De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

VWO 4  Chromosomen zijn langgerekte dunne draden.  Chromosomen van de mens bezitten 46 chromosomen.  Chromosomen komen in paren voor.  In chromosomen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "VWO 4  Chromosomen zijn langgerekte dunne draden.  Chromosomen van de mens bezitten 46 chromosomen.  Chromosomen komen in paren voor.  In chromosomen."— Transcript van de presentatie:

1

2 VWO 4

3  Chromosomen zijn langgerekte dunne draden.  Chromosomen van de mens bezitten 46 chromosomen.  Chromosomen komen in paren voor.  In chromosomen bevindt zich de stof DNA, die informatie voor erfelijke eigenschappen bevat.

4  Het aantal chromosomen per celkern wordt weergegeven door 2n.  De n geeft het aantal verschillende chromosomen aan. (het aantal paren)  Wanneer in een celkern de chromosomen in paren voorkomen, wordt de cel diploïd genoemd.

5  Bij een zygote komen de chromosomen in paren voor en dus is de zygote 2n.  Een zygote is ontstaan door versmelting van een eicel en een zaadcel.  De geslachtscellen zijn ook haploid (n), omdat de chromosomen enkelvoudig voorkomen.

6  Fenotype: de waarneembare eigenschappen van het individu (de uiterlijke kenmerken)  Een fenotype komt tot stand door het genotype en invloeden uit het milieu.  Genotype: de informatie voor de erfelijke eigenschappen van het individu.  Gen: deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een erfelijke eigenschap.

7  Modificatie: een verandering in het fenotype, veroorzaakt door milieufactoren.  Een modificatie is niet erfelijk.  Door tweelingonderzoek probeert men inzicht te krijgen op de mate waarin het fenotype wordt bepaald door het genotype of milieufactoren.

8  De leden van een eeneiige tweeling hebben precies hetzelfde genotype.  De leden van een twee-eiige tweeling hebben een ongelijke genotype.

9  In lichaamscellen komen chromosomen in paren voor.  De twee chromosomen van een paar bevatten genen voor dezelfde erfelijke eigenschappen.  In lichaamscellen ligt de informatie voor een erfelijke eigenschap in een genenpaar.

10  Elk van de genen van een genenpaar wordt een allel genoemd.  Voor een erfelijke eigenschap kunnen verschillende allelen bestaan.  Als de twee allelen van een genenpaar gelijk aan elkaar zijn noemen we dit homozygoot.  Als de twee allelen van een genenpaar ongelijk aan elkaar zijn noemen we dit heterozygoot.

11  Bij een heterozygoot genenpaar zal een van de allelen tot uiting komen in het fenotype, dit allel noemen we dominant.  Het andere allel noemen we recessief.  Het recessieve allel komt alleen tot uiting, wanneer beide allelen van een genenpaar recessief zijn (dus homozygoot)

12  Soms komt het voor dat bij een heterozygoot individu ook het recessieve allel enigszins tot uiting komt, we noemen dit allel dan onvolledig dominant.  Intermediair fenotype: twee ongelijke allelen komen beide tot uiting in het fenotype.

13  We geven de allelen weer in letters,  Let op: een dominant allel is altijd een hoofdletter!  Let op: een recessief allel is altijd een kleine letter!

14  In de erfelijkheidsleer worden vaak kruisingen uitgevoerd om de overerving te bestuderen.  Bij een kruising planten twee individuen zich geslachtelijk voort.  Johann Mendel is de grondlegger voor de erfelijkheidsleer.

15  Bij een monohybride kruising wordt slechts gelet op de overerving van een eigenschap.  Bij een dihybride kruising wordt gelet op de overerving van twee erfelijke eigenschappen.

16  Bij een kruisingsvraagstuk kennen we de volgende regels.  De ouders worden aangegeven met P.  De eerste generatie nakomelingen worden aangegeven met F 1.  De tweede generatie nakomelingen worden aangegeven met F 2

17  Bij een kruisingsvraagstuk beantwoord je de volgende vragen:  Wat zijn de genotypen van de ouders?  Welke allelen kunnen de geslachtscellen van de ouders bevatten?  Welke mogelijkheden bestaan er voor het versmelten van een eicelkern en een zaadcelkern?

18  In veel erfelijkheidsvraagstukken met stambomen zul je een regel moeten toepassen.  Als twee ouders met gelijk fenotype een nakomeling krijgen met een ander fenotype, zijn beide ouders heterozygoot voor deze eigenschap. De nakomeling is dan homozygoot recessief voor deze eigenschap

19  Bij de mens komen in een lichaamscel 23 paar chromosomen voor (2n)  22 paar autosomen  1 paar geslachtschromosomen  Bij de mens komen in een geslachtscel 23 chromosomen voor. (n)  22 autosomen  1 geslachtschromosoom

20  Bij een man:  in een lichaamscel komen twee ongelijke geslachtschromosomen voor : X en Y  in een zaadcel een X- of een Y- chromosoom  Bij de vrouw:  in een lichaamscel komen twee gelijke chromosomen voor: X en X  in een eicel een X- chromosoom

21  Het geslacht van een individu komt vast te liggen op het moment van bevruchting.  Bepalend voor het geslacht is het geslachtschromosoom in de zaadcel.  Een eicel heeft altijd een X-chromosoom.  Heeft de zaadcel een X > meisje (XX)  Heeft de zaadcel een Y > jongen (XY)

22  Bij een X-chromosomale overerving liggen de genen voor die eigenschap in de geslachtschromosomen:  Dat betekent dat de X-chromosomen een allel bevatten en de Y- chromosomen niet.

23  Meerdere allelen: voor een erfelijke eigenschap bestaan drie of meer allelen.  Bijvoorbeeld bloedgroep van de mens.  Letale factor: een allel dat geen levensvatbaar individu oplevert als een genenpaar bestaat uit twee van zulke allelen.

24  Dihybride kruising:  Een kruising waarbij gelet wordt op de overerving van twee erfelijke eigenschappen.  Bij een dihybride kruising zijn twee genenparen betrokken  Onafhankelijke overerving: de genenparen liggen in verschillende chromosomenparen

25  Bij het opstellen van een kruisingsschema ga je hetzelfde te werk als bij een monohybride kruising.  Je stelt eerst de genotypen van de ouders op.  Vervolgens stel je vast welke allelen de geslachtscellen van de ouders kunnen bevatten.

26  Vervolgens ga je na welke mogelijkheden er zijn voor de versmelting van de eicel met de zaadcel.  Deze kruisingen moet je veel oefenen, anders kost het je teveel tijd met de toets. Door oefening krijg je snelheid!

27  Je kunt de kans berekenen op een nakomeling met een bepaald genotype of fenotype.  Bepaal voor een van beide eigenschappen de kans op een nakomeling met het gewenste fenotype of genotype.  Bepaal voor de andere eigenschap de kans op een nakomeling met die eigenschap.  Vermenigvuldig die kansen met elkaar.

28  Je kunt het aantal genotypen berekenen in de geslachtscellen.  Bepaal voor elk genenpaar het aantal typen geslachtscellen.  Vermenigvuldig deze aantallen met elkaar.  Bijvoorbeeld:

29  Je kunt de genotypen en fenotypen van de ouders afleiden:  Bepaal voor een van de eigenschappen de verhouding in fenotypen van de nakomelingen.  Leidt hieruit genotypen of fenotypen af voor deze eigenschap (net als bij een monohybride kruising).

30  Bepaal voor de andere eigenschap de verhouding van fenotypen in de nakomelingschap.  Leid de genotypen of fenotypen van de ouders af voor deze eigenschap.

31  Gekoppelde overerving: twee genenparen liggen in hetzelfde chromosomenpaar  Samenwerkende genen: twee genen bepalen samen een eigenschap van het fenotype.  EINDE


Download ppt "VWO 4  Chromosomen zijn langgerekte dunne draden.  Chromosomen van de mens bezitten 46 chromosomen.  Chromosomen komen in paren voor.  In chromosomen."

Verwante presentaties


Ads door Google