De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Het neo- en het ordoliberalisme. De historische ontwikkeling en uitstraling van de Mont Pèlerin Society volgens Philip Plickert in zijn proefschrift Wandlungen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Het neo- en het ordoliberalisme. De historische ontwikkeling en uitstraling van de Mont Pèlerin Society volgens Philip Plickert in zijn proefschrift Wandlungen."— Transcript van de presentatie:

1 Het neo- en het ordoliberalisme. De historische ontwikkeling en uitstraling van de Mont Pèlerin Society volgens Philip Plickert in zijn proefschrift Wandlungen des Neoliberalismus Rob Lommerse, Piet Moerman, Sjaak Evers

2 Philip Plickert Geboren 1979 in München, London School of Economics Abschluss als Master of Science in Wirtschaftsgeschichte. Seine Interessen für ökonomische wie historische Fragen führten ihn zu einer Dissertation über die ideengeschichtliche Entwicklung des Neoliberalismus wurde er an der Universität Tübingen mit „summa cum laude“ promoviert. Seit April 2007 ist er Mitglied der Frankfurter Algemeine Z.-Wirtschaftsredaktion und schreibt dort über volkswirtschaftliche Themen erhielt er den Ludwig-Erhard-Förderpreis für Wirtschaftspublizistik, Er hat einen Sohn im Grundschulalter.

3 Opzet van de Presentatie Indruk van het geheel aan de hand van de inhoudsopgave van het boek In detail: – ontwikkeling Walter Lippmann colloquium in 1938, voorloper MPS Mont Pèlerin Society (MPS), voor, in en na 1947 – uitstraling: Duitsland

4 Inhoudsopgave: 4 delen 10 hoofdstukken 1. Teil: Die Geburt des Neoliberalismus aus der Krise, p. 19 I. Aufstieg und Niedergang des klassischen Liberalismus, p. 21 II. Zwischenkriegszeit und liberale Selbstfindung, p. 49 III. Krisenbewußtsein und Revisionismus des Liberalismus, p Teil: Ortsbestimmung des Neoliberalismus, p. 113 IV. Der lange Weg zum Mont Pèlerin, p. 115 V. Aufbau, Strategie und Krise der MPS, p Teil: Die MPS bezieht Stellung: Auf verlorenem Posten? p. 195 VI. Positionen und Kontroversen in der frühen MPS, p. 197 VII. Neoliberale in der Politik: Durchbrüche und Durststrecken, p. 253: Deutschland 4. Teil: Beginn einer neoliberalen Gezeitenwende, p. 315 VIII. Der Kampf gegen den keynesianischen Konsens, p. 317 IX. Der Neoliberalismus an der Macht? p. 389 X. Resümee und Ausblick, p

5 5 Einleitung, p Forschungsstand und Quellenlage, p Aufbau der Darstellung, p Teil: Die Geburt des Neoliberalismus aus der Krise, p. 19 I. Aufstieg und Niedergang des klassischen Liberalismus, p Absolutismus, Merkantilismus + das liberale Plädoyer für den Freihandel, p Das 19-te Jahrhundert: Entfesselung der Märkte und Industrialisierung, p Liberale Ermüdungserscheinungen und „New Liberalism“, p Die Abkehr vom „kapitalistischen Ethos“ in Amerika, p Visionen einer geplanten Gesellschaft, p Der Krieg – Ende des alten Liberalismus, p. 46 (Laissez-faire) II. Zwischenkriegszeit und liberale Selbstfindung, p Zur Wirtschaftsrechnung im Sozialismus, p Die Österreichische Schule: Ludwig von Mises’ Privatseminar, p Die Londoner Schule: Edwin Cannan und die LSE-Liberalen, p Liberale Ursachenforschung zur Weltwirtschaftskrise, p Die „General Theory“ von Keynes, p Die Freiburger Schule und das Wettbewerbsproblem, p Amerikanische Wirtschaftspolitik in der Krise, p Eine liberale Widerstandsbastion: Die Chicagoer Schule, p. 80

6 III. Krisenbewußtsein und Revisionismus des Liberalismus, p Walter Lippmanns Aufruf zur liberalen Revision: „The Good Society“, p Louis Rougier und die französischen Liberalen, p „Le Colloque Walter Lippmann“ 1938, p. 93 (Geburt) 4. Der Neoliberalismus als Krisenprodukt, p Zwei Pole des erneuerten Liberalismus, p Die Entstehung des Neoliberalismus im Spiegel der Wissenschaftstheorie, p.106

7 Teil: Ortsbestimmung des Neoliberalismus, p. 113 IV. Der lange Weg zum Mont Pèlerin, p The Road to Serfdom, p Reaktionen: Gegner und Gleichgesinnte/ Geistesverwandte, p Hayeks Rede am King’s College und der Kontakt zu Röpke, p Das Zeitschriftenprojekt „Occident“ und die Rolle Albert Hunolds, p Letzte Vorbereitungen und Kontroversen, p Konkrete Bedrohung und Hayeks langfristige Strategie, p Der Mont Pèlerin: Ortsbestimmung des Neoliberalismus, p. 138 V. Aufbau, Strategie und Krise der MPS, p Langsamer Anlauf der Aktivitäten, p „Kampf der Ideen“ und „Mut zur Utopie“: Haykes strategische Perspektive, p Organisation und Aufbau der Gesellschaft: Das Tandem Hunold und Hayek, p Die wichtigsten Mitglieder und Redner in den fünfziger Jahren, p Zerwürfnisse, Querelen und ein erfolgreiches Jubiläum, p Die Finanzierung der Gesellschaft, p Die „Hunold-Affäre“: Die große Krise der MPS, p Gewichtsverschiebung innerhalb des Neoliberalismus, p. 190

8 Teil: Die MPS bezieht Stellung: Auf verlorenem Posten? p. 195 VI. Positionen und Kontroversen in der frühen MPS, p Zur Wettbewerbspolitik: Zwischen Regulierung und Liberalisierung, p Zu Keynesianismus und Gewerkschaften, p Zur Währungsordnung, p. 216 (Bretton-Woods) 4. Zu Wohlfahrtsstaat und neoliberaler Sozialpolitik, p. 223 (“Vitalpolitik”) 5. Zum Agrarprotektionismus, p Zu Kolonialismus und Entwicklungshilfe, p Europa zwischen Integration und Zentralisierung, p Zusammenfassung: Auf verlorenem Posten? p.251 VII. Neoliberale in der Politik: Durchbrüche und Durststrecken, p. 253 (Uitstraling) 1. Deutschland: Neuanfang in Ruinen, p Italien: Stabilisierung in unsicheren Zeiten, p Frankreich: Etatismus mit Tradition, p Großbritannien: Der Weg zum keynesianisch-wohlfahrtsstaatlichen Konsens, p Vereinigte Staaten: Die Nachwirkungen des New Deal, p. 301

9 Deutschland: Neuanfang in Ruinen, p Der Uberzeugungstater: Ludwig Erhard, p Ordoliberaler Vorarbeiten zur Wirschaftsreform, p Auftakt zum “Wirtschaftswunder” und die Rolle des MPS, p Müller-Armack und die “Soziale Marktwirkschaft”, p Die zahe Kampf um die Wettbewerbsordnung, p Das “Sunderegister” der sozialen Marktwirtschaft, p Auseinandersetzung mit dem Osten, p. 279

10 Teil: Beginn einer neoliberalen Gezeitenwende, p. 315 VIII. Der Kampf gegen den keynesianischen Konsens, p Die MPS konsolidiert sich: Neue Attacken gegen den Keynesianismus, p Die Revolte von 1968 und die Reaktionen der Neoliberalen, p Deutschland: Bedeutungsverlust des Ordoliberalismus, p Vereinigte Staaten: Das Erbe der Reformära, p Großbritannien: Der erstarrte Konsens, p Chile: Ein warnendes Beispiel, p „Hochgemuter Pessimismus“: das 25-Jahr-Jubiläum der MPS, p Akademischer Durchbruch der Neoliberalen, p. 361 (Nobelprijzen !) 9. Die MPS zwischen „Monetaristen“ und „Strukturalisten“, p Währungssystem und Geldstabilität, p Die Wandlung des Neoliberalismus: Revision der Wettbewerbspolitik, p Ausbau des weltweiten neoliberalen Netzes, p Zwischen Hoffen und Bangen: „Is the Tide Turning?“ p. 386 IX. Der Neoliberalismus an der Macht? p Großbritannien: Josephs „Konversion“ und der Aufstieg Thatchers, p Vereinigte Staaten: Der Aufstieg Ronald Reagans, p Frankreich: Ein schwieriges Pflaster für die Neoliberalen, p Deutschland: Abschied von der Globalsteuerung, p Europa: Festung oder offener Markt? p „Socialism is dead, but Leviathan lives on“, p Die MPS nähert sich dem Laissez-faire, p. 462 X. Resümee und Ausblick, p. 467

11 Actualiteit: L’histoire se répète ? Oud liberalisme = Laissez-faire Crisis 30-er jaren Neo- / Ordoliberalisme Oud liberalisme = Laissez-faire Crisis 2008 ? Neo- / Ordoliberalisme ? A-A / R ?

12 Economie: Politiek ONTWIKKELING Keynesianisme - Collectivistische tijdgeest 30-er jaren70-er jaren Laissez-faireNeoliberalisme Staat: - voor de volkomen concurrentie, persoonlijke vrijheid - tegen mono-/oligopolies, kartels, privileges Laissez-faire London SEWenenFreiburgChicago Nobelprijs: MisesEucken1974Hayek HayekRöpke1976Friedman Rüstow Müller-A MPS Erhard 3 successen: Thatcher Reagan

13 Hoofdrolspelers SchoolRondomMet: Wenen Groep Ludwig (von) MISES Friedrich (von) HAYEK Chicago groep Milton FRIEDMAN Freiburg groep Walter EUCKEN Wilhelm ROPKE Overigen Alexander RUSTOW

14 Walter Lippman Colloquium Het zelfreguleringsmechanisme van de markt bleek in de tijd tussen de 2 wereldoorlogen zwaar beschadigd. Zo werd op het Walter Lippman Colloquium in 1938: – expliciet afscheid genomen van de oude liberale leer van Laissez-faire – een actieve ordenende rol (een positieve ordeningsmacht) van de staat in de concurrentiepolitiek geëist

15 Trigger Het Walter Lippmann Colloquium in 1938 in Parijs is de voorloper van de vroege MPS. Basis is het boek “The Good Society” van de Amerikaan Walter Lippmann, n.a.v. de New Deal van Roosevelt: – Deel 1 van het boek: New Deal leidt tot geleidelijke collectivisering – Deel 2 van het boek: “Reconstructed Liberalism”

16 Lippmann - Rougier New Deal geleidelijke collectivisering: – strijd om gunst en voorrechten van de staat, – in economisch slechte tijden of in arme landen, als er niet veel te verdelen valt, slaat strijd om in totale collectivisering, zoals in Italië en Duitsland, – strijd om grondstoffen ontaardt in oorlog. Toen The Good Society verscheen, liet de Fransman Louis Rougier het vertalen en in zijn uitgeverij uitgeven. Lippmanns huwelijksreis naar Europa gaf Rougier gelegenheid colloquium met hem te organiseren: 26 – 30 aug. ’38, in de Rue Montpensier 2, in het Internationale Instituut voor Intellectuele Samenwerking

17 Concurrentie & concentratie Mises: het kenmerk van Liberalisme is respect voor het individuele eigendom van de productiemiddelen. Precies die komt in gevaar door de poging (interventie) de ontwikkeling naar grootbedrijf door wetten tegen kartels en trusts tegen te houden. Dit hindert de voortschrijdende rationalisering van het bedrijf. Interventie is probleem in plaats van oplossing ! Ordoliberalen willen een alles omvattende staatspolitiek van economische deconcentratie van de economie

18 De Sociale Kwestie Meerderheid (Mises c.s.) gelooft in het zelf oplossend vermogen van de markt. Minderheid (Rustow c.s.) redeneert sociaal-ethisch. Rüstow: zijn sociologische These: materiele welvaart is niet voldoende, mens is een sociaal wezen. Het klassieke, streng individualistische liberalisme verwaarloosde dit. Crisis is geen economische, maar een Vitaliteitscrisis in het algemeen en een integratie crisis in het bijzonder. S.E.: Fenomenoloog Heidegger (van de Rijnlandse wetenschapsfilosofische opvatting) werkte (ten dele) ook in Freiburg, sprak ook over vitaliteit ! Ze hebben vast met elkaar in verbinding gestaan !

19 Röpke & Rüstow Eisen een radicaal opnieuw inrichten van het liberalisme op basis van de sociale context van mensen. De ware oorzaak van de ontevredenheid van de arbeider is de de-vitalisering van hun bestaan; in de fabrieken van alle natuurlijke verbindingen ontworteld. De wereldeconomiecrisis is het economisch gevolg van deze ontbrekende sociale structuur. Het Liberalisme moet een op decentralisering van de economie en op re-integratie van de arbeidsmarkt gerichte politiek ontwikkelen: de verbinding van functionerende concurrentie niet alleen met rechterlijke en institutionele kaders maar ook met een gere-integreerde maatschappij van vrijwillig samenwerkende en vitaal tevreden mensen is het enige alternatief voor Laisser-faire en Totalitarisme. Het gaat hier dus niet meer enkel om economische aanpassingsinterventies, maar om een gezondmaking van de maatschappijstructuur, een holistische “Vitalpolitik”, die de buiten-economische voorwaarden moet scheppen voor een marktmaatschappij die kan overleven. S.E.: Hier wordt dus een interessant link gelegd tussen het organisatie- en het samenlevingsniveau

20 Accenten binnen Ordoliberalisme Eucken stelde een strenge, aparte ordeningspolitieke constructie voor. Röpke, Rüstow en Müller-Armack (schepper van het woord Sociale Markteconomie, kwam na WO II bij de Ordoliberalen) ging het om de inbedding van het markteconomische in een sociale en morele ordening

21 Agenda van het Liberalisme Fundamenten van een vernieuwd economisch liberalisme: - Vrije prijzen en vrije markten, - binnen een wettelijk raamwerk, - dat door algemene normen bepaald moet worden (Lijkt op Model van Oliver Williamson in NEO, S.E.)

22 De term Neoliberalisme Benaming van de Filosofie wordt niet helemaal ‘rondgebreid’. Mogelijkheden (liberale politiek van links, liberalisme van links, positief liberalisme, sociaal liberalisme, neoliberalisme. Eerder zagen we al: Individualisme en Manchesterisme) worden geopperd en besproken (we willen niet de zaak van een politieke partij verdedigen, een politieke positie innemen). “Neoliberalisme” is later in het definitieve verslag van het Colloquium opgevoerd, hetzij door Marlio, hetzij door Rougier

23 Tot zover (1) Historica Milène Wegmann (familie van de andere M. W. ??) toont eigenheid van het Neoliberalisme tegenover het oude liberalisme, heeft het over: 1.afscheid nemen van Laissez-faire, 2.nieuwe duiding van de verhoudingen tussen Staat, economie en maatschappij: het concept van de concurrentieordening, doorgezet door een sterke, boven de belangengroepen staande Staat, die zo het ontstaan van geconcentreerde machtsstructuren zou kunnen verhinderen. Deze opvatting komt zij vooral tegen bij de Freiburger Schule, maar ook bij de vroege Chicago School. Derde Weg centraal in het Neoliberalisme, waarbij zij in eerste instantie steunt op Rüstow en Röpke. Het neoliberalisme verbindt het begrippenpaar Vrijheid en Orde essentieel anders (centraler m.b.v. de staat) dan het oude liberalisme (decentraal zonder staat)

24 Tot zover (2) Opvallend is dat Neoliberalisme en Keynesianisme ongeveer tegelijkertijd in de vroege 30-er jaren ontstonden. Beide economiewetenschappelijke innovaties zijn reacties op de crisis van de klassiek liberale economie van het interbellum. Terwijl Keynes de conclusie trok de premissen van de markteconomische zelfregulering verregaand, m.n. echter m.b.t. de arbeidsmarkt, op te geven, gingen de verschillende neoliberale scholen voor een voorzichtige revisie, waarin zij de kern van het liberalisme overeind hielden, echter meer waarde toekenden aan de randvoorwaarden

25 Economische stelsels en Economen: ORDE Communisme (rood) Totalitarisme Collectivisme Nationaal Socialisme (zwart) Fascisme (bruin) Keynesianisme Keynes Neoliberalisme Ordoliberalisme Accent op: - Institutioneel Eucken Accent op: - Cultureel Rustow & Ropke Klassieke liberalen Mises & Hayek Oud Liberalisme Radicaal liberaal Laissez-faire VRIJHEID

26 Mont Pèlerin Society Mont Pèlerin berg in Zwitserland aan het meer van Geneve. In Hotel du Parc heeft F.A. von Hayek samen met Wilhelm Röpke en Albert Hunold rondom de Paasdagen van 1947 een groep van 39 wetenschappers en publicisten uit de hele wereld verzameld, die na 10 dagen overleg de Mont Pèlerin Society (MPS) oprichten.Mont Pèlerin Society Doel van de MPS: – tegen collectivistische ideologische tendensen vechten, – de markteconomie als vrijheidslievend systeem redden

27 Ontwikkeling van de MPS Het belang van delen in de MPS en het ideologische zwaartepunt van het Neoliberalisme tegelijk verschoof met de jaren: – van: de Duitse, ordoliberale, sociologisch georiënteerde richting (Röpke en Rüstow) – naar: de Amerikaanse (jongere generatie van de Chicago-school), radicaal-liberale richting, die weer neigt naar concurrentiepolitieke Laissez-faire, deels: – een generatiekwestie – door politieke ontwikkelingen – door economische veranderingen – door interne conflicten binnen de MPS

28 De MPS ontwikkelde zich tot de belangrijkste internationale vereniging van neoliberale intellectuelen, een soort Generale Staf van de markt-liberale economen. 8 leden kregen Nobel prijs: – Hayek in 1974 – Milton Friedman in 1976 – George Stigler in 1982 – James Buchanan in 1986 – Maurice Allais in 1988 – Ronald Coase in 1991 – Gary Becker in 1992 – Vernon Smith in

29 In 3 gevallen succes: – Erhard, – Thatcher, – Reagan

30 VII. Neoliberalen in de Politiek: Deutschland 1.Voorwerk van de ordoliberalen 2.Opmaat naar het Wirtschaftswunder 3.Ordoliberalisme vlgs. Eucken 4.Muller-Armack (M-A) & de Soc. Marktec. 5.De taaie strijd om de Concurrentieordening 6.De invoering van het Pensioenstelsel (3 x 2 hoofdstukken)

31 1. Voorwerk van de ordoliberalen (1) In Nov schrijft Eucken in “Concurrentie als grondprincipe van de Economiewetgeving”: Eerst moet [na de oorlog] (…) de kartelstructuur in de economie afgebroken worden, alsmede een werkzame monopoliecontrole worden ingevoerd, dan is een terugkeer naar de vrijer markt denkbaar. Een dergelijke ordening op basis van concurrentie noemde Eucken ‘Derde Weg’ tussen Laissez-faire en Planeconomie

32 Eind Januari 1948 was de eerste bijeenkomst van een Wetenschappelijk Beraad van het Amerikaans-Britse bi-zonale Bestuur voor Economie (waarvan Erhard in Maart 1948 directeur wordt). Planning lijkt gecompliceerd en complex (bureaucratie). Het Eindverslag van het Wetenschappelijk Beraad bevatte Euckens centrale pleidooi voor de vrijgave van prijzen. Economie en Monetaire hervorming moeten samen, anders is monetaire hervorming zinloos, zelfs gevaarlijk

33 2. Opmaat naar het Wirtschaftswunder In zijn Aantrede rede op 21 april 1948 pleit hij voor – gelijktijdige hervorming van het monetaire stelsel en van de economie, – voor bevrijding van de sturing van de economie door de staat en van de al het leven overwoekerende bureaucratie. “De persoonlijkheid dodende gelijk makerij is een verkeerd begrepen sociaal ethos, dat niemand helpt, het hele volk echter schaadt”

34 Verrassend gaven de bezettingsmachten maar tot 20 juni 1948 voor de hervorming van het monetaire stelsel. Verwijzend naar tijdnood lukte het Erhard de Frankfurter Raad voor de Economie te overrompelen. Een krappe meerderheid stemde in. Nog op de avond na de hervorming van het monetaire stelsel kondigde Erhard voor de radio aan de komende week een groot deel van alle prijscontroles op te heffen

35 Müller-Armack: de prijsvrijgave is niet de sprong in het donker en de chaos, maar omgekeerd de stap uit de chaos in de natuurlijke ordening ! De Duitse volkseconomie leefde verrassend snel weer op !

36 Een grote hulp was een positief rapport van Röpke, geschreven in opdracht van Adenauer. Onder de titel Is de Duitse economiepolitiek de juiste ? verdedigde Röpke Erhard’s politiek. Hij spreekt over - een succes dat zijn weerga in de economie geschiedenis niet kent ! - Buitenlanders, die naar Duitsland terugkeren spreken van een Wonder

37 Zelfs tijdens de Koreacrisis bleef Erhard overeind. Met de Koreacrisis ging de Duitse volkseconomie juist zeer krachtig groeien. - In de 50-er jaren nam het Duitse BIP (Bruto Inlands Product = bruto binnenlands product) gem. zo’n 8 % per jaar toe, in het sterkste jaar van de eerste (?) groeicyclus, 1955, met 12 %. - De werkloosheid was in 1950 nog 12 %, verdween tegen het midden van de 50-er jaren. Er ontstond een tekort aan arbeidskrachten

38 Het Wirtschaftswunder was geen wonder, zo zei Hunold e.a. in de MPS: het succes van de politiek van de markteconomie is het gevolg van de losmaking van de individuele krachten in het kader van een economieordening die individuele belangen richt op gezamenlijke belangen. Een gevolg van keuzes, visie, moed en handigheid van Erhard, zou ik (S.E.) zeggen, zegt Hayek ook (ongeveer) !!

39 3. Ordoliberalisme vlgs. Eucken (1): 7 “constituerende” principes 1.Het vrije prijs mechanisme, naar het ideaal van de volledige concurrentie, o.g.v. zijn analyse van het vroegere falen van de Duitse economie; 2.Stabiliteit van de waarde van het geld, o.g.v. de traumatische ervaring van Duitsland tussen de 2 wereldoorlogen; 3.Openheid van de markt, ook een les vanuit het verleden; 4.Privé eigendom, geeft - een efficiënte inzet van productiefactoren - politieke vrijheid en onafhankelijkheid; 5.Verdragsvrijheid 6.Plicht tot Aansprakelijkheid 7.Consistentie in de economische politiek, waardoor investeerders kunnen plannen

40 Ordoliberalisme vlgs. Eucken (2): “regulerende” principes 1.Controle op monopolies en Kartelvernietiging, om volledige concurrentie te krijgen 2.Een zekere correctie (door belastingen) van de door de markt bereikte inkomensverdeling 3.Maatregelen ter correctie van negatieve externe effecten en abnormale ‘Angebots’-reacties 4.Anti-conjunctureel gedrag zoals een politiek ter stabilisering van de monetaire politiek

41 Ordoliberalisme vlgs. Eucken (3): Een en ander zijn het raamwerk van de Economiewetgeving, die volgens ordoliberalen de staat moet maken en verdedigen. Dit vergt “Constructivistische” actie, die de ordoliberale conceptie onderscheidt van de oude liberale idee van een evolutionaire (door decentrale coördinatie spontaan ontstaande) orde. De ordoliberalen zien de economiewetgeving als een collectief goed, waarvan het nut algemeen is en waarvan niemand mag worden uitgesloten. Dit kan niet privé gemaakt worden; daarvoor is de staat nodig, die als SCHEIDSRECHTER boven de spelers te staan heeft

42 4. M-A en SMe Het concept van de Sociale Markteconomie (S Me) ontstond bij Müller-Armack (M-A) langzaam. 1944: “Die Bewährungsprobe der Wirtschaftslenkung”, 2½ jaar later: deel van: “Wirtschaftslenkung und Marktwirtschaft”. In een afweging tussen die twee komt hij tot een vernietigend oordeel over de Economie van het Nationaal Socialisme

43 In ieder geval zag M-A geenszins een terugkeer naar het oude Liberalisme; o.a. omdat het prijsmechanisme ten onrechte als volledig functionerend werd beschouwd. Als alternatief zag hij een Gestuurde markteconomie, die zowel tegenover de Liberale markteconomie staat als tegenover de Planeconomie (Wirtschaftslenkung). In 1946 doopte M-A Gestuurde markteconomie om in Sociale Markteconomie (SMe)

44 Hoewel ‘Derde vorm’ en Synthese van Liberale markteconomie (these, S.E.) en Plan economie (antithese, S.E.), geen tussenvorm: - Markt en Prijsmechanisme moeten de fundamenten van de Economieordening zijn - de Staat echter de randvoorwaarden van de concurrentie garanderen en corrigerend ingrijpen waar dit in het belang van sociale doelen geboden schijnt, wel marktconform, om de signaalfunctie van het prijsmechanisme niet te verstoren. De dubbele optiek: - de markt als productieve welvaartsmotor behouden en zelfs uitbouwen, en tegelijk: - de wil tot sociale en culturele doelen niet verloochenen

45 1948: “Vorschlagen zur Verwirklichung der Sozialen Marktwirtschaft”: - een actieve concurrentiepolitiek, die oligopolie en monopolie moet verhinderen als grondprincipe - een lange lijst van maatregelen: --- enige nationale vestigings- en regionale politiek, --- stadsplanning en sociale woningbouw, --- ontwikkeling van het MKB (middenstand) en hulp bij de organisatie van samenwerking, --- inkomenshulp voor gering verdieners en uitbouw van de sociale verzekering voor hen, --- een gepaste conjunctuur- en werkgelegenheidspolitiek, alles ter correctie van de markt

46 Doel van zijn visie van een SMe was te verbinden de Principes van de - Vrijheid op de markt - Sociale vereffening. Met vereffening werd niet nivellering bedoeld, maar de poging een BALANS in de maatschappij te herstellen. De markteconomie was de welvaartsmotor, waarvan de resultaten dan ook voor de Maatschappij- en Sociale politiek gebruikt moeten worden

47 Middel versus doel Met deze instrumentele, functionele opvatting van de Me (Markteconomie) onderscheidt M-A zich van andere prominente MPS-leden zoals Eucken, Erhard en zelfs Hayek, die menswaardige ordening reeds in en met de privilege-loze Me vergaand verwerkelijkt zagen

48 Statisch versus dynamisch Een sleutelbegrip voor M-A was de “sociale Irenik” (vrede), de wil tot een overstijgende maatschappij opvatting ter verzoening van concurrerende en elkaar bestrijdende wereldbeschouwingen. Daartoe beschouwde M-A de SMe als een voortgaande gedachte, die op uitdagingen steeds nieuwe antwoorden heeft. In tegenstelling tot Eucken, die een gesloten concurrentieconcept wilde, had M-A geen vast beeld van een ordening

49 Ordoliberalismus (Eucken)Soziale Marktwirtschaft (Müller-Armack) Reine OrdnungspolitikOrdnungs- und Prozesspolitik Qualitative WirtschaftspolitikAuch quantitative Wirtschaftspolitik Streng wissenschaftliches Konzept mit klaren theoretischen Grenzen Pragmatischer Ansatz; weiche Grenzziehung; Einzelfallentscheidungen Ableitung aller Problemlösungen aus der Aufrechterhaltung der Ordnung Weiterhin Notwendigkeit der staatlichen Intervention zur Schaffung sozialen Ausgleichs bzw. Korrektur der Marktergebnisse „Richtige“ Wirtschaftspolitik entzieht der Sozialpolitik die Notwendigkeit Getrennte Bereiche Wirtschafts- und Sozialpolitik; Versuch der Austarierung von „Freiheit“ und „(sozialer) Sicherheit“ Statisches Konzept Ständige Weiterentwicklung; Anpassung an neue Herausforderungen (Wie zijn voorkeur gaat uit naar wat ?)

50 5. De taaie strijd om de Concurrentieordening Met de hervorming van de economie en het geldstelsel van 1948 (…) waren de belangrijkste “constituerende” principes van de door Eucken ontwikkelde Economieordening verwerkelijkt. M.b.t. de “regulerende” principes die Eucken opgesteld had, was het beeld minder helder. Het belangrijkste doel, Monopoliecontrole, was nog niet bereikt

51 Erhard gaf in 1949 opdracht te komen met een ontwerp van een Concurrentiewet. De Duitse ondernemers (BDI, Bundesverband der Deutschen Industrie) werkten flink tegen: – Een strikt Kartelverbod zou de internationale positie van de Duitse volkseconomie schaden. – Kartels hebben ook voordelen (scheppen arbeidsplaatsen). – Alleen het misbruik van Kartels moet verboden worden

52 De Duitse werkgevers (BDI) slaagden in hun lobbywerk. Erhard: – stond uiteindelijk enige uitzonderingen op de Kartelverbod regel toe: Konditionenkartels, export kartels en Rationaliseringskartels, – wilde het werkgeversverwijt van dogmatisme ontkrachten

53 In Juli 1957 was in de ‘Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen’ (GWB) nog wel het kartelverbod de regel. De oude Duitse Karteltraditie was gebroken. Een bescheiden succes voor de Duitse neo- bzw. ordoliberalen

54 6. De invoering van het Pensioenstelsel De succesgeschiedenis van de SMe slechts aan de snel stijgende materiele welvaart van Duitsland meten, wijzen de neo- bzw. ordoliberalen af. Hen ging het niet slechts om economische efficiency, maar om een maatschappij, die vrijheid en verantwoordelijkheid door een subsidiaire (!), markteconomische ordening in de juiste BALANS bracht. De SMe moet allen een zelfstandig leven mogelijk maken. Iedere beperking van de concurrentie en de keuzemogelijkheden stellen zij gelijk met beperkingen van de persoonlijke vrijheid. Met onbehagen volgden de Duitse neoliberalen, dat hier op enige gebieden slechts weinig voortgang, deels ook teruggang was

55 Erhard zelf schreef van een omvangrijk ‘Zondenregister’, ontstaan door: - het toegeven aan belangengroepen - gebrek aan economiepolitiek. Hij zag: - de Kartelneigingen van de industrie - de wens naar concurrentie vijandige beroepsordeningen - de roep om paritaire inspraak van de vakbonden - de pogingen tot uitbreiding van de “collectieve dwangverzekering”. “Al deze voorbeelden tonen, hoeveel slakken het markteconomische systeem nog ontsieren”

56 De groei van de collectieve welvaartstaat was in de ogen van de neoliberalen een echte bedreiging van de markteconomie. Sociale diensten van de staat moesten volgens de ordoliberalen minder, omdat de toenemende algemene welvaart meer zelfhulp en voorzieningen voor jezelf mogelijk maakte. Precies het tegenovergestelde begon

57 Erhard “Hoe vrijer de economie, des te socialer is ie ook”, in 1953 bij een vergadering van de Aktionsgemeinschaft Soziale Marktwirtschaft (ASM). Aktionsgemeinschaft Soziale Marktwirtschaft Volgens Hayek zei Erhard later in een MPS- bijeenkomst: “De markt is op zich sociaal, hoeft niet sociaal gemaakt te worden”

58 Zoals de Ordoliberalen bij de slag om de GWB in Juli 1957 slechts half succes hadden kunnen bereiken, zo was de een half jaar eerder (eind Januari 1957) besloten Pensioenhervorming een erge nederlaag, waarvan de verreikende consequenties pas tientallen jaren later duidelijk werden…

59 Vanaf 1955 tekent zich een drastische verhoging en dynamisering van het ouderdomspensioen af. Vooral tegen waren de prominente Duitse MPS-leden, met aan kop Erhard, die publicitair hulp hield van Röpke en Rüstow. Ze waarschuwden voor exploderende kosten en schadelijke aantrekkingskracht van een groot verzorgingssysteem. Vooral Röpke vreesde dat a.g.v. jarenlange hoogconjunctuur de ordeningspolitieke dammen zouden kunnen bezwijken. Zeer bezorgd schreef hij over het voorteken van MATELOOSHEID, die z.i. de kern van de markteconomie begon aan te tasten

60 Historie (S.E. vanuit de VOK van 15 juni 2011) Op 22 juni 1889 introduceerde de ijzeren kanselier Otto von Bismarck in het Duitse keizerrijk voor het eerst een regeling waarbij invaliden en mensen van 70 jaar en ouder een staatsuitkering kregen – Toen werden de mensen gem. 45 jaar oud en slechts enkelen haalden de 70. – De premie was niet meer dan 1,7 %, waarvan de opbrengst vooral naar invaliden ging. In 1916 tijdens WO I werd de pensioengerechtigde leeftijd in Duitsland verlaagd tot

61 De adviseurs van Adenauer presenteren het pensioen als een verdrag tussen de generaties, waardoor de tot dan verwaarloosde ouderen deelnemen in de stijgende welvaart. De MPS-neoliberalen stellen het dynamische staatspensioen voor als een avontuurlijke ingreep in de op zelfverantwoordelijkheid gebaseerde samenleving, die de wil tot zelfhulp zou gaan verstoren. De staat moest een basis leveren, maar daarbovenop moet de burger zelf verzorgen. Erhard waarschuwde voor de financiële risico’s van een drastisch uitgebreide staatspensioenverzekering. Bovendien zag Erhard c.s. acuut inflatiegevaar door een indexering van de pensioenen

62 Röpke bekritiseerde nog veel scherper in “Probleme der kollektiven Altersicherung”, spreekt over massaverzekering als prothese voor echte zekerheid en solidariteit, die de onmondigheid van de burger versterkt. Staats-solidariteit tussen de generaties wees hij af. Fout is het structuur- en moraalprincipe van de familie over te dragen van deze echtste van alle gemeenschappen op de in de Staat georganiseerde maatschappij als geheel, waardoor die in collectivisme gaat veranderen. Hij spreekt over “de overwinning van de sociaaldemagogen” (CDU/CSU + SPD versus FPD). ”Hier ziet U de moderne massademocratie aan het werk”

63 Zonder twijfel was de Pensioenherziening ook met het oog op de naderende verkiezingsstrijd door Adenauer geforceerd en met succes: ze kregen de absolute meerderheid. Op korte termijn had pensioenstelsel geen nadelen (inflatie), op lange termijn (pensioenlasten) wel, als de politiek verantwoordelijken al lang afgetreden zijn…

64 De goedkeuring van deze wet kan op goede gronden als het einde van de SMe gezien worden; het markeerde een beslissende verzaking van de politiek: – weg van de markt – naar de schepping van de welvaartsstaat

65 ModellenOnderliggende Economische systemen ORDE Communisme (rood) Totalitarisme Collectivisme Chinees modelPlaneconomieNationaal Socialisme (zwart) Fascisme (bruin) Keynesianisme (Sociaal democratie) KeynesSPD R model Sociale ( ) Markteconomie Müller- Armack CDU/CSU Ordoliberalisme Liberaal conservatief Institutioneel & Cultureel Erhard Eucken Rüstow & Röpke FPD Klassiek LiberaalMises & Hayek A-A modelLaissez-faire, Radicaal Liberaal, Oud Liberalisme VRIJHEID GEMEENSCHAPSZIN Cursief is toevoeging. Vet is hoofdzaak


Download ppt "Het neo- en het ordoliberalisme. De historische ontwikkeling en uitstraling van de Mont Pèlerin Society volgens Philip Plickert in zijn proefschrift Wandlungen."

Verwante presentaties


Ads door Google