De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Algemene ouderavond dolfijngroep WOENSDAG 22 APRIL 2015 FUNDAMENT NIEUWLAND.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Algemene ouderavond dolfijngroep WOENSDAG 22 APRIL 2015 FUNDAMENT NIEUWLAND."— Transcript van de presentatie:

1 Algemene ouderavond dolfijngroep WOENSDAG 22 APRIL 2015 FUNDAMENT NIEUWLAND

2 Programma  Welkom en opening  Algemene informatie dolfijngroep  Kenmerken van verrijkingswerk  Fotoverslag techniektoernooi  Pauze  Begaafd en speciaal  Overige vragen  Sluiting  Evt. vragen over eigen kind of afspraak maken

3 Structuur Dolfijngroep  Dolfijngroep is onderdeel zorg!  RT / onderwijs op maat  Selectie valt onder verantwoordelijkheid van de IB’er  Dolfijnleerkracht begeleidt kind in de dolfijngroep: geeft werk mee; instuctie, evaluatie  Groepsleerkracht coacht in de klas

4 Onderwijsinhoud  Cognitieve uitdaging  Verdiepen  Verbreden  Leren leren  Sociaal-emotionele ontwikkeling  Vaardigheden aanleren  Computervaardigheden  Samenwerken

5 Lesaanbod dolfijngroep  Programma is basisaanbod. Soms differentiatie nodig.  Aanbod vastgelegd in vierjarenplan  Jaar opgedeeld in vier periodes  Terugkoppeling naar de groep

6 Hulp ouders  Markeerstift  USB-stick (voorzien van naam!)  Plannen van huiswerk:  Groep 4, 5, 6: half uur per week  Groep 7, 8: uur per week

7 Informatie en communicatie  Groepsleerkracht is eerste aanspreekpunt  Bij specifieke problemen, problemen rond begaafdheid of vragen m.b.t. dolfijngroep: dolfijnleerkracht

8 Informatie / rapportage aan ouders  Extra blad in rapport, ingevuld door dolfijnleerkracht  Mappen mee naar huis in vakanties  Gezamenlijke informatieavond in september/oktober en in maart/april; locatie bij toerbeurt  Bij start project: doelen, inhoud, studieplanner  N.a.v. oudertevredenheidspeiling: vaker afsluiting project met ouders

9 Stellingen  1: Door het maken van verrijkingswerk doorlopen kinderen de lesstof sneller.  2: Goed verrijkingswerk sluit aan op de lesstof van de klas.  3: Het volgen van de gewone lesstof is noodzakelijk om te profiteren van verrijkingswerk.  4: Goed verrijkingswerk vraagt meerder (denk)vaardigheden tegelijk.  5: Goed verrijkingswerk moet van stap tot stap goed begeleid kunnen worden door de groepsleerkracht.  6: Bij verrijkingswerk kunnen geen duidelijke doelen gesteld worden.

10 Nabespreking stellingen 1: Door het maken van verrijkingswerk doorlopen kinderen de lesstof sneller.  Probleem van versnellen  In de dolfijngroep kiezen we voor verdiepen & verbreden i.p.v. versnellen  Aanbieden van lesstof buiten curriculum (zoals filosofie, Spaans) 2: Goed verrijkingswerk sluit aan op de lesstof van de klas.  Het is altijd goed als het werk in de klas uitgediept wordt voor dolfijnleerlingen!  Eigen interesses ook van belang! Aansluiten bij onderwijsbehoeften (HGW)  Beroep op creativiteit van de leerling

11 Nabespreking stellingen 3: Het volgen van de gewone lesstof is noodzakelijk om te profiteren van verrijkingswerk.  Kennis toetsen, dan lesaanbod bepalen  Compacten en verrijken gaan altijd samen!  Verrijkingswerk is dus een vervanging van ‘gewoon’ werk 4: Goed verrijkingswerk vraagt meerder (denk)vaardigheden tegelijk.  We streven hier naar, meer rendement  Keuzemogelijkheden manier van leren voor leerling (meerdere oplossingsstrategieën)  Werk met een probleem gericht karakter (hoge complexiteit)

12 Nabespreking stellingen 5: Goed verrijkingswerk moet van stap tot stap goed begeleid kunnen worden door de groepsleerkracht.  Oefenen van de zelfstandigheid is belangrijk. Wel blijvend instructie nodig!  Taak van groepsleerkracht : kind stimuleren het beste uit zichzelf te halen  Top-down leren bij dolfijngroep kinderen (i.p.v. werken met stappenplan) 6: Bij verrijkingswerk kunnen geen duidelijke doelen gesteld worden.  Juist van belang!  Ook evaluatie/reflectie van belang  Terugkoppeling/presentatie aan de klas

13 Verrijkingswerk  Definitie van verrijkingswerk  Verbredend en verdiepend werk dat een beroep doet op de hogere orde denkvaardigheden (analyseren, creëren en evalueren) en dat gedaan wordt in de tijd die vrijkomt door het compacten van de reguliere lesstof.

14 Begaafd en speciaal BEGAAFDE KINDEREN MET EEN LEER-OF GEDRAGSSTOORNIS

15 Begaafd en een leer-of gedragsstoornis Problemen met leren  Begaafd en dyslexie (lees- en spellingproblemen)  Begaafd en dyscalculie (rekenproblemen) Problemen met gedrag  Begaafd en ASS (stoornissen in het autistisch spectrum, bijv. syndroom van Asperger, PDDNos)  Begaafd en AD(H)D

16 Omgevingsfactoren en kindfactoren  Kinderen met bovengenoemde stoornissen hebben allemaal moeite met executieve functies (vaardigheden die nodig zijn om het leerproces te sturen)  Executieve functies kunnen belemmerd worden door omgevingsfactoren of kindfactoren.  Door de omgevingsfactoren aan te passen zou er verbetering moeten ontstaan.  Als dat weinig of geen resultaat heeft, zit het probleem waarschijnlijk in de kindfactoren en is onderzoek naar een stoornis op zijn plaats.  Onderzoek mag alleen gedaan worden door daarvoor opgeleide personen (GZ psychologen en psychiaters)

17 Dyslexie Wat zie je?  Het leesproces komt zeer moeizaam op gang  Vaak heeft het kind moeite met spellen  Kans is groot dat het kind laag zelfbeeld krijgt: ik kan niet eens lezen! Hoe ontdek je de combinatie?  Lage DMT (losse woorden)  AVI meestal net op niveau  Hoge score voor begrijpend lezen (zonder tijdsdruk)  Hoge score met rekenen, wel vaak moeite met automatiseren (tafels, optellen en aftrekken tot 20)

18 Diagnose  Alleen door officieel onderzoek (inclusief IQ meting).  Wordt alleen vergoed bij E of V scores na drie toetsmomenten, pas na anderhalf jaar leesonderwijs.  Begaafdheid kan compenseren. Hard oefenen levert vaak een D of IV op: het onderzoek wordt niet vergoed en niet uitgevoerd.  Wat dan? Behandel het kind als begaafd en speciaal en kijk wat dat doet!

19 Begeleiding  Leg het kind uit dat dyslexie niets te maken heeft met intelligentie!  Zet vooral in op de begaafdheid en tegelijkertijd ook op de remediëring. Plaats indien mogelijk de remediëring in het kader/onderwerp van de verrijking. Dan wordt het betekenisvoller.  Lezen is juist voor begaafde kinderen heel belangrijk omdat het je toegang verschaft tot oneindige informatiebronnen.

20 Inzetten op begaafdheid  Compacten van stof die wel beheerst wordt.  Zelfde verrijkingswerk als andere begaafde kinderen, maar met aanpassingen.  Preteaching door lezen van grote teksten voor dolfijngroep (ouders of behandelaar)  Leesmaatje in de groep dat hardop voorleest  Aanpassingen van de opdracht: meer mondelinge opdrachten dan schriftelijke (bijv. PP-presentatie)  Informatie verwerven d.m.v. geluids-en beeldmateriaal

21 Remediëring  Ouders hebben grote rol. Na officieel onderzoek i.c.m. behandelaar.  Belangrijk: leesplezier en interesse! Laat kind zelf boeken kiezen. Vaak slaan infoboeken beter aan!  teksten lezen als preteaching voor dolfijngroep of ander verrijkingswerk.  Thuis iedere dag lezen: liefst op vaste tijd, waardoor geen discussie maar vanzelfsprekendheid ontstaat.  Leeskilometers zijn belangrijk.

22 Wat bij vermoedelijke dyslexie?  Zelfde begeleiding als dyslectische kinderen. Waarom?  Is het dyslexie dan is het meteen behandeling.  Bij weinig vooruitgang meer kans op onderzoek.  Leerkrachten kunnen gaan handelen als bij dyslexie: vergroten van teksten en meer tijd.  Is het geen dyslexie, maar ‘achterstallig onderhoud’ en desinteresse: leesresultaten gaan flink vooruit. Geeft meer leesplezier en leesgemak.

23 Spelling  Veel begaafde kinderen halen matige scores met spellen. Vaak uit desinteresse.  Het is belangrijk uit te vinden wat de oorzaak is. Kan spellingsdyslexie zijn.  Altijd interventie doen!

24 Dyscalculie Wat noemen we dyscalculie?  Fouten in uitvoeren van rekenprocedures  Niet geautomatiseerde rekenfeiten  Problemen met inzicht in notatie en ruimte  Tekort aan inzicht in getallensystemen Hoe ontdek je de combinatie?  Lagere scores voor rekenen  Hoge scores voor taal, spelling en lezen  Hoge scores voor begrijpend lezen

25 Observeren: waar ligt het probleem?  Vraag aan de kinderen naar gedachtegang tijdens maken van sommen.  Vraag naar de betekenis van getallen in bepaalde posities.  Vraag naar een verhaaltje bij de som om te kijken of het begrijpt wat het doet.  Observeer of het kind geautomatiseerd is.

26 Begeleiding: verrijking en remediëring  Leg uit dat het hebben van alleen rekenproblemen niets te maken heeft met IQ. Benoem de dingen die het wel kan. Zorg dat het kind zijn eigenwaarde houdt of terugkrijgt.  Compact en verrijk in talige vakken.

27 Begeleiding  Leg uit dat automatiseren heel belangrijk is omdat je anders een veel te groot beroep moet doen op je werkgeheugen.  Stimuleer het automatiseren. Begin niet met de tafel van 2! Leg uit dat het inspanning en tijd kost.  Geef bij hardnekkige problemen in het uitvoeren:  Rekenmachine  Tafelkaart  Meer tijd voor oefenen in automatiseren  Laat zelf verhalen bedenken bij rekenopdrachten om te oefenen in het begrip

28 Begaafd en ASS Diagnoses rond hoogbegaafdheid en stoornissen in het autistisch spectrum vragen kennis van hoogbegaafdheid en van de stoornissen. Er kan veel misgaan, maar het kan ook goed komen. 1. Alleen de begaafdheid wordt ontdekt, omdat die de stoornis kan camoufleren. Gevolg: gezien worden als onderpresteerder en geen hulp krijgen bij sociaal emotionele ontwikkeling. 2. Alleen de stoornis wordt ontdekt en niet de begaafdheid. Gevolg: geen verrijkingswerk.

29 Begaafd en ASS 3. Begaafdheid en stoornis worden geen van beiden ontdekt omdat de begaafdheid en de stoornis elkaar camoufleren. Gevolg: geen verrijkingswerk en geen hulp. 4. Er wordt onterecht een stoornis vast gesteld, omdat de kenmerken van begaafdheid en/of gedrag dat veroorzaakt wordt door een niet passend aanbod, wordt aangemerkt als passend bij een stoornis. Gevolg: verkeerde begeleiding 5. Beiden worden vastgesteld en het kind krijgt verrijking en hulp.

30 Overeenkomsten in kenmerken van begaafdheid en ASS  Problemen met sociale interactie  Geen aandacht voor andermans gezichtspunt  Egocentrisch  Monopoliseren/domineren in gesprekken  Onophoudelijk vragen stellen

31 Overeenkomsten in kenmerken van begaafdheid en ASS  Sociale isolatie  Eenzaamheid  Geen vrienden  Neiging tot introversie  Voorlijk(e) taalontwikkeling/taalgebruik  Uitgebreide woordenschat  Verbale vlotheid

32 Overeenkomsten in kenmerken van begaafdheid en ASS  Sterk gefocuste aandacht en absorberende interesses  Uitstekend geheugen en grote feitenkennis Door enkelen wordt nog genoemd:  Sensorische overgevoeligheid  Apart gevoel voor humor  Koppigheid  Sterk in argumenteren  Begaan met eerlijkheid en rechtvaardigheid

33 Observeren: Sociale interactie en communicatie  Vertoont het kind dit gedrag ook als het omgaat met ontwikkelingsgelijken?  Is het kind onafhankelijk van leeftijdgenoten maar kan het wel vrienden maken?  Weet het kind dat het anders is en kan het beredeneren hoe dat komt?  Is het zich bewust van de impact van eigen gedrag?  Is het zicht bewust van andermans gezichtspunt?  Heeft het origineel en creatief taalgebruik?  Spreekt het normale taal, maar als van een ouder kind? Is het antwoord ja, dat is er ws. sprake van HB zonder ASS

34 Observeren: Sociale interactie en communicatie  Heeft het kind gebrek aan empathie?  Is het schutterig, sociaal klungelig, teruggetrokken of opdringerig?  Is het kind onvaardig met leeftijdgenoten? Kan het geen vrienden maken?  Weet het dat het anders is, maar begrijpt het niet waardoor het komt?  Is het onbewust van eigen gedrag?  Is het onbewust van andermans gezichtspunt?  Praat het in boekentaal?  Spreekt het in repeterende, pedante, soms oeverloze, monotone taal? Is het antwoord meerdere malen ja, dan is een onderzoek gewenst.

35 Oberveren: Interesse, beperkingen en zich herhalend gedrag  Is het kind in veel zaken geïnteresseerd?  Heeft het een gepassioneerde fascinatie?  Kan het de aandacht op iets anders richten?  Heeft het kind excellent begrip, abstract denkvermogen en ziet het verbanden?  Leert het kind meer selectief, filtert het info, laat het sommige info bewust weg? Is het antwoord ja, dat is er ws. sprake van HB zonder ASS

36 Oberveren: Interesse, beperkingen en zich herhalend gedrag  Heeft het kind één of beperkt aantal interesses?  Heeft het kind een dwangmatige fascinatie?  Kan het kind de aandacht niet op iets anders richten?  Heeft het kind een excellent geheugen voor feiten?  Leert het gefragmenteerd, gericht op details?  Geniet het van ‘feiten stampen’ en (obsessief) memoriseren? Is het antwoord meerdere malen ja, dan is een onderzoek gewenst.

37 Begeleiding  Intellectuele uitdaging!!!!  Structuurbehoefte  Communicatie en interactie:  steunen bij samenwerken, soms nog niet laten samenwerken  Zoeken naar geschikte SoVatraining  Momenten inlassen om met kind te spreken hoe het gegaan is.

38 Begeleiding  Structuurbehoefte  Zelfredzaamheid: bouw zelfstandig werken en sociale zelfredzaamheid langzaam op.  Gedragsproblemen:  Bespreek wat gewenst en ongewenst gedrag is  Verzin samen een teken(woord pictogram) waarop het kind zich mag terugtrekken om zich te herpakken  Studievaardigheden en huiswerk:  Help huiswerk opschrijven, overzichtelijk.  Help met plannen en ordenen

39 Begaafdheid en ADHD of ADD  ADHD is een set eigenschappen die leidt tot disfunctioneren  Hoofdsymptomen:  Concentratiezwakte, onoplettendheid  Druk gedrag  Impulsiviteit  Voor het zevende jaar begonnen  Moet langer dan een half jaar in twee situaties aanwezig zijn  Klachten moeten leiden tot disfunctioneren

40  Naast meer of drie hoofdsymptomen vaak ook last van:  Slecht korte termijngeheugen  Moeilijkheden met timing, planning en organisatie  Vaak slecht zelfbeeld door negatieve aandacht  Soms faalangst  In ernstige gevallen depressie.

41 Diagnose soms moeilijk te stellen Diagnoses rond hoogbegaafdheid en ADHD vragen kennis van hoogbegaafdheid en van AD(H)D. Er kan veel misgaan, maar het kan ook goed komen: 1. Alleen de begaafdheid wordt ontdekt, omdat de cijfers ondanks de stoornis goed zijn. Gevolg: gezien worden als onderpresteerder en geen hulp krijgen bij sociaal emotionele ontwikkeling. 2. Alleen de stoornis wordt ontdekt en niet de begaafdheid. Gevolg: geen verrijkingswerk.

42 3. Begaafdheid en ADHD worden geen van beiden ontdekt. Het kind is wel druk maar haalt gemiddelde cijfers. Gevolg: geen verrijkingswerk en geen hulp. 4. Er wordt onterecht ADHD vast gesteld, omdat de kenmerken van begaafdheid en/of gedrag dat veroorzaakt wordt door een niet passend aanbod, wordt aangemerkt als passend bij ADHD. Gevolg: verkeerde begeleiding. 5. Beiden worden vastgesteld en het kind krijgt verrijkingswerk en hulp.

43 Mogelijke gemeenschappelijke kenmerken van HB en AD(H)D  Motorische onrust  Wisselen van aandacht, vluchtigheid  Moeite met autoriteit  Moeite met regels en voorschriften  Moeite met plannen en timemanagement  Werk wordt niet afgemaakt  Aanwijzingen worden niet opgevolgd  Moeite met sociale contacten

44 Oberveren  Komen de problemen pas als kind naar school gaat?  Toont het kind selectief talent: alleen voor taken die interessant zijn, en heeft het de neiging zich te onttrekken aan niet interessante taken?  Kan het kind zich lang concentreren op uitdagende en interessante taken?  Is het zich niet bewust van zijn omgeving als de opdracht interessant is?  Wordt het kind makkelijk afgeleid van niet interessante taken, maar probeert te voorkomen dat anderen worden afgeleid.  Maakt opzettelijk het werk niet af (vooral schrijfwerk).

45  Zijn vage antwoorden meestal correct?  Zijn de onderbrekingen van een gesprek meestal bedoeld om anderen te corrigeren?  Kan het kind makkelijk van de ene interessante naar de andere interessante activiteit worden geleid?  Maakt het kind aandachtstesten goed en kan het makkelijke zijn aandacht verplaatsen, mits het gemotiveerd is?  Keert het kind snel terug naar een taak, na te zijn afgeleid of na uitstel? Als deze vragen met ja worden beantwoord is er ws. geen sprake van ADHD. Observeren

46  Kwamen de problemen al voor het kind naar school ging?  Kan het kind zich ook niet concentreren op uitdagende en interessante taken (tv en computer niet meegerekend)?  Blijft het kind zich bewust van de omgeving bij een interessante taak?  Raakt het snel afgeleid en stoort het dan ook andere kinderen?  Maakt het kind het werk on opzettelijk niet af, bijvoorbeeld door het niet meer weet wat het moest doen?

47 Observeren  Zijn vage antwoorden meestal fout?  Zijn de onderbrekingen van een gesprek doordat het kind over iets anders begint?  Maakt het kind aandachtstesten niet goed, ook als het gemotiveerd is?  Keert het kind niet of moeilijk terug naar een taak, na te zijn afgeleid of na uitstel? Als deze vragen met ja worden beantwoord is een onderzoek gewenst.

48 Begeleiding  Stimuleer interessante en uitdagende bezigheden  Voed sterke punten, steun zwakke plekken, stimuleer creativiteit: kinderen met HB en ADHD zijn vaak heel creatief denkend. De creativiteit van de begaafdheid wordt versterkt door de ADHD.  Het probleem is dat de gedachten niet omgezet kunnen worden in daden.  Bij het uitvoeren hebben de kinderen begeleiding nodig:  Breng structuur aan in de gedachten en ideeën  Maak samen met het kind een stappenplan  Plan het werk in

49 Begeleiding  Structureer de omgeving: rustige plek, lege tafel  Kijk samen welke spullen nodig zijn en verzamel ze  Help het kind als dat nodig is even op weg.  Verbreed sterke vakken, gebruik zo nodig technische hulpmiddelen  Biedt niet-autoritaire duidelijke regels en voorschriften.  Stel duidelijke grenzen en maak afspraken over consequenties  Geef voortdurend positieve bekrachtiging en leiding  Leer zelfredzaamheid en kritiek aan

50 Begeleiding  Werk aan positief zelfbeeld  Oefen sociale vaardigheden  Zorg voor aangepaste omgeving  Eis haalbare doelen  Condenseer sterke vakken, streef naar kortetermijndoelen

51 Begeleiding  Help beperkingen te aanvaarden  Beoordeel flexibel  Pas leerstijl aan  Overweeg medicatie bij onderpresteren. Bij medicatie is altijd begeleiding nodig, omdat het kind achterloopt in de ontwikkeling van zijn executieve vaardigheden. Dat gaat niet door medicatie spontaan over.

52 Dolfijngroep  Bij (hoog)begaafde kinderen met een stoornis moet altijd ingezet worden op verrijkingswerk en moeten de omgevingsfactoren zo goed mogelijk worden aangepast.  De meeste kinderen kunnen naar de dolfijngroep als daar tegemoet gekomen kan worden aan hun educatieve behoeften.  Soms is de stoornis zo ernstig dat dat niet kan:  het kind kan het zelf niet aan en heeft één op één begeleiding nodig  het is te belastend voor de andere kinderen.

53 Meer lezen?  E. van Gerven (red): Handboek Hoogbegaafdheid Hs 13,14,15. Assen, van Gorcum, 2009  J.T. Webb, E.R. Amend, N.E. Webb, J. Goerss: Misdiagnose van hoogbegaafden. Assen, van Grocum,  B. Daeter: Hoogbegaafde kinderen met stoornissen. Assen, van Gorcum, 2013

54 Vragen?  Zijn er nog vragen over dit gedeelte?  Zijn er nog vragen over andere zaken die de dolfijngroep aangaan en nog niet aan de orde zijn geweest?  Vragen over eigen kinderen graag na de sluiting. Of afspraak maken met de dolfijnleerkracht.

55 Sluiting  Gedicht: Mijn Toevlucht Bedankt voor uw komst!


Download ppt "Algemene ouderavond dolfijngroep WOENSDAG 22 APRIL 2015 FUNDAMENT NIEUWLAND."

Verwante presentaties


Ads door Google