De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Studie van de biotiek in parken II. Monitoring van de biotiek Arne Verstraeten, Johnny Cornelis, Kris Vandekerkhove en Ruben Walleyn Vlaamse overheid Beleidsdomein.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Studie van de biotiek in parken II. Monitoring van de biotiek Arne Verstraeten, Johnny Cornelis, Kris Vandekerkhove en Ruben Walleyn Vlaamse overheid Beleidsdomein."— Transcript van de presentatie:

1 Studie van de biotiek in parken II. Monitoring van de biotiek Arne Verstraeten, Johnny Cornelis, Kris Vandekerkhove en Ruben Walleyn Vlaamse overheid Beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie Agentschap voor Natuur en Bos Workshop Agentschap voor Natuur en Bos ‘Harmonisch park- en groenbeheer Park Vordenstein, 24 april 2007

2 Monitoring is het opvolgen van iets in de tijd, met een welbepaalde doelstelling. Wat is monitoring? Monitoring vereist: - een gestandaardiseerde methodiek - herhalingen met een vaste frequentie (om de X jaar) In parken willen we de evolutie van de biotiek opvolgen, om het beheer te kunnen evalueren en bijsturen.

3 Wat omvat de monitoring in parken? De monitoring in parken richt zich op volgende aspecten : - evolutie van de soortensamenstelling van bepaalde groepen - evolutie van de populatiegrootte van bepaalde soorten - evolutie van de diversiteit van bepaalde soorten en de terreineenheden - evolutie van de structuurrijkdom van bosbestanden

4 Monitoring is arbeidsintensief en duur ! Daarom maken we onderscheid tussen : Aanpak - een deel basismonitoring, dat standaard in elk park wordt uitgevoerd. - een aantal uitbreidingsmodules, die slechts optioneel worden uitgevoerd indien voldoende tijd, kennis en middelen voorhanden zijn.

5 De basismonitoring bestaat uit volgende modules : I. De Basismonitoring - opnames van hogere planten - waarnemen van dagvlindersoorten - karteren van broedvogels - onderzoek naar amfibieën - het berekenen van diversiteitindices voor terreineenheden en hoger genoemde soorten

6 Bij de monitoring van hogere planten maken we onderscheid tussen : - kruidachtigen - bomen en struiken 1) Monitoring van hogere planten Kruidachtige soorten worden onderzocht op 0,2% van de totale parkoppervlakte. Er wordt gewerkt met proefvlakken van 2×2 meter (4 m 2 ). Dit komt neer op 5 proefvlakken per ha. Kruidachtigen Bomen en struiken Bomen en struiken worden onderzocht op 1% van de totale parkoppervlakte. Er wordt gewerkt met proefvlakken van 10×10 meter (100 m 2 ). Dit komt neer op 1 proefvlak per ha.

7 Verdeling van de proefvlakken - 30% van de proefvlakken wordt verdeeld over de lijnvormige terreineenheden - 70% van de proefvlakken wordt verdeeld over de vlakvormige terreineenheden Er worden dus relatief veel proefvlakken in de lijnvormige terreineenheden gelegd, maar deze herbergen vaak de meeste soorten. Binnen de terreineenheden worden de proefvlakken willekeurig gekozen. Voor Vordenstein komt dit neer op 541 proefvlakken voor de kruidlaag en 108 proefvlakken voor bomen en struiken.

8

9 Werkwijze - Duid de ligging van het proefvlak aan op kaart. - Markeer het proefvlak op het terrein d.m.v. een paaltje. - Geef het proefvlak een uniek nummer. - Noteer de datum waarop de opname gebeurt. - Determineer alle kruidachtige of houtachtige soorten en schat hun bedekking (schaal van Londo of Braun-Blanquet). Symbool Londo Bedekking (%) Londo Gemiddelde bedekking Londo Symbool Braun- Blanquet Bedekking (%) Braun- Blanquet Aantal Individuen Braun- Blanquet Gemiddelde bedekking Braun- Balnquet 0.1<10,5r <5 Zeer weinig (1 of 2) 0, tot 32+ Weinig (<20) tot 541 Talrijk (20-100) 4 15 tot tot 25Willekeurig tot tot tot 50Willekeurig37,5 435 tot tot 5047, tot 5552,5 450 tot 75Willekeurig62,5 655 tot tot tot tot 100Willekeurig87,5 985 tot ,5 Opgelet : indien voorjaarsbloeiers aanwezig zijn, is het nodig om de proefvlakken 2 keer te inventariseren (lente en zomer) !

10 In totaal werden 218 hogere plantensoorten in de proefvlakken aangetroffen. 3 kruidachtige soorten komen voor op de Rode lijst : - Wijdbloeiende rus (MVB) - Koningsvaren (B) - Klein glidkruid (B) Resultaten voor Vordenstein Vegetatieanalyse (Haskoning) Volgende vegetatietypes konden onderscheiden worden : VegetatietypeBWK-typeBWK-beschrijving RG Pteridium aquilinumppmsAanplant van grove den met lage ondergroei Fago-Quercetum subassociatie pteridietosumQb of QsEiken-berkenbos of zuur eikenbos Quercetea robori-petraeae DG Rhododendron ponticum Qb of QsEiken-berkenbos of zuur eikenbos Graslanden van het WitboltypeHp-Hp*Soortenarm permanent cultuurgrasland - soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden Graslanden van het SchapengrastypeHaGraslanden op zure, arme droge grond

11 Informatiewaarde voor het beheer : een voorbeeld Het aantal oud-bossoorten dat plaatselijk voorkomt geeft weer waar de meest waardevolle bosvegetaties gesitueerd zijn.

12 Het aantal freatofyten geeft weer waar de meest waardevolle vochtminnende vegetaties te vinden zijn.

13 Dit levert informatie voor o.a. het beheer van probleemsoorten die het behoud of de ontwikkeling van deze vegetaties in de weg staan (hier bijv. Rododendron).

14 Voor de monitoring van dagvlinders wordt gebruik gemaakt van de methodiek van Van Swaay (2005), die algemeen gebruikt wordt in Vlaanderen en Nederland (o.a. voor de nieuwe dagvlinderatlas). 2) Monitoring van dagvlinders De methodiek maakt gebruik van een vaste looproute, die als volgt wordt uitgezet : - teken de route in op kaart en markeer zonodig een aantal vaste herkenningspunten op het terrein In grote parken kunnen eventueel 2 of meer routes worden uitgezet. - leg de route langs plaatsen die voor vlinders aantrekkelijk zijn (bloemrijke ruigtes en hooilanden, structuurrijke bosranden,…) - kies een route van maximaal 1000 m lang - verdeel de route in homogene secties van 50 m lengte en beschrijf de vegetatie in deze secties (+ eventuele opmerkingen over beheer) - streef naar 15 tot 20 secties (minder mag ook) - beperk de route tot 1 landschapstype. Zo nodig mag de route in verschillende stukken worden opgesplitst

15 Enkele voorbeelden van mogelijke dagvlinderroutes :

16 Het lopen van de route De vaste route wordt tussen 1 april en 30 september minstens 5 tot 10 keer gelopen, in een constante rustige wandelpas. Voor een route van 1000 m neemt dit telkens ongeveer 30 minuten in beslag. - Er wordt alleen waargenomen tussen 10u en 17u en bij >13°C. - Bij een temperatuur van 13-17°C wordt alleen waargenomen bij een bewolking <50%, bij warmer weer kan ook bij zwaar bewolkt weer worden waargenomen. - Er wordt alleen uitgevoerd bij een windkracht <5 beaufort. Wanneer uitvoeren ? Bij ‘goed’ weer !

17 Hoe tellen ? Per sectie van 50 m worden alle dagvlindersoorten die men binnen de telkooi waarneemt genoteerd. De waarnemer telt binnen een telkooi van 5 m breed, 5 m voor en 5 m boven zich. Er wordt een soortenlijst opgemaakt per sectie en voor de ganse route. De gegevens van meerdere routes worden gecombineerd tot een soortenlijst voor het volledige park.

18 Resultaten voor Vordenstein Er werd nog geen monitoring volgens de nieuwe methodiek uitgevoerd. Monitoring volgens de vroegere methodiek (inventarisatie per perceel aangevuld met enkele dagen gericht zoeken) leverde 17 soorten dagvlinders op : Atalanta Bont zandoogje Boomblauwtje Bruin zandoogje Citroenvlinder Dagpauwoog Distelvlinder Gehakkelde aurelia Groot dikkopje Groot koolwitje Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine vos Kleine vuurvlinder Landkaartje Oranje zandoogje Zwartsprietdikkopje

19 Er wordt een vaste looproute uitgezet, die het volledige park bestrijkt. Ga als volgt tewerk : 3) Monitoring van broedvogels Voor monitoring van broedvogels wordt uitgegaan van de methodiek van Van Dijk (2004), die algemeen gebruikt wordt in Vlaanderen en Nederland. - Kies voor een lusvormige route (beginpunt = eindpunt). - Duid de route aan op kaart en beschrijf deze op basis van op het terrein goed zichtbare herkenningspunten. - Doorkruis dichte vegetaties intensiever (om de 50 tot 100 m) dan open vegetaties (100 tot 200 m) omwille van de gehoorsafstand.

20 Voorbeeld van een mogelijke looproute voor broedvogels in Vordenstein :

21 - Loop de route 7 keer (vogelarm park) tot 10 keer (vogelrijk park) in hetzelfde jaar. Het lopen van de route - Loop de route van maart tot juni. Loop voor vroeg broedende vogels (bv. Kerkuil) al in februari, voor laat broedende (bv. Boomvalk) nog tot in juli. - Voorzie minimaal 10 dagen tijd tussen 2 inventarisaties. - Inventariseer telkens vanaf 1 uur voor zonsopgang, maar voer 2 van de inventarisaties ‘s nachts uit. - Inventariseer bij voorkeur bij weinig wind, geringe bewolking en matige temperaturen. - Vermijd inventarisatie bij slecht weer (dit kan bij aanhoudend slecht weer echter niet altijd vermeden worden). - Start niet altijd op hetzelfde punt van de route. Kies bijv. 3 startpunten van waar afwisselend wordt gestart. - Loop in een constant rustig tempo en hou stil op vogelrijke plekken om alle individuen te registreren.

22 Alle geldige waarnemingen (methodiek broedvogelatlas) worden elke keer aangeduid op kaart, later wordt een overlay gemaakt van alle kaarten. Registratie van de waarnemingen Geldige waarnemingen zijn waarnemingen in de categorie waarschijnlijk broedend (code 2) of zeker broedend (code 3). Code 1 :Mogelijk broedend  Een soort waargenomen in het broedseizoen, in het broedbiotoop  Eenmalige waarneming van zingende of baltsende vogel in het broedseizoen in het broedbiotoop Code 2 :Waarschijnlijk broedend  Waarneming van een paar in geschikt broedbiotoop in het broedseizoen  Territoriumgedrag (zang, gevechten) op ten minste 2 dagen, die meer dan een week uit elkaar liggen, op dezelfde plaats vastgesteld  Baltsend paar (ook paring) in het territorium  Bezoek van vogel aan waarschijnlijke nestplaats  Angstkreten of ander gedrag (alarmeren) dat wijst op de aanwezigheid van een nest of jongen  Vogel met broedvlekken (naakte huid die in direct contact met de eieren wordt gebracht)  Transport van nestmateriaal, nestbouw of uithakken van een nestholte Code 3 :Zeker broedend  Afleidingsgedrag  Pas gebruikt nest of verse eierschalen gevonden  Pas uitgevlogen jongen van nestblijvers of donsjongen van nestvlieders  Bezoek door de ouders aan nest met onbekende inhoud, waarneming van broedende vogel  Transport van ontlastingspakketje of voedsel voor de jongen  Nest met eieren, nest met jongen of jongen in het nest gehoord Mogelijke broedgevallen (code 1) worden niet genoteerd om toevallig passerende vogels en doortrekkers uit te sluiten.

23 Alleen uitsluitende waarnemingen worden genoteerd. Dit zijn waarnemingen waarbij het met zekerheid om een ander individu gaat. Ook het type waarneming en het gedrag van de vogel wordt genoteerd : Type waarneming en gedragOmschrijving Volwassen individu in broedbiotoop - Enkele vogel met ‘binding’ Waarneming van volwassen individuen in geschikt broedbiotoop. Vooral van belang in de periode waarin geen doortrek voorkomt (periode tussen de datumgrenzen). Waarnemingen van groepen in de periode tussen de datumgrenzen worden in paren opgesplitst. Paar in broedbiotoop - Samen optrekkend - Twee individuen samentrekken Waarneming van paren in geschikt broedbiotoop. Vooral van belang in de periode waarin geen doortrek voorkomt (periode tussen de datumgrenzen). Bij vogels zonder duidelijke geslachtsverschillen wordt er meestal van uitgegaan dat 2 vogels in elkaars nabijheid (zonder agressie) een paar vormen. Bij twijfel noteren als 2 individuen. Waarnemingen van groepen in de periode tussen de datumgrenzen worden in paren opgesplitst. Territoriaal gedrag - Zang, balts, dreigen Territorium-indicerende waarnemingen in broedbiotoop. Waarnemingen die wijzen op de aanwezigheid van een territorium. Voorbeelden: zang, balts, baltsvoedering, territoriumroep, paring, imponeervluchten, dreigen en vechten. Nest- aanduidend gedrag - Kennelijk nest (gedrag) - Alarm - Nestbouw - Ouders met pas uitgevlogen jongen - Waarschijnlijke broedplaats Nest-indicerende waarnemingen. Waarnemingen die wijzen op de aanwezigheid van een nest of jongen, zoals alarmeren, afleidingsgedrag, aanvallen van een predator, nestbouw, transport van nestmateriaal, transport van voedsel voor de jongen,… Nestvondst- Nest met eieren of jongen - Nest met broedende vogel Nestvondsten. Alle vondsten van nesten met eieren of jongen.

24 Monitoring van broedvogels in Vordenstein Er werd nog geen monitoring volgens de nieuwe methodiek uitgevoerd. Monitoring volgens de vroegere methodiek (gebruik van bestaande lijsten met soortgegevens) leverde 36 soorten broedvogels op : Boomklever Boomkruiper Bosuil Ekster Fazant Gaai Goudhaantje Groene specht Grote bonte specht Grote lijster Heggenmus Holenduif Houtduif Kauw Kleine bonte specht Koolmees Kuifmees Mandarijneend Matkopmees Meerkoet Merel Pimpelmees Roodborst Spreeuw Staartmees Tjiftjaf Torenvalk Vink Waterhoen Wilde eend Winterkoning Zanglijster Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte specht Zwartkop

25 4) Monitoring van amfibieën Voor monitoring van amfibieën wordt gebruik gemaakt van de methodiek uit de Handleiding voor monitoring van amfibieën in Nederland (Groenveld & Smit 2001). Het onderzoek beperkt zich tot wateren in het park met een hoge of matige natuurwaarde. De interesse gaat uit naar de aanwezige soorten amfibieën in het park en hun abundantie (zeldzaam, algemeen of zeer algemeen). Het onderzoek is gebaseerd op een combinatie van 3 technieken : - luisteren - kijken - vangen Bruine kikker

26 1) Luisteren A) Beluisteren van koren Het water wordt voorzichtig benaderd en van op korte afstand (enkele meters) wordt geluisterd naar roepende mannetjes. De populatiegrootte wordt geschat a.d.h.v. de koorindex : Deze methode is bruikbaar voor : - Groene kikker - Bruine kikker - Heikikker - Boomkikker - Gewone pad - Rugstreeppad - Knoflookpad - Vroedmeesterpad KlasseStatusToelichting -OntbreektEr zijn geen roepende dieren te horen 1ZeldzaamEnkele individuele dieren kwaken, de roepen zijn goed van elkaar te onderscheiden 2AlgemeenHet gekwaak van de individuele dieren is te onderscheiden, maar er is geluidsoverlap 3 Zeer algemeen Volledige koorvorming; de geluiden zijn niet meer apart te onderscheiden maar overlappen en vormen een continu geluid

27 B) Plonzen tellen Het water wordt dichter benaderd, waardoor kikkers in het water springen. Op basis van het aantal getelde plonzen kan een aantalschatting gebeuren. Deze methode is enkel bruikbaar voor Groene kikker. Verwarring met Bruine kikker is mogelijk. Daarom wordt best pas vanaf mei geteld, wanneer de Bruine kikker het water verlaten heeft.

28 2) Kijken Vooral watersalamanders, maar ook bepaalde kikkers en padden kunnen (vooral ‘s avonds) goed met zichtwaarnemingen geïnventariseerd worden. A) Volwassen dieren Soort Beste waarnemingsmoment overdag’s avonds Vuursalamander* Watersalamanders* Gewone pad** Rugstreeppad* Knoflookpad* Vroedmeesterpad* Bruine kikker(*)* Groene kikkers** Heikikker(*)* Boomkikker*

29 Inschatten van de populatiegrootte De populatiegrootte wordt in klassen ingeschat : KlasseStatusToelichting -OntbreektAanwezigheid van de soort niet aangetoond 1ZeldzaamWaarschijnlijk hooguit enkele volwassen dieren aanwezig 2AlgemeenWaarschijnlijk enkele tientallen volwassen dieren aanwezig 3Zeer algemeenWaarschijnlijk meer dan honderd volwassen dieren aanwezig

30 De eieren van bepaalde soorten amfibieën zijn goed te herkennen. Ze kunnen bij voorkeur overdag worden onderzocht. B) Eieren

31 Larven en juvenielen kunnen soms in grote aantallen in het water waargenomen worden. Het gebruik van een zaklamp is hierbij aan te raden. C) Larven en juvenielen Probleem is dat de larven van een aantal soorten sterk op elkaar lijken. De larven van sommige soorten (bijv. Kamsalamander) bevinden zich ook in dieper water (>0,5 m) en zijn daar moeilijk zichtbaar.

32 Een derde techniek is het bemonsteren van amfibieën met behulp van een geschikt schepnet. 3) Vangen Per 10 m oeverlengte wordt 1 keer geschept, met een maximum van 10 scheppen per water. Er wordt niet geschept op plekken met een bijzondere vegetatie. Bij elke schepbeurt wordt het schepnet ver naar voor in het water gestoken en in een vlotte beweging over de bodem naar de kant gehaald. Het gebruik van een schepnet levert vaak niet meer informatie op dan zichtwaarnemingen, maar is noodzakelijk in dichtbegroeide wateren. Het gebruik van een schepnet kan een aanzienlijke verstoring van het water veroorzaken en moet dus worden beperkt ! De inhoud wordt op de oever in het net onderzocht. Per soort wordt het aantal individuen geteld. Nadien wordt de volledige inhoud van het net terug in het water geplaatst.

33 Een goed schepnet is stevig, heeft een maaswijdte van 3 tot 8 mm, een vlakke voorzijde en een lange steel.

34 Werkwijze - Selecteer maximaal 10 tot 15 geschikte wateren voor onderzoek. Opmerking: wateren van hetzelfde type die minstens 1 keer per jaar met elkaar in verbinding staan worden als éénzelfde water beschouwd. - Duid de wateren aan op kaart en geef ze een uniek nummer. - Bezoek elk water 4 maal : - 1 keer in maart: dagbezoek. eieren en volwassen dieren (kijken, luisteren en scheppen) - 1 keer in april – begin mei: avondbezoek. volwassen dieren (kijken, luisteren en scheppen) - 1 keer eind mei – begin juni: avondbezoek. volwassen dieren (kijken en scheppen) - 1 keer in juli – augustus: dagbezoek. larven en juvenielen (kijken en scheppen)

35 Monitoring van amfibieën in Vordenstein Er werd nog geen monitoring volgens de nieuwe methodiek uitgevoerd. Monitoring volgens de vroegere methodiek (gebruik van bestaande lijsten met soortgegevens) leverde 6 soorten amfibieën op : Alpenwatersalamander Bruine kikker Gewone pad Groene kikker Kleine watersalamander Vinpootsalamander

36 Op basis van de verzamelde gegevens tijdens de biologische survey en de basismonitoring worden volgende diversiteitindices berekend : 5) Berekening van diversiteitindices - De verzadigingsindex voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën - De terreineenhedendiversiteitindex - De soortendiversiteitindex voor hogere planten

37 De terreineenhedendiversiteitindex wordt berekend aan de hand van de verschillende aanwezige terreineenheden en hun oppervlakte, lengte of aantal. A) Terreineenhedendiversiteitindex Zowel voor de vlakvormige, lijnvormige als puntvormige terreineenheden wordt hiervoor de Shannon-Wienerindex gebruikt : De maximale waarde van de index (H max ) wordt bereikt wanneer alle terreineenheden in gelijke verhoudingen aanwezig zijn en is gelijk aan : Maximaal aantal types terreineenheden (s)H max =lns Vlakvormige terreineenheden Lijnvormige terreineenheden Puntvormige terreineenheden71.95

38 De verhouding H / H max wordt de verzadigingsindex (S) genoemd en neemt toe naarmate meer types terreineenheden in het park aanwezig zijn. De totale verzadigingsindex S t wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de 3 indices :

39 Opmerking : Aan de terreineenhedendiversiteitindex is geen waardeoordeel gekoppeld ! Een hoge score voor de index is dan ook geen streefdoel. Een beperkt aantal goed ontwikkelde types terreineenheden is meestal interessanter dan een lappendeken van matig ontwikkelde types. In kleine parken zal de indexscore logischerwijze lager zijn dan in grote parken :

40 B) Soortendiversiteitindex voor hogere planten Voor de soortendiversiteit van hogere planten wordt eveneens met de Shannon-Wienerindex gewerkt. De diversiteitindex H p wordt berekend als het gewogen gemiddelde voor de kruidachtige soorten (H kr ) en de bomen en struiken (H bs ) :

41 C) Verzadigingsindex voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën Voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën kan een soort van verzadigingsindex worden berekend. Deze verzadigingsindices worden berekend door het aantal gevonden soorten te delen door het aantal soorten dat in Vlaanderen voorkomt. In Vlaanderen komen 72 soorten dagvlinders, 13 soorten amfibieën en 169 soorten broedvogels voor. Opmerking : niet al deze soorten komen in parken voor.

42 Optioneel kan voor een meer uitgebreide monitoring van dagvlinders worden gekozen, waarbij ook de populatiegrootte van de verschillende soorten wordt opgevolgd. 1) Monitoring van de populatiegrootte van dagvlindersoorten Opmerking : Voor een volledige inventarisatie moet minstens gedurende 2 opeenvolgende seizoenen worden geteld, omdat de populatiegrootte van dagvlindersoorten sterk kan schommelen naar gelang de weersomstandigheden. II. Uitbreidingsmodules In dat geval is het nodig om van 1 april tot 30 september wekelijks 1 keer te tellen. Per sectie van 50 m wordt het aantal waargenomen individuen van elke dagvlindersoort genoteerd. Dagvlinders

43 Werkwijze voor ongedetermineerde witjes Voorbeeld : Er werden 10 Kleine geaderde witjes en 15 Kleine koolwitjes geteld. Indien er 5 ongedetermineerde witjes zijn waargenomen, worden deze verdeeld als 2 Kleine geaderde witjes en 3 Kleine koolwitjes. Opgelet : Deze werkwijze mag alleen voor de witjes worden toegepast ! Klein koolwitje Indien een aantal witjes niet kunnen worden herkend, dan wordt dit aantal proportioneel verdeeld over de soorten die wel werden herkend.

44 Voor zeldzame dagvlindersoorten kan optioneel een soortgerichte route worden uitgezet. Deze route wordt uitgezet op plaatsen waar de kans om de soort aan te treffen het hoogst is, bijvoorbeeld waar een specifieke waardplant groeit. 2) Soortgerichte routes voor dagvlinders Aardbeivlinder Soortgerichte routes worden wekelijks 1 keer gelopen, maar enkel gedurende de vliegtijd van de soort.

45 Voor het Gentiaanblauwtje en de Sleedoornpage, 2 zeldzame dagvlindersoorten, kan het nuttig zijn om 1 of meer eitelplots te monitoren, vermits de eieren vaak gemakkelijker te vinden zijn dan de vlinders zelf. 3) Eitelplots voor dagvlinders Gentiaanblauwtje De rups van het Gentiaanblauwtje heeft Klokjesgentiaan als unieke waardplant. In parken waar beide voorkomen, kan een eitelplot worden uitgezet in de vegetatie waar Klokjesgentiaan groeit (bijvoorbeeld een proefvlak van 10×10 m). Tel : - Het aantal bloemen - Het aantal eitjes per bloem Het volstaat om 1 of 2 keer te tellen tijdens de vliegperiode van de vlinder (laatste week van juli tot half augustus). De plot moet ongeveer zo groot zijn dat binnen 30 minuten alle eitjes geteld kunnen worden.

46 De rups van de Sleedoornpage heeft Sleedoorn als unieke waardplant. Als eitelplot kan een gedeelte van een haag of bosrand met Sleedoorn worden gebruikt (bijvoorbeeld een stuk van 100 m). Sleedoornpage De telling gebeurt hier tijdens de winter en hoeft slechts 1 keer per jaar te gebeuren. Alle Sleedoornstruiken binnen de eitelplot worden geteld en per struik wordt op de takken het aantal eitjes geteld.

47 Ook voor een aantal andere soortengroepen werden uitbreidingsmodules met verwijzingen naar een gestandaardiseerde methodiek meegegeven : - Paddenstoelen - Mossen en korstmossen - Reptielen - Dagactieve zoogdieren - Vleermuizen - Vissen - Invertebraten Hierop wordt vandaag echter niet dieper ingegaan. Andere soortengroepen

48 Monitoring van de structuurrijkdom van bosbestanden Voor monitoring van de structuurrijkdom van bosbestanden werd een authenticiteitindex ontwikkeld (Van Den Meersschaut et al. 2001), waarvan de kenmerken volgens een gestandaardiseerde methodiek worden gemeten (standaardniveau) of ingeschat (basisniveau). De index is gebaseerd op 4 categorieën van kenmerken : - Bosstructuur - Boom- en struiklaag - Kruidlaag - Dood hout Aan ieder kenmerk wordt nadien een vaste score toegekend. De som van alle scores levert de eindscore van de index.

49 1) Standaardniveau authenticiteitindex 2) Boom- en struiklaag: 4 concentrische cirkels - A1: Cirkel met straal R = 2,25 m: zaailingen met hoogte 122 cm Boomsoort Omtrek Toestand: levend of dood Bij het standaardniveau wordt gebruik gemaakt van een serie proefvlakken rond een vast opnamepunt volgens de methodiek van de Vlaamse Bosinventarisatie, waarbinnen volgende gegevens worden verzameld : 1) Kruidlaag: 1 vierkant proefvlak van 16×16 m (256m 2 ) soorten, bedekking, totale bedekking

50 IndexMaximale score Structuurindex Houtige vegetatie-index Kruidvegetatie-index Dood hout-index ∑=AUTHENTICITEITINDEX100 De eindscore wordt als volgt berekend :

51 Verdeling van de scores over de verschillende kenmerken (standaardniveau) :

52 2) Basisniveau authenticiteitindex Bij het basisniveau worden de kenmerken visueel ingeschat op een kenmerkende plaats in het bosbestand, zonder gebruik te maken van proefvlakken of relatief complexe berekeningen. IndexMaximale score Structuurindex Houtige vegetatie-index Kruidvegetatie-index Dood hout-index ∑=BASISINDEX91 De eindscore wordt als volgt berekend : Voor de kruidvegetatie wordt een lagere score gehanteerd, omdat geen rekening wordt gehouden met het criterium zeldzaamheid.

53 Verdeling van de scores over de verschillende kenmerken (basisniveau) :

54 Voorbeeld : ingevuld formulier voor een bosbestand uit Jongensstad

55 Uitvoeringsfrequentie van de monitoring De basismonitoring wordt standaard uitgevoerd bij de opmaak van het beheerplan. Om de 20 jaar moet deze monitoring verplicht worden herhaald. Indien voor een bepaalde soortengroep hoge potenties aanwezig zijn is het echter beter deze volgens de optimale frequentie te monitoren : SoortengroepOptimale frequentie Hogere planten  Bossen en andere gesloten vegetaties  Gazons en andere open vegetaties 10 jaar 5 jaar Dagvlinders5 jaar Broedvogels5 jaar Amfibieën5 jaar Structuurdiversiteit10 jaar

56 Voor de soortengroepen uit de uitbreidingsmodules zijn dit de optimale frequenties : SoortengroepOptimale frequentie Dagvlinders5 jaar (*) Authenticiteitindex10 jaar Mossen en korstmossen10 jaar Paddenstoelen10 jaar (*) Zoogdieren zonder vleermuizen10 jaar Vleermuizen5 jaar Reptielen10 jaar Vissen10 jaar Invertebraten:  Bodemoppervlakte-actieve ongewervelden  Xylobionten  Libellen  Sprinkhanen  Nachtvlinders  Regenwormen  Slakken  Springstaarten  Aquatische macrofauna 20 jaar 5 jaar (*) 20 jaar 10 jaar


Download ppt "Studie van de biotiek in parken II. Monitoring van de biotiek Arne Verstraeten, Johnny Cornelis, Kris Vandekerkhove en Ruben Walleyn Vlaamse overheid Beleidsdomein."

Verwante presentaties


Ads door Google