De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Nectar Hoofdstuk 20: Evolutie  Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.  Tegenover.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Nectar Hoofdstuk 20: Evolutie  Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.  Tegenover."— Transcript van de presentatie:

1

2 Nectar Hoofdstuk 20: Evolutie

3  Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.  Tegenover de evolutietheorie staat het creationisme. Dit is de theorie van de schepping.

4  Jean de Lamarc was een van de eersten die een theorie opstelde over evolutie.  Hij geloofde in een geleidelijke verandering van soorten.  De evolutietheorie die nu algemeen van aard is, is door verschillende onderzoekers onafhankelijk van elkaar ontwikkeld.

5  Charles Darwin was een van de onderzoekers.  Zijn boek ” The origin of species” in 1859 betekende de definitieve doorbraak van de evolutietheorie.  We spreken dan ook van de neodarwinistische evolutietheorie of neodarwinisme.

6  Deze theorie gaat uit van diversiteit (verscheidenheid) in genotypen, natuurlijke selectie en soortvorming door reproductieve isolatie.  Door mutaties en recombinatie is er een grote diversiteit in genotypen binnen een populatie.

7  Natuurlijke selectie wordt door Darwin survival of the fittest genoemd.  Individuen met een betere aanpassing aan het milieu hebben een grote overlevingskans  Van individuen met een gunstig genotype zullen meer nakomelingen in leven blijven en zich voortplanten dan individuen met een ongunstig genotype.

8  Soorten evolueren (veranderen) als door natuurlijke selectie de mutanten blijven voortbestaan en individuen van de oorspronkelijke vorm uitsterven.  Door een grote diversiteit in genoypen heeft een soort een grote overlevingskans.

9  Begrippen die horen bij natuurlijke selectie:  De draagkracht van het milieu  Selectiedruk  Adaptatie  Soortvorming door reproductieve isolatie: gedurende lange tijd vindt er geen voortplanting plaats tussen individuen van verschillende populaties

10  Fossielen: versteende overblijfselen van organismen, of afdrukken van organismen in gesteenten.  De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van fossielen heet paleontolgie.

11  Fossielen kunnen ontstaan als dode organismen niet vergaan, bijvoorbeeld doordat ze worden bedekt door sedimenten.  De ouderdom van fossielen kan betrouwbaar worden vastgesteld aan de hand van radio- isotopen.

12  Uit de gevonden fossielen blijkt dat er in de loop van de evolutie soorten zijn ontstaan, veranderd en/of verdwenen.  Gidsfossielen: fossielen van soorten die zich in relatief korte tijd over grote gebieden hebben verspreid en daarna zijn uitgestorven.

13  Fossielen  Vergelijkende anatomie  Embryologie  Biochemie

14  Homologe organen hebben veel overeenkomst in bouw en hebben een gelijke embyonale ontstaanswijze.  Homologie duidt op verwantschap van organismen  De verschillen ontstaan door aanpassing aan verschillende milieus

15  Analoge organen vertonen overeenkomst in functie.  Analogie berust niet op verwantschap  Overeenkomsten zijn ontstaan door aanpassing aan hetzelfde milieu.

16  Rudimentaire organen hebben geen functie meer en komen niet of nauwelijks nog tot ontwikkeling.  Door rudimentaire organen wordt het aannemelijk dat verschillende soorten organismen een gemeenschappelijke voorouder hebben.

17  De embryonale ontwikkeling van verschillende soorten vertoont overeenkomst. Hierdoor wordt het aannemelijk dat deze organismen een gemeenschappelijke voorouder hebben.  De mens heeft in een vroeg embyonaal stadium o.a. kieuwspleten en een staart.

18  Verschillende soorten organismen vertonen grote overeenkomsten in samenstelling van stoffen, zoals eiwitten en DNA  Ook is er veel overeenkomst in de processen die zich binnen een cel afspelen in verschillende organismen, zoals mitose en meiose.

19  Genfrequentie: het percentage waarmee een bepaald allel deel uitmaakt van het totale aantal genen voor een eigenschap binnen een populatie  Als er geen andere beinvloedende factoren zijn, blijven de genfrequenties binnen een (grote) populatie gelijk.  Dit noemen we: het Hardy-Weinberg evenwicht of de regel van Hardy-Weinberg

20  In een populatie komt allel A met een genfrequentie p voor en allel a met een genfrequentie van q.  Meer allelen van dit gen zijn er niet, dus p + q = 1  Bij bevruchting kunnen de gameten (geslachtscellen) de volgende combinaties vormen:

21  een stabiele populatie, dwz ◦ Geen sterke groei ◦ Geen grote teruggang door sterfte ◦ Weinig emigratie ◦ Weinig immigratie  een voldoende grote populatie  geen selectievoordeel door een eigenschap

22  A x A > AA  A x a > Aa  a x A> Aa  a x a> aa  De frequentie waarmee elke combinatie voorkomt is het product van de genfrequentie van beide allelen.

23  In een schema:

24  In een formule is het HW-evenwicht dan:  p² + 2pq + q² = 1  Bij kansberekening in wiskunde staat 1 voor 100 %  De genfrequentie in een populatie kan worden berekend a.d.h.v. het percentage individuen waarbij het recessieve allel tot uiting komt (aa).

25  Er kunnen afwijkingen van het HW-evenwicht voorkomen door beinvloedende factoren zoals:  Natuurlijke selectie  Mutaties  Toevallige gebeurtenissen

26  Geografische isolatie  Gedrag  Door factor tijd.

27  Biogenese: het ontstaan van leven uit een levenloze materie.  De oeratmosfeer was waarschijnlijk een mengsel van stikstofgas, koolstofdioxide, koolstofmono-oxide, waterstofgas, methaan en waterstofsulfide. De oeratmosfeer bevatte geen zuurstof.

28  In de oeratmosfeer ontstonden o.a. door bliksemontladingen kleine organische moleculen.  In de oerzeeen werd door een indikking een organische oersoep gevormd, waarin grotere moleculen en vervolgens de eerste cellen uit zijn ontstaan.  De eerste organismen waren prokaryoot. Het waren heterotrofe anaerobe bacterien.

29  Deze geeft een verklaring voor het ontstaan van organellen.  Door instulpingen van het celmembraan ontstond de celkern. > eukaryote eencelligen.  Vrij levende aerobe bacterien werden ingesloten en ontwikkelden zich tot mitochondrien

30  Vrij levende cyanobacterien werden ingesloten en ontwikkelden zich tot chloroplast.

31  Je moet een geologische tijdschaal kunnen lezen.  Je moet een stamboom van organismen kunnen aflezen.


Download ppt "Nectar Hoofdstuk 20: Evolutie  Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.  Tegenover."

Verwante presentaties


Ads door Google