De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

College 3: Behaviourisme. Sheets: Kamer: ML. 02.432.

Verwante presentaties


Presentatie over: "College 3: Behaviourisme. Sheets: Kamer: ML. 02.432."— Transcript van de presentatie:

1 College 3: Behaviourisme

2 Sheets: Kamer: ML

3  H3 Behaviourisme

4

5  Objectieve kennisverwerving staat centraal: waarneembaar gedrag  Leerprocessen verklaren het gedrag  Geen principieel onderscheid tussen mensen en dieren  Een kind komt onbeschreven ter wereld Tabula rasa  Complex gedrag kun je opknippen in kleine stukjes Reductie

6  Start rond 1920  Bloeiperiode tot 1960  Praktische toepassing staat centraal  Invloed van Darwinisme  Drie belangrijke namen: J. Watson I. Pavlov B. Skinner  Schoolvorming  Behaviourisme is theorie  Hulpverleningspraktijk is de gedragstherapie

7  Niet jijzelf, maar de omgeving stuurt je gedrag door middel van leerprocessen  Alles wat iemand kan, is geleerd, immers hij komt blanco ter wereld  Leerprocessen bij mensen verschillen niet principieel met die van dieren De mens is hooguit een ingewikkelde rat  Leerprocessen bij kinderen verschillen niet principieel met die van volwassenen

8  Mensbeeld  Mechanistisch  Organistisch (theorie van Skinner)  Biopsychosociale model  Het psychische niveau wordt centraal gesteld Impliciet besteedt Skinner ook aandacht aan sociale invloeden

9  Habituatie (gewenningsleren)  Klassiek conditioneren  Operant conditioneren  Model-leren

10

11  Prikkels worden geselecteerd op relevantie  Als een prikkel steeds aanwezig is en niet meer veranderd, valt deze niet meer op  habituatie / gewenning  Je kan ook extreem gevoelig zijn voor een bepaalde prikkel  sensitisatie

12  Bouwt voort op een al aanwezige reflex  Direct na de geboorte al aantoonbaar  Gebaseerd op een associatie tussen twee stimuli  Leerproces verloopt vaak onbewust en automatisch  Grondleggers zijn Pavlov (hond) en Watson (little Albert)

13 Pavlov’s hond Watson’s little Albert

14  Stimulusdiscriminatie Onderscheid maken: bang voor witte konijnen, maar niet voor bruine  Stimulusgeneralisatie Geen onderscheid maken: bang voor witte konijnen en ook voor witte ratten  Contiguïteit Ongeconditioneerde en geconditioneerde stimulus volgen elkaar snel op in tijd  Extinctie Uitdoving wanneer de geconditioneerde stimulus herhaaldelijk wordt aangeboden zonder de ongeconditioneerde stimulus

15 Gedrag (responsen) dat leidt tot prettige gevolgen wordt herhaald, gedrag (responsen) dat leidt tot onprettige gevolgen blijft voortaan achterwege. (E. Thorndike)

16  Skinner met zijn SkinnerboxSkinnerbox

17 Stimulus Toedienen + Stimulus verwijderen - De kans dat het gedrag toeneemt Positieve Bekrachtiging + =leuk Negatieve Bekrachtiging -  =leuk De kans dat het gedrag afneemt Positieve Straf +  =niet leuk Negatieve Straf - =niet leuk

18  Gedrag dooft uit door het te negeren (extinctie)  Gedrag lokt meestal meerdere consequenties uit  Zo nu en dan belonen werkt beter dan altijd belonen  Snelle effecten werken beter  Belonen werkt beter dan straffen

19  In de opvoeding zie je vaak dat het gedrag van het kind en het gedrag van de opvoeder elkaar wederzijds versterken

20

21  Beschreven door A. Bandura met experiment over aanleren van agressief gedrag  Leren door het gedrag van iemand anders te observeren  Belangrijk principe uit opvoeding is voor-leven yList&p=B143226C2AF88D3B&index=0&playnext=1

22  Klassiek behaviorisme bestaat niet meer  Neobehaviorisme is een moderne variant Aandacht voor interveniërende variabelen. Variabelen tussen stimulus en respons  Meer aandacht voor inhoud van black box. Onderzoek naar cognitie en hersenen Het gaat meer om leren van betekenissen en uitoefenen van controle

23  Aangeleerde hulpeloosheid verklaart depressie  Depressief gedrag ontstaat omdat op normaal gedrag geen prettige consequenties volgen

24  Tweefactorenmodel  Een (spinnen)fobie ontstaat door klassiek conditioneren  Een fobie blijft bestaan door operant conditioneren (vermijdingsleren)  Doordat spinnen worden vermeden, word je niet angstig (wet van effect)

25  Gedragsanalyse  Registratieopdrachten  Exposure-technieken  Beloningssystemen  Socialevaardigheidstrainingen

26 SituatieOrganismeReactieConsequenties Op welk tijdstip van de dag kwam het voor? 's Avonds (+/- 20u.) Waar was je? Op mijn kamer Met wie was je? Alleen Wat was je aan het doen juist voor het probleem-gedrag zich voordeed? Telefoneren met partner en ruzie gemaakt Wat voelde je in die situatie voorafgaand aan het probleemgedrag? Spanning, kwaadheid op mezelf, verdrietig, in de steek gelaten Wat dacht je in die situatie voorafgaand aan het probleemgedrag? Ik ben niks waard, niemand moet mij hebben, ik moet mezelf pijn doen Wat deed je en waarom deed je het? Ik sneed mezelf in de linker bovenarm met een scheermesje omdat ik fysische pijn wilde voelen in plaats van psychische pijn en als vervangmiddel van zelfmoord. Wat voelde je nadien? Opluchting Wat dacht je nadien? Ik had meer en dieper moeten snijden Wat deed je nadien? Ik liet mijn wonden verzorgen en ging naar de leefruimte Wat deden de anderen nadien? Verpleegster verzorgde wonden en medepatiënten kwamen me troosten.

27  Uitlokkers (stimuli) en effecten van gedrag worden in schema gezet  S-O-R-C- schema  Vervolgens maken we een nullijn Frequentie, intensiteit en tijdsduur van problematisch gedrag  Na interventie (bijvoorbeeld negeren) wordt vastgesteld of probleemgedrag op één of meer aspecten is afgenomen

28  In feite een verbijzondering van de gedragsanalyse  De cliënt houdt zelf bij hoe vaak ongewenst en hoe vaak gewenst gedrag voorkomt  Afname van ongewenst gedrag en toename van gewenst gedrag werkt zeer motiverend  Bijhouden hoe vaak je sport en hoeveel je afvalt is een simpel voorbeeld

29  Gebaseerd op klassiek conditioneren  Vaak toegepast bij angstproblemen  Extinctie van angstreactie wordt uitgelokt door blootstelling aan angstwekkende situatie

30  Gebaseerd op operant conditioneren  Vast omschreven gedrag wordt beloond met een token (stempel of fiche)  Vast aantal tokens kan ingewisseld worden voor een beloning

31  Gebaseerd op operant conditioneren en model-leren  Gewenst gedrag wordt voorgedaan (model)  Bij het uitvoeren van gewenst gedrag wordt dit beloond  Training gaat stap voor stap  Kan toegespitst worden op elk gedrag en elke doelgroep

32 Iets vragen  1 Bedenk van tevoren wat je precies wilt vragen.  2 Zeg dat je iets wilt vragen.  3 Stel je vraag.  4 Vertel waarom je het vraagt.  5 Luister goed naar het antwoord.  6 Vertel wat je van het antwoord vindt.

33  Cognitie moet niet worden genegeerd  Ethische problemen kunnen een rol spelen bij strenge toepassing van belonen en straffen  Gevaar van autoritaire behandelingen  Methoden zijn goed te meten Gedragstherapie scoort goed in evidence based-onderzoek

34  Vragen over het hoorcollege?  Oefenen met MC-vragen  Casus

35 1. Wat is een uitwerking van het tabula-rasaprincipe? A. Als we de omstandigheden van opvoeden en opgroeien volledig beheersen en dus in staat zijn op kinderen op exact dezelfde manier op te voeden, dan zullen de kinderen in principe gelijke mogelijkheden en competenties ontwikkelen.mogelijkheden B. Als we de omstandigheden van opvoeden en opgroeien volledig beheersen, dan zijn de principes van operant en klassiek conditioneren voldoende om het kind alles te laten leren.principes C. Als we de omstandigheden van opvoeden en opgroeien volledig beheersen, kunnen we een kind alles leren wat binnen zijn biologische grenzen mogelijk is. 2. De theorie van het operant conditioneren is het beste te typeren als: A. ? Mechanistisch. B. ? Mechanistisch en organistisch. C. ? Mechanistisch en personalistisch.

36 3. Dirk, een verstandelijk gehandicapte bewoner, beschadigt zichzelf door met zijn hoofd tegen de muur te bonken. De groepsleiders besluiten om elke keer als Dirk dit gedrag vertoont het te verbieden door kortaf maar op bestraffende toon ‘Stop daarmee Dirk!’ te roepen. Vervolgens wordt zijn hoofd met zachte dwang van de muur afgewend. Twee weken later wordt er geëvalueerd en blijkt dat het gedrag van Dirk alleen maar in frequentie is toegenomen. Met welke wet of principe kun je dit verklaren? A. De wet van het effect. B. Het ritssluitingseffect. C. De wet van intermittant reinforcement. 4. Klassiek conditioneren is een vorm van associatieleren. Waartussen wordt geassocieerd?  ? Tussen de ongeconditioneerde stimulus en geconditioneerde respons.  ? Tussen de ongeconditioneerde stimulus en geconditioneerde stimulus.  ? Tussen de geconditioneerde stimulus en geconditioneerde respons

37 Vul het schema in; bedenk zelf een situatie

38  Probeer op basis van het twee-factormodel jouw eigen fobie te analyseren


Download ppt "College 3: Behaviourisme. Sheets: Kamer: ML. 02.432."

Verwante presentaties


Ads door Google