De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

College 3 Psychoanalyse. Sheets: Kamer: ML. 02,423.

Verwante presentaties


Presentatie over: "College 3 Psychoanalyse. Sheets: Kamer: ML. 02,423."— Transcript van de presentatie:

1 College 3 Psychoanalyse

2 Sheets: Kamer: ML. 02,423

3  H2 Psychoanalyse

4

5 De grondlegger van de psychoanalyse is de Weense neuroloog Sigmund Freud (1856 – 1939)

6  Subjectieve ervaringen van een persoon zijn essentieel  Aansturing van gedrag geschiedt bewust en onbewust  Mensen hebben een onbewuste  Gedrag wordt aangestuurd door (onbewuste) wensen en verboden op wensen (conflictmodel)  Toevallig gedrag bestaat niet, alles is betekenisvol  Ervaringen uit de eerste levensjaren zijn vaak bepalend voor later gedrag

7  Gestart met Sigmund Freud  Inzichten uit de psychoanalyse zijn vaak veranderd  Natuurwetenschappelijke benadering  Romantische benadering  Belangrijke levensmomenten van Freud hadden invloed op zijn theorievorming:  Hypnose  Publicatie ziektegeschiedenis  Standaardwerk ‘Droomduiding’

8  Verschillende soorten psychoanalyse. Te vergelijken met een rivierdelta  Na Freud veel bekende ‘andere’ psychoanalytici  Carl Jung  Alfred Adler  Anna Freud

9  Wij zijn geen baas in eigen brein, maar ons leven wordt mede bepaald door irrationele en onbewuste wensen  Bij onze geboorte hebben we twee – tegengestelde – driften: seksualiteitsdrift en agressiedrift.  Ons leven wordt mede bepaald door onze levensgeschiedenis: ervaringen kindertijd  Elk mens heeft zowel normaal als gestoord gedrag. Optimistisch: de mensheid is gebaat bij bewustwording

10  Mensbeeld  De psychoanalyse kent twee mensbeelden Mechanistisch mensbeeld: complex gedrag wordt gereduceerd tot zijn essentie Personalistisch mensbeeld: zingeving door bewustwording van onderliggende oorzaken van gedrag  Biopsychosociale model  Moderne psychoanalyse stelt het psychische niveau centraal Biologische en omgevingsinvloeden worden gefilterd door subjectieve ervaringen

11  Onbewuste mentale processen  Psychische structuur  Psychoseksuele ontwikkeling  Verdedigingsmechanismen  Praktijktheorie

12  Het bewuste. Dat wat zich onder onze aandacht afspeelt  Secundair proces: realiteitsprincipe  Het voorbewuste. Kennis en ervaringen die met moeite op te roepen zijn  Het onbewuste. Kennis, gevoelens en wensen waarvan we geen weet hebben maar die ons gedrag wel sturen  Primair proces: lustprincipe

13  Het Id Functioneert onbewust en irrationeel Psychische structuur van baby bestaat volledig uit het Id  Het Ego Functioneert bewust maar ook ten dele onbewust Ontstaat in het eerste levensjaar en functioneert rationeel  Het Superego Bevat waarden en normen: het geweten Functioneert als ‘tot de orde roepende’ Ontstaat rond het vierde en vijfde levensjaar

14 Een model van Id, Ego en Superego en het bewuste en onderbewuste

15

16  Vroegkinderlijke ontwikkeling kent opeenvolgende fasen  Psychische en seksuele ontwikkeling volgen de lichamelijke ontwikkeling  Bij normale ontwikkeling doorloopt het kind de achtereenvolgende fasen  Bij een problematische ontwikkeling kan een kind blijven steken in een fase of terugvallen Fixatie Regressie

17  Orale fase  Anale fase  Fallische fase  Oedipale fase  Latentiefase  Genitale fase

18  Mond is erogene zone  Conflict rond het thema ‘afhankelijkheid’  Leren om de verzorgende te vertrouwen

19  Anus is de erogene zone  Thema ‘autonomie en zelfcontrole’  Eigen wil en eigen ik  Kind kan omgeving beïnvloeden en controleren

20  Geslachtsdeel is erogene zone  Erotische activiteit wordt afgekeurd: lust en schuldgevoel  Gaat over in Oedipale fase:  Rivaliteitsconflict met vader  Incestueuze drang naar ouder van andere sekse  Jongens: castratieangst. Oplossing: identificatie met vader  Meisjes: penisnijd. Oplossing: identificatie met moeder

21  Periode van emotionele rust  Duurt tot puberteit

22  Fase van volwassenheid  Ontwikkeling van intieme relaties

23  John Bowlby  Hoe werkt kindertijd door in de volwassenheid? Meer mechanistische werkwijze  Kijkt minder naar subjectieve beleving  Hechting als soortspecifiek gedrag met kritieke periodes  Directe kindobservaties  Maakt gebruik van kennis over dierengedrag

24 Verschillen met klassieke psychoanalyse:  Minder nadruk op de rol van fantasie  Driften zijn niet per se aangeboren en kunnen later in het leven ontstaan. Driften zijn gericht op objecten  Kinderen beseffen veel eerder dan tijdens de oedipale fase hun seksuele identiteit Uitgangspunten:  Fase 1: eerst een symbiotische relatie tussen moeder en kind  Fase 2: separatie-individuatieproces  Fase 3: emotionele objectconstantie

25  Psychische stoornissen zijn uitingen van onbewuste conflicten  Vroegkinderlijke ervaringen spelen een rol  Een stoornis is een symptoom van een onbewust conflict Voorbeeld  Depressie  Als gevolg van symbolisch verlies van een persoon  Een streng Superego produceert schuldgevoelens als er (onbewuste) agressieve gevoelens zijn  Verschil tussen Superego en de werkelijkheid  Angst  Angst als symptoom van een onbewust conflict tussen Id en Superego

26  ‘Onbegrijpelijk’ gedrag begrijpelijk maken. Psychoanalyse als uitlegkunde  Belangrijke begrippen aangeleverd voor de praktijktheorie Verdedigingsmechanismen Overdracht en tegenoverdracht

27  Onze psyche kent processen met als doel onbewuste wensen, trauma’s niet actief te herinneren  Weerstand is een ander begrip  Functie: bescherming tegen ‘psychische’ pijn  Er zijn er veel en ze zijn heel verschillend

28  Neurotische Iedereen heeft ze We kunnen er helemaal geen weet van hebben, maar soms beseffen we de werking wel Verdringing, verplaatsing, reactieformatie, isoleren van gevoel, ongedaan maken, somatiseren, vermijden, rationaliseren  Volwassen Gewenste mechanismen Sublimatie, altruïsme, humor  Primitieve Moeilijk te behandelen Vaak vroeg in kindertijd ontstaan Ontkenning, splitsen, projectie

29 Wat zie je in dit figuur?

30  Het verplaatsen van gevoelens door de cliënt Gevoelens afkomstig uit de kindertijd Van een persoon uit de kindertijd naar een ander persoon uit het heden (meestal de hulpverlener) Vaak onbewust proces  Het is een herhaling  Het is inadequaat  Het kunnen positieve en/of negatieve gevoelens zijn

31  Gevoelens van de hulpverlener in reactie op de overdrachtsgevoelens van de cliënt  Gevoelens kunnen bewust of onbewust zijn  Tegenoverdracht speelt in elke hulpverleningsrelatie

32

33  Risico dat de psychoanalyse als ‘gesloten’ theorie wordt gebruikt  Moeizaam met wetenschappelijk onderzoek te combineren  In ‘evidence based’ onderzoek komt de psychoanalyse er niet goed van af

34  H3 behaviorisme

35 In de psychoanalytische theorie wordt mede uitgegaan van het conflictmodel. Waartussen speelt dit conflict zich af?theorie A. Tussen ervaringen uit de kinderjaren en hoe iemand als volwassene terugkijkt op zijn kindertijd.kinderjaren B. Tussen de twee driften: de levensdrift en de doodsdrift. C. Tussen (onbewuste) wensen en het verbod om deze te verwezenlijken.

36  De (vermeende) pessimistische visie van de psychoanalyse wordt vooral verbonden met: A. de nadruk op invloed van de ervaringen uit de eerste levensjaren en de passieve rol van het kind hierin. B. het standpunt dat de mens geen baas is over zijn eigen brein en gedrag, want het onbewuste – dat we slecht kunnen beïnvloeden – stuurt altijd mee. C. het standpunt dat ons leven mede door de aangeboren doodsdrift en levensdrift bepaald wordt.

37  De (latente) inhoud van een droom zou volgens Freud informatie verschaffen over: A. het Superego. B. het Id. C. het onbewuste.

38  De hechtingstheorie van Bowlby kan verbonden worden met meerdere mensbeelden uit de psychologie. Van welk mensbeeld kan met zekerheid gezegd worden dat deze niet goed verbonden kan worden met Bowlby’s theorie? A. Het mechanistische mensbeeld. B. Het personalistische mensbeeld. C. Het organistische mensbeeld.

39  De hechtingstheorie van Bowlby kan verbonden worden met meerdere mensbeelden uit de psychologie. Van welk mensbeeld kan met zekerheid gezegd worden dat deze niet goed verbonden kan worden met Bowlby’s theorie? A. Het mechanistische mensbeeld. B. Het personalistische mensbeeld. C. Het organistische mensbeeld.

40 Het bestaan van het onbewuste is niet ‘hard’ te bewijzen. Freud leverde een aantal argumenten om het bestaan aannemelijk te maken.  Wat vind jij van deze argumenten en welke bezwaren kun je er eventueel tegen aanvoeren?  Zijn jouw bezwaren zo stevig dat je niet in het onbewuste ‘gelooft’?  Als je wel in het onbewuste ‘gelooft’, wat zijn jouw overwegingen dan?

41 Lees kader 6 (Een sociale fobie: je eigen naam niet durven noemen, p. 81). In dit verhaal is een aantal verdedigingsmechanismen te herkennen.  Welke verdedigingsmechanismen zijn dit?  Leg ze uit.

42 Vorm kleine groepjes,en kies waar je het over wilt hebben.  Droomanalyse aan de hand van psychoanalyse  Analyse van ruzies/stress situatie aan de hand van verdedigingsmechanismen


Download ppt "College 3 Psychoanalyse. Sheets: Kamer: ML. 02,423."

Verwante presentaties


Ads door Google