De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Taalvaardigheden - Integratie - UDL Evaluaties bekijken Digileerlijn Taalscreenings 17-11-2014 ZUURSTOF VOOR NEDERLANDS.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Taalvaardigheden - Integratie - UDL Evaluaties bekijken Digileerlijn Taalscreenings 17-11-2014 ZUURSTOF VOOR NEDERLANDS."— Transcript van de presentatie:

1 Taalvaardigheden - Integratie - UDL Evaluaties bekijken Digileerlijn Taalscreenings ZUURSTOF VOOR NEDERLANDS

2 Speeddating  Materiaal  Een positieve praktijkervaring van de voorbije maanden  Iets gemaakt waar je trots op bent  Goede teksten in …  Goede luisterfragmenten  ICT-tip  Tips voor vermindering van de werkdruk voor Nederlands

3 Geïntegreerde opdrachten

4

5

6

7

8 Vooraf: bedoeling van de opdracht duidelijk maken aan de leerlingen

9 Mogelijke kijkwijzer voor zelfevaluatie INHOUD (STRUCTUREREND)  Centrale thema/ idee is duidelijk  Je werkt in alinea’s: een alinea per idee  De opbouw, structuur van je tekst is goed te volgen KORTE BEOORDELING (BEOORDELEND)  Je persoonlijke mening is voldoende beargumenteerd. TAALBESCHOUWING (GELINKT AAN SCHRIJVEN)  Je hebt geen spelfouten en werkwoordsfouten gemaakt.  Je schrijft volledige en correcte zinnen met een o en een nwg/wwg.  Je begint niet elke zin met het onderwerp.  Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken.

10

11 Differentiëren inspelen op verschillen  niveau  tempo  interesse

12 Schrijfschema Waar is dat feestje? AANSPREKING: Hoe spreek ik de ontvanger aan? INLEIDING: Waarop nodig je de ontvanger uit? Wanneer? Op welke datum? Welk uur? Waar? Hoeveel is de toegangsprijs? MIDDEN: Voor wie is het feestje? (Alleen voor wie de krijgt of mogen ook vrienden meekomen?) Welk soort feestje is het? (kort vertellen wat een LAN-party is) Is er eten op het feestje? Is er muziek? Wat wordt er gedronken? Moet je geld meedoen? Moet je iets anders meenemen? SLOT: Afscheid nemen van de ontvanger. Kort schrijven of ze al dan niet moeten bevestigen en vóór welke datum dat moet. Schrijven dat je hoopt dat hij ook van de partij zal zijn. AFSLUITREGEL: Hoe sluit je af? Zet je naam eronder en eventueel een telefoonnummer waarop ze je kunnen bereiken.

13 Spreekschema Met de iPod op stap INLEIDING: Welkom aan de luisteraar. Waar bevindt de luisteraar zich? Wat is er met het blote oog te zien? MIDDEN: Wat is de functie van die plaats? Wie werkt daar? Wat doet die persoon? Wie komt daar vaak? Is er een korte anekdote aan de plaats verbonden? Waarom is het interessant voor de luisteraar om die plaats te kennen? Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte, bovendien, daarnaast, daarenboven, vervolgens, ten tweede, als laatste, dan … SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar. Kort vertellen welke plaatsen in de buurt ook te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook over die plaatsen meer te weten komen. Spreekschema Met de iPod op stap INLEIDING Welkom op deze rondleiding in...We zullen u rondleiden langs... U bevindt zich momenteel … U ziet … Wat u echter niet te zien krijgt, is … MIDDEN: Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte, bovendien, daarnaast, daarenboven, vervolgens, ten tweede, als laatste, dan … De plaats waar u zich bevindt, doet dienst als/ gebruiken we voor … Daarnaast kun je hier ook … Hier werkt/ komt/ verblijft Deze plaats is interessant om … Wat je bovendien echt moet weten, is … Het is vervolgens interessant om …. Ik vertel je tenslotte nog een leuke anekdote/ een leuk weetje over deze plaats: … SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar. Kort vertellen welke interessante plaatsen rond dat thema nog te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook over die plaatsen meer uitleg kunnen verkrijgen. Hartelijk dank om te luisteren naar …. Hopelijk vond u het interessant. U kunt ook …, … nog bezoeken. Als u op het icoontje van … drukt, krijgt u … Nog een prettige …

14

15 Ik kies ervoor om verder te werken in groep / alleen. (omcirkel)

16 Lessen

17

18 Lees of beluister waarover de verschillende uitzendingen gaan en wie de 16 geïnterviewde jongeren zijn. Kies welk interview je zal bekijken en bespreken. Je mag meer dan één interview bespreken.

19

20

21 OVUR

22

23

24 Omcirkel hieronder welke van de titels jou het meeste aanspreken: 2.1 Industrialisering en verstedelijking 2.2 De maatschappelijke positie van de vrouw 2.3 Langere opleidingsduur 2.4 De toegenomen mobiliteit 2.5 Migratie 2.6 De opkomst van moderne communicatiemiddelen en de taalpolitiek van de Vlaamse media 2.7 ABN-bevordering 2.8 De verandering van het sociale netwerk 3.4 Dialectverlies in West-Vlaanderen Waarom heb je deze titel(s) omcirkeld?

25 Ik schat mijn leescapaciteit (leestempo en leesbegrip) zo in:  Vóór het lezen van de tekst: kleur het vak in de eerste kolom dat van toepassing is op jou. Omcirkel het hoofdstuk in de derde kolom dat je wil/ zal lezen.  Na het lezen van het gekozen hoofdstuk: kleur het vak in de tweede kolom dat van toepassing is voor jou in verband met de tekst die je las.

26 Voor het lezen van de tekstLees hfdst - Ik lees vlot. Ik kan wel een stevige en moeilijke tekst aan. Ik heb geen moeite met lange, ingewikkelde zinnen Ik lees vlot. Als het echter te wetenschappelijk wordt, lukt het wel als het onderwerp me interesseert. Anders moet ik wel wat moeite doen om me te blijven concentreren Ik lees vlot. Als het echter te wetenschappelijk wordt, moet ik veel moeite doen om me te concentreren op de tekst Ik lees vlot. Als er te veel moeilijke woorden en te lange zinnen in een tekst staan, haak ik soms wel af. Het kost me moeite om dan door te zetten Ik lees niet zo vlot. Anderen lezen sneller dan ik. Ik onthoud wel goed wat ik gelezen heb Ik lees niet vlot. Anderen lezen sneller dan ik en ik onthoud moeilijk wat ik gelezen heb Ik heb een hekel aan lezen. Zeker als het ingewikkelde teksten zijn, haak ik af. Ik weet na het lezen van een tekst soms helemaal niet meer wat er in stond

27 Verwerk de tekst zo dat je achteraf de essentie ervan kunt reconstrueren. Omcirkel hoe je daarbij te werk zal gaan.  onderstrepen of markeren  een schema maken (lineair, tijdsbalk, mindmap, losse woorden, ander: …)  aantekeningen maken tijdens het lezen  de tekst gewoon doorlezen  tekeningen maken  aantekeningen maken in de kantlijn van de tekst  achteraf in volzinnen opschrijven wat je er nog van weet.  ander:

28 Ik krijg het liefste feedback op:  de visuele presentatie  mijn spreekvaardigheid omdat:

29 Joker inzetten  Ik zet mijn gekleurde joker in op: intonatie, articulatie, lichaamstaal, tempo, stemvolume, mimiek, mijn handen, structuur, oogcontact, stopwoordjes vermijden, ander: …  Ik zet mijn zwarte joker in op: intonatie, articulatie, lichaamstaal, tempo, stemvolume, mimiek, mijn handen, structuur, oogcontact, stopwoordjes vermijden, ander: …

30 Spreekt duidelijk, articuleert goed. Spreekt duidelijk, maar met een paar heel opvallende West-Vlaamse klanken. Spreekt binnensmonds, onduidelijk of erg dialectisch. De interviewer stelt niet enkel de voorbereide vragen. Hij pikt handig in op wat in het interview aan bod komt om extra vragen te stellen. De interviewer stelt weinig vragen ter verduidelijking en komt moeilijk los van de voorbereide vragen. De interviewer stelt enkel de vragen die hij heeft voorbereid. Hij vraagt niet door. De interviewer stelt eenduidige vragen die niet suggestief zijn. De interviewer stelt soms suggestieve vragen waarin hij zelf het antwoord bijna al geeft. OF De interviewer stelt soms twee vragen ineens. De interviewer is erg suggestief in zijn vraagstelling en geeft de antwoorden bijna zelf. OF De interviewer stelt vaak twee vragen ineens. Het interview is boeiend om naar te luisteren. Het is geen vraag- en antwoordspel. De geïnterviewde krijgt de ruimte en de tijd om te vertellen. Het interview is op bepaalde momenten meer een vraag- en antwoordspel. Bij sommige vragen krijgt de geïnterviewde wel de ruimte en de tijd om te antwoorden. De vragen komen te snel na elkaar met telkens heel korte antwoorden. Het is eerder een vraag- en antwoordspel. De lichaamstaal is open, uitnodigend en schept vertrouwen. De lichaamstaal is iets te gesloten, statisch en is niet zo uitnodigend. De lichaamstaal is erg onnatuurlijk/ zenuwachtig/ gesloten. Oogcontact is oké. Meer oogcontact mag.Oogcontact wordt volledig vermeden. Feedback spreken

31 Er is duidelijk over het schema/ de visuele presentatie nagedacht. Er werd te weinig over het schema / de visuele presentatie nagedacht, want het komt rommelig over. Er werd niet over het schema/ de visuele presentatie nagedacht. Het is een grote chaos op het bord. Het schema/ de visuele presentatie is gestructureerd, duidelijk. (kleur, verbanden, …) Het schema/ de visuele presentatie is niet altijd even gestructureerd en duidelijk. Het schema/ de visuele presentatie biedt geen structuur: geen kleur, geen verbanden De opbouw van het schema/ de visuele presentatie ondersteunt wat verteld wordt. De opbouw van het schema/ de visuele presentatie komt niet altijd overeen met wat verteld wordt. Soms staat er al iets dat nog niet is gezegd of soms wordt het te traag aangevuld. Het schema/ de visuele presentatie komt helemaal niet overeen met wat verteld wordt. Het schema/ de visuele presentatie biedt voldoende informatie om achteraf weer te weten waarover het ging. Sommige interessante dingen die de spreker vermeldde, vind ik niet in het schema/ de visuele presentatie terug. Het schema/ de visuele presentatie is echt basic en biedt te weinig informatie om nog te weten wat erbij verteld werd. Het schema/ de visuele presentatie is mooi, kleurrijk, met tekeningetjes/ symbolen/ pijlen, prentjes volgens het principe van Visual Harvesting. Het schema/ de visuele presentatie is mooi, kleurrijk en samenhangend. Het schema/ de visuele presentatie is slordig, weinig aantrekkelijk. Feedback visuele presentatie

32

33 SPREEKopdracht MATERIAAL?

34 spreken - voorbereiden 34

35 spreken - voorbereiden 35

36 spreken - voorbereiden Mari De appshopper

37 Spreken – voorbereiden 2.2 en

38 Spreekschema Met de iPod op stap INLEIDING: Welkom aan de luisteraar. Waar bevindt de luisteraar zich? Wat is er met het blote oog te zien? MIDDEN: Wat is de functie van die plaats? Wie werkt daar? Wat doet die persoon? Wie komt daar vaak? Is er een korte anekdote aan de plaats verbonden? Waarom is het interessant voor de luisteraar om die plaats te kennen? Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte, bovendien, daarnaast, daarenboven, vervolgens, ten tweede, als laatste, dan … SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar. Kort vertellen welke plaatsen in de buurt ook te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook over die plaatsen meer te weten komen. Spreekschema Met de iPod op stap INLEIDING Welkom op deze rondleiding in...We zullen u rondleiden langs... U bevindt zich momenteel … U ziet … Wat u echter niet te zien krijgt, is … MIDDEN: Structuurwoorden: ten eerste, tenslotte, bovendien, daarnaast, daarenboven, vervolgens, ten tweede, als laatste, dan … De plaats waar u zich bevindt, doet dienst als/ gebruiken we voor … Daarnaast kun je hier ook … Hier werkt/ komt/ verblijft Deze plaats is interessant om … Wat je bovendien echt moet weten, is … Het is vervolgens interessant om …. Ik vertel je tenslotte nog een leuke anekdote/ een leuk weetje over deze plaats: … SLOT: Afscheid nemen van de luisteraar. Kort vertellen welke interessante plaatsen rond dat thema nog te vinden zijn. Uitleggen hoe ze ook over die plaatsen meer uitleg kunnen verkrijgen. Hartelijk dank om te luisteren naar …. Hopelijk vond u het interessant. U kunt ook …, … nog bezoeken. Als u op het icoontje van … drukt, krijgt u … Nog een prettige …

39 spreken - uitvoeren 39

40

41

42

43  Wat verwacht je van dit boek?  Wat zou jou persoonlijk interesseren over dit thema?  Voor wie zou dit boek bedoeld zijn?

44 Oriënteren  Is de jeugd van tegenwoordig 40?  Is de jeugd van tegenwoordig anders?  Is de jeugd van tegenwoordig grenzeloos?  Is de jeugd van tegenwoordig moeilijk?  Is de jeugd van tegenwoordig rebels?  Ziet de jeugd van tegenwoordig het nog zitten?  Zijn de jongeren van tegenwoordig digital natives?  Is de jeugd van tegenwoordig mediawijs?  Is de jeugd van tegenwoordig dom?  Kan de jeugd van tegenwoordig niet meer schrijven?  Heeft de jeugd van tegenwoordig nog echte vrienden?  Gelooft de jeugd van tegenwoordig nog in de liefde?  Is de jeugd van tegenwoordig lui?  Zijn de jongeren van tegenwoordig luxebeesten?

45 Vragen, vragen, vragen …  Waarom kies je voor deze titel?  Welke vragen heb je bij de titel die je koos?  Welke antwoorden denk je in de tekst te vinden? Oriënteren

46 Vaardigheden: groei - proces  Groeiportfolio  Vorderingsfiches  Zelfevaluatie  Werkpunt laten herhalen voor gelijkaardige opdracht

47

48

49 Evaluatie geëvalueerd?

50 Examenvragen - niveau  Kennen  Begrijpen  Toepassen  Probleem oplossen  Analyseren  Synthetiseren  Evalueren

51 TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM van LEERDOELEN ROMISZOWSKI LEERINHOUDEN 1 Feiten: concrete gebeurtenissen, personen, zaken, toestanden, kenmerken, plaatsen, symbolen … 2 Procedures: voorschriften of stappenplan om tot de juiste oplossing te komen (d/t-regel, algoritmen, de stappen om een boormachine te bedienen …) 3 Begrippen: abstracte begrippen (objectiviteit), overkoepelende concrete begrippen (meubilair, rollend materieel), vakjargon (smeltingswarmte), schooltaal 4 Principes: wetten (natuurwetenschappen, assimilatiewetten), veralgemeningen, als – dan-combinaties, strategieën uitwerken (cf. de vaardigheden), probleemoplossingsstrategieën (OVUR, denkmethodes …)

52 TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM van LEERDOELEN ROMISZOWSKI 1 WETEN van feiten en procedures (geheugenkenn is = herinneren/her kennen) Geef de kenmerken weer van; som op; herhaal; duid aan; onderstreep; herken; benoem …

53 TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM van LEERDOELEN ROMISZOWSKI 2 INZIEN (inzichtelijke kennis = ) Met eigen woorden een definitie uitleggen; de verschillen aangeven; de gelijkenissen aangeven; een eigen voorbeeld geven; een beschrijving van iets/iemand kunnen geven; hoofd- en bijzaken onderscheiden; samenvatten en structureren; informatie die niet expliciet gegeven is uit de context afleiden; aangeven wat niet in het rijtje thuishoort …

54 TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM van LEERDOELEN ROMISZOWSKI 3 REPRODUCTIEF TOEPASSEN (Vaardigheid = iets doen met de gegeven informatie) Vergelijken van 2 begrippen; verbanden leggen; de essentie aangeven; toepassen van de (spelling)regels in een analoge situatie/oefeningen; verwante situaties of voorbeelden opnoemen; handelen volgens opgelegde normen (zakelijke brief) …

55 TAXONOMIE of CLASSIFICATIESYSTEEM van LEERDOELEN ROMISZOWSKI 4 PRODUCTIEF TOEPASSEN van informatie (Vaardigheid = het geleerde toepassen in nieuwe situaties) Analyseren van een situatie (casestudy ‘Wat zou je doen als … zou gebeuren?’); argumenten vinden voor een eigen standpunt; beoordelen (bv. toekenning van kinderbijslag in functie van het inkomen); iets creatief maken (een eigen verhaal schrijven, de planning voor een actie uitschrijven; een elektrische leiding uitwerken voor een nieuw gebouw; een patroon voor een jurk ontwerpen …) … ! De leerling wordt voor een probleem geplaatst waarbij de oplossingsstrategie niet aangereikt wordt.

56 Kijkwijzer evaluaties  Welke leerplandoelen?  VH: structurerend en beoordelend niveau  VH: strategie zichtbaar? (vaardigheden)  Integratie?  Transparant? (punten per vraag, spelling: aangegeven of je dit meeneemt in evaluatie, eventueel checklijst met evaluatiecriteria)  Kansen tot reflectie?  Toepassing van kennis: reproductief of productief?  Authentieke contexten  Kennis toegepast op nieuwe contexten?


Download ppt "Taalvaardigheden - Integratie - UDL Evaluaties bekijken Digileerlijn Taalscreenings 17-11-2014 ZUURSTOF VOOR NEDERLANDS."

Verwante presentaties


Ads door Google