De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Aanpassingen bij dieren Paragraaf 7 B.Bouwman - Biologieweb.nl.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Aanpassingen bij dieren Paragraaf 7 B.Bouwman - Biologieweb.nl."— Transcript van de presentatie:

1 Aanpassingen bij dieren Paragraaf 7 B.Bouwman - Biologieweb.nl

2 Aanpassing aan biotoop Dieren zijn meestal goed aangepast aan de biotoop waarin ze leven. Aanpassingen zorgen ervoor dat de verschillende levensfuncties (bijv. bewegen, voortplanten, voeden) optimaal kunnen plaatsvinden. Dieren die in het water leven vertonen andere aanpassingen dan op het land levende dieren.

3 Landdieren ondervinden meer last van hun eigen gewicht dan waterdieren. Waterdieren “zweven” in het water.

4 Waterdieren Waterdieren moeten de weerstand van het water zien te verminderen bij voortbeweging.  Waterdieren hebben vaak een gestroomlijnd lichaam.

5 Landdieren Landdieren hebben aanpassingen om hun eigen gewicht te kunnen dragen, zoals: - een zwaar skelet - stevige ledematen

6 Aanpassingen per diergroep Vissen Landzoogdieren Vogels

7 Vissen

8 Aanpassingen bij vissen Vissen zijn aangepast aan de biotoop waarin ze leven, en vertonen andere aanpassingen dan landdieren. Vissen hebben organen die landdieren niet hebben: - kieuwen - vinnen - huid bedekt met schubben en slijm

9 Kieuwen Met kieuwen nemen vissen zuurstof op uit het water.  In de kieuwen van vissen vindt de gaswisseling plaats.

10 Vinnen Vissen gebruiken vooral hun staartvin voor de voortbeweging. Overige vinnen dienen vooral voor het bewaren van het evenwicht.

11 Huid De huid van vissen is bedekt met schubben en slijm. Het slijm vermindert de weerstand van de vis wanneer deze door het water beweegt.  Kost minder energie en de vis wordt sneller.

12 Landzoogdieren

13 Landzoogdieren en voortbeweging Voor voortbeweging van landzoogdieren is weerstand van de ondergrond belangrijk. Poten van landzoogdieren zijn aangepast aan de ondergrond. Harde ondergrond  klein steunvlak (voordeel = weinig weerstand) Zachte ondergrond  groot steunvlak (voordeel = zakt niet weg in ondergrond)

14 Indeling op basis van voortbeweging Landzoogdieren kunnen worden ingedeeld in drie groepen op basis van de manier waarop ze op hun poten staan, namelijk: - topgangers (hoefgangers) - teengangers - zoolgangers

15 TOPGANGERTEENGANGERSZOOLGANGERS

16 Topgangers (hoefgangers) Topgangers leven op een harde ondergrond. Topgangers lopen op de toppen van hun tenen. Het laatste teenkootje is omgeven door een hoef van hoornstof. Bij topgangers komen niet alle tenen tot ontwikkeling. Paard

17 PAARDVARKENOLIFANTNEUSHOORNKAMEEL Bij topgangers komen niet altijd alle tenen tot ontwikkeling.

18 TEENKOOTJES HOEF Een lengtedoorsnede van een deel van het achterbeen van een paard.

19 Teengangers Teengangers steunen op de gehele teenkootjes. Honden en katten behoren tot de teengangers. Hond

20 Zoolgangers Dankzij een groot steunvlak zakken zoolgangers niet weg in een zachte ondergrond. Apen, beren, egels en mensen behoren tot de zoolgangers. Mens

21 ELANDWOLFMENS TOPGANGERTEENGANGERZOOLGANGER

22 Vogels

23 Aanpassingen bij vogels Vogels vertonen aanpassingen aan de biotoop waarin ze leven. De poten van vogels zijn aangepast aan hun functie (bijv. grijpen, peddelen, klimmen). De snavels van vogels zijn aangepast aan het soort voedsel dat zij eten.

24 Poten van zangvogels Zangvogels gebruiken hun poten vooral om zich aan takken vast te klemmen.

25 Poten van roofvogels De poten van roofvogels en uilen hebben scherpe klauwen waarmee deze dieren hun prooien vangen.

26 Een uil vangt een prooi met behulp van zijn klauwen.

27 Poten van loopvogels Bij loopvogels staan de tenen naar voren. Struisvogels, emoes en nandoes behoren tot de loopvogels.

28 Een struisvogel haalt snelheden tot meer dan 70 km per uur.

29 Poten van watervogels Watervogels gebruiken hun poten vooral om te peddelen. Tussen de tenen zitten vliezen. De naar achteren gerichte teen is meestal klein.

30 Ook de meerkoet is een watervogel. Bij deze vogelsoort zijn de vliezen maar beperkt aanwezig.

31 Poten van steltlopers Steltlopers zoeken voedsel in ondiep water of modder. Ze hebben lange poten zodat hun romp droog blijft, en lange tenen tegen het wegzakken.

32 Een jacana (ook wel lelieloper genoemd).

33 Snavels van vogels Bij vogels komen veel verschillende snavel- typen voor. Vogelsnavels vertonen aanpassingen aan de voedselkeuze.

34 Kegelsnavel Zangvogels die vooral zaden eten hebben een kegelsnavel. Met dit type snavel kan veel kracht worden uitgeoefend op zaden, waardoor de zaden kraken (voedingsstoffen komen vrij).

35 Een appelvink heeft een kegelsnavel.

36 Pincetsnavel Zangvogels die vooral insecten eten hebben een pincetsnavel. Met dit type snavel kunnen insecten makkelijker gevangen worden.  Hoe langer de snavel is, hoe dieper insecten moeten wegkruipen om zich te verschuilen.

37 Een bijeneter heeft een pincetsnavel.

38 Haaksnavel Roofvogels en uilen vangen grotere prooien en hebben scherpe haaksnavels. Met dit type snavel kunnen prooien in stukken worden gescheurd. Steller zeearend

39 Een koningsgier heeft een haaksnavel.

40 Priemsnavel Vogels die bodemdiertjes eten hebben een priemsnavel. Met een priemsnavel kan tot diep in een natte en zachte bodem geprikt worden op zoek naar voedsel. Watersnip

41 Een scholekster heeft een priemsnavel.

42 Zeefsnavel Vogels die het water afslobberen op zoek naar kleine plantjes en diertjes hebben een zeefsnavel. De meeste soorten eenden hebben een zeefsnavel. Mandarijneend

43 Eenden hebben een zeefsnavel. Ze filteren voedsel uit het water met behulp van lamellen in hun snavel. Zwarte zee-eend


Download ppt "Aanpassingen bij dieren Paragraaf 7 B.Bouwman - Biologieweb.nl."

Verwante presentaties


Ads door Google