De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

WORKSHOP INTERVIEWEN EN OBSERVEREN Project 3. Je kunt een analyse maken van een complexe pedagogische beginsituatie op basis van literatuuronderzoek en.

Verwante presentaties


Presentatie over: "WORKSHOP INTERVIEWEN EN OBSERVEREN Project 3. Je kunt een analyse maken van een complexe pedagogische beginsituatie op basis van literatuuronderzoek en."— Transcript van de presentatie:

1 WORKSHOP INTERVIEWEN EN OBSERVEREN Project 3

2 Je kunt een analyse maken van een complexe pedagogische beginsituatie op basis van literatuuronderzoek en verkenning (observaties, interviews) van de doelgroep en haar context (Van Daalen, 2015). DOEL

3

4 INTERVIEW - BEVRAGEN Het gaat erom data zo te verzamelen dat de resultaten niet beïnvloed zijn door: - de manier van vragen - de vragensteller -de plek waar het interview plaatsvindt -gekleurdheid (familie, bekenden) -sociaal wenselijke antwoorden

5 INTERVIEW Aanwezigheid personen: kan gedrag van respondent beïnvloeden. De plaats waar het interview wordt gehouden De vraagstelling (suggestieve vragen) ‘Wat vindt u van het feit dat het personeel niet eens meer tijd heeft voor een praatje met de bewoners?’ Non-verbale communicatie Het tijdstip De context

6 WAT WIL JE BEVRAGEN?  Vraag moet direct of indirect bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvraag.  Aan het begin en eind stel je natuurlijk eerst de respondenten op het gemak  Maak vragen die relevant zijn voor je onderzoeksvraag Doelen en vragen -Je wilt een onderwerp in kaart brengen -Je wilt erachter komen hoe iets voelt -Je wilt weten wat iemand vindt -Je wilt ideeën, praktijkvoorbeelden of oplossingen inventariseren -Je wilt inzicht krijgen in het kennisniveau

7 WIE EN OP WELKE WIJZE WIL JE BEVRAGEN? Wie wil je bevragen? -Reputatiemethode -Aspectenmethode -Steekproeftrekking Op welke wijze wil je bevragen? -Eenmalig of vaker? (nieuwe behandelmethode?) -Minder gestructureerd of zeer gestructureerd? (data-analyse)

8 VOORBEELDEN Nauwelijks gestructureerd: vertel eens hoe je huisbezoek is verlopen? Redelijk gestructureerd: geen aan hoe je huisbezoek is verlopen aan de hand van onderstaande thema’s. Voorbereiding, legitimatie en procedure, veiligheidsprotocol, waarneming, afsluiting, rapportage. Zeer gestructureerd: welke bronnen heb je geraadpleegd voorafgaand aan het huisbezoek? Welke punten heb je genoemd in je uitnodigingsmail? Zijn de volgende aspecten uit het veiligheidsprotocol in act genomen? (blijf voortdurend bij elkaar, belanghebbende als eerste de ruimte betreden, belanghebbende voorafgaan bij op- en aflopen van een trap, goed om je heen blijven kijken)

9 INDIVIDUEEL OF GROEPSINTERVIEWS? Individueel interview: gevoelig thema, geen beïnvloeding van de groep Groepsinterview: niet veel tijd, respondenten op elkaar reageren, vanuit verschillende perspectieven.

10 VOORBEELDEN

11 OPDRACHT Je hebt nu 3 filmpjes gezien. Formeer groepjes. Bespreek met elkaar de verschillen tussen de filmpjes op het gebied van interviewen.  Wat is jullie opgevallen?  Wie vond je goed/slecht en waarom dan?  Kun je hier iets van leren? En wat dan?

12 HET INTERVIEW Je maakt gebruik van een leidraad:  Beschrijving van het doel  Manier waarop het gesprek wordt vastgelegd  Beschrijving afspraken over anonimiteit en terugkoppeling van resultaten

13 OPBOUW Logische volgorde Structureer de vragen in blokken die bij elkaar horen Maak een ordening aan:  Eerst oude situatie bevragen, dan naar huidige situatie en dan naar gewenste situatie  Eerst visie en uitgangspunten laten benoemen, daarna vertaling naar handelen in praktijk  Eerst handelen in praktijk, daarna onderliggende visie en uitgangspunten  Eerst vragen naar het ‘wat’ en ‘waarom’ en daarna naar het ‘hoe’  Eerst eigen ervaringen van de respondent aan bod laten komen en daarna meer algemene aspecten Inspanningsvragen en gevoelige vragen niet aan het begin van je interview

14 OPBOUW Trechterstructuur of fuik (breed beginnen en toespitsen op details) Omgekeerde trechter (smal beginnen en plaatsen in breder perspectief) Een goed interview heeft:  Een inleiding: kennismaking, welk doel etc.)  Kern: vragen die relevant zijn voor onderzoeksvraag, doorvragen!  Slot: aanvullende opmerkingen

15 SOORTEN INTERVIEWVRAGEN  Inleidende vragen: inzicht in belangrijkste aspecten (kun je me iets vertellen over....?)  Vervolgvragen: verrijking (je gaf net een voorbeeld van...kun je aangeven...?)  Verdiepende vragen: uitdiepen (kun je daar nog iets meer over vertellen?)  Specificerende vragen: operationaliseren (wat dacht je toen?)  Directe vragen: thema’s en dimensies van onderzoek (hoe frequent komen intervisiegroepen bijeen?)  Indirecte vragen: hoe denk je dat anderen denken (Hoe denk je dat studenten aankijken tegen...)  Structurerende vragen: grenzen bewaken (Vind je het goed als we dit onderwerp nu afsluiten?)  Pauzemomenten: biedt respondent te overdenken of te reflecteren  Interpreterende vragen: herhaling/parafraseren (bedoelde je toen?)

16 NU NOG EEN KEER Als je nu kijkt naar het volgende filmpje? Wat voor soort interviewvragen worden gebruikt? Is er een inleiding, kern, slot?

17 LEREN OBSERVEREN Workshop Project 3

18 Kijk naar het volgende filmpje en schrijf op wat je ziet Filmpje 3, Vergelijk daarna kort met buurman of buurvrouw wat je hebt gevonden OPDRACHT

19 NABESPREKING

20 KLOPT ALTIJD ALLES WAT JE ZIET?

21 KLOPT ALLES WAT JE WEET?

22 WAT NEEM JE WAAR?

23 ‘WAARNEMEN EN INTERPRETEREN’ Waarnemen = Je bewust zijn van hetgeen je door je zintuigen gewaarwordt

24 We hebben vijf verschillende zintuigen: -Het gezichtsvermogen -Het gehoor -De tastzin -Het reukvermogen -De smaak Voordat we iets kunnen waarnemen, moet onze aandacht erop gevestigd zijn en er moet een bepaalde drempelwaarde overschreden zijn (het moet opvallen, anders zijn dan de omgeving). Belangrijkste zintuigen die we gebruiken als hulpverlener zijn horen en zien (wat wordt er gezegd en wat wordt er gedaan?) WAARNEMEN VIA ZINTUIGEN

25 Teken het logo van de NS

26 TEKEN HET LOGO VAN DE NS

27 De informatie die door onze zintuigen binnenkomt, moeten we eerst decoderen (omgezet in benoembare voorwerpen) in onze hersenen. Perceptie betekent ontvangst. We krijgen informatie binnen over: 1.Perceptie van diepte (waar is het?) 2.Perceptie van beweging (wat doet het?) 3.Perceptie van vorm (wat is het?) Door selectie nemen we slechts een deel van de prikkels waar, bv zaken die anders zijn dan we verwachten, wat we juist herkennen en waar we gevoelig voor zijn. PERCEPTIE EN SELECTIE

28 Belangrijk om te onthouden wat je ziet, omdat je later nog iets met de informatie uit de observatie wilt doen Informatie uit een observatie komt, totdat je de waarnemingen hebt verwerkt, terecht in je korte termijngeheugen. Helaas kan het korte termijngeheugen gemiddeld maar 7 items onthouden. Belangrijk bij observatie: zet je informatie in een gedragsketen neer. Dus in chronologische geordende waarnemingen van een persoon, een situatie of een ruimte WAARNEMEN BIJ OBSERVEREN

29 Registeren: vastleggen van observaties Bepaalt de betrouwbaarheid van je observatie Belangrijk is om je eigen interpretaties eruit te laten Zuivere registratiemethode zijn: transcripties, video-opnames, foto’s en films. Hierbij wordt de hele werkelijkheid geregistreerd. REGISTEREN

30 Ongestructureerde registratie – zonder formulier/ systeem observeren en registreren. Nadeel: je maakt zelf een selectie van de werkelijkheid (= subjectief). Je schrijft bv alleen op wat je op valt en niet wat je ziet gebeuren. Gestructureerde registratie – het registreren van A bepaalde gedragingen B gedurende een bepaalde tijd (event-sampling of time-sampling) C van een bepaald persoon D in een bepaalde situatie TWEE VERSCHILLENDE REGISTRATIES

31 Een aantal overwegingen spelen hierin een rol: -Wat is het doel van de observatie? -Wat is de hoeveelheid van de te registreren gedragingen? -Wat is de rol van de observator? -Hoeveel observatoren gaan naar een situatie kijken? KIEZEN VOOR EEN REGISTRATIESYSTEEM

32 Event-sampling – gebeurtenis staat centraal. Je turft bv hoe vaak iets gebeurt, maar niet hoe lang of hoe Time-sampling – tijd staat centraal. Je stelt van tevoren de tijdintervallen vast waarop je gaat observeren. TIJDSCHALEN

33 Doorloop de volgende stappen om tot een goed observatieformulier te komen: 1.Spreek met elkaar de doelstelling van de observatie af 2.Benoem de concrete vraagstellingen 3.Welke concrete gedragingen horen bij de vraagstellingen (operationalisatie) 4.Welke concrete gedragen kunnen geobserveerd worden; waar, door wie, wanneer en hoe lang? 5.Ga na of er een bestaand observatiesysteem is waarvan gebruikgemaakt kan worden bij het maken van het observatieformulier ZELFGEMAAKTE OBSERVATIEFORMULIEREN

34 6. Spreek af hoe de observaties geregistreerd gaan worden (video, volledig uitschrijven (=transcriptie) of turven) 7. Spreek af of er gebruikgemaakt wordt van event-sampling of time-sampling 8. Spreek een tijdsinterval af 9. Schrijf de concrete gedragingen op 10. Worden de gedragingen geturfd of is er sprake van categorieën? 11. In het geval van categorieën spreek je de categorieën af (meetniveau: vaak, soms, niet, onbekend) 12. Operationaliseer de categorieën 13. Oefen met het invullen van de ontstane observatielijst. Waar zitten onduidelijkheden?

35 Maak een observatieformulier voor je projectopdracht. Denk minimaal na over:  Observatiedoel  Keuze voor gestructureerde of minder gestructureerde observatie  Wijze van observatie  Waarneembaar gedrag (minimaal 3 concrete gedragingen)  Type registratie (bijv interval, logboek, beschrijving) OPDRACHT

36 Betrouwbaarheid: bij observaties is betrouwbaarheid vooral de herhaalbaarheid tot eenzelfde resultaat van die observatie. Inter-observatiebetrouwbaarheid: mate van overeenkomst tussen observaties van verscheidene observatoren. Intra-observatiebetrouwbaarheid: mate van overeenkomst tussen de observaties van een en dezelfde observator BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT

37 Validiteit: een observatie is valide als je gemeten hebt wat je wilde meten. Dit is vooral terug te zien in de operationalisaties. Hoe beter je operationaliseert, hoe beter je kan toetsen of je hebt gemeten wat je wilt meten. BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT

38 Binnen jullie viertal:  In hoeverre is er sprake van betrouwbaarheid?  In hoeverre is er sprake van validiteit?  Hoe hadden jullie de betrouwbaarheid en validiteit kunnen vergroten? BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT

39 Wat nemen jullie mee uit deze workshop? AFSLUITING


Download ppt "WORKSHOP INTERVIEWEN EN OBSERVEREN Project 3. Je kunt een analyse maken van een complexe pedagogische beginsituatie op basis van literatuuronderzoek en."

Verwante presentaties


Ads door Google