:  circa 45 keren per minuut.  circa 18 keren per minuut.  circa 60 keren per minuut. 171 Vervoerder van dieren 

172 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.25 De ademhalingsfrequentie van een gezonde en uitgeruste big bedraagt:  circa 30 keren per minuut.  circa 10 keren per minuut.  circa 120 keren per minuut. 172 Vervoerder van dieren 

173 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.26 Varkens zijn nieuwsgierig en zullen een nieuwe omgeving  meestal eerst verkennen met de kop omlaag.  verkennen met hun snuit hoog in de lucht, vergezeld van een krijsend geluid.  voorzichtig verkennen door achterwaarts te lopen. 173 Vervoerder van dieren 

174 Praktische aspecten van de omgang met dieren Module kleine herkauwers Vervoerder van dieren 174

175 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.27 Een gezond, volwassen schaap in rust, ademt  12 à 15 keer per minuut  50 à 70 keer per minuut  minder dan 8 keer per minuut 175 Vervoerder van dieren 

176 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.28 Een ziek schaap  slaapt meestal veel minder dan een gezond.  beweegt zich trager voort en zondert zich af uit de kudde.  probeert zich zo onopvallend mogelijk in de kudde te gedragen. 176 Vervoerder van dieren 

177 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.29 De ontlasting (mest) van een gezond schaap  is lopend en groen van kleur.  is droog en bestaat uit enkele grote keutels.  is droog en bestaat uit vele kleine keutels. 177 Vervoerder van dieren 

178 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.30 Bij een ziek schaap  voelen de oren meestal warm aan.  voelen de oren meestal koud aan.  ligt de lichaamstemperatuur tussen de 38,5 °C en 40 °C. 178 Vervoerder van dieren 

179 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.31 Voor het verplaatsen van schapen  drijf je ze best in geringe kuddes van 5 à 10 dieren.  trek je 1 schaap voort met een touw; de rest van de kudde zal dan volgen.  drijf je ze best individueel. 179 Vervoerder van dieren 

180 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.32 Bij het drijven van de schapen  maak je best veel kabaal en lawaai.  zorg je best voor veel stress en onrust.  ga je best rustig en kalm om met de dieren. 180 Vervoerder van dieren 

181 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.33 De lichaamstemperatuur van een gezonde geit ligt  onder de 37 °C.  tussen de 39 en 40 °C.  boven de 41 °C. 181 Vervoerder van dieren 

182 Praktische aspecten van de omgang met dieren Module pluimvee Vervoerder van dieren 182

183 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.34 Kippen kunnen een groter lichtspectrum waarnemen dan mensen.  Neen, integendeel een kleiner lichtspectrum.  Juist.  Neen, hetzelfde lichtspectrum als mensen. 183 Vervoerder van dieren 

184 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.35 TL-lampen kunnen niet dienen voor verlichting bij kippen omdat  kippen dit licht ervaren als voortdurend knipperend.  deze te weinig licht geven.  ze door hun uitgebreid gezichtsveld (van zo‘n 330°) veel te veel zien bij TL-lampen. 184 Vervoerder van dieren 

185 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.36 Wanneer het plots donker wordt  gaan de kippen ter plaatse slapen.  kunnen kippen zeer angstig reageren en proberen ze te vluchten.  gaan kippen rustig hun vertrouwde slaapplek opzoeken. 185 Vervoerder van dieren 

186 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.37 Voor het handhaven van hun plaats in de rangorde of het verwerven van een hogere rang zal  een kip hard op de kop van een andere kip pikken.  een kip haar kop zeer hoog oprichten en rondkijken.  een kip hard op de rug van een andere kip pikken. 186 Vervoerder van dieren 

187 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.38 Toekomstige moederdieren worden van het opfokbedrijf naar het moederdierenbedrijf getransporteerd op de leeftijd van  6 weken.  18 weken.  20 weken. 187 Vervoerder van dieren 

188 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.39 Toekomstige leghennen worden van het opfokbedrijf naar het leghennenbedrijf getransporteerd op de leeftijd van  6 weken.  18 weken.  20 weken. 188 Vervoerder van dieren 

189 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.40 Vleeskuikens (braadkippen) hebben het, in vergelijking met leghennen, moeilijker om overtollige warmte kwijt te geraken  omdat hun vederkleed dicht en compact is.  omdat ze een relatief kleine kam en lellen hebben.  omdat ze niet snel kunnen ademhalen. 189 Vervoerder van dieren 

190 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.41 Braadkippen moeten op het slachthuis toekomen  juist voor aanvang van het slachtproces.  2 uur voor aanvang van het slachtproces.  5 uur voor aanvang van het slachtproces. 190 Vervoerder van dieren 

191 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.42 Voor transport tijdens warme zomerdagen  is het best dat de dieren in de namiddag getransporteerd worden.  is de vrachtwagen best voorzien van een donkergekleurd dak.  moet je de dieren 30 % meer ruimte geven. 191 Vervoerder van dieren 

192 Praktische aspecten van de omgang met dieren Module paarden Vervoerder van dieren 192

193 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.43 Wanneer paarden elkaar besnuffelen  begroeten ze elkaar.  nemen ze bepaalde, onbekende geuren waar.  geven ze een dreigend signaal aan elkaar. 193 Vervoerder van dieren 

194 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.44 Ontblote tanden en platgelegde oren  tonen paarden wanneer ze angstig zijn.  gebruikt een paard om een lagere in rang terug te wijzen.  is een begroetingsritueel tussen paarden. 194 Vervoerder van dieren 

195 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.45 Paarden hebben een scherper zicht (zien beter) dan mensen.  Juist.  Niet juist; paarden en mensen zien even scherp.  Niet juist; een mens ziet scherper dan een paard. 195 Vervoerder van dieren 

196 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.46 Paarden ruiken beter dan mensen.  Juist.  Niet juist; paarden en mensen ruiken even goed.  Niet juist; een mens ruikt beter dan een paard. 196 Vervoerder van dieren 

197 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.47 Paarden flemen (waarbij ze hun neus optrekken)  om duidelijk te maken dat ze iets niet lusten.  om beter geuren waar te kunnen nemen.  om een ander paard te begroeten. 197 Vervoerder van dieren 

198 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.48 De lippen van het paard zijn  slechts zeer matig beweeglijk.  zeer gevoelig.  ongevoelig. 198 Vervoerder van dieren 

199 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.49 Paarden waarbij de tastharen zijn afgeschoren  weigeren soms enkele dagen te eten.  hebben geen gevoel meer in de lippen.  zijn gretiger en minder kieskeurig met betrekking tot hun voedsel. 199 Vervoerder van dieren 

200 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.50 Paarden kunnen zeer goed horen.  Onjuist, ze moeten hun oren in de juiste richting draaien om toch maar iets te kunnen horen.  Juist, ze kunnen geluiden horen op ruim 400 m afstand.  Paarden horen niet beter of slechter dan de mens. 200 Vervoerder van dieren 

201 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.51 De hartslag van een gezond paard in rust bedraagt:  80 à 100 slagen per minuut.  8 à 15 slagen per minuut.  36 à 42 slagen per minuut. 201 Vervoerder van dieren 

202 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.52 De hartslag (polsslag) kan bij een paard opgemeten worden  waar de gezichtsader onder de kaak doorloopt.  aan de voorste poot, juist boven de hoeven.  in de aarsopening. 202 Vervoerder van dieren 

203 Praktische aspecten van de omgang met dieren 7.53 De lichaamstemperatuur van een gezond paard in rust  ligt tussen de 39 °C en 40 °C.  ligt tussen de 37 °C en 38 °C.  ligt onder de 36,5 °C. 203 Vervoerder van dieren 

204 Veilig omgaan met dieren Module runderen Vervoerder van dieren 204

205 Veilig omgaan met dieren 8.1 Wanneer 1 rund in de kudde onrustig is, neemt de kans op ongelukken toe.  Juist, omdat de andere dieren in de kudde dit onrustig gedrag gaan overnemen.  Niet juist, 1 onrustig dier kan het gedrag van een ganse kudde niet beïnvloeden.  Niet juist, er is geen oorzakelijk verband. 205 Vervoerder van dieren 

206 Veilig omgaan met dieren 8.2 Binnen een kudde koeien  zijn de dieren die net onder de hoogste rang staan, het meest vredelievend en dus het minst gevaarlijk.  is het hoogste rangdier het meest vredelievend.  is het hoogste rangdier het meest agressief. 206 Vervoerder van dieren 

207 Veilig omgaan met dieren 8.3 Een nerveus dier  drijf je best samen met enkele kuddegenoten.  drijf je best alleen op.  zonder je best alleen af, probeer je het te vangen en doe je het een touw aan. 207 Vervoerder van dieren 

208 Veilig omgaan met dieren 8.4 Een brave stier mag je ten alle tijden vertrouwen.  Juist, een brave stier kan je altijd voor 100% vertrouwen.  Neen, zelfs een zogezegd brave stier kan vroeg of laat onverwacht agressief uit de hoek komen.  Een stier laat vooraf heel goed zien wanneer hij niet meer te vertrouwen is, en dan heb je nog alle tijd om jezelf in veiligheid te brengen. 208 Vervoerder van dieren 

209 Veilig omgaan met dieren 8.5 Luidkeels roepen en tieren naar runderen  veroorzaakt angst, onrust en paniek.  maakt aan de runderen duidelijk wie de baas is.  werkt kalmerend bij de runderen. 209 Vervoerder van dieren 

210 Veilig omgaan met dieren 8.6 Stokken mogen altijd gebruikt worden bij het drijven van rundvee.  Juist, zowel om te slaan als te leiden.  Enkel om de dieren te geleiden.  Neen, nooit. Je mag geen stok bij je dragen. 210 Vervoerder van dieren 

211 Veilig omgaan met dieren 8.7 Elektrische prikkelaars  mogen nooit gebruikt worden.  mogen bij volwassen runderen altijd gebruikt worden.  mogen enkel gebruikt worden in geval van hoge nood of bij zelfverdediging. 211 Vervoerder van dieren 

212 Veilig omgaan met dieren 8.8 Wanneer een rund aan een touw niet vooruit wil,  vraag je een begeleider om het dier achteraan te duwen of een zacht tikje op het achterstel te geven.  vraag je een begeleider om met de staart van het dier te draaien.  vraag je een begeleider om hard op de staartinplant van het dier te slaan. 212 Vervoerder van dieren 

213 Veilig omgaan met dieren Module varkens Vervoerder van dieren 213

214 Veilig omgaan met dieren 8.9 Wat is correct?  Tijdens het drijven lopen varkens best van licht naar donker.  Varkens lopen individueel makkelijker dan in groep.  Varkens worden best in kleine groepen verplaatst. 214 Vervoerder van dieren 

215 Veilig omgaan met dieren 8.10 Bij het drijven of verplaatsen van varkens  gebruik je best geen scherpe voorwerpen om de dieren aan te porren tot lopen.  zorg je er best voor dat dit van licht naar donker gebeurt.  zorg je best voor open zijwanden langs het looptraject. 215 Vervoerder van dieren 

216 Veilig omgaan met dieren 8.11 De beladingsgraad bedraagt maximum:  285 kg/m²  235 kg/m²  135 kg/m² 216 Vervoerder van dieren 

217 Veilig omgaan met dieren 8.12 Welke bewering is juist:  De vrachtwagen (met twee etages) wordt eerst onderaan volgeladen, dan pas bovenaan.  Elektrische prikkelaars mogen altijd gebruikt worden bij het drijven van varkens.  Vleesvarkens hebben best tot net voor het transport nog gegeten. 217 Vervoerder van dieren 

218 Veilig omgaan met dieren 8.13 Wat is de ideale laadhelling?  20 graden.  30 graden.  45 graden. 218 Vervoerder van dieren 

219 Veilig omgaan met dieren 8.14 Wanneer je varkens wil opdrijven,  doe je dit best één voor één, zodat ze mekaar niet kunnen hinderen.  doe je dit best in kleine groepjes.  doe je dit best in zo‘n groot mogelijke groep; hoe groter de groep, hoe makkelijker het gaat. 219 Vervoerder van dieren 

220 Veilig omgaan met dieren 8.15 Tijdens het drijven van varkens  zorg je voor zeer veel plots bewegende voorwerpen, onverwachte dingen, plots licht aan en uit.  zorg je ervoor dat er zich geen onverwachte, plots bewegende voorwerpen en personen voordoen en vermijd je glinsteringen en scherp licht tijdens het verplaatsingstraject.  heeft het varken helemaal geen oog voor wat er om zich heen gebeurt. 220 Vervoerder van dieren 

221 Veilig omgaan met dieren 8.16 Tijdens het transport  mogen de dieren dicht op mekaar gepakt zitten.  moeten alle varkens gelijktijdig kunnen liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan.  moet er een oppervlakte van 2m² per dier voorzien zijn. 221 Vervoerder van dieren 

222 Veilig omgaan met dieren 8.17 Tijdens het transport  mogen volwassen fokberen en reforme zeugen samen vervoerd worden.  mogen geslachtsrijpe mannelijke dieren en vrouwelijke soortgenoten samen gehouden worden.  moeten volwassen fokberen volledig gescheiden gehouden worden. 222 Vervoerder van dieren 

223 Veilig omgaan met dieren 8.18 Bij aankomst aan het slachthuis  moeten de varkens snel maar rustig afgeladen worden.  laat je de varkens eerst nog een half uurtje op de vrachtwagen zitten alvorens ze af te laden.  moeten de varkens snel afgeladen worden en hierbij mag je gebruik maken van een elektrische prikkelaar. 223 Vervoerder van dieren 

224 Veilig omgaan met dieren Module kleine herkauwers Vervoerder van dieren 224

225 Veilig omgaan met dieren 8.19 Schapen moeten tijdens transport kunnen drinken.  Neen, nooit.  Enkel bij transport dat langer dan 4 uur duurt.  Enkel bij transport dat langer dan 8 uur duurt. 225 Vervoerder van dieren 

226 Veilig omgaan met dieren 8.20 Schapen moeten tijdens transport voeder ter beschikking krijgen.  Neen, nooit.  Enkel bij transport dat langer dan 4 uur duurt.  Enkel bij transport dat langer dan 8 uur duurt. 226 Vervoerder van dieren 

227 Veilig omgaan met dieren 8.21 Tijdens transport na zonsondergang  moet in de laadruimte een zwakke verlichting branden.  moet het in de laadruimte donker zijn opdat de dieren rustig blijven.  moet er 150 Lux aan licht op dierniveau aanwezig zijn. 227 Vervoerder van dieren 

228 Veilig omgaan met dieren 8.22 Tijdens het drijven  loop je best recht op de dieren af.  loop je schuin naar de dieren toe.  sluip je achter de dieren zodat ze u niet zien. 228 Vervoerder van dieren 

229 Veilig omgaan met dieren 8.23 Tijdens het drijven  laat je de dieren best schrikken.  blijf je zelf altijd rustig.  zorg je ervoor dat de dieren u niet zien. 229 Vervoerder van dieren 

230 Veilig omgaan met dieren Module pluimvee Vervoerder van dieren 230

231 Veilig omgaan met dieren 8.24 Bij het vangen van pluimvee  wordt er best blauw licht gebruikt.  is het best donker in de stal.  wordt er best voor veel wit licht gezorgd zodat de dieren goed kunnen zien wat er te gebeuren staat. 231 Vervoerder van dieren 

232 Veilig omgaan met dieren 8.25 Omdat je levende dieren transporteert  rij je best offensief en snel.  rij je best anticiperend.  speelt de rijstijl geen rol, als je maar zo snel als mogelijk op de plaats van bestemming geraakt. 232 Vervoerder van dieren 

233 Veilig omgaan met dieren 8.26 Opfokdieren worden voor transport  niet nuchter gezet opdat ze over voldoende energie blijven beschikken.  worden best 15 uur voor transport nuchter gezet.  worden best 1 uur voor transport nuchter gezet. 233 Vervoerder van dieren 

234 Veilig omgaan met dieren Module paarden Vervoerder van dieren 234

235 Veilig omgaan met dieren 8.27 Bij het vangen van paarden met behulp van een kraal:  vang je eerst de dieren en zet dan pas de trailer tegen de kraal.  zet je eerst de trailer tegen de kraal en vang pas daarna de dieren.  speelt het geen rol of je vooraf de trailer al dan niet tegen de kraal zet. 235 Vervoerder van dieren 

236 Veilig omgaan met dieren 8.28 Tijdens transport moeten paarden een halster dragen.  Neen, nooit.  Ja, altijd.  Wanneer paarden ouder zijn dan 8 maanden. 236 Vervoerder van dieren 

237 Veilig omgaan met dieren 8.29 Tijdens transport moeten paarden in individuele compartimenten geplaatst worden.  Neen, nooit.  Ja, altijd.  Bij transporten van langer dan 8 uur. 237 Vervoerder van dieren 

238 Veilig omgaan met dieren 8.30 Volwassen paarden mogen samen met veulens worden getransporteerd in hetzelfde compartiment.  Enkel wanneer het een merrie met een veulen aan de voet betreft.  Ja, dit mag altijd.  Neen, dit mag nooit. 238 Vervoerder van dieren 

239 Veilig omgaan met dieren 8.31 Bij het benaderen van een paard  kijken we strak in de ogen van het paard.  kijken we naar de omgeving en gaan we zigzaggend op het paard af.  gaan we best in alle stilte langs achteren. 239 Vervoerder van dieren 

240 Veilig omgaan met dieren 8.32 Wanneer we achter om het paard gaan  doen we dit best in alle stilte zonder het dier aan te raken.  houden we best met onze hand lichamelijk contact met het paard.  doen we dit best door met luide stem te spreken; doch zonder het dier aan te raken. 240 Vervoerder van dieren 

241 Veilig omgaan met dieren 8.33 Door grondwerkoefeningen te doen met je paard  werk je aan respect, vertrouwen en gehoorzaamheid bij je paard.  wordt er geen rekening gehouden met de lichaamstaal van het paard.  stel je jezelf onderdanig op ten opzichte van uw paard. 241 Vervoerder van dieren 

242 Veilig omgaan met dieren 8.34 Opengesperde ogen of het rollen van de oogappel  laat agressie door het paard zien.  laten angst of afweer zien.  laten een onderdanige en volgzame houding van het paard zien. 242 Vervoerder van dieren 

243 Veilig omgaan met dieren 8.35 Oren in de nek  geven afkeer, voorzichtigheid of terughoudendheid weer.  laten agressie door het paard zien.  duiden op aarzelen of besluiteloosheid. 243 Vervoerder van dieren 

244 Veilig omgaan met dieren 8.36 Spelende oren (één oor naar voor, het andere opzij of naar achteren)  duiden op aarzelen of besluiteloosheid.  duiden op angst of afweer.  duiden op agressie. 244 Vervoerder van dieren 

245 Veilig omgaan met dieren 8.37 Een losjes hangende lip  duidt op aarzelen of besluiteloosheid.  betekent welbehagen en ontspanning.  duidt op afkeer, ergernis of pijn. 245 Vervoerder van dieren 

246 Veilig omgaan met dieren 8.38 Vaste mond met samengeperste lippen  duidt op afkeer, ergernis of pijn.  duidt op aarzelen of besluiteloosheid.  betekent welbehagen en ontspanning. 246 Vervoerder van dieren 

247 Veilig omgaan met dieren 8.39 Wanneer een paard tijdens het laden zijn achterwerk naar u toont  doe je best een stapje opzij.  kan je het paard best duwen op zijn achterwerk.  wil het paard aan u tonen dat het onderdanig en nederig is. 247 Vervoerder van dieren 


Download ppt "Vervoerder van dieren 1. Identificatie en registratie Module runderen Vervoerder van dieren 2."

Verwante presentaties


Ads door Google