De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Thema 2: Voortplanting & ontwikkeling VWO 4 Biologie 1 Boek: Biologie voor jou deel VWO B1.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Thema 2: Voortplanting & ontwikkeling VWO 4 Biologie 1 Boek: Biologie voor jou deel VWO B1."— Transcript van de presentatie:

1 Thema 2: Voortplanting & ontwikkeling VWO 4 Biologie 1 Boek: Biologie voor jou deel VWO B1

2 Het voortplantingsstelsel van een man Je moet in een afbeelding van het voortplantingsstelsel van een man alle onderdelen kunnen benoemen. Je moet van alle onderdelen ook de functie kennen! De onderdelen zijn: Urineblaas, penis, eikel, voorhuid, zaadblaasje, prostaat, zaadleider, zwellichaam, urinebuis, bijbal, teelbal, balzak.

3 Het voortplantingsstelsel van een man Spermatogenese: de vorming van zaadcellen. Ook dit proces moet je kennen.

4 Het voortplantingstelsel van een vrouw Je moet in een afbeelding van het voortplantingsstelsel van een vrouw alle onderdelen kunnen benoemen. Je moet van alle onderdelen ook de functie kennen! De onderdelen zijn: Baarmoeder, eileider, eierstok, trechter, urineblaas, urinebuis, vagina.

5 Het voortplantingstelsel van een vrouw Je moet ook de verschillende afbeeldingen kennen op blz. 66 en 67 van je boek!

6 Hormonale regeling van de voortplanting Bij de voortplanting spelen hormonen een belangrijke rol. Hormonen zijn stoffen die via het bloed de werking van bepaalde organen regelen. Hormonen worden geproduceerd door hormoonklieren.

7 Hormonale regeling van de voortplanting De hypofyse is een belangrijke hormoonklier. De hypofyse produceert o.a. Follikel Stimulerend Hormoon (FSH) en het Luteiniserend Hormoon (LH). Bij de man liggen in de teelballen tussen de zaadkanaaltjes de cellen van Leydig, die testosteron vormen (het mannelijk geslachtshormoon).

8 Hormonale regeling van de voortplanting Bij de vrouw produceren cellen in de wand van de rijpende follikels in de eierstokken oestrogenen (het vrouwelijk geslachtshormoon). Hiertoe behoren oestradiol en oestron. En het gele lichaam in een eierstok produceert o.a. het hormoon progesteron (het zwangerschapshormoon).

9 Hormonale regeling van de voortplanting Vanaf het begin van de puberteit produceert de hypofyse FSH en LH. Bij een jongen komt onder invloed van FSH de vorming van zaadcellen op gang. LH stimuleert de productie van testosteron door de cellen van Leydig. Onder invloed van testosteron worden beenderen en spieren zwaarder en wordt de ontwikkeling van zaadcellen voltooid. Ook werkt testosteron remmend op de secretie van LH door de hypofyse.

10 Hormonale regeling van de voortplanting Testosteron zorgt ook voor de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Bij vrouwen worden oestrogenen geproduceerd door de wand van de rijpende follikels. Dit gebeurt onder invloed van LH en FSH. Oestrogenen stimuleren de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken bij vrouwen.

11 De menstruatiecyclus bij vrouwen De eerste dag van de menstruatie wordt meestal beschouwd als het begin van de menstruatiecyclus. De eerste 12 dagen produceert de hypofyse FSH en LH. FSH stimuleert de rijping van follikels in de eierstokken. FSH en LH stimuleren de productie van oestrogenen door cellen uit de wand van de rijpende follikels.

12 De menstruatiecyclus bij vrouwen Onder invloed van oestrogenen wordt het baarmoederslijmvlies dikker en gaat het meer klieren bevatten. In de eierstokken bereikt een van de follikels een voorsprong op de andere follikels. De andere follikels sterven af. De productie van oestrogenen door de rijpende follikel bereikt een hoogtepunt.

13 De menstruatiecyclus bij vrouwen Dit stimuleert de hypofyse tot de secretie van veel LH. De hoge concentratie van LH in het bloed stimuleert de opname van veel vocht door de rijpende follikel, waardoor deze openbarst en er ovulatie (eisprong) optreedt. Na de ovulatie stimuleert LH de vorming van het gele lichaam uit het in de eierstok achtergebleven follikelweefsel.

14 De menstruatiecyclus bij vrouwen Ook stimuleert LH de productie van oestrogenen en progesteron door het gele lichaam. Progesteron zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies nog dikker wordt en dat de klieren in het baarmoederslijmvlies stoffen gaan afscheiden. Deze stoffen kunnen dienen als voedsel voor het embryo. Progesteron remt de secretie van FSH en LH door de hypofyse.

15 De menstruatiecyclus bij vrouwen Als de eicel niet wordt bevrucht, gebint het gele lichaam ongeveer elf dagen na de ovulatie af te sterven. Hierdoor wordt er onvoldoende progesteron afgescheiden om het baarmoederslijmvlies in stand te houden. Het baarmoederslijmvlies wordt dan gedeeltelijk afgestoten en wordt via de vagina uit het lichaam verwijderd. Dit heet menstruatie.

16 De menstruatiecyclus bij vrouwen De afbeeldingen op blz. 70 en 71 zijn erg belangrijk!

17 Zwangerschap Een eicel blijft na de eicel ongeveer 12 uur in leven. Een zaadcel kan na een ejaculatie ongeveer 3 dagen in leven blijven in het lichaam van een vrouw. Als er bevruchting optreedt, blijft het gele lichaam ongeveer 3 maanden progesteron produceren. Daarna neemt de placenta de taak van het gele lichaam over.

18 Zwangerschap Progesteron zorgt ervoor dat de zwangerschap in stand blijft. Door progesteron blijft het baarmoederslijmvlies dik en klierrijk en treedt er geen menstruatie op. De afgifte van FSH en LH door de hypofyse wordt geremd. Hierdoor komen er in de eierstokken geen nieuwe follikels tot rijping en treedt er geen ovulatie op.

19 Seksualiteit Vanaf de puberteit kan seksualiteit een belangrijke rol spelen in iemands leven. Door voortplanting Door lustbeleving Om een relatie te onderhouden.

20 Seksualiteit Heteroseksueel: je voelt je aangetrokken tot iemand van het andere geslacht. Homoseksueel: je voelt je aangetrokken tot iemand van hetzelfde geslacht. Biseksueel: je voelt je aangetrokken tot beide geslachten.

21 Verschillen tussen mannen en vrouwen Verschillen tussen mannen en vrouwen zijn voor een deel erfelijk bepaald (denk aan lichaamsbouw, stem e.d.) Er zijn verschillen die worden door de cultuur bepaald (denk aan rolpatronen, beroepen e.d.)

22 Seksueel geweld Van seksueel geweld is sprake wanneer: iemand een andere persoon dwingt tot seksueel contact. Het slachtoffer wordt dan seksueel misbruikt. Voorbeelden hiervan zijn: ongewenste intimiteiten, incest, aanrandingen en verkrachting.

23 Seksueel Overdraagbare Aandoening (SOA) SOA’s zijn infectieziekten die je oploopt door intiem lichamelijk contact met een besmet persoon. Je moet van de volgende SOA’s de symptomen, de wijze van besmetting en de genezing kunnen benoemen: Gonorroe, syfilis, chlamydia, AIDS.

24 Geboorteregeling We spreken van geboorteregeling als een vrouw, meestal samen met een man, bepaalt of zij een kind wil of niet. Als een vrouw niet zwanger wil worden, kan zijzelf of de man aan anticonceptie doen. Er worden dan maatregelen genomen die de bevruchting tegengaan.

25 Anticonceptiemiddelen Je moet de verschillende methoden van anticonceptie kunnen beschrijven en de betrouwbaarheid kunnen aangeven. Je moet dit kunnen van de volgende methoden: periodieke onthouding met temperatuurmeting, coïtus interruptus, de ‘pil’, condoom, pessarium, zaaddodende middelen, spiraaltje, sterilisatie.

26 Noodmaatregelen tegen een ongewenste zwangerschap Je moet de volgende methoden kunnen beschrijven: morning-after pil, overtijdbehandeling, abortus.

27 Embryonale ontwikkeling Bevruchting: de kern van een eicel smelt samen met de kern van een zaadcel. Er ontstaat een zygote (bevruchte eicel). De zygote ondergaat een aantal delingen waarbij geen groei plaatsvindt, de klievingsdelingen. 5 tot 7 dagen na de bevruchting komt de zygote aan in de baarmoeder. Als het klompje in de baarmoeder aankomt bevat het een holte gevuld met vocht.

28 Embryonale ontwikkeling Een deel van het klompje cellen vormt het begin van het eigenlijk embryo: de embryoblast of embryonaalknop. De trofoblast beschermt de embryoblast en zorgt voor de innesteling in het baarmoederslijmvlies. Tijdens de innesteling ontstaan in het baarmoederslijmvlies rond het klompje cellen holten, waar het bloed van de moeder door stroomt.

29 Embryonale ontwikkeling De trofoblast vormt het chorion (buitenste vruchtvlies). De holte die door het chorion wordt omsloten heet chorionholte. Het chorion vormt uitstulpingen die tussen de holten in het baarmoederslijmvlies door lopen. Via deze chorionvlokken worden zuurstof en voedingsstoffen opgenomen uit het baarmoederslijmvlies. Hierdoor wordt groei mogelijk.

30 Embryonale ontwikkeling Ook de embryoblast heeft zich ontwikkeld: in de embryoblast zijn twee holten ontstaat de amnionholte en de dooierzak. Uit de cellen tussen deze beide holten ontwikkelt zich het embryo. De hechtsteel vormt de verbinding tussen embryo en trofoblast. In de verdere ontwikkeling verdwijnt de dooierzak spoedig.

31 Embryonale ontwikkeling De amnionholte breidt zich uit en de wand komt tegen het chorion aan te liggen en vormt het amnion (binnenste vruchtvlies). De beide vruchtvliezen omgeven de amnionholte, die is gevuld met vruchtwater. De eerste weken van de zwangerschap produceren de cellen van de trofoblast het hormoon HCG (humaan Chorion Gonadotropine) Daarna neemt de placenta de productie van HCG over.

32 Embryonale ontwikkeling Onder invloed van HCG blijft het gele lichaam in stand en produceert het oestrogeen en progesteron. Vooral progesteron zorgt ervoor dat de zwangerschap in stand blijft.

33 Ontwikkeling van de placenta Via de hechtsteel groeien bloedvaten vanuit het embryo tot in de chorionvlokken. De holten in het baarmoederslijmvlies om de chorionvlokken vloeien samen tot grotere bloedruimten. De chorionvlokken en de hechtsteel vormen samen het belangrijkste deel van de placenta. De hechtsteel groeit uit tot de navelstreng.

34 Ontwikkeling van de placenta In de navelstreng lopen drie bloedvaten: Het hart van het embryo pompt voortdurend bloed door twee navelstrengslagaders naar de placenta toe. Door een navelstrengader stroomt bloed van de placenta terug naar het embryo. In de placenta blijft het bloed van de moeder gescheiden van het bloed van het embryo door dunne vliezen.

35 Ontwikkeling van de placenta Door deze vliezen heen vindt uitwisseling plaats van stoffen door het tegenstroomprincipe. Moederbloed en embrybloed stromen in tegengestelde richting langs deze vliezen. Door diffusie en actief transport worden zuurstof en voedingsstoffen vanuit het moederbloed opgenomen in het embryonale bloed. Koolstofdioxide en afvalstoffen worden afgegeven aan het moederbloed door het embryonale bloed.

36 Ontwikkeling van de placenta Aan het einde van de 2e maand zijn bijna alle weefsels gevormd en zijn de organen in aanleg. Het embryo weegt dan 1 gram. Vanaf de derde maand wordt het embryo foetus genoemd.

37 Verstoorde embryonale ontwikkeling Je moet de kenmerken van de volgende verstoorde embryonale ontwikkelingen kunnen noemen: miskraam, door ziekteverwekkers, buitenbaarmoederlijke zwangerschap, gebruik van DES door de moeder.

38 Tweelingen Soms komen er bij een eisprong twee eicellen vrij. Wanneer beide eicellen worden bevrucht, ontstaat er een tweeling. We spreken dan van een twee- eiige tweeling. De leden van een twee-eiige tweeling lijken vaak niet meer op elkaar dan bv. broer en zus. Er kan ook een een-eiige tweeling ontstaan. Dat gebeurt als tijdens de delingen het klompje cellen wordt gesplitst. Elk deel groeit dan uit tot een embryo. De leden van een een-eiige tweeling lijken sterk op elkaar.

39 Nieuwe voortplantingstechnieken Wanneer een paar niet in staat is om binnen een jaar een zwangerschap te realiseren spreken we van een verminderde vruchtbaarheid. Je moet de redenen kunnen noemen voor verminderde vruchtbaarheid bij mannen en vrouwen.

40 Nieuwe voortplantingstechnieken Kunstmatige Inseminatie (KI): Een arts brengt sperma in van een andere man. Deze man heeft sperma achtergelaten bij een sperma bank.Het sperma noemen we donorsperma. In-Vitro Fertilisatie (IVF): Door toediening van hormonen worden meerdere eicellen tot rijping gebracht. Vlak na de ovulatie word de eicel uit het lichaam van de vrouw gehaald, waarbij de eicel buiten het lichaam wordt bevrucht. Tijdens de implantatie wordt het klompje cellen in de baarmoeder gebracht.

41 De geboorte De geboorte of de bevalling kan thuis plaatsvinden of in het ziekenhuis. De moeder merkt dat de bevalling op komst is aan weeën. De bevalling verloopt in drie fasen: de ontsluiting, de uitdrijving en de nageboorte.

42 De ontsluiting De eerste weeën vinden gewoonlijk om de 15 tot 30 minuten plaats. Hierbij trekt de bovenste wand van de baarmoeder zich samen. Het onderste deel van de baarmoederwand en de baarmoederhals worden daardoor rond het hoofdje van de foetus getrokken. Dit wordt indaling genoemd. Na de indaling komen de weeën om de 3 tot 5 minuten. De slijmprop in de baarmoeder wordt uitgestoten en de opening in de baarmoederhals wordt groter. Dit wordt de ontsluiting genoemd.

43 De ontsluiting Hierbij breken meestal de vruchtvliezen, waardoor het vruchtwater of een deel ervan wegvloeit. Als de opening 10 cm is, is de ontsluiting volledig. Het hoofdje van de foetus kan er dan door.

44 De uitdrijving In de uitdrijvingsfase worden de weeën steeds krachtiger en gaan ook de spieren in de buikwand zich samentrekken (persweeën). De moeder mag dan ook actief gaan persen. Door de spiersamentrekkingen wordt het hoofdje van de foetus door de baarmoederhals geduwd. Het hoofdje draait daarbij naar beneden, om onder het schaambeen van de moeder door te kunnen. Ook het rompje van de baby draait op deze manier.

45 De uitdrijving Bij een stuitligging komt eerst het kontje of een voetje naar buiten. Bij een dwarsligging kan het kind niet via de vagina worden geboren. Door een operatie door de buikwand (keizersnede) komt het kind ter wereld. Dwarsliggingen komen niet vaak voor. De uitdrijving kan van enkele seconden tot wel twee uur duren.

46 De nageboorte Als het kind is geboren is het vaak bedekt met een laagje huidsmeer. De baby wordt niet meteen gewassen, omdat deze laag bescherming geeft tegen ziekteverwekkers. De arts of verloskundige verwijdert eerst slijm uit de neus en mond van de baby. Soms wordt de baby ondersteboven gehouden om mogelijk slijm uit de longen te laten lopen. Vervolgens wordt de navelstreng afgeklemd en doorgeknipt.

47 De nageboorte Doordat er geen bloed meer door de placenta kan stromen stijgt het koolstofdioxidegehalte van het bloed van de baby. Deze stijging vormt de prikkel waardoor bij de baby de ademhaling op gang komt. De baby geeft de eerste schreeuw. De placenta, resten van de navelstreng en de vruchtvliezen worden door de samentrekking van de baarmoederwand losgewoeld. Ze worden ongeveer een kwartier na de baby uitgedreven. We noemen dit de nageboorte.

48 Lactatie Vlak na de geboorte wordt de baby een zuigeling genoemd. Een zuigeling wordt alleen met melk gevoed. Het darmkanaal van de baby is nog niet geschikt voor het verwerken van vast voedsel. De moeder kan ervoor kiezen om borstvoeding te geven. Tegen het einde van de zwangerschap wordt het hormoon prolactine gevormd. Dit komt vrij uit de hypofyse. Dit hormoon stimuleert de afgifte van melk door de melkklieren in de borst.

49 Lactatie Bij het zogen van de baby speelt het hormoon oxytocine een rol. Dit hormoon komt vrij uit de hypofyse als reflex op het zuigen aan de tepel. Onder invloed van dit hormoon trekken spiertjes in de wand van de afvoergang van de melkklier zich samen, waardoor de melk naar buiten wordt geperst. Moedermelk bevat wel antistoffen en flesvoeding niet.

50 Veranderingen in de bloedsomloop De embryonale bloedsomloop bezit aanpassingen waardoor er weinig bloed door de longen stroomt: Een opening tussen rechte- en linkerboezem (ovale venster); hierdoor stroomt een gedeelte van het bloed meteen van de rechter- naar de linkerboezem. Een verbinding tussen de longslagader en de aorta (ductus arteriosis); het grootste gedeelte van het bloed dat door de rechterkamer wordt weggepompt komt in de aorta terecht.

51 Veranderingen in de bloedsomloop Veranderingen in de bloedsomloop van een pasgeboren kind: De resten van de navelstrengslagaders en - ader verschrompelen en verdwijnen. Het ovale venster wordt door een klep gesloten De ductus arteriosis wordt nauwer, verschrompelt en verdwijnt.

52 De levenscyclus van de mens Je moet de verschillende levensfasen van de mens kunnen noemen en hierbij kenmerken van groei, ontwikkeling en veroudering kunnen geven.


Download ppt "Thema 2: Voortplanting & ontwikkeling VWO 4 Biologie 1 Boek: Biologie voor jou deel VWO B1."

Verwante presentaties


Ads door Google