De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

1 NIS Assen APRIL 2011 Kwalitatieve aansprakelijkheid (Oldenhuis) Kwalitatieve Aansprakelijkheid voor personen en zaken: Actualiteiten.

Verwante presentaties


Presentatie over: "1 NIS Assen APRIL 2011 Kwalitatieve aansprakelijkheid (Oldenhuis) Kwalitatieve Aansprakelijkheid voor personen en zaken: Actualiteiten."— Transcript van de presentatie:

1 1 NIS Assen APRIL 2011 Kwalitatieve aansprakelijkheid (Oldenhuis) Kwalitatieve Aansprakelijkheid voor personen en zaken: Actualiteiten

2 2 Hoofdlijnen IAlgemeen Deel: Grenzen van kwal. Aansprheid. (relativiteit) II Bijzonder Deel Kwalitatieve aansprakelijkheid/artikelen : *169 *170 *171 *172 *173 *174 *181

3 3 IAlgemeen Deel: Grenzen van kwal. Aansprheid. (relativiteit)

4 4 Relativiteitsvereiste 174: Zie OD Losbl 174, aan. 122 Zie OD Losbl , aant 13. Rb. Arnhem 15 mei 1997, VR 1999, 71 ( Leenen-Gem Arnhem Verkeerde afvoer van een weg leidt tot wateroverlast in een pand.(tandarts)

5 5 Relativiteitsvereiste 175: alleen voor de boeren of ook voor de melkfabriek? Hof Leeuwarden 19 okt. 2007, LJN BC 9803( ATF-Friesland Foods BV) De brede werking van art. 6:175: r.o. 18 en 29.

6 6 Relativiteitsvereiste Let voorts op r.o. 27. Hoe geschiedt de toerekening wat betreft de omvang van de schade? De betrekkelijkheid van het Amercentrale-arrest.

7 7 Relativiteitsvereiste Ook kosten ter voorkoming of beperking van schade (184) redelijkheidstoets

8 8 De brand bij de Moerdijk? 2011 Toepassing van art. 6: 175. Hoe verhoudt zich dat tot WILNIS dec 2010? Principieel verschil tussen 175 en 174!!

9 9 Relativiteitsvereiste/Hangmat Ook de Hangmat- zaak, Rb Den Bosch 21 jan. 2009,LJN BH 0728, JA 2009, 52,NJF 2009, 105 stelt ons voor een relativiteitsprobleem. Wat is de reikwijdte van art. 6:174? F.Leopold, TVP 2009, blz.49 e.v.

10 10 Relativiteitsvereiste/Hangmat Casus: M V Achmea Kan een medebezitter zijn medebezitter ex 174 aanspreken?

11 11 Relativiteitsvereiste/Hangmat HR 8 oktober 2010, LJN BM6095, RvdW 2010, 1164, NJB 2010, Zie ook PIV 2010, nr.8, TVP2010,p.107 e.v, MvV 2010, p.317. WPNR 6876(2010), JA 2011, 10 HR onderschrijft de draagplichtgedachte als achterliggend motief voor 174..

12 12 Relativiteitsvereiste/Hangmat In de tekst van art. 6:174 is de reikwijdte van de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van de gebrekkige opstal niet beperkt, dus ook niet tot derden (in de zojuist omschreven betekenis) die als gevolg van het gebrek schade lijden. Dat de art. 6: BW, die wel uitdrukkelijk zien op schade aan derden, zijn opgenomen in dezelfde afdeling als art. 6:174, pleit eerder tegen de opvatting dat ook art. 6:174 alleen derden op het oog heeft dan ervoor. De regeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van medebezitters (art. 6:180 lid 1 BW) past bij een op benadeelde derden gerichte aansprakelijkheid, maar is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of onderlinge aansprakelijkheid van medebezitters van een gebrekkige opstal mogelijk is. De bewoordingen van art. 6:174 en het wettelijk stelsel staan dan ook op zichzelf niet in de weg aan de door [verweerster] verdedigde opvatting.

13 13 Relativiteitsvereiste/Hangmat De kernvraag is of het recht bescherming behoort te verlenen aan degene die, hoewel de aansprakelijkheid van art. 6:174 niet is gebaseerd op overtreding van enigerlei gedragsnorm, zelf in zekere zin medeverantwoordelijk geacht kan worden voor de gebrekkige opstal. Bij de geschetste stand van zaken, waarbij de wetgever de door [verweerster] bepleite aansprakelijkheid niet heeft uitgesloten, hangt de te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht als reikwijdte van art. 6:174. Die keuze valt uit ten gunste van het standpunt van [verweerster]. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

14 14 Relativiteitsvereiste/Hangmat Indien de medebezitter die schade lijdt ten gevolge van het gebrek geen enkele aanspraak zou hebben tegenover andere bezitters van de opstal, zou hij de schade volledig zelf moeten dragen en zouden de andere bezitters niets behoeven bij te dragen, hoewel ook zij in dezelfde relatie tot de gebrekkige opstal staan als de medebezitter die schade lijdt ten gevolge van het gebrek. Het is, vorenbedoeld uitgangspunt in aanmerking genomen, uit maatschappelijk oogpunt redelijker de schade van de benadeelde over alle bezitters te verdelen dan uitsluitend de benadeelde medebezitter de schade te laten dragen.

15 15 Relativiteitsvereiste/Hangmat Door [eiser 1] en Achmea is niet concreet gemotiveerd aangevoerd dat in het geval een aanspraak van medebezitters op grond van art. 6:174 wordt aangenomen, daardoor wezenlijk afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tegen een relatief geringe premie de wettelijke aansprakelijkheid ter zake van schade door gebrekkige opstallen te verzekeren. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat de vrees voor een onbeheersbare toename van claims als de onderhavige bewaarheid zal worden. In de polisvoorwaarden en door middel van de premiestelling zal de verzekeraar bovendien met de hier bedoelde aanspraken van medebezitters rekening kunnen houden.

16 16 VRAAG Wie is ‘derde’ binnen afd 6.3.2? *Leden binnen gezinsverband zijn als ‘derden’ te beschouwen m.b.t. art *Geldt dat ook binnen afd (bij medebezitter 173/174 en t.a.v. 179), zo ja, dan heeft dat vergaande gevolgen.

17 17 VRAAG Zijn er andere grondslagen om binnen gemeenschappelijke eigendom (letsel)schade te verdelen……….????

18 18 II Bijzonder Deel Kwalitatieve aansprakelijkheid/artikelen

19 19 Begrenzing via uitleg

20 20 Begrenzing via uitleg 173/

21 21 AANDACHTSPUNT Debat op het RuG- congres d.d. 4 okt 2010 Wat is de plaats van de Kelderluikfactoren bij afd ? Komen die factoren alleen aan bod via eisen die je aan de gelaedeerde stelt? (verwachtingspatroon)

22 22 AANDACHTSPUNT En dan nog: HR 17 december 2010, LJN BN 6236, RvdW 2011,17 ( Wilnis), NJB 2011, : de bakens verzet!! Kelderluikfactoren; ook aan de zijde van de aansprakelijkgestelde! Oldenhuis-Van Maanen (4 okt 2010).

23 23 AANDACHTSPUNT Kelderluikfactoren spelen ook een rol aan de zijde van de bezitter; Echter bekendheid met het gebrek is geen vereiste.

24 24 AANDACHTSPUNT Twee fasen toetsing: Eisen die men in de gegeven omstandig-heden aan de zaak kan stellen Tenzij-formule

25 25 AANDACHTSPUNT Het hof sloeg de eerste fase over!

26 26 AANDACHTSPUNT De bijzondere rol van de overheid inz wegen en dijken: Beleidsvrijheid Financiële keuzes maken.

27 27 Rampen Hof Amsterdam 25 okt. 2007, JA 2008, 2 (Vervolg Legionellazaak Aansprakelijkheid van de Staat: Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat zich een risico heeft verwezenlijkt waarvan de Staat op de hoogte was of had moeten zijn (r.o. 4.7).

28 28 Rampen Vuurwerk-ramp uitspraken: HR 9 juli 2010, LJN: BL 3262, RvdW 2010, 898 (Vuurwerkramp) Rb. Den Haag 13 december 2006, JA 2007/28 (Vuurwerkramp vervolg); Hof Den Haag 24 augustus 2010, RAV 2010,97 ( X c.s.-m Fireworks, Gemeente en Staat)

29 29 Rampen HR 9 juli 2010, LJN: BL 3262, RvdW 2010, 898 (Vuurwerkramp) Verzekeraars, die uitkering deden aan Grolsch, nemen verhaal op de Staat Wat is de grondslag? Art. 6:162; maar hoe? R.o

30 30 Rampen Hoe ver strekt de wetenschap van de Staat zich uit. Wetenschap van het risico van massa- explosie bij SEF of wetenschap van het risico van massa-explosie in het algemeen? R.o.4.8.

31 31 Rampen Ook verantwoordelijk voor gevaren welke de Staat niet kende?? R.o.4.6. Twee arresten: Beroep op: Natronloog Legionellabesmetting

32 32 Rampen Kern van de motivering staat in r.o. 4.11: De Staat is niet op grond van art. 6:162 aansprakelijk: * hetzij vanwege het feit hij de factoren niet kende of niet behoefde te kennen, hetzij omdat hij als hij die kennis wel had gehad, niet anders behoefde te handelen dan hij deed. De HR wijst erop, dat het hier betreft een casus van door anderen in het leven geroepen gevaar.

33 33 Hof Den Haag 24 augustus 2010, RAV 2010,97 ( X c.s.-m Fireworks, Gemeente en Staat) Het aspect van de formele rechtskracht.

34 34 Kwalitatieve aansprakelijkheid: Wetsartikelen/recente rechtspraak

35 HR 21 dec. 2001, NJ 2002, 75 ( Energie Delfland NV – Stoeterij De Kraal BV) Delfland is bedrijfsmatige opdrachtgever Aannemersbedrijf BAAS BV is opdrachtnemer Stoeterij is gelaedeerde Bij de graafwerkzaamheden ontstaat schade ten laste van De Stoeterij Ktr: wijst de vordering tegen Delfland af. Rb: graafwerkzaamheden moeten woren beschouwd als werkzaamheden ter uitvoering van het bedrijf van Delfland.

36 HR: artikel 6:171 berust op de gedachte van de eenheid van onderneming. Alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de van de opdrachtgever deelneemt valt eronder. Het artikel berust op op de gedachte dat de eenheid die een onderneming naar buiten vormt, behoort mee te brengen dat een buitenstaander die schade lijdt en voor wie niet is te onderkennen of deze schade te wijten is aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, zich aan deze onderneming kan houden

37 HR 18 juni 2010, LJN BL9596, RvdW 2010, 773,JA 2010, 106( Koeman Van der Burg- Sijm Agro BV). Correctie – zo men wil verduidelijking van Delfland- De Stoeterij De Kraal.

38 Koeman BV ---De Wit----Sijm Agro BV

39 Een vordering op basis van 171 behoeft niet te stranden reeds vanwege het feit dat het voor de gelaedeerde duidelijk is dat twee gescheiden bedrijven de schade deden ontstaan. Verwevenheid van taken

40 Kernoverweging : Verwevenheid van taken….moet de opdrachtgever de kennis zelf in huis hebben…?

41 41 VRAAG Opdracht: Rb Arnhem 28 maart 2007, LJN 4252 (X -Bar dancing Y) Art. 170 en 171 Zou dat nu anders worden beslist…?

42 Lees ook de fraaie conclusie van A-G Spier: Strekking: Delfland moet je op een meer geobjectiveerde wijze lezen: ‘Voor wie niet te onderkennen is’ (Delfland), dat je moet je lezen als ‘wat in het algemeen niet te onderkennen valt’. (4.9.4.)

43 Die ruimere opvatting ook zichtbaar in: Hof ’s-Gravenhage 15 juni 2010, LJN BN4732 (BV X-Duinwaterbedrijf Zuid- Holland). De kraan voert de kentekenen van WSW (opdr.nemer) en tóch is de opdrachtgever aanspr ex art. 171.

44 De vangnet-functie van ======= 172

45 HR 20 okt. 2000, NJ 2000, 700 (Foekens BV-Naim), gebrek strekt verder dan de bouwkundige aard; gevaarlijke stoffen als bestanddeel verbonden aan de loods; art. 174 lid 2 en niet art. 175; het feit dat aan alg. veiligheidsvoorschriften is voldaan, betekent niet dat de loods niet onveilig kan zijn in de zin van art Volendam…………..

46 Hof Amsterdam 28 april 2009, JA 2010, 1 ( Jaarbeurs) T.a.v. evenementen is de zorgplicht die aan de exploitant wordt gesteld hoog. Onveiligheid= gebrekkigheid

47 47 6:181 Let op: er begint rechtspraak te komen!!

48 48 6:181 De reikwijdte van art. 6:181 Dient het vereiste van de eenheid van ondernemen in dezelfde zin als 171 te worden toegepast? Kolder: 181 volgt 170 en niet 171.(blz. 30)

49 Rb Utrecht 16 januari 2008, JA 2008, 38, LJN BC 1923 ( Functioneel verband met bedrijfsmatig gebruik?) De schade stond in functioneel verband met het bedrijf van de huurder van het gebouw. Maar was er ook een verband tussen het gebrek van de opstal en het bedrijf van de huurder? Kritiek van Oldenhuis/ Kolder in AV&S 2009, p. 38

50 HR 26 nov 2010, LJN BM 9757 ( X- Edco Eindhoven BV) E----dochter A EDCO BV Exoneratie A-----EDCO BV EDCO spreekt E aan op grond van art 181/174 Verweer van E : de exoneratie geldt ook jegens E!!

51 HR : er zijn twee gescheiden rechtspersonen A en E. Voor vereenzelviging is geen plaats. E heeft geen feiten dat zij erop mocht vertrouwen dat de exoneratie ook tegen haar zou gelden.( )

52 art. 181: regel en uitzondenering Het middel voert aan dat de beschadigde goederen van Edco zich bevonden "in de hal van [A]" in het kader van de uitvoering van de opslagovereenkomst, die onmiskenbaar deel uitmaakte van haar bedrijfsuitoefening zodat daarmee wel degelijk verband bestaat. Volgens het middel is de uitzondering aan het slot van art. 6:181 lid 1 BW "niet reeds van toepassing als het ontstaan van schade (hier het instorten van het dak) niet als zodanig een gevolg is van de bedrijfsuitoefening" en is "het bestaan van enig verband tussen tussen de bedrijfsuitoefening en het ontstaan van schade in beginsel al voldoende te achten om die bepaling niet van toepassing te doen zijn".

53 Aldus bepleit het middel een zeer beperkte toepassing van de uitzondering in het slot van art. 6:181 lid 1 BW. Deze vindt geen steun in het recht. Uit de bewoordingen van deze bepaling dat "het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat" en uit hetgeen daarover wordt opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 6, blz. 746 (geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 16), moet worden afgeleid dat voor het ontbreken van de aansprakelijkheid van degene die in de opstal een bedrijf uitoefent, nodig en toereikend is dat tussen het ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening geen verband bestaat. Het feit dat de beschadigde goederen in het kader van de opslagovereenkomst in de hal waren opgeslagen, brengt, anders dan het middel betoogt, dus niet mee dat reeds op grond daarvan het ontstaan van de schade in de zin van art. 6:181 lid 1 in verband staat met de bedrijfsuitoefening van [A]. De aanvaarding van de in het middel bepleite opvatting zou, in strijd met de kennelijke bedoeling van de wetgever en met een redelijke wetstoepassing, ertoe leiden dat de in de tenzij-bepaling vervatte uitzondering vrijwel zonder praktische betekenis zou blijven. Het hof heeft dan ook zonder miskenning van enige rechtsregel tot zijn bestreden oordeel kunnen komen, nu de schade het gevolg is van een gebrek in de dakconstructie dat - naar in cassatie tot uitgangspunt moet dienen - niet is veroorzaakt door of in verband staat met de bedrijfsuitoefening van [A]. Het middel faalt dus.

54 54 HR 1 april 2011, LJN BP 1475 (Trappend paard Loretta) Verhouding: 179/ 181 Trappend paard bij manege ter belering ondergebracht.

55 Bij de beoordeling van de onderdelen A-C van het middel, die zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov over de werking van art. 6:181, wordt het volgende vooropgesteld. Indien schade wordt aangericht door een dier is ingevolge art. 6:179, en behoudens de mogelijkheid van succesvol verweer op grond van de 'tenzij- clausule' aan het slot van deze bepaling, de bezitter van het dier voor die schade aansprakelijk. Wordt het dier echter gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust deze risicoaansprakelijkheid ingevolge art. 6:181 niet op de bezitter, maar op degene die het bedrijf uitoefent. Art. 6:181, en daarmee ook de verlegging van de aansprakelijkheid die daardoor wordt bewerkstelligd, berust, kort samengevat, enerzijds op de overweging dat de benadeelde niet behoort te worden belast met de moeilijkheden die inherent zijn aan het onderzoek naar en de bewijslevering betreffende de identiteit van de schuldenaar, en anderzijds op de eenheid van de onderneming in het kader waarvan het dier wordt gebruikt, het feit dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van profijt, en het feit dat van een ondernemer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico als één risico verzekert (Parl. Gesch. Boek 3, (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1003).

56 56 De door art. 6:181 bewerkstelligde verlegging van aansprakelijkheid berust dus niet, ook niet mede, op de wil of toestemming van degene die het bedrijf uitoefent, maar op de wet. Daarbij verdient opmerking dat de in art. 6:179 bedoelde aansprakelijkheid hetzij rust op de bezitter, hetzij op degene die het bedrijf uitoefent waarin het dier wordt gebruikt (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 745). Dit neemt niet weg dat ook een derde tegenover de benadeelde aansprakelijk kan zijn op de voet van art. 6:162 BW. Is dit laatste het geval, dan heeft dit geen invloed op het ontstaan of de omvang van de hiervoor bedoelde risicoaansprakelijkheid. Evenmin komt daaraan betekenis toe bij de beantwoording van de vraag op wie de door art. 6:179 in het leven geroepen risicoaansprakelijkheid rust.

57 57 Ten slotte wordt nog aangetekend dat bij de beantwoording van de vraag of de aansprakelijkheid van art. 6:179 niet op de bezitter van het dier rust, maar - ingevolge art. 6:181 - op degene die het bedrijf uitoefent waarin het dier wordt gebruikt, niet van belang is of degene die dit bedrijf uitoefent bezitter dan wel houder van het dier is, en ook niet of het doel waartoe het dier aldus wordt gebruikt, inmiddels bijna is bereikt. Evenmin mag in dit verband de eis worden gesteld dat hij het dier duurzaam en ten eigen nutte gebruikt.


Download ppt "1 NIS Assen APRIL 2011 Kwalitatieve aansprakelijkheid (Oldenhuis) Kwalitatieve Aansprakelijkheid voor personen en zaken: Actualiteiten."

Verwante presentaties


Ads door Google