De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Gespreksvaardigheden Week 2. /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1 /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Gespreksvaardigheden Week 2. /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1 /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1."— Transcript van de presentatie:

1 Gespreksvaardigheden Week 2

2 /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1 /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1

3 Programma vandaag Bespreken leerdoelen Bespreken toetsing module Herhaling basisvaardigheden communicatie Oefenen met feiteninterview aan de hand van een casus

4 Bespreken leerdoelen

5 Komen tot leerdoelen Concrete ervaring Wens om anders te reageren Omvormen tot voornemen Uitproberen Evalueren Je stelt jezelf een doel

6 Leerdoelen Kennis Houding Vaardigheden (maken dus onderdeel uit van competenties) Persoonlijk Functioneel

7 Wat heb je nodig om het doel te bereiken? Je geeft jezelf aanwijzingen hoe je in bepaalde situaties wilt handelen. (welke alternatieven voor mijn gedrag?)

8 Een goed leerdoel Werkwoord (gedrag) Zelfstandige naamwoorden (gebied/onderwerp) Tijdsaanduiding (wanneer) Ik kan aan het eind van dit studiejaar, een feiteninterview afnemen (zonder attitudes). Ik kan aan het eind van dit studiejaar onderscheid maken tussen E-in en E-ex vragen.

9 SMARTI S = specifiek M = meetbaar A = acceptabel/ambitieus R = realistisch T = tijdsgebonden I = interessant

10 Wat is er mis met de volgende leerdoelen? Ik wil me minder onzeker voelen. Ik wil het woord vragen in een werkoverleg. Voor het einde van dit kwartaal heb ik 6 presentaties gegeven. Ik wil met ouders een gesprek kunnen voeren.

11 Bespreken toetsing

12 Voorwaarde deelname toetsing Het startdocument, zoals besproken in week 1 Logboek per week, boek_voorbeeld.doc wekelijks afgetekend door de docent, met als leervragen: - Met welke leerdoel(en) ben je bezig? - Wat heb je geleerd van het boek? - Wat heb je geleerd van de les(sen)? - Welke opdrachten of oefeningen heb je gedaan? - Wat heb je daarvan geleerd? - Denk terug aan een gesprek dat je deze week gevoerd hebt. Wat viel op? - Vragen en opmerkingen

13 Toetsing 50 % - reflectieverslag volgens Groen van een gesprek dat de 4 aspecten bevat die in de les zijn behandeld (feiten- en attitideinterview, probleemverheldering en slecht-nieuwsgesprek). Het gesprek is in de klas gevoerd of opvraagbaar door de docent. Omvang 2 A % - Schriftelijke toets (40 MC-vragen) over de hoofdstukken 1 t/m 6 uit het boek van Donders, vindt plaats in de toetsweek. Beide cijfers moeten voldoende zijn (5.5) en vormen samen het eindcijfer.

14 Herhaling basisvaardigheden

15 Algemene gespreksvaardigheden Actief luisteren Vragen Samenvatten Feedback geven/ ontvangen Empathie tonen

16 Actief luisteren Goed luisteren = Je zodanig richten op degene die je wat wilt vertellen, dat deze de gelegenheid krijgt en gestimuleerd wordt om mee te delen wat voor hem werkelijk van belang is.

17 Luistergedrag Maak oogcontact Neem een geïnteresseerde houding aan Moedig de verteller aan door te gaan Vraag verduidelijking als je iets niet begrijpt Vraag gerust door

18 Luistergedrag Vat af en toe samen Laat eigen associaties, meningen en opvattingen achterwege Houd je eigen emoties onder controle Jaag de ander niet op Wees niet bang voor stiltes Oefenen!!!!!

19 Luisteroefening. Met deze oefening leer je niet alleen hoe je zelf luistert, maar ook hoe moeilijk of gemakkelijk je het voor een ander maakt om naar jou te luisteren. De oefening kan het beste in drietallen gedaan worden, maar eventueel ook in tweetallen. Er worden drietallen geformeerd. De deelnemers noemen we A, B en C. A en B voeren een gesprek met C als scheidsrechter. A en B kiezen een onderwerp waar een discussie over mogelijk is. Het moet geen interview worden, maar een levend gesprek. Politiek gevoelige thema’s lenen zich daar heel goed voor.

20 De regels zijn: A vertelt iets. B geeft (in eigen woorden) een samenvatting van wat hij A heeft horen zeggen. A bevestigt de juistheid van B’s samenvatting. B vertelt iets. A geeft een samenvatting van B. B bevestigt de juistheid van A’s samenvatting. A vertelt iets. Enzovoorts. Als de samenvatting volgens de ander niet correct is, krijgt de samenvatter één herkansing. Is de samenvatting dan nog niet goed, vertelt de ander het opnieuw. Als degene die wat mag zeggen dat te kort doet, wordt het een papegaaioefening en dat is niet de bedoeling. In een normaal gesprek beperk je je ook niet tot 1 of 2 zinnen als je een ander van iets wilt overtuigen.. De rol van de scheidsrechter is toe te zien op naleving van de regels. Niemand geeft een antwoord zonder een geaccordeerde samenvatting gegeven te hebben. Na elk gesprekje van + 10 minuten worden de volgende vragen beantwoord: 1. Wat maakte het luisteren zo moeilijk? 2. Wat was de invloed op het gesprek van het geven van samenvattingen? Vervolgens voeren B en C een gesprek met A als scheidsrechter en daarna A en C met B als scheidsrechter.

21 Soorten vragen Open vragen Gesloten vragen Waarom-vragen Suggestieve vragen Verdiepende vragen Verbredende vragen Vragen ter verduidelijking (doorvragen)

22 Vragen stellen Open vragen gebruik als je echt wilt begrijpen wat de ander bedoelt (waarom denkt iemand dat …..) Gesloten vragen gebruik je wanneer je precies kunt afbakenen wat je wilt weten (Zit jij op de Hogeschool Rotterdam?)  antwoordruimte beperkt Waarom-vragen (speciaal de aandacht richten op de mening of gevoelens van een ander… bv Hoe denkt u over, Wat vindt u van? Kunt u iets meer vertellen over?) Pas op voor: streng en verwijtend

23 Vragen stellen (E-in) vragen sluiten aan bij wat de ander heeft gezegd (doorvragen in diepte) (E-ex) vragen stellen juist nieuwe aspecten aan de orde (jij bepaalt de inhoud van het gesprek).

24 Samenvatten Inhoudelijke samenvatting (beknopte weergave van de inhoud van het gesprek) Gevoelsreflectie (weergave van het onderliggende gevoel)  als de inhoud wordt gebruikt om het gevoel te verwoorden.

25 Drie vormen van samenvatten Letterlijk herhalen wat de ander zegt Samenvatten voor de rode draad Parafraseren (kernachtig het besprokene weergeven)

26 Regels voor het geven van feedback  Beschrijf concreet gedrag  Vertel erbij wat het je doet  Wacht niet te lang  Wees niet uitsluitend negatief  Doe suggesties voor verbetering  Wees uitnodigend

27 Regels voor het geven van feedback  Geef bruikbare feedback  Doseer je feedback  Vraag om een reactie  Let op nonverbaal gedrag van de ander  Wees zo kort mogelijk  Houd rekening met het incasseringsvermogen van de ander

28 Regels voor het ontvangen van feedback  Luister naar de nader  Ga na of je de ander goed begrijpt  Vraag door  Vraag na bij anderen  Vraag naar de betekenis die je gedrag voor de ander heeft

29 Regels voor het ontvangen van feedback  Accepteren betekent niet dat je het er mee eens bent  Laat eerlijk blijken wat het je doet  Bepaal zelf of je je gedrag wilt veranderen

30 Oefening Feedback geven Opdracht: Vorm een groepje van drie personen (A, B en C). A en B lezen één van de onderstaande situaties en bedenken hoe ze hierover op een goede manier kritiek kunnen geven aan C. Denk daarbij aan de regels van kritiek geven: Beschrijf het gedrag: wat doet de ander dat onacceptabel is? Beschrijf het effect: waarom is dat gedrag onacceptabel, wat zijn de gevolgen, wat betekent het voor anderen? Geef jouw verwachting aan: wat vind je dat er moet veranderen? Beschrijf het resultaat: wat gebeurt er als de ander wel verandert en wat gebeurt er als de ander niet verandert? A geeft vervolgens kritiek aan C. /haar doet. Kan C er iets mee? Kan het nog beter geformuleerd worden, zodat C er nog meer mee kan? Na deze nabespreking wissel je van rol. Situatie 1 Als er bij Jan iets misgaat, begint hij onmiddellijk te vloeken. Hij heeft nogal een luide stem en anderen klagen dan ook wel eens over zijn taalgebruik. Je hoort net dat Jan iets uit zijn handen laat vallen, en ja hoor, hij begint weer te vloeken. Situatie 3 Nicolien maakt overal snel een rommel van. Ze laat alles slingeren en ook aan het eind van de dag ruimt ze haar rommel niet op. Jij moet vandaag de orde doen in de klas. Het is bijna kwart na vier en ze maakt nog geen aanstalten om de rommel op te ruimen. Situatie 4 Suzan heeft de gewoonte om scherp en onvriendelijk te praten tegen haar klasgenoten. Als ze haar iets vragen noemt ze hen ´stom´. Je hebt net gehoord hoe ze uitviel tegen een nieuwe leerling. Situatie 5 Erik komt met een dranklucht na de middagpauze terug de school binnen. Hij loopt waggelend en geeft luid en brutaal commentaar aan klasgenoten en anderen. Sommige leerlingen deinzen achteruit.

31 Empathie tonen  Is het vermogen om je in te leven in de gevoelens van anderen.  X9tI X9tI  Twee niveaus van empathie:  1. hulpverlener gaat in op de gevoelens die de cliënt uit in het gesprek  2. hulpverlener verwoordt de gevoelens van de cliënt expliciet, zonder dat de cliënt deze heeft geuit.

32 Oefenen met alle basisvaardigheden in een gesprek Casus: oefenen Geef aan wat je een lastig gesprek vindt..schrijf op post-it… Casus maken

33 Oefenen met het feiteninterview 3.11 Als basis voor het slechtnieuws-gesprek

34 Gesprek hans teeuwen tdsz-0 tdsz-0

35 huiswerk Lees/leer Hoofdstuk 4 Logboek Leerdoelen formuleren en uitwisselen


Download ppt "Gespreksvaardigheden Week 2. /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1 /watch?v=Mr7BcihX6sM& NR=1."

Verwante presentaties


Ads door Google