De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Vragen vorige keer? Practicum vorige keer optimum temp stolling: hogere temperaturen (60º) toch stolling?? rode bloed cellen (rbc): hoogte van de laag.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Vragen vorige keer? Practicum vorige keer optimum temp stolling: hogere temperaturen (60º) toch stolling?? rode bloed cellen (rbc): hoogte van de laag."— Transcript van de presentatie:

1 Vragen vorige keer? Practicum vorige keer optimum temp stolling: hogere temperaturen (60º) toch stolling?? rode bloed cellen (rbc): hoogte van de laag rbc omgeving hyperosmotisch: via osmose water uit rbc: worden kleiner omgeving hypo-osmotisch: via osmose water naar rbc: worden groter omgeving iso-osmotisch (NaCl): gebeurt niets co-aggulatie eiwitten denaturatie eiwitten omgeving iso-osmotisch (Ureum): [ureum] omgeving> [ureum] rbc diffusie ureum naar rbc omgeving wordt hierdoor hypo-osmotisch (door afname hoeveelh ureum) via osmose water naar rbc: worden groter en knappen 1

2 Vragen vorige keer? in toets termen als ‘osmose’, ‘diffusie’, hypo-, hyperosmotisch begrijpen en kunnen gebruiken! Diffusievan een opgeloste stof van hoge naar lage concentratie van die stof resultaat: concentratie van die stof aan beide kanten gelijk Osmose altijd water! van lage naar hoge osmotische waarde van hoge concentratie water naar lage concentratie water resultaat: concentratie water aan beide kanten gelijk resultaat: osmotische waarde aan beide kanten gelijk resultaat: pér opgeloste stof hoeft de conc. niet overal gelijk te zijn!!! Semi-permeabel membraan 2

3 Immunologie 3 ! ethiek !

4 Immunologie Rode bloedcellen, Erythrocyten Witte bloedcellen, Leucocyten Plasma 4

5 Immunologie Immuunsysteem = Afweersysteem Bescherming tegen lichaamsvreemde “stoffen/organismen”  Pathogenen (ziekteverwekkers)  Transplantaten  bloed  huid  beenmerg  hart, nier, enzovoorts  Toxines  Abnormale lichaamscellen (kankercellen, geïnfecteerde cellen)  virussen  bacteriën  protisten  schimmels Microben = Micro-organismen  wormen 5

6 Immuunrespons 1) Aspecifiek 2) Specifiek  ‘aangeboren’ (‘innate’)  2e respons wordt niet versterkt  alle diersoorten (zie §43.1)  gebaseerd op gemeenschappelijke kenmerken van de pathogenen  1e respons relatief snel  ‘verworven’ (‘adaptive’, ‘acquired’)  alleen bij vertebraten aangetoond  2e respons wordt versterkt; geheugen !  gebaseerd op specifieke kenm pathogenen  1e respons relatief langzaam  Humoraal  Cellulair  Barrières  Interne respons immuunrespons 6

7 1) Aspecifieke immuunrespons  Barrières  Interne respons Barrières HuidMeerlagig epitheel Mucus (slijm)darm, long, urinewegen, gangen voortpl organen Uitscheidingen  ‘vangen’, ‘wegspoelen’ microben traan, speeksel, slijm (mucus) verhinderen binnenkomen  schadelijke omgeving (bv pH) Aspecifiek  antimicrobiële eiwitten (lysozyme) 7 Andere bacteriën (‘symbionten’ huid, darmen)

8 10  m Barrières trilhaarepitheel en mucusproducerende cellen luchtpijp Aspecifiek 8

9 Interne respons  Cellulair: fagocyten: fagocytose  Cellulair: ‘Natural killer cells’, NK-cells  Antimicrobiële eiwitten  Ontstekingsreactie Aspecifiek 1) Aspecifieke immuunrespons  Barrières  Interne respons chemische en cellulaire verdediging macrofaag die een gist-cel fagocyteert Fagocyt fagocytose productie anti-microbiele eiwitten initiatie ontstekingsreactie 9

10 Microbes Vacuole Fagocytose Fagocyterende cellen (fagocyten)  herkennen microbe specifieke macromoleculen (TLR; toll like receptors )  Neutrofielen ! (60-70% v alle wbc) signaal v geïnfecteerd weefsel trekt ze aan  Macrofagen ! (5% v alle wbc) “patrouilleren”, migreren permanent in bepaalde weefsels/organen (lever, milt, lymfeknopen) FAGOCYT lysosoom met enzymen en toxische stoffen exocytose debris Aspecifiek Interne respons 10  Eosinofielen  Dendritische cellen

11 Anti-microbiële eiwitten  vernietigen de membraan-integriteit (cel-lysis)  aspecifieke verdediging tegen virussen verhinderen verspreiding naar buurcellen, activatie macrofagen, Aspecifiek Interne respons  starten van ontstekingsreactie  spelen een rol in de specifieke immuunrespons (lysozyme, eiwitten van complement systeem, interferon) ontsteking ≠ infectie !! zwelling, rode kleur, warmte, pijn lichamelijk letsel of infectie kan tot ontsteking leiden 11

12 PathogeenSplinter Macrofaag Mest cell Chemische signalen Capillair Fagocyterende cel Rode bloed cel Ontstekingsreactie (inflammatory response) Mest cel:bindweefselcel, bevat secretie-granules produceert o.a. histamine locale bloedvatverwijding, toename permeabiliteit Activatie mestcellen en macrofagen Productie chemische signalen Interne respons Aspecifiek 12

13 Vloeistof PathogeenSplinter Macrofaag Mest cell Chemische signalen Capillair Rode bloed cel Fagocyterende cel Ontstekingsreactie (inflammatory response) bloedvatverwijding, toename permeabiliteit: in weefsel meer vloeistof met antimicrobiële eiwitten, lymfocyten, stollingsfactoren, enz. Activatie complement-eiwitten / aantrekken fagocyten Zwelling & rood worden van weefsel Interne respons Aspecifiek 13

14 Fagocytose PathogeenSplinter Macrofaag Mest cell Chemische signalen Capillair Rode bloed cel Vloeistof Fagocyterende cel Ontstekingsreactie (inflammatory response) Pus Fagocytose en inactivatie van microben Pus: vloeistof rijk aan wbc, dode microben en celresten Interne respons Aspecifiek 14

15 NK-cellen, Natural Killer cells  herkennen lichaamseigen cellen die geen MHC-I molecuul aan hun celoppervlak hebben (geïnfecteerde cellen, kankercellen –aspecifiek-) uitzondering: rode bloedcellen geen MHC-I!  productie chemicaliën: celdood Interne respons Aspecifiek In principe hebben alle kern-houdende cellen MHC-I aan hun cel-oppervlak. Na virale infectie of bij het veranderen van een cel tot tumorcellen, stoppen de cellen soms met het tot expressie komen van het MHC-1 NK cellen herkennen dit soort cellen, hechten zich eraan en geven stoffen af die tot celdood leiden. NB dit is een aspecifieke respons!!!! 15

16 1) Aspecifiek Interne respons  Fagocytose (cellulair)  ‘Natural killer cells’, NK-cells (cellulair)  Antimicrobiële eiwitten  Ontstekingsreactie Aspecifiek 1) Aspecifieke immuunrespons Barrières Direct contact met microben Signalen van aspecifieke immuunsysteem 2) Specifiek cytokines mf 16

17 2) Specifiek  Humoraal  Cellulair  ‘verworven’ (‘adaptive’, ‘acquired’)  2e respons wordt versterkt; geheugen !  gebaseerd op specifieke kenmerken pathogenen  1e respons relatief langzaam Antigeen = lichaamsvreemd molecuul dat specifiek herkend wordt door antigeen-receptoren op lymfocyten Bevat meerdere epitopen (antigene determinanten) Specifiek 1) Specifieke immuunrespons 17 B-cellen en T-cellen

18 b) Cellulair Lymfocyten B-cellen T-cellen T helpercellen cytotoxische T cellen in beenmerg (vogels: Bursa) in thymus productie van antilichamen productie van cytotoxische en T helper cellen Bevatten unieke antigeen-receptoren Alle antigeen-receptoren op één lymfocyt herkennen hetzelfde epitoop Specifiek 1) Specifieke immuunrespons a) Humoraal zie verderop (dia 33)!! 18

19 Fig. 43-9a Antigeen- bindings plaats Antigeen- bindings plaats Disulfide brug Variabele regio’s Constante regio’s Transmembraan gebied Plasma membraan Lichte keten Zware ketens Cytoplasma van B celB cel V V C C V V CC B-cel antigeen-receptor Specifiek 19

20 Fig. 43-9a Antigeen- bindings plaats Antigeen- bindings plaats Disulfide brug Variabele regio’s Constante regio’s Transmembraan gebied Plasma membraan Lichte keten Zware ketens Cytoplasma van B celB cel V V C C V V CC B-cel antigeen-receptor Specifiek 20

21 Antigeen- bindings plaats Epitopen (antigene determinanten) Antigeen Antilichaam (Ab) A Ab C Ab B CC C V V V V C Antigeen-bindings plaatsen B-cel, plasmacel: produceert Antilichamen (Ab’s) Ab A, B en C door verschillende plasmacellen geproduceerd! Verschil ????? Antigeen, Epitoop, Antilichaam, Antigene determinant, Antigeen-receptor Specifiek 21

22 Antigeen epitoop A epitoop B epitoop C epitoop A epitoop B epitoop C antilichaam, anti-C antilichaam, anti-B antigeen-determinanten Specifiek 22

23 Antigeen antilichaam, anti-C antibody, immunoglobuline (Ig) antilichaam, anti-B ‘antibody’, Immunoglobuline (Ig) antigeen-determinanten epitoop B epitoop A epitoop C Specifiek 23

24 Antigeen antilichaam, anti-B Immunoglobuline (Ig) B-cel Antigeen-receptor antigeen-determinanten epitoop B epitoop A epitoop C Specifiek 24

25 Fig. 43-9b Antigeen- bindings plaats Variabele regio’s Constante regio’s Transmembraan gebied Plasma membraan T cel  keten  keten Disulfide brug Cytoplasma van T cel C C V V T-cel antigeen-receptor Specifiek 25

26  Humoraal  Cellulair Functies Antigeen-bindingsplaatsen van B- en T-cellen Receptor B-cel Receptor T-cel Binden van antigenen via non-covalente binding bindt intact antigeen: vrij of celgebonden (aan het oppervlak v pathogeen) bindt antigeenfragment dat gepresenteerd wordt op cel-oppervlak door een MHC-eiwit MHC = major histocompatibility complex type immuunrespons afh van type cel dat antigeen presenteert Specifiek 26

27 MHC = major histocompatibility complex Twee klassen MHC-moleculen MHC-I  gemaakt door bijna alle cellen van het lichaam (uitz: cellen zonder kern, bv rode bloedcellen) MHC-II  alleen gemaakt door bepaalde celtypen, de zgn antigeen-presenterende cellen:  macrofagen  dendritische cellen  B-cellen  antigenen vaak in de cel geproduceerd (infectie)  antigenen dmv fago- of endocytose in cel gekomen  antigenen aangeboden aan cytotoxische T cel Specifiek 27  antigenen aangeboden aan T helper cel

28 Geïnfecteerde cel Antigeen fragment Klasse I MHC molecuul T cel receptor Antigeen bindt met MHC molecuul T cel herkent combinatiie Cytotoxische T cel T helper cel T cel receptor Classe II MHC molecuul Antigeen fragment Antigeen- presenterende cel Microbe Specifiek MHC-IMHC-II 28

29 Geïnfecteerde cel Antigeen fragment Klasse I MHC molecuul T cel receptor Antigeen bindt met MHC molecuul T cel herkent combinatiie Cytotoxische T cel T helper cel T cel receptor Klasse II MHC molecuul Antigeen fragment Antigeen- presenterende cel Microbe Specifiek MHC-IMHC-II 29

30 “Clonal selection” Geactiveerde B of T cellen versterken de immuunrespons door vele keren te delen: Twee klonen Effector cellen Geheugencellen leven kort vallen antigeen en pathogenen aan leven lang dragen receptoren specifiek voor het antigeen zorgen voor een snelle, hoge secundaire respons ! Specifiek Een antigeen activeert slechts een hele kleine fractie van alle lymfocyten (nl. die lymfocyten die over de juiste antigeen-receptor beschikken) 30 Antigeen-binding leidt tot activatie lymfocyt

31 Clonal selection van B-cellen: Humorale respons !! Fig B cellen verschillend in antigeen- specifiteit Antilichamen Antigeen receptor Antigeen moleculen Kloon van geheugencellen Kloon van plasmacellen Specifiek humorale respons 31

32 Antilichamen tegen A Antilichamen tegen B Antilichaam concentration (arbitraire eenheden) Blootstelling aan antigeen A Blootstelling aan antigenen A and B Tijd (d) Secundaire immuun-respons sneller, hoger, langer Specifiek, humorale respons 32

33 Humorale immuunrespons activatie en ‘clonal selection’ van effector B-cellen productie antilichamen (antibodies) door plasmacellen Cellulaire immuunrespons activatie en ‘clonal selection’ van cytotoxische T-cellen identificatie en vernietiging target cellen T-helpercellenhelpt beide responsen Figuur (7 th ed), (8 th ed) bevat oppervlakte molecuul CD4 CD8 Specifiek 1) Specifieke immuunrespons 33

34 Cellulaire immuniteit (aanval geïnfec- teerde cellen) Humorale immuniteit (antilichaamproductie door plasmacellen) Rol van T-helper cellen (opp molecuul CD4) antigeen presenterende cellen Th (CD4) Th geheugen Thcytokines B-cel activatie T-cel activatie (cytotoxische) dendritische cellen macrofagen B-cellen bel. in primaire respons bel. in secundaire respons humorale respons Specifiek 34 activatie

35 Fig Antigeen- presenterende cel Eiwit antigeen Cellulaire immuniteit (aanval geïnfec- teerde cellen door cytotoxische T-cellen) MHC –II molecuul CD4 TCR (T cell receptor) T-helper cel Humorale immuniteit (antilichaamproductie door plasmacellen) Cytotoxische T cel Cytokines B cel Bacterie Rol van T-helper cellen (opp molecuul CD4) Specifiek 35

36 Rol van cytotoxische T cellen (opp molecuul CD8) effectorcellen in de cellulaire respons Nodig voor activatie:  signaal van Th cel  interactie met antigeenpresenterende cel dragen antigeen+MHC-I op cel-oppervlak Tc cel bindt met CD8 aan MHC-I targetcel; blijven in contact Tc cel scheidt proteïnen uit: geen reproductie pathogeen meer celresten worden gelabeld door Ab’s Specifiek Targetcellen geïnfecteerde cellen, kankercellen getransplanteerde cellen cellen kapot en dood 36

37 Fig Cytotoxische T cell Perforin Granzymes TCR CD8 MHC-I molecuul Target cell Eiwit antigeen Rol van cytotoxische T-cel (opp molecuul CD8) geactiveerde cytotoxische T cel: bindt aan MHC-I-antigeen-complex via de T cel receptor (TCR) mbv CD8 eiwit Specifiek: cellulair 37

38 Fig Perforin Granzymes TCR CD8 Target cell Porie Fig Rol van cytotoxische T-cel (opp molecuul CD8) Cytotoxische T cell MHC-I molecuul Eiwit antigeen perforine vormt poriën in celmembr. granzymen breken eiwitten af (na endocytose) Specifiek: cellulair 38

39 Perforin Granzymes TCR CD8 Target cell Porie Released cytotoxic T cell Stervende target cel Rol van cytotoxische T-cel (opp molecuul CD8) Cytotoxische T cell MHC-I molecuul Eiwit antigeen Fig kan andere cellen aanvallen Specifiek: cellulair 39

40 Specifiek Overzicht specifieke immuunrespons Humoral immune response Cell-mediated immune response 1e blootstelling aan antigeen Antigeen opname & prestentatie door dendritic cells Activate Gives rise to Helper T cell Active and memory helper T cells 40

41 Specifiek Overzicht specifieke immuunrespons Humoral immune response Cell-mediated immune response First exposure to antigen Antigens engulfed and displayed by dendritic cells Antigens displayed by infected cells Activate Gives rise to Helper T cell Cytotoxic T cell Active and memory helper T cells Memory cytotoxic T cells Active cytotoxic T cells Defend against infected cells, cancer cells, and transplanted tissues Secreted cytokines activate 41

42 Humoral immune response Cell-mediated immune response First exposure to antigen Intact antigens Antigens engulfed and displayed by dendritic cells Antigens displayed by infected cells Activate Gives rise to B cell Helper T cell Cytotoxic T cell Plasma cells Memory B cells Active and memory helper T cells Memory cytotoxic T cells Active cytotoxic T cells Secrete antibodies that defend against pathogens and toxins in extracellular fluid Defend against infected cells, cancer cells, and transplanted tissues Secreted cytokines activate Specifiek Overzicht specifieke immuunrespons 42

43 Humorale immuunrespons B-cellenextracellulaire pathogenen Nodig voor activatie (targets):  cytokines Th cellen (die ‘t zelfde antigeen hebben ‘ontmoet’)  antigeen B-cel presenteert alléén het antigeen waar het specifiek aan bindt (itt macrofagen en dendritische cellen -aspecifiek !-) B cel + antigeen receptor mediated endocytose (inname enkele antigenen) antigeen + MHC-II complex: presentatie aan Th direct cel-cel contact = B-cel activatie Duizenden plasmacellen, 2000 Ab’s/sec 4 a 5 dgen Specifiek: humoraal 43

44 Fig Antigeen-presenterende cel Bacterie antigeen MHC-II molecuul TCR CD4 T-helper cel Humorale immuunrespons Specifiek: humoraal 44

45 TCR CD4 B cel geactiveerde T-helper cel Cytokines + Antigeen-presenterende cel Bacterie antigeen MHC-II molecuul T-helper cel Humorale immuunrespons Specifiek: humoraal 45

46 TCR CD4 Cytokines + antilichamen Kloon van geheugen B cellen Kloon v plasma cellen Antigeen-presenterende cel Bacterie antigeen MHC-II molecuul T-helper cel B cel geactiveerde T-helper cel Fig Humorale immuunrespons Specifiek: humoraal 46

47 Rol antilichamen neutralisatie opsonisatie blokkeren binding virus aan celoppervlak vergemakkelijken fagocytose activatie complement systeem Binding van Antilichaam aan antigeen lichaamsvreemde cel Binding van dit complex aan een vd complement eiwitten cascade aan opeenvolgende reacties Membraan-aanvalscomplex: porie in celmembraan cellysis & productie fact die ontsteking of fagocytose stimuleren Specifiek: humoraal Rol antilichamen agglutinatie‘cross-linken’ van antigenen 47

48 Virale neutralisatie Virus Neutralisatie blokkeren binding virus aan celoppervlak Specifiek: humoraal Rol antilichamen 48

49 Opsonisatie Bacterie Macrofaag vergemakkelijken fagocytose Opsonisatie Specifiek: humoraal Rol antilichamen 49

50 activatie complement systeem Activatie complement systeem en porie vorming Complement eiwitten vorming membraan aanval- complex Water en ionen stroom Pore Lich vreemde cel Specifiek: humoraal Rol antilichamen 50

51 agglutinatie Specifiek: humoraal Rol antilichamen agglutinatie ‘cross-linken’ van antigenen door de antilichamen de antilichamen vormen een soort van bindmiddel tussen de antigenen. Hierdoor ontstaan groepjes ‘aan elkaar geklon- terde’ antigenen die door fagocytose opgenomen kunnen worden 51

52 5 typen antilichamen IgMpentameereerste Ig na eerste blootstelling aan antigeen; neutr en crosslinking IgGmonomeermeest aanwezig in bloed passieve immuniteit moeder-foetus IgAdimeermet name in secreties (melk, traan, IgEmonomeerin lage conc in bloed triggert mestcellen, allergische reacties IgDmonomeerop celoppervlak B-cellen Eigenschappen worden ook gebruikt in laboratoria om bepaalde celcomponenten aan te tonen (bv immunohistochemie) Specifiek: humoraal figuur

53 Positieve feed-back tussen aspecifieke en specifieke immuniteit fagocytose macrofagen en dendritische cellen presenteren antigenen stimuleren Th cellen stimuleren B-cellen Specifiek & aspecifiek 53

54 Kunstmatige immuniteit: Immunisatie, vaccinatie actieve immuniteit passieve immuniteitvia moeder; géén geheugencellen duur beperkt bv IgG via placenta IgA borstvoeding actieve immunisatieintroductie geïnactiveerde antigenen (verzwakte, niet pathogene deeltjes) inductie primaire respons & immunologisch geheugen passieve immunisatieinjectie antilichamen tbv neutraliseren toxines Specifiek Immuniteit / Immunisatie, vaccinatie Natuurlijke Immuniteit na natuurlijke blootstelling infectie actie van eigen lymfocyten 54

55 Transplantatie Immuunrespons op lichaamsvreemde cellen van soortgenoten ‘Grafts’de te transplanteren weefsels / organen Variatie: verschillende MHC molec.; combinaties MHC-allelen alleen identieke tweelingen dezelfde set MHC moleculen Donorzoveel mogelijk overeenkomst met recipiënt Beenmergtransplantatie Graft versus host reactie donor kan het lichaamsweefsel van de recipiënt afstoten hoe beter het MHC van donor en recipiënt matcht, hoe minder kans op afstotingen bestraling recipiënt & immuunsysteem ‘platleggen’ 55

56 Bloedgroepenzie ook tabel 43.1, practicum Immuunrespons op lichaamsvreemde cellen van soortgenoten type A B O AB I A I A, I A i I B I B, I B i IAIBIAIB ii genotype A B A & B niets op cel-oppervlak anti B anti A géén anti A of anti B anti A én anti B antilich-productie Aan welke bloedgroepen kan iemand met bloedgroep O doneren? 56

57 Extreme, afwijkende immuunresponsen Allergieoverdreven respons op allergenen IgG en histamine van mestcellen anti-histaminen paragraaf 43.5 zelf doornemen ! Auto-immuunziekten (rheuma, ms) Verzwakte afweer (erfelijk, kanker, stress) Immunodeficientie primair, immunodeficientie secundair 57

58 Evolutie ontwikkeling van een immuunsysteem ontwikkeling van systemen om dit immuun- systeem te ontwijken antigene variatieverandering in antigeen-expressie (bv mutaties griepvirus) uitwisselen genen humane virus met virus van landbouwhuisdieren (bv vogelgriep) ‘latency’virussen die latent aanwezig zijn bv herpes aanvallen immuunsysteem gastheer (bv HIV) Evolutie 58

59 AANGEBOREN AFWEER ASPECIFIEKE AFWEER Snelle reacties op een breed spectrum van infecties VERWORVEN AFWEER SPECIFIEKE AFWEER Trage reacties op specifieke infecties Barrières Interne afweer Fysisch: huid, slijm, traan Chemisch: pH, lysozym Fagocyten Antimicrobiële eiwitten Onstekingsreactie Natural killer cellen Humorale afweer (antistoffen) Cellulaire afweer (cytotoxische lymfocyten) Binnendringende lichaamsvreemde “stoffen” pathogenen Overzicht immuunsysteem 59 “innate”“acquired”

60 Immuuncellen = Witte bloedcellen = Leukocyten macrofagen neutrofiele, eosinofiele, basofiele leukocyten fagocyten lymfocytenB-cellen, Plasmacellen T-cellen T-helper cellen Cytotoxische T-cellen Cellen, namen vergeet het figuur van het lymfe-systeem niet! 60

61 Veel verschillende antigenen Veel verschillende lymfocyten!! één individu: > 1x10 6 verschillende B-cellen > 10x10 6 verschillende T-cellen élk met een specifieke antigeen-bindingsplaats ! Hoe mogelijk uit ca genen (humaan) zo’n diversiteit aan Antigeen-receptoren ?? Specifiek Specifieke immuunrespons Lymfocyten 61

62 Diversiteit aan antigeen-receptoren uit ca genen (humaan) Bijvoorbeeld: een immunoglobuline, lichte keten: CC VV JJ V segment, variabel J segment, ‘joining’ C segment, constant DNA tbv: 40 verschillende V segmenten 5 verschillende J segmenten 1 C segment 40x5=200 combinaties Zware keten ook combinaties iedere combi zwaar/licht = verschillende antigeenbindingsplaats 1.65 x 10 6 verschillende B-cellen Specifiek Random herschikking van genen 62

63 ontwikkeling van lymfocyten Stamcellen in beenmerg: bloedcellen T-cellenrijpen in thymus (zwezerik) B-cellenrijpen in beenmerg Drie belangrijke ontwikkelings-fases  herschikking van genen  testen en verwijderen zelf-reactieve lymfocyten  klonale selectie random! zie eerdere dia falen: auto-immuun ziektes (bv ms) Specifiek 63


Download ppt "Vragen vorige keer? Practicum vorige keer optimum temp stolling: hogere temperaturen (60º) toch stolling?? rode bloed cellen (rbc): hoogte van de laag."

Verwante presentaties


Ads door Google