De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Biologie voor jou; Thema 2.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Biologie voor jou; Thema 2."— Transcript van de presentatie:

1 Biologie voor jou; Thema 2.
Voeding en vertering Biologie voor jou; Thema 2. Pieter Buma

2 Basisstof 1: Voedingsmiddelen.
Alles wat je eet of drinkt zijn voedingsmiddelen. Voedingsmiddelen zijn plantaardig of dierlijk Zuivelproducten zijn voedingsmiddelen gemaakt van melk. Tussendoortjes zijn voedingsmiddelen tussen de maaltijden door. Pieter Buma

3 Basisstof 2: Voedingsstoffen.
Een voedingsstof zit in een voedingsmiddel. Een voedingsstof heeft drie (vier?) functies in je lichaam: Brandstof. Bouwstof. Beschermende stof. Reserve stof. Pieter Buma

4 1. Brandstoffen. Door het verbranden (reactie met zuurstof) van voedsel komt energie vrij. Deze energie kun je gebruiken voor verschillende dingen onder andere: Bewegen. Warmte maken. (je lichaam warm houden) Elektriciteit maken. (nadenken, je spieren sturen) Stoffen veranderen, vervoeren en opslaan in je lichaam. Pieter Buma

5 2. Bouwstoffen. Bouwstoffen Kunnen wij op drie manieren gebruiken:
om jouw lichaam op te bouwen (groei). om nieuwe onderdelen te maken (ontwikkeling). om beschadigingen te herstellen (bijv; een wond) Pieter Buma

6 3. Beschermende stoffen. Ons lichaam kan niet alle stoffen zelf maken.
Toch zijn deze stoffen wel belangrijk voor de goede werking van ons lichaam. Deze stoffen moeten wij dus opeten om ons lichaam goed te laten werken anders worden we ziek. Pieter Buma

7 4. Reservestoffen. Eigenlijk heb je deze stoffen niet meteen nodig (soms zelfs nooit) maar later misschien wel. Je kunt je afvragen of deze stoffen wel echt nodig zijn in jouw voeding. Pieter Buma

8 Welke voedingsstoffen zijn er?
Koolhydraten. Vetten. Eiwitten. Water. Mineralen. Vitamines. Extra: vezels Pieter Buma

9 1. Koolhydraten. Koolhydraten worden gebruikt als brandstof.
Een ander woord voor koolhydraat is suiker. Er zijn verschillende soorten suikers: Glucose: het belangrijkste suiker, wordt door alle planten gemaakt. Sacharose: is de suiker in onze thee en koffie. Zetmeel: na glucose voor ons de meest belangrijke suiker. Zit vooral in aardappelen en rijst. Kijk maar naar het filmpje. Cellulose (vezels): een speciaal soort suiker. Wij kunnen er niets mee maar voor planten is het erg belangrijk. Pieter Buma

10 2. Vetten. Behalve koolhydraten kunnen wij vetten ook gebruiken als brandstof. Jouw lichaam kan vet veranderen in bouwstoffen of het opslaan als reservestof. Pieter Buma

11 3. Eiwitten. Dit zijn jouw belangrijkste bouwstoffen in het lichaam. Eiwitten worden gebruikt om nieuwe cellen te maken. In noodgevallen kan jouw lichaam eiwitten zelfs gebruiken als brandstof. Pieter Buma

12 4. Water Je zult het waarschijnlijk niet geloven maar water is ook te gebruiken als bouwstof. De belangrijkste taak van water is het vervoeren van stoffen in jouw lichaam (denk maar aan jouw bloed). Pieter Buma

13 5. Mineralen. Dienen als bouwstof en als beschermende stof.
Mineralen zijn een soort hulpstofjes en heb je nodig om sommige bouwstoffen te maken. Je hebt bijvoorbeeld ijzer nodig om een rode bloedcel te kunnen maken. Daarom zijn mineralen ook beschermende stoffen want als je ze niet hebt kun je ook bepaalde andere stoffen niet maken en word je ziek. Pieter Buma

14 6. Vitamines. Bijna alle stoffen in jouw lichaam kun je zelf maken. Sommige stoffen kun je echter niet zelf maken en moet je dus opeten. (ongeveer 20 verschillende stoffen) Vitamines zijn stoffen die jouw lichaam helpen om iets te doen. Als deze stof er niet is kan je lichaam de taak niet uitvoeren en wordt je ziek. Pieter Buma

15 Ingrediënten. Dit zijn de stoffen in jouw voedsel.
Op elke verpakking staat vaak welke ingrediënten erin zitten. Pieter Buma

16 Basisstof 3: Gezonde voeding.
Voedingswijzer: De schijf van (4 groepen, eigenlijk 5) Groep 1: Broodgroep. Groep 2: Fruit- en groentegroep. Groep 3: Vlees- en melkgroep. Groep 4: Vetgroep. (Groep 5: Vochtgroep.) Pieter Buma

17 Groep 1: broodgroep. Bevat vooral: koolhydraten (brandstof).
Bevat ook vaak voedingsvezels (de celwanden van een plant). Voedingsvezels helpen de darmen bij de vertering van voedsel. Verder houden voedingsvezels jouw gebit gezond en sterk. Pieter Buma

18 Groep 2: Groente- en fruitgroep.
Bevatten veel vitamines en mineralen (beschermende stoffen). Ook hier vind je veel voedingsvezels. Logisch want ook hier heb je te maken met celwanden van planten. Pieter Buma

19 Groep 3: Vlees- en melkgroep.
Bevat veel eiwitten (bouwstof). Met deze stoffen bouw jij dus de cellen in jouw lichaam. Pieter Buma

20 Groep 4: Vetgroep. De naam zegt het al, bevat veel vet (brandstof) maar ook vitamines. Niet alle vetten zijn slecht voor je. Vet is zeer belangrijk als brandstof, maar teveel vet eten zorgt voor overgewicht en is slecht voor jouw hart- en bloedvaten. Pieter Buma

21 Groep 5: vochtgroep. Deze groep wordt eigenlijk nooit genoemd, omdat in alles wat je eet er altijd wel wat water in zit. We laten deze groep dan ook meestal weg. (doe ik lekker niet) Pieter Buma

22 Mening of feit! Mening: wat jij zelf denkt, kan dus voor iedereen verschillend zijn. Feit: dit is waar of te bewijzen (onderzoek). Is voor iedereen gelijk. Pieter Buma

23 Basisstof 4: Zit er zetmeel in?
Ik durf te beweren dat in alle voedingsmiddelen afkomstig van een plant de stof zetmeel zit. (mijn mening) Aantonen van zetmeel: Doe er een joodoplossing bij: Wordt de kleur blauwzwart; dan is het zetmeel. Blijft de kleur bruin/oranje: dan is het geen zetmeel. Pieter Buma

24 Basisstof 5: Het verteringsstelsel.
Het woord verteren kun je vertalen met: in kleinere stukjes hakken. Het voedsel moet in zulke kleine stukjes worden verdeelt, dat ze door de wand van een cel heen kunnen. Het voedsel komt uiteindelijk in je bloed terecht door de dunne darm. Het in kleinere stukjes hakken komt door speciale stoffen: enzymen. Pieter Buma

25 De weg van het voedsel: Slokdarm. Maag. Dunne darm. Dikke darm.
Endeldarm. Anus. Pieter Buma

26 Verteringsklieren. Een verteringsklier maakt een sap met enzymen.
Wij hebben deze verteringsklieren: Speekselklieren. Maagsapklieren. Lever (eigenlijk niet helemaal goed). Alvleesklier. Darmsapklier. Pieter Buma

27 Hoe gaat het voedsel van boven naar beneden?
De meeste mensen denken dat dit door de zwaartekracht komt maar dat is niet helemaal waar. (ook als je onderste boven hangt komt het voedsel toch in je maag) Wij knijpen ons voedsel van de mond naar de maag. Dit noem je een peristaltische beweging. Je kunt het vergelijken met een tube tandpasta, waar je het laatste restje uit wil knijpen. Pieter Buma

28 Basisstof 6: Het gebit. Je gebit bestaat uit tanden en kiezen.
Je tanden dienen voor het afsnijden en je kiezen voor het vermalen van voedsel. De kroon is het gedeelte wat je ziet van een tand of kies. Pieter Buma

29 De tandformule: Hierin staat hoeveel tanden en kiezen er in elke helft van jouw kaak zitten. Een tandformule lees je vanuit het midden. Pieter Buma

30 Basisstof 7: verzorg je gebit.
Tandplak = bacteriën, etensresten en speeksel. Door tandplak kan jouw tandvlees gaan ontsteken (ontsteking = bacteriën groeien) Tandsteen is hard geworden tandplak. Fluoride in tandpasta zorgt ervoor dat jouw tandglazuur extra hard wordt. Bacteriën maken gaatjes, doordat er een zuur in hun uitwerpselen zit. Hierdoor lost jouw tandglazuur op. Pieter Buma

31 Basisstof 8: De weg van het voedsel. Pieter Buma

32 De mondholte. Je tanden snijden. Je kiezen vermalen.
Er komt speeksel bij het voedsel. In speeksel zit een enzym dat zetmeel in kleinere stukjes kan hakken. Het zetmeel verandert dan in glucose. Pieter Buma

33 De slokdarm. Is een buis tussen jouw mond en jouw maag.
Duwt het voedsel van je mond naar jouw maag toe (peristaltische beweging). Pieter Buma

34 De maag. Bewaart het voedsel eventjes.
Kneedt het voedsel.(peristaltische beweging) Voegt maagsap toe. Het maagsap bevat zoutzuur, dit doodt bacteriën en schimmels. Geeft het voedsel door aan de darmen ( de 12-vingerige darm). Pieter Buma

35 De twaalfvingerige darm.
Komt meteen na de maag en is ongeveer twaalf vingers lang (naast elkaar gelegd). Hier wordt verteringssap uit de alvleesklier toegevoegd Door de lever wordt een hulpstof (gal) aan het voedsel toegevoegd. Gal kan vet en olie verspreiden in hele kleine druppeltjes en helpt op deze manier met het verteren. Na de 12-vingerige darm komt het voedsel in de dunne darm. Pieter Buma

36 De dunne darm. Voegt darmsap toe om de laatste restjes te verteren.
Geeft het verteerde voedsel (voedingsstoffen) af aan het bloed. (hier gaat het uiteindelijk allemaal om!) Na de dunne darm komt het voedsel in de dikke darm. Pieter Buma

37 De dikke darm. Haalt zoveel mogelijk water uit jouw voedsel.
Haalt de laatste restjes voedingsstoffen uit jouw voedsel. Geeft de rest door aan je endeldarm. Pieter Buma

38 De endeldarm. Hier worden de onverteerde voedselresten eventjes bewaard (poep). Aan het eind van de endeldarm zit de anus. De anus is eigenlijk een gat dat wordt afgesloten door een spier. Als de spier ontspant kan de poep naar buiten toe. Pieter Buma

39 Wat is dan de blinde darm?
Eigenlijk is dit een doodlopende weg. Aan het einde zit een stukje verschrompelde darm. Dit noemen we het wormvormig aanhangsel. In dit wormvormig aanhangsel kunnen bacteriën zich ophopen en een ontsteking veroorzaken. Dat noemen we een blindedarm ontsteking. Pieter Buma

40 Extra basisstof 9: Hoeveel moet je eten en drinken?
Als je meer doet moet je ook meer eten. Jouw lichaam kan met het voedsel in het bloed de volgende dingen doen: Bewegen door spieren. Elektriciteit maken om te denken. Warmte maken om jouw lichaam warm te houden. Het voedsel veranderen in reservestoffen of bouwstoffen. Pieter Buma

41 Energie. De hoeveelheid energie die je nodig hebt hangt van een aantal dingen af. Ik noem hier een paar: Geslacht (jongens gebruiken meer energie dan meisjes) Leeftijd (als je jong bent heb je meer energie nodig, voor onder andere groeien) Hoe groot je bent (meer cellen betekend meer energie nodig) Energie geven we aan met Joule. Meestal vind je kilojoule of kJ. Pieter Buma

42 Teveel of te weinig eten.
Als je teveel eet gaat jouw lichaam de energie bewaren in de vorm van vet op bepaalde plaatsen in het lichaam. Meestal vlak onder de huid. (Je wordt dikker) Als je te weinig eet gaat jouw lichaam de hoeveelheid vetreserve afbreken en maakt er weer energie van. (Je valt af) Pieter Buma

43 Extra basisstof 10: Eerlijk zullen we alles delen.
Ondervoeding: er is te weinig eten. Eenzijdig eten: er is maar een soort voedsel. Overvoeding: er is te veel eten. Oplossingen voor voedseltekort: voedsel erheen brengen. Mensen daar leren hoe ze zelf voedsel kunnen verbouwen. Pieter Buma

44 Extra basisstof 11: Hoe werken verteringssappen?
Verteringssappen bevatten enzymen. Enzymen: dit zijn stoffen die een reactie versnellen. Voor elke stof is er een apart enzym. (sleutel-slot) Pieter Buma

45 Speeksel. Bevat een enzym dat zetmeel in kleinere stukjes kan hakken.
Wordt gemaakt door speekselkliertjes in de mond. Pieter Buma

46 Maagsap. De maag maakt behalve zoutzuur ook een enzym.
Dit enzym kan goed eiwitten verteren. (vooral vlees bevat veel eiwitten) Het zoutzuur in de maag lost bacteriën en schimmels op. Zij gaan dan dood en kunnen ons niet meer ziek maken. Pieter Buma

47 Alvleessap. Dit sap wordt gemaakt door de alvleesklier.
Het sap bevat verschillende enzymen en kan daarom ook verschillende stoffen afbreken waaronder koolhydraten, vetten en eiwitten. De alvleesklier ligt achter de maag. Pieter Buma

48 Darmsap. Wordt gemaakt door de dunne darm.
Bevat enzymen die koolhydraten en eiwitten kunnen afbreken. Pieter Buma

49 Gal. Is eigenlijk geen verteringssap want er zitten geen enzymen in.
Zorgt alleen voor de verspreiding van vet. (net als een wasmiddel) Als het vet wordt verspreid kunnen enzymen uit het alvleessap er beter bij. Gal is eigenlijk afval van de lever. De lever gooit zijn afval in een zakje, de galblaas. Pieter Buma


Download ppt "Biologie voor jou; Thema 2."

Verwante presentaties


Ads door Google