De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Natuur en Techniek Les 6.  Les 25 Licht en kleur  Les 26 Lichtbreking  Les 27 Geluid  Pauze  Les 28 Krachten  Les 29 Meten en waarnemen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Natuur en Techniek Les 6.  Les 25 Licht en kleur  Les 26 Lichtbreking  Les 27 Geluid  Pauze  Les 28 Krachten  Les 29 Meten en waarnemen."— Transcript van de presentatie:

1 Natuur en Techniek Les 6

2

3

4

5

6

7

8

9  Les 25 Licht en kleur  Les 26 Lichtbreking  Les 27 Geluid  Pauze  Les 28 Krachten  Les 29 Meten en waarnemen  Les 30 Ons zonnestelsel  Vragen  Uitloop mogelijk

10 Lichtbreking  Een lichtstraal verandert van richting bij een overgang in medium, precies op het grensvlak.  De verandering ontstaat door een verschil in dichtheid. Door stoffen met een grotere dichtheid gaat het licht langzamer.

11 Wetten van lichtbreking  Als het licht loodrecht op het oppervlak van een andere stof valt, buigt het niet af, maar reist het rechtdoor. Deze rechtdoorgaande lijn noemen we 'de normaal'. De normaal wordt vaak gebruikt als hulplijn in tekeningen om de breking van licht te berekenen.  Is de invalshoek groot, dan zal de brekingshoek ook relatief groot zijn. Bij een kleine invalshoek is de brekingshoek kleiner.

12

13

14 Wetten van lichtbreking (2)  Wanneer lichtstralen van een minder dichte stof naar een dichtere stof overgaan (bijvoorbeeld van lucht naar water), breken ze naar de normaal toe. Als ze van een dichtere stof overgaan naar een minder dichte stof (van water naar lucht), dan breken ze van de normaal af.  Is het verschil in dichtheid tussen de twee stoffen groot, dan zal de brekingshoek ook groot zijn. Bij een klein verschil in dichtheid is de brekingshoek klein.

15

16 Bolle lenzen  Bolle lenzen vergroten het beeld.  Brandpuntsafstand (f) = afstand tussen midden van de lens en het brandpunt (F).  Voorwerp (V) op voorwerpsafstand (v)  Beeld (B) op beeldafstand (b)  Vergrotingsfactor (N) berekenen = b/v Brandpunt

17 Holle lenzen  Bij een holle lens verkleint het beeld.  Er is geen echt brandpunt, dit ligt voor de lens.  De lichtstralen buigen van elkaar af.

18

19 Lichtbreking door een prisma  Wit licht bestaat uit alle kleuren bij elkaar.  Omdat kleuren een andere golflengte hebben breken deze anders en worden de kleuren van elkaar gescheiden.  Bij een prisma wordt licht op twee vlakken gebroken en ontstaat een regenboog aan kleuren.

20 Regenboog  Een regenboog ontstaat als het zonlicht breekt door het water van regendruppels.  Het zien van de regenboog is afhankelijk van de plek van de zon en van jou.

21

22 Het ontstaan van geluid  Geluid is een trilling.  Een geluidsbron beweegt waardoor de lucht er omheen in beweging wordt gezet.  De lucht trilt en als de trillende lucht je oor bereikt kun je een geluid waarnemen.  De lucht geeft de trilling door, dit noemen we medium (tussenstof). Dit zou ook water kunnen zijn. Zonder tussenstof kunnen trillingen zich niet voortbewegen.  Geluidsbronnen zijn trillende voorwerpen: stembanden, instrumenten, luidsprekers

23 Geluid in golven  De trillingen van een geluid worden aangegeven als golven.  De trillingen kunnen door een microfoon worden omgezet in een elektrisch signaal.  De oscilloscoop gebruikt dit signaal om het geluid weer te geven in een diagram.  Dan is er een golf- beweging te zien

24 Toonhoogte  De hoogte van een toon is afhankelijk van het aantal trillingen per seconde.  Meer trillingen  hogere toon  Frequentie = aantal trillingen per seconde in Hertz (Hz)  70 Hz betekend, deze geluidsbron geeft 70 trillingen per seconde af.  Bij instrumenten wordt de toonhoogte geregeld door de lengte van het trilmedium (snaar, luchtkolom, stembanden)  Niet elke toonhoogte kunnen wij horen. Dit is soort afhankelijk en heeft te maken met het vermogen van de oren.  Mensen kunnen ongeveer tussen de 20 en Hz horen.

25

26 Geluidssnelheid  De geluidssnelheid is de snelheid van de trillingen.  Geluid kan zich verplaatsen door een tussenstof (medium) en de snelheid is afhankelijk van het medium.  In lucht kan geluid zich sneller verplaatsen dan in vloeistof.

27 Geluidssterkte  De sterkte van een geluid wordt weergegeven door de amplitude(uitslag) van de geluidsgolf.  Harder geluid  grotere amplitude.  De geluidssterkte wordt gemeten in decibel (dB)  Tot 80 dB is onschadelijk, hoger noemen we geluidshinder.

28 Geluidssterkte dBBelevingVoorbeeld 10Net hoorbaarVallend blaadje 20Net hoorbaarFluisteren op 1,5 m afstand 30Erg stilStille slaapkamer 40StilZacht geroezemoes in de klas 50RustigHet geluid in het bos 60VervelendCentrifuge 70StorendLoeiende stofzuiger in je kamer 75Erg storendDruk café 80HinderlijkFluitketel 85Erg hinderlijkRookmelder 90SchadelijkVan dichtbij in oor schreeuwen 100SchadelijkiPod voluit spelend 120 Sirene 140Pijngrens

29 Gehoorbeschadiging  De gehoorcellen in je oor kunnen beschadigd worden door ze bloot te stellen aan te hard geluid of te lang aan geluid.  Om gehoorbeschadiging tegen te gaan worden gehoorbeschermers gebruikt.

30 Soorten krachten  Zwaartekracht: de aantrekkingskracht van de aarde op een object  Wrijvingskracht: een weerstandskracht door twee objecten tegen elkaar aan  Veerkracht: de kracht dat het object in zijn oorspronkelijke vorm terugkeert naar indrukken of uittrekken  Magnetische kracht: aantrekken of afstoten door statische elektriciteit  Elektrische kracht: de kracht van geladen deeltjes  Trekkracht en duwkracht: een kracht die het object een bepaalde richting op stuurt  Opwaartse kracht: drijfkracht van objecten met een kleine dichtheid ten opzicht van vloeistoffen

31 Voorbeeld 1 Zwaartekracht 2 Gewicht 3 Luchtweerstand 4 Elektrische kracht 5 Wrijvingskracht Alle krachten samen zorgen voor beweging. Afhankelijke van de grootte van de kracht is de beweging naar voren of naar achter. Bij stilstand is de som van alle krachten nul.

32 Krachten tekenen  Kracht (F)  Zwaartekracht (Fz)  Wrijvingskracht (Fw)  De grootte van de kracht wordt weergegeven door de grootte van de pijl  De richting van de kracht is te zien aan de richting van de pijl  Het aangrijpingspunt van de kracht is waar de kracht vandaan komt.

33 Resulterende krachten  Resulterende kracht = alle krachten bij elkaar  Stilstaand = resulterende kracht is 0  Versnellen = voorwaartse kracht is groter  Vertragen = achterwaartse kracht is groter  Constante snelheid = resulterende kracht is 0

34

35 Resulterende kracht weergegeven  De resulterende kracht van een voorwerp is te zien in de snelheid (v) of beweging  Snelheid is de afstand(s) ten opzichte van de tijd  Snelheid in diagram

36

37 Afstand (s) in diagram

38

39 Druk  De kracht die een object heeft ten opzichte van een ander object  Kracht wordt aangegeven in Newton (N)  Druk wordt aangegeven in Kracht per oppervlakte  Druk = Kracht / oppervlakte  Bijvoorbeeld 1 tegel van 10 x 10 cm (100cm³) drukt met een kracht van 50 N op een tafel. Wat is de druk? Druk = 50 N / 100 cm³ = 0,5 N/cm³

40 Krachten op vloeistoffen  De opwaartse kracht en de zwaartekracht hebben invloed op een object in een vloeistof  Zinken: zwaartekracht > opwaartse kracht  Zweven: zwaartekracht = opwaartse kracht  Drijven: zwaartekracht < Opwaartse kracht Opwaartse kracht is afhankelijk van de dichtheid van het voorwerp en de dichtheid van de vloeistof.

41 Beïnvloeden van krachten Hefboom  Bijvoorbeeld een krik, tang, hamer, breekijzer, steekwagen en steek/ringsleutel Katrol/takel Bijvoorbeeld bij zeilen en om op te takelen Krachten worden verdeelt over meerdere touwen Hoe kleiner de kracht, hoe groter de afstand

42

43

44 Krachten overbrengen  De ene kracht kun je omzetten in een kracht in een andere beweging  Bij hefbomen en katrollen  Ook bij tandwielen wordt kracht overgedragen.  Indirect verbonden tandwielen draaien in dezelfde richting (draairichting).  Direct verbonden tandwielen draaien en tegenovergestelde richting

45 Stevigheid en stabiliteit  Bij het ontwerpen van producten worden verschillende technieken gebruikt om de stevigheid en stabiliteit te bevorderen.  Profiel, patroon van een object: bijvoorbeeld in auto banden waarbij wrijvingskracht wordt vergroot  Verband, patroon is opbouw: bijvoorbeeld een patroon in stenen waarbij de druk wordt verdeeld  Driehoekconstructie: het gewicht wordt verdeeld over een brede basis, soms door bogen. Bijvoorbeeld in bruggen.

46 Verbindingen  Verbindingen tussen stoffen of in producten zijn afhankelijk van de functie van het object.  Permanente verbindingen: bijvoorbeeld lassen, lijmen, schroeven  Beweegbare verbindingen: scharnier  Los-vast-verbindingen: ritssluiting, klittenband

47 Elektriciteit in huis  Apparaten in huis gebruiken energie; waterkoker, (af)wasmachine, koffiemachine, televisie enz.  Plasma-tv 235 watt. Dit betekend dat de tv 235 watt per uur gebruikt.  In de meterkast staat een kWh-meter. Deze meet de hoeveelheid Watt die in het huis gebruikt wordt.  Alle apparaten zijn aangesloten op de bedrading in huis, de bedrading en aansluitingen worden ook wel huisinstallatie genoemd.

48 Vermogen  Vermogen is wat een apparaat gebruikt per uur  Energieverbruik (E el) = vermogen (P) x tijd (t)

49 Energierekening berekenen  In één dag heb je  2 uur tv(235W) gekeken,  0,5 uur stofgezogen(1000W),  1 uur wasmachine(500 W),  3,5 uur lampen (totaal 60 W)  2 uur vaatwasser (2500W)  24 uur CV-ketel (24kW) Wat heb je verbruikt op 1 dag? De energieprijs is 23 cent per kWh. Wat is de energierekening?

50 Energierekening berekenen  In één week heb je  2 uur tv(235W) gekeken, 470 Wh = 0,47 kWh  0,5 uur stofgezogen(1000W), 500 Wh = 0,5 kWh  1 uur wasmachine(500 W),500 Wh = 0,5 kWh  3,5 uur lampen (totaal 60 W)210 Wh = 0,21 kWh  2 uur vaatwasser (2500W)5000Wh = 5 kWh  6 uur CV-ketel (24kW)144 kWh Wat heb je verbruikt op 1 dag? 150,68 kWh De energieprijs is 23 cent per kWh. Wat is de energierekening in deze week? 150,68 x 0,23 = €34,66

51

52

53 Veiligheid in elektriciteit  Aardlekschakelaar: apparaat dat de energie aan het begin en het eind van de stroomkring meet.  Dit moet gelijk zijn, anders ‘lekt’ er energie en kan er kortsluiting ontstaan.  Als de aardlekschakelaar een verschil meet, schakelt het direct de stroomtoevoer uit. Randaarde: Een apparaat/stopcontact met een extra contact punt met de aarde. Bij het lekken van stroom kan de energie via de randaarde lopen en niet via een persoon. Zekeringen: Voorkomt een te grote stroom aan- of afvoer waardoor draden niet kunnen smelten.

54 Regelsystemen  Veel systemen in ons huis regelen zelf het energieverbruik, bijvoorbeeld de thermostaat, cv-ketel, alarmsysteem. Invoer Sensor meet Verwerking Signaal van sensor wordt verwerkt Uitvoer Op basis van signaal gaat apparaat aan of uit. Terugkoppeling (feedback) Als het behaalde resultaat goed is gaat het apparaat weer uit.

55 Zonnestelsel  Ster; geven licht door hitte  Zon; grootste ster  Aarde; planeet  Maan; ronddraaiende planeet om een planeet  Planeten; weerkaatsen licht  Sterrenstelsel; groep sterren en planeten  Zonnestelsel; groep sterren en planeten die samen om één zon draaien  Melkweg; vele zonnestelsel bij elkaar

56 Ons zonnestelsel

57  Alle planeten draaien in banen rond de zon

58 Onze maan op aarde  De maan weerkaatst het licht van de zon  In 28 dagen rond de aarde  Maansverduistering: aarde staat tussen zon en maan

59

60 Zwaartekracht  De aarde heeft aantrekkingskracht op het oppervlak waardoor wij op aarde blijven staan.  Ook de maan heeft door zijn ronddraaiende kracht aantrekkingskracht welke wij op aarde waarnemen. De aantrekkingskracht zien wij terug in eb en vloed.  van-de-maan/ van-de-maan/  De aarde draait in 24 uur om as  De aarde draait in 365 dagen om de zon

61 Ritme  Het dag- en nachtritme van de aarde wordt veroorzaakt door draaiing van de aarde om zijn eigen as (24 uur).  Seizoenen ontstaan door de draaiing van de aarde om de zon. Omdat de draaiings-as van de aarde afwijkt.

62 Zonsverduistering  De maan zit tussen de aarde en zon

63 Andere natuurverschijnselen  Temperatuur; afhankelijk van de zon en de opwarming van de aarde  meten met een thermometer  Luchtdruk; hoeveelheid lucht boven de aarde  meten met een barometer  Windsnelheid; ontstaat door verplaatsing van lucht  meten met een windmeter  De windrichting kan verschillen  meten met een windvaan  Neerslag; in regen, mist, sneeuw, hagel, ijzel  meten met een regenmeter  Bliksem; ontstaat door elektrostatische energie tussen wolken welke ontladen

64

65


Download ppt "Natuur en Techniek Les 6.  Les 25 Licht en kleur  Les 26 Lichtbreking  Les 27 Geluid  Pauze  Les 28 Krachten  Les 29 Meten en waarnemen."

Verwante presentaties


Ads door Google