De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

INLEIDING IN DE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN 1.

Verwante presentaties


Presentatie over: "INLEIDING IN DE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN 1."— Transcript van de presentatie:

1 INLEIDING IN DE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN 1

2 HOOFDSTUK I DE STATISTIEK IN HET ONDERZOEK 2

3 DOELSTELLINGEN De student kent de diverse fasen van het onderzoek en begrijpt de rol van de statistiek in dat kader; De student verstaat de besproken begrippen zoals variabele, afhankelijke en onafhankelijke variabele, operationalisering, populatie versus steekproef, beschrijvende versus inductieve statistiek, … De student kent de diverse vormen van steekproeftrekking en tevens de mogelijkheden en beperkingen hiervan; De student kent het onderscheid tussen het experiment en het survey-onderzoek.

4 TWEE TYPEN VAN STATISTIEK? Beschrijvende statistiek (jaar I) verzamelen van gegevens bij een steekproef samenvatten van deze gegevens welk zijn de kengetallen? middels een grafische voorstelling? analyseren van de resultaten bestaat er een samenhang? Kortom een overzicht van de resultaten Inductieve statistiek (jaar II) Wat betekenen deze resultaten in relatie tot de populatie? schattingsprobleem: hoe kunnen we µ schatten op grond van het steekproefgemiddelde? Beiden bieden methodologische ondersteuning van onderzoek

5 DIT IS ONDERZOEK Gaat over onderzoek dat op basis van waarnemingen probeert ware en algemene uitspraken te doen over de werkelijkheid. (Brinkman, 2006) Een uitspraak is een bewering waarin een of meerdere objecten een eigenschap wordt toegeschreven.

6 DIT IS ONDERZOEK Voorbeelden van uitspraken: - Jan is ziek - Assepoester is lang ongelukkig geweest - Kabouters zijn kleiner dan mensen - Bomen hebben een stam - Mannen zijn gemiddeld intelligenter dan vrouwen

7 DIT IS ONDERZOEK Wetenschappelijk verantwoord onderzoek? - objectiviteit - controleerbaarheid - herhaalbaarheid - systematiek

8 DIT IS ONDERZOEK Deterministische uitspraken versus probabilistische uitspraken - Wet van de zwaartekracht versus - Frustratie bevordert agressie

9 WAT IS EEN VARIABELE? Is een eigenschap/kenmerk van een onderzoekseenheid (persoon/huishouden…) bv. geslacht Kan diverse waarden (uitkomsten) aannemen. Mensen verschillen op het vlak van deze eigenschappen bv. man/vrouw Tegengestelde van een constante

10 WAT IS EEN VARIABELE? Onafhankelijke variabele verschillen in deze variabelen worden gezien als oorzaak (?) van verschillen in de afhankelijke variabele Afhankelijke variabele = variabele ter studie verschillen in deze variabelen worden gezien als gevolg (?) van verschillen in de onafhankelijke variabele Er zijn diverse niveaus van meting (zie verder)

11 TWEE TYPEN VAN ONDERZOEK Het experiment Doelbewust worden één of enkele variabelen gemanipuleerd en we onderzoeken de effecten hiervan op de afhankelijke variabele. bv. welk is de relatie tussen de attitude en het gedrag? Het experiment van de verloren brief (Nuttin en Beckers) Het veldonderzoek/ surveyonderzoek/ enquêteonderzoek Hier worden geen variabelen gemanipuleerd bv. hebben babyboomers en busters een andere levensstijl en koopgedrag?

12 HET EXPERIMENTEEL OPZET Twee typen van experiment - groepsvergelijkende experimenten (between subjects design); - experimenten met herhaalde metingen (within subjects design). Mogelijkheid tot besluiten van causale relaties.

13 HET SURVEY-ONDERZOEK In dit onderzoek worden er geen variabelen gemanipuleerd. Er wordt aan een steekproef uit de populatie een reeks van vragen/tests voorgelegd; Geen mogelijkheid om te besluiten tot causale relaties. Hoezo?

14 WANNEER KUNNEN WE CAUSALE RELATIES VASTSTELLEN? - tijdruimtelijke structuur van oorzaak en gevolg; - oorzaak dient vooraf te gaan aan het gevolg; - het gevolg zal nooit optreden zonder het voorkomen van de oorzaak; - en alle andere mogelijke verklaringen zijn uitgesloten (cf derde factor).

15 FASEN IN HET ONDERZOEK De vraagstelling De operationalisering Steekproefopzet Verzamelen van de gegevens Beschrijven en analyse van de resultaten Rapportage

16 FASE 1. DE VRAAGSTELLING De vraagstelling vloeit voort uit de theorie ofwel uit een concreet probleem - fundamenteel onderzoek; - toegepast onderzoek.

17 FASE 1. DE VRAAGSTELLING Vraag naar secundaire gegevens: wat hebben andere onderzoekers reeds vastgesteld? Vraag naar primaire gegevens via experiment of survey-onderzoek

18 FASE 1. DE VRAAGSTELLING Relatie tussen milieubesef (als attitude) en het milieuvriendelijk consumentengedrag (effectief toepassen van)? Bv. besef van de opwarming van de aarde en het gebruik van een terreinwagen.

19 VOORBEELD VAN EEN VRAAGSTELLING Nuttin stelt zich de vraag wat het verband is tussen de attitude en het gedrag door het experiment van de verloren brief. Vraagstelling: zullen de externe omstandigheden bij het vinden van de brief een verschil in reacties veroorzaken?

20 VOORBEELD VAN EEN VRAAGSTELLING Vraagstelling Bestaat er een verschil in levensstijl en koopgedrag bij de busters versus de babyboomers? Onderzoekshypothese Busters en babyboomers vertonen een verschillende levensstijl en koopgedrag.

21 FASE 1. DE VRAAGSTELLING Onderzoekshypothese wordt gesteld in termen van meetbare kenmerken, d.i. variabelen. Afhankelijke variabele: de verschillen in deze variabele dienen we te verklaren (bv. vatbaarheid voor dyslexie) Onafhankelijke variabele: deze verschillen kunnen een verklaring bieden. (bv. geslacht) Hebben verschillen in de onafhankelijke variabelen effect op de verschillen in de afhankelijke variabele?

22 FASE 1. DE VRAAGSTELLING Gebruik een vraagvorm bv. Niet: het eetgedrag van jongeren Specificatie van de begrippen bv. Niet: wat is het medicijngebruik in de psychiatrie? Beter: wat is het % van de in 2009 opgenomen psychiatrische patiënten in Vlaanderen die gedurende de eerste maand van de observatieperiode ten minste dagelijks een antidepressivum voorgeschreven kregen?

23 FASE 1. DE VRAAGSTELLING Geen oordelende vragen bv. Niet: zijn er voldoende psychiaters in Vlaanderen? Bv. Niet: hoeveel % van de jongeren eet gezond? Een rijtje in plaats van een volzin Hoofdvraag en deelvragen Bv. Hebben kinderen van handarbeiders lagere schoolcijfers in het basisonderwijs dan deze van hoofdarbeiders? Krijgen deze kinderen als ze dezelfde cijfers behalen een ander advies?

24 Drie typen van vragen: - voorkomen van iets. Bv. hoeveel % van de Vlamingen is depressief? - verschillen tussen groepen. Bv. zijn vrouwen meer depressief dan mannen? - samenhang. Bv. bestaat er een samenhang tussen de leefsituatie en al dan niet depressief zijn? FASE 1. DE VRAAGSTELLING

25 FASE 2. OPERATIONALISERING Operationaliseren van een begrip tot meetbare variabele = hoe kunnen we dit begrip concreet meten? Voorbeelden van operationalisering gemakkelijk:moeilijker: geslachtintelligentie leeftijd aanleg voor wiskunde diplomaarbeidstevredenheid

26 OPERATIONALISERING Maken we gebruik van een experimenteel opzet of van een survey-onderzoek? Toegepast onderzoek verloopt doorgaans via een survey. In het kader van de voorbereiding kan kwalitatief onderzoek nuttig zijn. Maak gebruik van likertschaal Bv. Geld maakt gelukkig helemaal niet akkoord, niet akkoord, neutraal, akkoord, helemaal akkoord.

27 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Populatie (N): alle individuen waar we een uitspraak over willen doen en die bijgevolg in aanmerking komen voor het onderzoek. Alle individuen testen? Steekproef (n): selectie van individuen uit de populatie. Hoe selecteren?

28 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Kunnen we alle personen ondervragen? Wellicht niet haalbaar, tenzij zeer kleine populaties, ofwel uit noodzaak. Wie rijdt in Vlaanderen met een Ferrari? Dit is wellicht een kleine groep van mensen die we kunnen opsporen. Uit noodzaak, bv. Bij medewerkerstevredenheidsonderzoek We spreken van een census. In andere gevallen gebruiken we een steekproef. We selecteren een aantal proefpersonen en trachten op grond van de gegevens iets te zeggen over de populatie.

29 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Waarom een steekproef? Is sneller af te handelen Is goedkoper Hoe moeten we een steekproef trekken? Twee typen van steekproeftrekking - aselect (at random) - niet aselecte steekproef

30 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Aselecte steekproef (at random): elk individu van de populatie heeft evenveel kans om in de steekproef terecht te komen. Vereisten? Niet aselecte steekproef: elk individu heeft niet evenveel kans om in de steekproef terecht te komen. Gevolgen?

31 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Aselecte opzet vereist een lijst van de deelnemers in de populatie = steekproefkader (hoe?); elke persoon krijgt een nummer. Gevolgen: op grond van gegevens van dergelijke steekproef kan ik iets vertellen over de populatie. Schatting van de parameters van de populatie, op grond van resultaten van de steekproef.

32 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Aselecte steekproef Voordelen - generalisering naar de populatie is mogelijk - veel statistische technieken zijn mogelijk - hoeveel proefpersonen? Nadelen - levert geografisch verspreide individuen op met bijkomende kosten en tijdsinvestering - Kan wel of niet leiden tot representatieve steekproef. Zeker bij kleine steekproeven kan representativiteit een probleem geven

33 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Aselecte steekproef: Volledig aselecte steekproef: computer kiest aantal nummers van personen. Systematische aselecte steekproef: kies een (willekeurig) eerste persoon, en de volgende ppn. heeft telkens een nummer dat x aantal hoger ligt. Gestratificeerde steekproef: de populatie wordt verdeeld in deelpopulaties (= strata) en uit elke deelpopulatie trekken we aselect een steekproef. (voorbeeld van strata: ASO, TSO, BSO) Proportionele of disproportioneel getrokken steekproef Clustersteekproef: de populatie wordt ingedeeld in subgroepen die zo heterogeen mogelijk zijn. Vervolgens worden een aantal subgroepen geselecteerd en elk individu van de geselecteerde groepen wordt bevraagd. Bv. de behoefte aan schoolmateriaal van middelbare scholieren. We hebben een lijst van secundaire scholen en kiezen (at random) een aantal hiervan en zullen vervolgens alle leerlingen van de gekozen scholen bevragen. Getrapte steekproef: dwz een combinatie van voorgaande procedures wordt toegepast.

34 FASE 3. STEEKPROEFOPZET Niet aselecte steekproef geschikt voor verkennend onderzoek geschikt om meetinstrumenten te testen goedkoop en snel veel gebruikt in de psychologie Maar: resultaten kunnen niet veralgemeend worden naar de populatie.

35 FASE 3. STEEKPROEFTREKKING Niet aselecte steekproeftrekking Convenience sampling: kies de individuen die ‘voor het grijpen liggen’ Judgement sampling: kies deze individuen die als bevoorrechte getuigen kunnen fungeren, bv. groep van zware gebruikers Snowball sampling: de eerste respondent levert volgende proefpersoon op, enz… Te gebruiken bij ‘moeilijk vindbare’ doelgroepen Quota sampling: verdeel de populatie in een aantal subgroepen (= strata) en kies uit elke subgroep willekeurig een aantal proefpersonen. M.a.w. uit elke subgroep trekken we een convenience sampling. Belangrijk voor representativiteit Random Walk: de onderzoeker selecteert proefpersonen volgens een vooraf vastgesteld wandeltraject. Toeval bij de keuze van proefpersonen speelt een rol. Deze procedure benadert het beste de aselecte opzet en wordt gebruikt wanneer een steekproefkader niet voor handen is.

36 FASE 4. VERZAMELEN VAN DE GEGEVENS Diverse methoden voor verrichten van metingen: - vragenlijst - test - …. Deze gegevens worden systematisch weergegeven in een datamatrix in SPSS

37 FASE 4. VERZAMELEN VAN GEGEVENS De datamatrix Gebruik van Excel: zeer beperkte mogelijkheden voor inductieve statistiek Gebruik van SPSS: zeer handig. Meest gebruikte sofware voor statistische analyse.

38 FASE 5. BESCHRIJVEN EN ANALYSE VAN DE GEGEVENS Datamatrix is onoverzichtelijk. Hoe kunnen we de gegevens overzichtelijk voorstellen? Middels een frequentieverdeling Middels een grafische voorstelling van de resultaten Middels bepaling van centrale tendens en variabiliteit.

39 FASE 5. ANALYSE VAN DE RESULTATEN Toetsende/inductieve statistiek. Wat zeggen de gegevens uit de steekproef over de populatie? Jaar II: inductieve statistiek Hoe werkt dit?

40 FASE 5. ANALYSE VAN DE RESULTATEN Deductief versus inductief redenering Deductief redeneren: vanuit een logische redenering, kunnen we conclusies opbouwen. Alle mensen zijn sterfelijk Jan is een mens Dus jan is sterfelijk Staat model voor de wiskunde

41 FASE 5. ANALYSE VAN DE RESULTATEN Inductieve redenering: vanuit de empirische observaties trachten we een wet te formuleren. Hume ziet een probleem. We kunnen niet alle mensen onderzoeken om te besluiten dat mensen sterfelijk zijn.

42 FASE 5. ANALYSE VAN DE RESULTATEN Statistische / inductieve redenering Twee tegengestelde beweringen worden t.o.v. mekaar afgewogen: mensen zijn onsterfelijk (nulhypothese) mensen zijn sterfelijk (alternatieve hypothese) Indien ik uit de empirie gegevens vind die de eerste stelling onderuit halen, is de tweede stelling van toepassing. … Inductieve statistiek (Jaar II)

43 FASE 6. DE RAPPORTAGE Inleiding Methode Resultaten Discussie

44 TWEE UITGEWERKTE VOORBEELDEN Experiment van de verloren brief (Nuttin en Beckers) Survey-onderzoek busters versus babyboomers (Apers, et al.)

45 VOORBEELD VAN EEN EXPERIMENT Nuttin stelt zich de vraag wat het verband is tussen de pro-sociale attitude en het betreffende gedrag door het experiment van de verloren brief.

46 VOORBEELD VAN EEN EXPERIMENT Wat is een attitude? “is een door ervaring verworven interne dispositie die belangrijke en duurzame richtinggevende determinant is van de evaluatieve aspecten van open gedrag tegenover een object dat zich leent tot gunstige of ongunstige waardering” - cognitief aspect - affectief aspect - intenties Hoe kan dit gemeten worden? Wat is de relatie met concreet gedrag?

47 EXPERIMENT VAN NUTTIN EN BECKERS Vraag aan de proefpersonen wat zou u doen als u een brief zou vinden met daarop een adres? - via interview - via enquête bijkomende vraag… Zou het iets uitmaken als… de postzegel los zit? Het adres in Wallonië ligt? enz….. Experiment…. Brieven worden effectief ‘verloren’ gelegd, volgens een factorieel design. Wat zullen de proefpersonen doen? Zelfde reacties als in de interviews?

48 EXPERIMENT VAN NUTTIN EN BECKERS Factorieel design 2X2X2X3 opzet Onafhankelijke variabelen: regio waar de brief te vinden werd gelegd (Vlaanderen/Wallonië) adres van de bestemmeling (Vlaanderen/Wallonië) vindplaats van de brief (cel/auto) zegels (1 vast, 1 los, 4 los)

49 De proefpersonen (bij de gejukte interviews) beweren in 90% van de gevallen de brief te zullen posten. En of het iets uitmaakt of de postzegel vastgekleefd is of niet, maakt niks uit. En verder… maakt niks uit, aldus de proefpersonen. Vraagstelling zullen de gemanipuleerde factoren een impact hebben op het al dan niet posten van de brief? Hypothesen: de overgrote meerderheid van de proefpersonen zal de brief posten. De gemanipuleerde factoren zullen geen impact hebben op dit gedrag. EXPERIMENT VAN NUTTIN EN BECKERS

50 Wat blijkt uit de resultaten? O.m. 77% van de brieven met vastgekleefde postzegel werd gepost; terwijl met de losse postzegel(s) werd slechts 34% (35%) van de brieven gepost. Onderzoek van de significantie via de chi-kwadraat (zie hoofdstuk VIII)? Besluit van Nuttin en Beckers dat externe omstandigheden dit prosociaal gedrag bepalen. Attitudes spelen dus een beperkte rol in de verklaring van dit gedrag. Nuttin, J. (1999). Sociale beïnvloeding. Toetsbaar leren denken over gedrag. Universitaire Pers: Leuven Idem voor de relatie tussen milieubesef en milieuvriendelijk gedrag.

51 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Onderzoek ‘Busters versus babyboomers. Eenheid en verscheidenheid’. Zijn er verschillen inzake levensstijl en koopgedrag tussen beide generaties? Omschrijving levensstijl: hoe kijken consumenten naar het leven? Waarden, interesses, opvattingen… Koopgedrag verwijst naar de wijze waarop consumenten hun aankoopgedrag verrichten. Omschrijving busters (geb ) en babyboomers (geb )… de operationalisering dus. Hypothesen op grond van eerder onderzoek.

52 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Hypothesen m.b.t. levenstijl Senioren hechten meer dan jongeren belang aan hun gezondheid (Joosten, 2000) Ouderen begeven zich minder dan jongeren op het internet (Jacobs, 2003) Busters zijn meer materialistisch ingesteld dan de babyboomers (De Pelsmacker et al., 2006) Lachance (2003) stelde vast dat jongeren in sterke mate modebewust zijn, ouderen dus wellicht minder

53 VOORBEELD VAN VELDONDERZOEK Hypothesen m.b.t. koopgedrag Henry (2002) heeft aangetoond dat jongeren bij het consumptiegedrag eerder belang hechten aan sociaal- expressieve aspecten van het product Ouderen zijn meer geneigd om prijs en kwaliteit als verwisselbare begrippen te zien (Janssens en De Pelsmacker, 2002) Valkeneers (2006) toonde aan dat twintigers dertigers en veertigers meer dan andere leeftijdsgroepen producten en diensten impulsief aankopen Henry (2002) toonde eveneens aan dat ouderen meer dan busters belang hechten aan functionele aspect in hun consumptiegedrag Roberts en Manolis (2000) toonden aan dat babyboomers minder compulsief koopgedrag vertoonden dan de busters. Inzake attitude t.o.v. merken verwachten we dat de busters meer merkgevoelig zullen zijn dan de bayboomers (Lachance, 2003)

54 VOORBEELD VAN SURVEY- DONDERZOEK Methode Steekproeftrekking: aangezien er geen steekproefkader voorradig is, gebruiken we een gemakkelijkheidssteekproef. Studenten BaTP zoeken elk drie proefpersonen in hun omgeving (n=402)

55 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Methode: beschrijving van de steekproef (I)

56 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Methode: beschrijving van de steekproef (II)

57 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Methode Vragenlijst van het likertschaal type: geef aan in hoeverre u akkoord kunt gaan met volgende uitspraken 1. helemaal niet akkoord 2. niet akkoord 3. eerder niet akkoord 4. neutraal 5. eerder akkoord 6. akkoord 7. helemaal akkoord 22 items over levensstijl en 51 items over koopgedrag (overgenomen van andere auteurs) 5 onafhankelijke variabelen: leeftijd, geslacht, voornaamste verantwoordelijke voor de dagelijkse aankopen, woonplaats, hoogste diploma

58 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Resultaten Samenstelling van de schalen - hercodering (omdraaien) van enkele items, zodanig dat alle items van één schaal in dezelfde richting wijzen Via SPSS: transform, recode, into a different variable en draai de scores om. - onderzoek de interne homogeniteit van de schalen. In SPSS via analyze, scale, reliabilty analysis… Kies voor de Cronbach’s Alfa, en geef de items in van deze categorie Welke items vormen samen de meest optimale schaal?

59 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Itemanalyse voor de schaal ‘modebesef’

60 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Resultaten van betrouwbaarheidsonderzoek Naam itemsCronbach’s Alfa Gezondheidsbesef 7.70 Internetgebruik 3.80 Materialisme 4.82 Modebesef 6.91 Prestigegevoeligheid 4.88 Prijs als aanduiding 5.80 Impulsief koopgedrag 4.68 Functioneel koopgedrag 3.63 Compulsief koopgedrag Merkkledij 7.89

61 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Hercodeer de variable ‘leeftijd’ in ‘busters versus babyboomers’. In SPSS: transform, recode, into a different variable, en wijzig de leeftijd in groep 1 (busters) en groep 2 (babyboomers) (Tip SPSS: gebruik bij recode nooit ‘into the same variable’)

62 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Resultaten tel de itemsscores (met optimale Cronbach’s Alfa) van dezelfde schaal samen tot een totaal score In SPSS via Transform, Compute, …..maak gebruik van ‘Mean’ (in plaats van Sum). Maak vervolgens een gemiddelde van deze totaal score afzonderlijk voor busters en babyboomers

63 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Resultaten Gemiddelden per subgroep Schaal busters Babyboomers Gezondheidsbesef5,105,53 Internetgebruik5,274,62 Materialisme4,223,92 Modebesef 4,544,15 Prestigegevoeligheid 3,16 2,60 Prijs als aanduiding 3,84 3,61 Impulsief koopgedrag 3,97 3,30 Functioneel koopgedrag 3,74 4,26 Compulsief koopgedrag 3,50 3,03 Merkkledij 2,94 2,45

64 VOORBEELD VAN SURVEY- ONDERZOEK Verder onderzoek (inductieve) toont aan dat alle verschillen significant van niveau zijn. Alle hypothesen werden bevestigd in dit onderzoek; Met dank aan Katrien Apers, Jessica Vanderghinste, en Ellen Van de Ven, die een scriptie maakten met als titel ‘Busters versus babyboomers. Eenheid en verscheidenheid’ (2006); Valkeneers, G., & Vanhoomissen, T. (2012). Generations living their own lives. On the differences in lifestyle and consumer behavior between busters and baby boomers. Journal of Customer Behavior. 11,

65 OPGAVEN UIT HET HANDBOEK

66 INLEIDING IN DE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN 66


Download ppt "INLEIDING IN DE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN 1."

Verwante presentaties


Ads door Google