De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Kustvaart 1 Yachtman Meerkeuzevragen 2. Maritiem milieu 1. Navigatie Werkwijze 3. Vaartuig 4. I.A.R. 5. I.A.R. Lichten & Dagmerken11. Veiligheid 12. Communicatie.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Kustvaart 1 Yachtman Meerkeuzevragen 2. Maritiem milieu 1. Navigatie Werkwijze 3. Vaartuig 4. I.A.R. 5. I.A.R. Lichten & Dagmerken11. Veiligheid 12. Communicatie."— Transcript van de presentatie:

1 Kustvaart 1 Yachtman Meerkeuzevragen 2. Maritiem milieu 1. Navigatie Werkwijze 3. Vaartuig 4. I.A.R. 5. I.A.R. Lichten & Dagmerken11. Veiligheid 12. Communicatie 7. I.A.L.A. A 8. Kustreglement 9. Schelde reglement 10. Etiquette 6. I.A.R. Geluidsseinen 07/2013

2 Je krijgt per dia 3 of 4 vragen. Per vraag zijn er drie mogelijke antwoorden, waarvan slechts één het juiste is. Klik met de linker muisknop op de letter waarvan je denkt dat hij bij het juiste antwoord staat. Je zal meteen merken of je goed zit of fout. spatie balk enter toets De vragen zijn ingedeeld in categorieën, die je kunt aanklikken in het menu. Op het einde van elke categorie zie je het logo van de Zeezeilschool. Als je daar op klikt ga je terug naar het menu en kun je een categorie kiezen. Succes! Met een klik op, of met een muisklik op een willekeurige plaats kom je bij de volgende dia. Je kan ook steeds terug naar de vorige.

3 1. Navigatie

4 4- Met ‘vaart’ wordt bedoeld: De door het vaartuig over de grond afgelegde weg. De snelheid waarmee het vaartuig zich voortbeweegt door het water. De snelheid waarmee het vaartuig zich voortbeweegt langs de voorligging. 1- Het ‘gegist bestek’ wordt op zee bepaald aan de hand van… WV, stroom (richting en snelheid), snelheid (over de grond). WK/w, stroom (richting en snelheid), vaart en vaartijd. WK/w, snelheid (over de grond) en vaartijd. 2- Een ‘waargenomen positie’ kan zijn? Enkel een ‘fix’ uit een kruispeiling. Een ‘fix’ uit een kruispeiling; een GPS aflezing. De waarneming van een vast merk (in de onmiddellijke nabijheid). 3- Een vaartuig op het droge heeft… een voorligging en een koers. (ze hebben dezelfde cijferwaarde). enkel een koers. enkel een voorligging. b b c b c a a a c b a c

5 5- Dit symbool staat voor een… ‘gegiste positie’. ‘ware positie’. ‘waargenomen positie’, via peilingen. 6- ‘Voorligging’ is… de richting waarin een vaartuig zich voortbeweegt. hetzelfde als ‘koers’. de richting van de lengteas van het vaartuig ten opzichte van het noorden. 7- Een parallel in de zeekaart verbindt punten met dezelfde… breedte. diepte. lengte. 8- Een zeekaart is ‘conform’ indien de… hoeken in de kaart even groot zijn als de overeen- komstige hoeken in werkelijkheid. hoeken met de meridianen even groot zijn als de overeenkomstige hoeken in werkelijkheid en de koerslijn in de kaart kan afgebeeld worden door een rechte lijn. schaal in de kaart vermeld staat. c c a b a c b b c b a a

6 9- Wat betekent bijgaand symbool (in een zeekaart)? Wrak, gevaarlijk voor de bovenwaterscheepvaart. Wrak, niet gevaarlijk voor de bovenwaterscheepvaart. Wrak steekt uit boven het reductievlak. 10- De schaal v/e zeekaart is 1/ De afstand A - B i/d kaart is 25cm. Dit komt overeen met… M M M 11- Dit kaartsymbool duidt op een… een wrak met minst gelode diepte van 4,1 meter. wrak dat is afgedregd op 4.1 meter. wrak dat 4.1 meter uitsteekt boven het reductievlak. 12- Zeemijlen in de kaart worden afgepast langs… de dichtstbijzijnde staande of liggende rand. de liggende rand en op dezelfde lengte. de staande rand en op dezelfde breedte. Wk a a a c b b b b c c c a 1 4

7 13- In de zeekaart lees je nabij een lichtton ‘Sh’. Dit is een gegeven in verband met… de periode van het licht van die boei. het karakter van het licht van die boei. de bodemgesteldheid nabij die boei. 14- Je leest in de kaart: 1 4 Dit duidt op een… droogvalling van 14 dm bij LAT (reductievlak). gemiddelde diepte is 14 dm bij LAT (reductievlak). gevaarlijke ondiepte, gelood op 14 dm onder LAT (reductievlak). 15- In een tijtafel kan informatie gevonden worden… uitsluitend over de hoogten van HW en LW. uitsluitend over de tijdstippen van HW en LW. zowel over de hoogten als over de tijdstippen van HW en LW. 16- Doodtij komt in onze streken voor: 2 etmalen… na de maanstand eerste kwartier en laatste kwartier. na de maanstand volle maan en nieuwe maan. voor de maanstand eerste en laatste kwartier. a a c c a a b b b b c c

8 17- Het is doodtij; bij LW zal er in de vaargeul: evenveel water staan dan bij springtij. meer water staan dan bij springtij. minder water staan dan bij springtij. 18- Als, in onze contreien, vandaag HW valt om 1200, dan valt morgen HW… ook om ongeveer 50 min later: om ongeveer 50min vroeger: om b a c b a c 19- Je verlaat, bij HW de haven van Zb. in de lichtenlijn Lts = 136°. Na 10min zie je het bovenste licht rechts van het onderste licht. Om terug in merkenlijn te gaan varen moet je … je koers veranderen naar SB. gewoon blijven varen zoals je bezig bent, met de gedachte: ‘De stroming zal me wel weer naar de merkenlijn brengen…’ je koers veranderen naar BB. c b a

9 20- Het voordeel v/h maken v/e tochtplanning met koppelkoers (t.o.v. uur per uur) is dat je… tijdens de tocht als navigator geen werk meer hebt. meteen weet welke de koers over de grond zal zijn. met één enkele KV het doel sneller zult kunnen bereiken. 23- Bij een vierstreeks- peiling leg je tussen peiling 1 en 2 een bepaalde af- stand over de grond af. De afstand tot punt 2 (dwars op gepeilde punt) is… het dubbele v/d afgelegde afstand. de helft v/d afgelegde afstand. gelijk aan de afgelegde afstand. 22- Onder ‘multipad’ wordt verstaan: Fouten ontstaan door een te snelle verplaatsing van de gps-antenne. De ware pos. v/d satelliet wijkt enkele meter af v/d berekende pos. door interferenties v. andere radiogolven. Fouten, ontstaan door reflecties v/h satellietsignaal in de nabijheid v/d gps-antenne. 21- De A.T.T. is een boekwerk dat informatie geeft in verband met… de stromen. de getijden. de lichten van bakens. c c c b a a a a b b b c

10 24- Het GPS toestel geeft een DOP-waarde = 1 betekent dat de ontvangst… goed is. middelmatig is. slecht is. 26- LW: Op een plaats met kaartdiepte = 0.0m zal om 0900 de waterdiepte gelijk zijn aan de waterstand. groter zijn dan de waterstand. kleiner zijn dan de waterstand. 25- Koerslijn A-B:090° 15M Na 2u varen zie je op GPS: BRG: 070°, RNG: 9M, XTE: 3M. Om vlug in B te komen, is het best… meer naar BB te sturen. meer naar SB te sturen. een nieuwe GOTO naar B aan te maken. c a a a b b c c b 27- Men volgt lichtenlijn 196° KV: 203° VAR: 4°W DEV = ? 3°W. 3°E. Men moet de DEV tabel raadplegen om dat te weten. a b c

11 28- Bij een kruispeiling… peil je eerst het punt dat meest dwars staat op KV. w peil je eerst het punt dat meest in verlengde ligt van KV. maakt het niet echt uit welk punt je eerst peilt. b a c Klik je met de muis op het logo; dan ga je terug naar menu

12 2. Maritiem milieu

13 01- Bij een warmtefront… stijgt de warme lucht als aanvaller op langs de koude lucht. wordt de warme lucht opgetild door de koude lucht. vermengt de warme lucht zich met de koude lucht. 02- Wolken ontstaan door… opstijgende luchtmassa’s die condenseren door afkoeling. verwarming van dalende luchtmassa’s. verwarming van stijgende luchtmassa’s. 03- Welke bewering (A, B of C ) is volledig juist? 1. Krimpende wind en dalende luchtdruk worden vaak gevolgd door weersverslechtering. 2. Ruimende wind met stijgende luchtdruk worden vaak gevolgd door opklaringen. 1 is juist; 2 is verkeerd. Zowel 1 als 2 zijn juist. 1 is verkeerd; 2 is juist. a a b c b c a b c

14 05- Een koufront kenmerkt zich onder andere door… langdurige regen. regenbuien en windstoten. helemaal geen regen. 06- Windkracht 5 op de schaal van Beaufort is een… stijve bries. matige koelte. frisse bries. 04- In punt P zal de wind waaien vanuit… c over P naar a. a over P naar c. d over P naar b. L p a c b d b b a a c c a b c

15 08- Een zeebries ontstaat als of omdat… het land sneller opwarmt dan de zee. het land sneller afkoelt dan de zee. er cumulusvorming is boven de zee. 10- De luchtdruk daalt, de wind krimpt en er verschijnen cirruswolken(vederwolken). Wat kun je verwachten? Stabiel weer, dus geen verandering in weertype. Weersverbetering. Weersverslechtering. 09- Bij een barometerstand van 990 hPa is de luchtdruk: Hoog. Laag. Normaal. 07- Met ruimende wind wordt bedoeld dat de… windkracht toeneemt. windrichting verandert in wijzerszin. windrichting verandert in tegenwijzerszin. c c c a a a b b a c b b

16 11- Middelhoge bewolking ligt in onze streken op een hoogte van… 5 tot 8 km. 2 tot 7.5 km. 1 tot 4 km. 12- Je vaart in de baan van een depressie. Als de kern v/d depressie gepasseerd is, zal de wind… gaan liggen. uit dezelfde hoek blijven waaien. van richting veranderen. 14- Lucht stroomt van hoge- naar lagedrukgebied en krijgt daarbij op het noordelijk halfrond… een afwijking naar links. een afwijking naar rechts. soms een afwijking naar rechts, soms naar links 13- Bij de nadering van een onweersbui moet rekening gehouden worden met… krimpende wind. ruimende wind. wind uit veranderlijke richting. a a a a c c b b b b c c

17 15- Bij een steile gradiënt liggen de isobaren dicht bij elkaar. Je verwacht dan… een windstilte. een zwakke wind. veel wind. 16- Het zicht bedraagt 200m. Volgens de meteorologen is dit … slechte zichtbaarheid. mist. dikke mist. 18- Bij een naderende frontale depressie daalt de luchtdruk en… wordt de wind buiig. ervaren we onregelmatige wind met windstoten. komt de bewolking langzaam lager en lager. 17- Wat doet de luchtdruk bij het naderen van een warmtefront? Hij daalt. Hij blijft onveranderd. Hij stijgt. a a a b b b b c c c a c

18 19- Een NNE wind kan men ook definiëren als een wind van of uit… 022.5° °. 045°. 20- Met je rug naar de wind op het noordelijk halfrond ligt de lage(re) druk… links van je. rechts van je. vóór je. c c b b a a 21- Welke bewering klopt? x Lage bewolking bestaat uit regendruppels. Middelhoge bewolking bestaat uit ijs en regendruppels. Hoge bewolking bestaat uit ijs. 22- Wat stelt dit voor? Een warmtefront. Een koufront. x Een occlusiefront. a c b b a c

19 23- Een cumulonimbus herkent men… aan de vorm. aan de sterke horizontale beweging v/d lucht in de middelhoge luchtlagen. omdat het goed gelijkt op een windhoos. 25- Neerslag uit een koufront is harder en onregelmatiger omdat… de koude lucht boven de warme lucht glijdt. de koude lucht onder de warme lucht kruipt zodanig dat deze laatste langzaam opstijgt. de koude lucht onder de warme lucht kruipt zodanig dat deze laatste verplicht wordt snel te stijgen. 24- Factor of factoren die de golfhoogte bepalen zijn… enkel de windkracht. zowel de windkracht als de tijd. de windkracht, de tijd en de fetch. 26- Het fenomeen landbries/zeebries doet zich sterker voor in de periode mei-juni dan in de periode aug.-sept. omdat … het land in augustus/september even warm is als in mei/juni. de zeewatertemperatuur in mei/juni lager is dan in augustus/september. de zeewatertemperatuur in mei/juni hoger is dan in augustus/september. b b b a a a a c b c c c

20 De vragen 27, 28, 29 en 30 hebben betrekking op onderstaande weerkaart.

21 27- In punt A is de wind… x NNW. W. SW. 28- Punt B ligt in het warmtefront. x de koudesector. de warmtesector. Terug naar de kaart b a c c a b vragen 29 en 30

22 29- Stel dat de trekrichting van de depressie NE is, dan zal de wind… xIn Humber, Thames & Plymouth zal de wind ruimen na de passage van de fronten. In Humber, Thames & Plymouth zal de wind krimpen na de passage van de fronten. In Humber, Thames & Plymouth zal geen windrichting verandering zijn na de passage van de fronten. b a c 30- Stel dat de trekrichting van de depressie NE is, dan zal de wind… In Dogger & Humber zal de windkracht afnemen bij de eerst voorbijkomende isobar In Dogger & Humber zal de windkracht toenemen bij de eerst voorbijkomende isobar In Dogger & Humber zal de windkracht steeds dezelfde blijven bij de eerst voorbijkomende isobar a b c Terug naar de kaart Volgende vragen

23 Terug naar de vragen 27, 28 Volgende vragen naar de vragen 29, 30

24 32- De Engelse term ‘fog’ duidt aan dat de zichtbaarheid minder is dan… x 1000m. 500m. 100m. 30° à 40° + 10° 15° à 20° a 15° à 20° c b 31- Welke van de drie windveranderingen aan de kustlijn is de juiste? 33- Stroom tussen zandbanken. Welke figuur is juist? Sterkere stroom: Zwakkere stroom: a c b a c b

25 34- Een vaartuig, ten anker voor de rede van NP. De voorligging is + 050° Er staat geen wind. De stroom is…. NE. x SW. Men moet de stroomgegevens op de kaart raadplegen om dat te weten. 36- Het naderen van een warmtefront kan men o.a. merken aan een… dalende luchtdruk en een dunner wordend wolkendek. x dalende luchtdruk en een dikker wordend wolkendek. stijgende luchtdruk en een dikker wordend wolkendek. 35- De windmeter geeft 19 knopen aan. Dat is… 4 Beaufort. x 5 Beaufort. 6 Beaufort. a a a c c c b b b

26 3. Vaartuig

27 01- Het onderscheid tussen een ‘gaffeltuig’ en een ‘houarituig’ zit hem in… het aantal lijken. de hoek tussen gaffel en mast. de manier van reven. 02- De neerhouder wordt gebruikt om… het voorlijk van het grootzeil door te zetten. gemakkelijk een zeil te strijken. de giek (grootzeil) naar beneden te houden. 04- Het gangboord is… enkel het deel van het dek naast de opbouw waarop kan gegaan worden. de plank die in een haven gebruikt wordt om van en/of aan boord te gaan. de ruimte naast de opbouw en/of de kuip waarop kan gegaan worden. 03- De meest geschikte bodemsoorten om te ankeren, zijn… zeegras en planten. leem en zand. modder. a a b b c c c a b b c a

28 06. Dit is een… achterspring. dwarstros. voorspring. 05- Het lopend want omvat of bestaat uit… al het touwwerk en de staaldraden waarmee zeilen gehesen of bediend worden (vieren, aanhalen…). de groot(zeil)schoot en de voorzeilschoten. het geheel van touwwerk en staaldraad dat de mast ondersteunt en waarmee de zeilen bediend worden. 08- De boom van de te ‘loevert staande’ fok wordt gecontroleerd door… de wipschoot en de neerhouder. het toppenend en de neerhouder. de wipschoot en het toppenend. 07- Een ‘bulbkiel’ is een… lange doorlopende kiel. een vinkiel met ballast in het onderste gedeelte. een vinkiel of doorlopende kiel met een ballastzwaard. a c c b b b b a a a c c

29 09- De volgende onderdelen behoren tot een grootzeil: Voorlijk, zeillatzakje, onderlijk, smeerreep, kous. Halshoek, lijk, toggle, smeerreep, reefkous. Smeerreep, toppenend, reefbaan, reefknuttel, kous. 10- Een gaffelgetuigde kotter heeft een… grootzeil, een fok en een boegspriet. fok, een gaffel-grootzeil en 1 mast. gaffel-grootzeil en twee voorzeilen. 11- Een benzinemotor verschilt van een dieselmotor door zijn gewicht; hij is… zwaarder maar heeft een lager brandstofverbruik. lichter maar heeft hoger brandstofverbruik. zwaarder en heeft een hoger brandstofverbruik. 12- danforthanker. bruce anker. ploegschaaranker. a b b c b b c c c a a a Dit is een…

30 13- Hebben uitsluitend te maken met een zeil zelf: Voorlijk, achterlijk, onderlijk, smeerreep, bakstag, lummel, kous. Voorlijk, achterlijk, stag, smeerreep, takel, val, tophoek. Voorlijk, achterlijk, onderlijk, smeerreep, lijk, losse broek, tophoek, halshoek. 14- Om van voor de wind op te loeven naar aan de wind hebben wij opeenvolgend: Voor de wind, ruime wind, halve wind, bij de wind, aan de wind. Voor de wind, halve wind, bij de wind, aan de wind. Voor de wind, ruime wind, halve wind, aan de wind. 15- Op een zeilvaartuig vind je de hennegatskoker… onder de ankerbak. aan de roerkoning. onderaan de giek. 16- Een zeiljacht met twee masten (de achterste hoger dan de voorste) en twee voorzeilen is een… kottergetuigde ketch. kottergetuigde yawl. kottergetuigde schoener. a c b c b b b a a c a c

31 17- De vuistregel voor de lengte van de ankerketting (met tros) is? Anderhalve keer de lengte van het vaartuig. Anderhalve keer de waterdiepte. 3 tot 5 maal de waterdiepte. 18- Geslagen touw gebruikt men best als… vallen. landvasten. schoten. 19- Op het motorpaneel van een scheepsmotor (diesel) staan de volgende Alarmmeldingen: 1. Te hoge temperatuur van het koelwater aan de uitlaat. 2. Te lage oliedruk. 3. Geen of te lage laadstroom. 1. Te hoge temperatuur aan de motor. 2. Te lage oliedruk. 3. Geen of te lage laadstroom. 1. Te hoge temperatuur aan de motor. 2. Te lage oliedruk. 3. Geen, te hoge of te lage laadstroom. b c b a a c + b a c

32 Zeekraan. 2. Wierpot. 7. Zwanenhals. 1. Zeekraan. 2. Koelwaterfilter. 6. Wierpot. 1. Waterlock. 2. Wierpot. 7. Zwanenhals. 22- Men vaart met een linkse schroef en men wil ronddraaien in een nauwe ruimte waarbij men niet in één keer kan draaien. xMen begint bij stuurboordwal; het manoeuvre beginnen door in vooruit naar bakboord te draaien. Men begint bij bakboordwal; het manoeuvre beginnen door in vooruit naar stuurboord te draaien. Men begint bij stuurboordwal; het manoeuvre beginnen door in vooruit naar stuurboord te draaien. 23- Men schut van zoet water naar zout water. Men kan verwachten dat… er geen stroom zal zijn. men stroom zal mee hebben. men stroom zal tegen hebben a a b a c c b c b

33 24- De tros die loopt van het achterschip naar een vast punt op de wal ongeveer midscheeps van het vaartuig noemt men… een achterlandvast. een achterspring. een voorspring. 25- Aankomen en afvaren op stromend water wordt gedaan… haaks op de stroomrichting. met de stoom mee. altijd tegen de stroom in. b c a a c b

34 4. I.A.R.

35 01- Een vaartuig dat vist, en waarvan de manoeu- vreerbaarheid wordt belemmerd door het vistuig is… een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig. een gewoon W.V.V. een vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij. 04- In een nauw vaarwater mag een vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, de doorvaart van een ander vaartuig dat in dit vaarwater vaart niet belemmeren. Dit is… niet juist. juist. juist, indien het vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij < 20m. 03- Een vaartuig dat de richting van een ‘nauw vaarwater’ volgt, moet… in het midden v/h vaarwater varen. de buitenzijde v/h vaarwater aan z’n stuurboordzijde houden, zo dicht als veilig en uitvoerbaar is. enkel bij beperkt zicht stuurboordwal houden, zo dicht als veilig en uitvoerbaar is. 02- Een vaartuig, niet aan de grond, niet vastgemaakt aan de wal, niet geankerd is een… vaartuig dat varende is. vaartuig dat zeker vaart door het water loopt. W.V.V. c a b b a a a b c c b c

36 05- Je sleept met een zeiljacht (32 voet) een collega zeiler (31 voet). Je … moet de lichten voeren van een WVV dat sleept. mag de lichten voeren van een WVV dat sleept maar moet niet. mag de lichten van een WVV dat sleept niet voeren 08- Een zeilvaartuig, zonder motor, in een windstilte op volle zee is een ‘onmanoeuvreerbaar vaartuig’. Juist. Fout. Soms. 07- In bijzondere omstan- digheden kan het afwijken v/d voorschriften noodza- kelijk zijn. Geldt dit ook voor zeilvaartuigen? Neen. Ja, maar enkel indien er een beroepsvaartuig bij betrokken is. Ja. 06- De voorschriften van het I.A.R. zijn van toepassing op alle … beroepsvaartuigen in volle zee en op alle wateren die ermee in verbinding staan. vaartuigen maar enkel op volle zee. vaartuigen in volle zee en op alle wateren die ermee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande vaartuigen. b c c a a a a b b b c c

37 09- Indien een WVV dat sleept ernstig beperkt is i/d mogelijkheid om uit te wijken, dan is dit… een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig. een onmanoeuvreerbaar vaartuig. een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig voor plezier- maar niet voor beroepsvaartuigen. 12- ‘Goed zeemanschap’ betekent ondermeer dat je… niet v/d voorschriften mag afwijken. v/d voorschriften mag afwijken indien nodig. v/d voorschriften moet afwijken indien nodig. 11- Een gesleept vaartuig is geen WVV. Juist. Fout. Juist, maar enkel indien het de machines niet in gebruik heeft. 10- Welk vaartuig is een ‘beperkt manoeuvreerbaar’ vaartuig? Een vaartuig aan de grond. Een vaartuig bezig met baggerwerkzaamheden. Een zeilvaartuig, zonder motor, in een windstilte. a c a b a a b b b c c c

38 13- Onderscheid tussen ‘grote’ en ‘kleine’ vaartuigen: Dit onderscheid bestaat niet in het IAR. Een groot vaartuig heeft een waterverplaatsing > 15m³. Een klein vaartuig heeft een lengte < 20m. 16- De maatregelen ter voorkoming van aanvaring moeten als volgt gebeuren: Enkel de koers moet worden gewijzigd, niet de vaart; dit om verwarring te voorkomen. Een opeenvolging van kleine koers- en/of vaart veranderingen moet tijdig worden genomen. koers- en/of vaart veranderingen moeten groot genoeg zijn om duidelijk waarneembaar te zijn. 14- De voorschriften v/h I.A.R. zijn van toepassing… enkel op vaartuigen > 20m. enkel op beroepsvaartuigen. op alle vaartuigen. c c a a a b b b c 15- Je kruist, zoals moet, onder zeil een V.T.S. Je ligt op aanvaringskoers met WVV dat v. BB n. SB vaart. Je mag je koers 10 à 15° naar BB verleggen en zo achter het WVV doorlopen. Je mag niet uitwijken naar BB; Je bent verplicht 90° naar SB draaien, in de juiste vaarrichting te varen tot het WVV voorbij is; dan kan je terug naar BB draaien(90°) en het verkeersscheidingsstelsel verder kruisen zoals moet. Je moet koers en vaart houden. a b c

39 17- Elk vaartuig dient goede uitkijk te houden! Enkel bij beperkt zicht. Niet indien het geankerd ligt. Altijd. 20- Een WVV dat in volle zee een zeilvaartuig aan SB wil oplopen, geeft… reglementair geen seinen. reglementair 2 lange stoten gevolgd door 2 korte stoten. reglementair 2 lange stoten gevolgd door 1 korte stoot. 19- Een vaartuig bezig met de uitoefening v/d visserij en een zeilvaartuig sturen recht tegen elkaar in! Beide vaartuigen moeten uitwijken naar stuurboord. Het zeilvaartuig moet uitwijken. Het vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, moet uitwijken. 18- Een vaartuig, dat de richting van een vaargeul volgt, moet stuurboordwal houden. Dit geldt … uitsluitend voor vaartuigen < 20m, bij elk zicht. voor alle vaartuigen, bij elk zicht. voor alle vaartuigen, doch enkel bij beperkt zicht. c b a b a a a b b c c c

40 21- Zeilvaartuig (A), zeil over bakboord, loopt een zeilvaartuig (B), zeil over stuurboord, op. B wijkt voor A: zeil over SB wijkt voor zeil over BB. A wijkt voor B, daar het B oploopt. Beide vaartuigen loeven op om ruimte te maken. 24- Een vaartuig, door z’n diepgang beperkt in z’n manoeuvreerbaarheid, moet uitwijken voor… een beperkt manoeuvreerbare vaartuig. ieder ander W.V.V. zeilvaartuigen. 23- Twee W.V.V.’s naderen elkaar op tegengestelde koersen. Beiden veranderen koers naar stuurboord. Beiden veranderen koers naar bakboord. Ze spreken onderling af via VHF. 22- Je kruist de E-W baan van een verkeersscheidings stelsel; Stroom: 090° 5kn, VAR:10°W, DEV: 10°W. De juiste KV is? 000° (360°). 020°. Zodanig dat de WK/g = 000°. b b a a a a b b c c c c

41 25- Een WVV, >30m, dat in een nauw vaarwater vaart en er de richting van volgt, mag in zijn doorvaart niet belemmerd worden. Juist, indien het enkel in het nauw vaarwater veilig kan varen. Juist, maar vaartuigen bezig met de uitoefening van de visserij mogen doorvaart wel belemmeren. Fout. 28- Men moet zich ‘s nachts als ‘oploper’ blijven beschouwen tot men… van het opgelopen vaartuig de zijlichten ziet en niet meer het heklicht. 2 tot 3 zeemijlen voorbij het opgelopen vaartuig is. van het opgelopen vaartuig geheel vrij en gepasseerd is. 27- Een zeilvaartuig loopt in een vaargeul een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig op. Het moet uitwijken omdat het oploopt. Het moet uitwijken omdat elk vaartuig moet wijken voor een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig. Het beperkt manoeuvreerbaar vaartuig moet uitwijken naar stuurboord wal en zeilvaartuig doorlaten. 26- Vaartuigen, door hun diepgang beperkt in hun manoeuvreerbaarheid, hebben… absolute voorrang op elk W.V.V. in principe voorrang op alle vaartuigen. in principe voorrang op alle vaartuigen, uitgezonderd op on- en beperkt manoeuvreerbare vaartuigen. c a c a a a b b b b c c

42 29- Welk vaartuig is een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig? Elk vaartuig maarmee men vist. Een vaartuig bezig met mijnenopruimingswerzaamheden. Elk WVV dat sleept, met een sleep > 200M. 31- Een vaartuig met voorrang wijkt voor een vaartuig zonder voorrang. Dit laatste krijgt hierdoor… voorrang en mag een bijkomend uitwijkmanoeuvre uitvoeren. geen voorrang en moet eventueel een bijkomend uitwijkmanoeuvre uitvoeren. voorrang maar mag geen bijkomend uitwijkmanoeuvre uitvoeren. 30- Een vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij moet… uitwijken voor alle andere vaartuigen. nooit uitwijken. voor zover mogelijk, uitwijken voor onmanoeuvreerbare en beperkt manoeuvreerbare vaartuigen. b c b a a a b c c

43 5. I.A.R. Lichten en dagmerken.

44 Gebruikte afkortingen BB: Gezien langs de bakboord zijde. SB: Gezien langs de stuurboord zijde. Voor : Gezien langs voor. Achter: Gezien langs achter. Deze lichtencombinatie wordt gevoerd door… VB- a b c Deze dagmerken worden gevoerd door…

45 57- Onmanoeuvreerbaar vaartuig, gestopt en geen vaart door het water lopend. Vaartuig aan de grond. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend. WVV of zeilvaartuig of vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij of een gesleept vaartuig; allen achter x WVV of zeilvaartuig of gesleept vaartuig; allen achter. WVV of zeilvaartuig of beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, allen achter. WVV, < 50m, varend, BB. x WVV, < 50m, varend, SB. WVV, < 50m, niet varend, SB a b b b a a c c c 57- WVV, varend, BB. WVV 50m of groter, varend, SB. x WVV, varend, SB. 02- c b a

46 57- Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij; netten worden uitgezet. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij; netten worden opgehaald. xVaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij; netten zitten vast. Een WVV, duwend + geduwd vaartuig, vast aan elkaar verbonden in samengestelde eenheid, BB. WVV dat sleept < 50m + gesleept vaartuig, BB. x WVV < 50m dat duwt + geduwd vaartuig, BB Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, geankerd Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid, geen vaart door het water lopend. xBeperkt manoeuvreerbaar vaartuig, gestopt en geen vaart door het water lopend. Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid, varend, achter. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaartlopend, achter. vaartuig < 50m aan de grond c c c a b b b b a a a c

47 57- x WVV, slepend < 50, sleep tot 200m, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, voor. WVV, slepend, 200m, voor. WVV of zeilvaartuig, voor. x WVV < 20m, voor. WVV < 50m, voor. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig; gestopt en geen vaart door het water lopend, voor. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig < 50m, geankerd, voor. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig < 50m, vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig tot 150m aan BB, vaartlopend. xVaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig > 150m aan BB, vaart door het water lopend, voor. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig aan BB, vaart lopend, voor a b c b b b a a a c c c 10-

48 57- Vaartuig bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden, varend, voor Vaartuig met een uiterst gevaarlijke lading. Vaartuig bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden varend, achter. x WVV 200m; voor. WVV, 50m of groter, slepend, sleep > 200m, voor. WVV < 50m, slepend, beperkt manoeuvreerbaar door sleep, voor. x WVV < 50m, varend, voor. WVV = 50m, varend, voor. WVV > 50m, varend, voor. WVV 50m slepend, sleep tot 200m. WVV 200m. WVV < 50m, slepend, sleep tot 200m c a a c b b b b a a c c

49 WVV 200m, voor. x WVV, slepend, sleep > 200m, voor. WVV, slepend, sleep tot 200m, voor. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, gestopt en geen vaart door het water lopend, achter. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, achter. Vaartuig aan de grond. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 20m, vaart door het water lopend, voor. xVaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; < 20m, voor. Vaartuig bezig met uitoefening van de loodsdienst, < 20m, voor b b b a a a c c c 57- WVV, slepend, sleep > 200m, + gesleept vaartuig, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, netten worden uitgezet, vaart door het water lopend, SB. WVV, slepend, sleep tot 200m + gesleept vaartuig, SB. 17- c b a

50 WVV, slepend, sleep tot 200m, SB. x WVV, slepend, sleep > 200m. WVV, slepend, sleep tot 200m. 57- Zeilvaartuig; WVV < 20m; WVV < 7m max. vaart 7kn, WVV < 12m, varend; WVV < 7m max. vaart 7kn, voor. x WVV < 20m; WVV < 7m max. vaart 7kn; varend, voor. x WVV, slepend, achter. Vaartuig dat duwt of lanszij sleept, achter. Vaartuig, varend zonder waterverplaatsing, achter. WVV, < 50m, slepend, sleep tot 200m, BB. WVV, slepend, duwend of langszij slepend, 200m, SB. xWVV, slepend, duwend of langszij slepend, <50m, sleep < 200m, SB b c c a b b b a a a c c

51 57- WVV, 50m, slepend, sleep tot 200m; duwend of langszij slepend, SB. xWVV < 50m, slepend, sleep tot 200m; Een WVV duwend of langszij slepend, SB. WVV 200m; duwend of langszij slepend, SB. x Zeilvaartuig, BB. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij, vaart door het water lopend, BB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, vaart door het water lopend, BB. Vaartuig ten anker liggend. xEen weinig of niet opvallende, zich gedeeltelijk onder water bevindend, vaartuig of voorwerp. WVV, slepend, achter. x WVV < 50m, varend, BB. WVV < 20m, varend, BB. WVV < 50m, varend, SB b b a a b b a a c c c c

52 57- xWVV, slepend, sleep tot 200m; duwend of langszij slepend, SB. WVV, slepend, sleep > 200m; duwend of langszij slepend, SB. WVV < 50m slepend, sleep tot 200m; duwend of langszij slepend, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, netten worden opgehaald. xVaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 50m, netten worden uitgezet. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 50m, netten worden opgehaald Heklicht van WVV dat sleept en van gesleept vaartuig. Heklichten van een duwstel. xEen weinig of niet opvallende, zich gedeeltelijk onder water bevindend, vaartuig of voorwerp. Zeilvaartuig; vaartuig voortbewogen door riemen, varend, WVV < 7m en trager dan 7kn, SB. Zeilvaartuig; vaartuig voortbewogen door riemen; varend, SB. Of een gesleept vaartuig SB. Zeilvaartuig, varend, BB a b c b b c b a a a c c

53 57- WVV < 7m en trager dan 7kn, varend, voor. WVV < 20m, varend, voor. x Zeilvaartuig < 20m, varend, voor. Vaartuig bezig met mijnenopruimingsdienst, < 50m, varend SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 50m, varend SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 50m, varend, netten zijn opgehaald, SB. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, vaartlopend, SB. Bep. manoeuvreerbaar vaartuig <50m, a/d grond, SB. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig < 50m, vaartlopend, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, sleep > 150m aan de kant van wit licht. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, vaart door het water lopend, achter. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, zeker < 50m, vaartlopend, achter b c c a b b b a a a c c

54 57- WVV > 50m, slepend, sleep >200m. x WVV 200m. WVV < 50m, slepend, sleep tot 200m. x Geankerd vaartuig < 50m. Geankerd vaartuig tot 100m. Geankerd vaartuig > 100m. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, gestopt en geen vaart door het water lopend, voor. xBeperkt manoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, voor. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, zeker > 50m, vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, vaart door het water lopend, SB, netten worden opgehaald. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij; varend, SB, vistuig tot 150m, netten worden opgehaald. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, 150m, varend, SB b b a a b b a a c c c c

55 57- Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, geankerd. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst varend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst niet varend. Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij niet zijnde de treilvisserij, vaart door het water lopend, achter. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, varend, achter. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, geen vaart door het water lopend, BB. xOnmanoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, BB. Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid, vaart door het water lopend, BB. x Zeilvaartuig, BB. Zeilvaartuig niet varend, BB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, vaart door het water lopend, BB B c c a b b b a a a c c

56 57- x Geankerd vaartuig tot 100m lengte, SB. Geankerd vaartuig tot 100m lengte, BB. Geankerd vaartuig >100m. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 50m, vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, < 50m, tuig tot 150m vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, > 50m, vaart door het water lopend, voor. Loodsvaartuig, niet bezig met de uitoefening van de loodsdienst,varend, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij, vaart door het water lopend, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, varend, SB. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig tot 150m, vaart door het water lopend, SB. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig > 150m, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, vaart door het water lopend, SB b c a a b b b a a c c c

57 57- Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid, varend, achter. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, geankerd. x Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaartlopend, achter. 52- Dagmerk getoond door… Enkel een vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij. Enkel een vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij. zowel vaartuigen bezig met de uitoefening van de treilvisserij, als door vaartuigen bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij. xOnmanoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, voor. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, geen vaart door het water lopend, voor. Vaartuig aan de grond met werkende motoren voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, geankerd. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, lengte: > = < 50m, vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, tot 50m, geen vaart door het water lopend, voor b c c a b b b a a a c c

58 57- Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend. x Vaartuig aan de grond. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, geankerd. 56-Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid. x Onmanoeuvreerbaar vaartuig, Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst xVaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, 50m, vaart door het water lopend, SB. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; vaart door het water lopend, SB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de treilvisserij, tuig > 150m, vaart door het water lopend, SB b b a b a a c c c 54- Welk dagmerk komt hiermee overeen? acb

59 57- WVV > 50m, slepend, beperkt manoeuvreerbaar door moeilijke sleep, sleep > 200m, voor. xWVV 200m, voor. Gewoon beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, varend. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig > 150m, vaart door het water lopendlopend, BB. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig aan BB > 150m, vaart door het water lopend. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig tot 150m, vaart door het water lopend, BB b c b a a c Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, vaart door het water lopend, SB, versperring aan zijn BB. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, vaart door het water lopend, SB, versperring aan zijn SB. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, geen vaart door het water lopend, SB, versperring aan zijn SB. 58- b a c

60 57- Bep. manoeuvreerbaar vaartuig, versperring links, voor. Bep. manoeuvreerbaar vaartuig < 20m, versperring rechts, vaartlopend, voor. xBep. manoeuvreerbaar vaartuig < 20m, vaartdoor het water lopend, voor. xBeperkt manoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, achter. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, geen vaart door het water lopend, achter. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, achter. xWVV, slepend; beperkt manoeuvreerbaar door moeilijke sleep, achter. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, achter. WVV, slepend, varend, achter. x WVV, duwend + geduwd vaartuig. Duwend WVV en een vaartuig dat wordt geduwd vast aan elkaar zijn verbonden in een samengestelde eenheid. WVV dat sleept, sleep tot 200m c a a a b b b b a c c c

61 57- Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, versperring links, vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij, netten zitten vast. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, versperring links, geen vaart door het water makend of geankerd. x Bep. manoeuvreerbaar vaartuig, ten anker. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, varend. Vaartuig aan de grond. 66- x Geankerd vaartuig. Vrije kant bij een ‘baggerend’ vaartuig. Opgepast! duikwerkzaamheden. Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid, vaart door het water lopend, SB. x Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaartlopend. Vaartuig aan de grond, vrije doorgang links c a a b b b a a c c c b

62 57- Vaartuig bezig met uitoefening van de treilvisserij, netten aan beide kanten, voor. xVaartuig bezig met mijnenopruimingsdienst, < 50m, varend, voor. Vaartuig bezig met mijnenopruimingsdienst, geankerd. Onmanoeuvreerbaar vaartuig, vaartlopend, voor. xVaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid, varend, voor. Vaartuig aan de grond, met werkende motoren, voor. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij, geen vaart door het water lopend. xVaartuig, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, geen vaart door het water lopend of geankerd. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, enkel indien geankerd. 69- Vaartuig aan de grond. Geankerd vaartuig. xVaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid b b c b b a a a a c c c

63 72- x Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, geankerd. Onmanoeuvreerbaar vaartuig. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig tot 150m, gestopt en geen vaart door het water lopend of geankerd. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; vaart door het water lopend. xVaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid. varend, BB. Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid. geankerd. Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid. < 50m, varend, SB WVV kleiner dan 7m en trager dan 7kn. Vaartuig onder zeil met motor aan. xZeilvaartuig; vaartuig voort bewogen door riemen; gesleept of geduwd vaartuig a b c a b b b a a c c c

64 57- WVV 200m. xWVV <20m, slepend, duwend of langszij slepend, sleep tot 200m. WVV <50m, slepend, duwend of langszij slepend, sleep tot 200m. 79- Onmanoeuvreerbaar vaartuig, geankerd. x Vaartuig aan de grond. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, geankerd. 78- Bep. manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren, voert deze combinatie Dit is… x fout. juist. Juist, maar enkel indien geankerd. Zeilvaartuig < 20m,SB. Zeilvaartuig > 20m, SB. x Zeilvaartuig, SB b c a b b b a a a c c c

65 82- Zowel WVV, > 50m, dat sleept, als het gesleept vaartuig of voorwerp, deel uitmakend van een sleep < 200m. Vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid. - Zowel WVV dat sleept als het gesleept vaartuig of voorwerp, beiden deel uitmakend van een sleep > 200m; - Een weinig of niet opvallende, zich gedeeltelijk onder water bevindend, vaartuig of voorwerp, ongeacht zijn lengte. deel uitmakend van een sleep < 200m Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, geankerd, versperring aan BB, voor. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, vaart door het water lopend, versperring aan BB, voor Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, vaart door het water lopend, versperring aan SB, voor 81- b c b a a c Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig >150m, vaart door het water lopend, voor Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig tot 150m, geen vaart door het water lopend, voor. Vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; tuig tot 150m, vaart door het water lopend, voor. 80- c b a

66 57- Loodsvaartuig niet bezig met de uitoefening van de loodsdienst, varend, achter. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij, varend, achter. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, varend, achter. Luchtkussenvaartuig < 50m, gewoon varende, SB Vaartuig ‘vissend’ met ringzegen. Luchtkussenvaartuig, varende zonder waterverplaatsing, < 50m, SB. WVV, slepend 200m WVV < 50m, langszij slepend, voor. WVV, 50m, langszij slepend, sleep < 200m. ‘Politievaartuig’, langer of korter dan 50m, varend, voor. Luchtkussenvaartuig, varende zonder waterverplaatsing, varend, voor. Vaartuig bezig met hydrografische werkzaamheden, varend, voor b b c c b b a a a a c c

67 87- xVaartuig bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden, geankerd. Vaartuig bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden, vrije kant rechts. Vaartuig bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden, varend. xVaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; vissend met ringzegen. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, SB, groot gevaar! Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; varend, stuurboord, vistuig >150. WVV, > 50m, duwend, totale lengte < 200m, BB. WVV, duwend of langszijslepend, BB met geduwd object voor duwend WVV, of gesleept object aan BB bij langszijslepend WVV. WVV, < 50m, slepend, sleep < 200m, BB. WVV, < 50m, slepend, sleep tot 200m WVV > 50m, varend, voor. x WVV, slepend of duwend a b c a b b b a a c c c

68 91- Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, geankerd. Vaartuig bezig met mijnenopruimingswerzaamheden. WVV, beperkt manoeuvreerbaar door moeilijke sleep, sleep > 200m. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; varend, achter. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; geankerd. 93- xVaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; vistuig > 150m. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, vistuig > 150m. Vaartuig, bezig met de uitoefening van de visserij, niet zijnde de treilvisserij; vistuig tot 150m. 94- b c a b b a a c c Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, vaart door het water lopend, SB. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, vrije kant aan SB. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, geankerd, SB 92- a b c

69 57- Onmanoeuvreerbaar vaartuig, geankerd. xOnmanoeuvreerbaar vaartuig, vaartlopend, achter. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, geankerd. WVV > = < 50m, varend, SB. WVV slepend 200m, SB. x WVV slepend < 50m, SB. WVV, slepend, met moeilijk handelbare sleep. Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig, geen vaart door het water lopend. x Beperkt manoeuvreerbaar vaartuig < 50m. x WVV < 20m varend, voor. WVV < 50m varend, voor. WVV < 20m of zeilvaartuig, geankerd b c c a b b b a a a c c

70 WVV 50m, varend, BB. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, geankerd. Deze lichtvoering is fout c b a Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, varend. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, geankerd. Vaartuig bezig met de uitoefening van de loodsdienst, niet varend. 99- c b a

71 6. I.A.R. Geluidsseinen

72 symboliseert een ‘korte stoot’ symboliseert een ‘lange stoot’ (1’)een tussenpauze van maximaal 1 min. (2’)een tussenpauze van maximaal 2 min. Gebruikte symbolen bij de geluidsseinen.

73 01- wil zeggen: Vaartuig verandert z’n koers naar SB. Vaartuig verandert z’n koers naar BB. Vaartuig slaat achteruit. 03- duurt… + ½ sec. + 1 sec. + 2 sec. 02- duurt… 2 à 5 sec. 3 à 6 sec 4 à 6 sec. 04- Wordt gegeven door een... gesleept - of laatst gesleept vaartuig. vaartuig dat twijfelt aan de goede afloop van een manoeuvre. WVV dat achteruit wil slaan. a a a b b b c c a b c c

74 05- wil zeggen: x Vaartuig wil u oplopen aan uw BB-zijde. Vaartuig wil u oplopen aan uw SB-zijde. Vaartuig gaat akkoord met oploop-manoeuvre. 07- De in het I.A.R. ‘voorgeschreven geluids- seinen bij beperkt zicht’ zijn door een vaartuig <12m… verplicht gegeven te worden. niet verplicht gegeven te worden. Maar het moet dan wel een ander doelmatig geluidssein geven soms verplicht gegeven te worden. 06- wordt gegeven… bij het naderen van een onoverzichtelijke bocht. als geluidssein bij beperkt zicht, door WVV, indien gestopt en geen vaart door het water loopt als mistsein door (laatst) gesleept vaartuig. 08- (2’) (2’) je hoort een… WVV, vaart door het water lopend. x WVV, gestopt en geen vaart door het water lopend. geankerd vaartuig. a a b b c c c c a a b b

75 09- (2’) (2’)… je hoort een… x WVV, dat vaart door het water loopt. WVV, gestopt en geen vaart door het water lopend. geankerd vaartuig. 11- (2’) (2’)… je hoort een… WVV, gestopt en geen vaart door het water lopend. x vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij. (laatst) gesleept vaartuig. 10- (2’) (2’)… je hoort een… WVV. x zeilvaartuig. gesleept vaartuig. 12- (2’) (2’)… je hoort een… xvaartuig door z’n diepgang beperkt in z’n manoeuvreerbaarheid. vaartuig aan de grond. WVV, gestopt en geen vaart door het water lopend. a a b b c c c c a a b b

76 13- Door ‘niet geankerde’ en ‘niet aan de grond gelopen’ vaartuigen worden geluids-seinen bij beperkt zicht gegeven met tussenpauzen van… maximum 1 min. maximum 2 min. maximum 3 min. 15- wordt gegeven als… mistsein door (laatst) gesleept vaartuig. men, in een nauw vaarwater, wil oplopen langs SB x bijzonder attentie sein door geankerde vaartuigen. 14- ‘ Geankerde’ en ‘aan de grond gelopen’ vaartuigen geven geluids- seinen bij beperkt zicht met tussenpauzen van… x maximum 1 min. minimum 1 min. maximum 2 min. 16- klok 5” (1’) klok 5”… geluidsseinen bij beperkt zicht gegeven door… een aan de grond gelopen vaartuig. een WVV gestopt en geen vaart door het water lopend. x een geankerd vaartuig. a a a b b b c c a b c c

77 17- Klok 5” - gong 5” (1’) klok 5” - gong 5” (1’) … voorsch. achtersch. Wordt gegeven door geankerd vaartuig… < 50m. >50m maar <100m. Vanaf 100m. 19- Bij beperkt zicht geeft een zeilvaartuig: (2’) (2’) (2’) … x 18- Wordt gegeven door… vaartuig dat twijfelt aan goede afloop v/h manoeuvre. vaartuig dat achteruit slaat. vaartuig met loodsdienst, als bijkomend mistsein. 20- Bij beperkt zicht geeft een vaartuig bezig met de uitoefening van de visserij: (2’) (2’) (2’) … x a a a a b b c c b b c c

78 21- Bij beperkt zicht geeft een beperkt manoeuvreer- baar vaartuig: (2’) (2’) (2’) … x 23- Bij beperkt zicht geeft een vaartlopend WVV: x (2’) (2’) (2’) … 22- Bij beperkt zicht geeft een gestopt WVV: (2’) (2’) (2’) … x 24- Bij beperkt zicht geeft het laatste vaartuig v/e bemande sleep: (2’) (2’) (2’) … x geen van beiden. a a a b b b c c a b c c

79 25- Bij beperkt zicht geeft een vaartuig door zijn diepgang beperkt in zijn manoeuvreerbaarheid: (2’) (2’) (2’) … x 27- Bij beperkt zicht geeft een vaartuig < 100m dat geankerd ligt: x Klok(5”) (1’) klok(5”) (1’) klok(5”) (1’) … Klok(10”) (1’) klok(10”) (1’) klok(10”) (1’) … Klok(5”) (2’) klok(5”) (2’) klok(5”) (2’) … 26- Bij beperkt zicht geeft een vaartuig bezig met baggeren of met werk- zaamheden onder water (2’) (2’) (2’) … x 28- Bij beperkt zicht geeft een aan de grond gelopen vaartuig <100m: Slag,slag,slag - klok(5”) – slag,slag,slag (2’) idem… Slag,slag,slag – gong(5”) – slag,slag,slag (1’) idem… x Slag,slag,slag - klok(5”) – slag,slag,slag (1’) idem… a a a b b b c c a b c c

80 29- Bij beperkt zicht geeft een zeilvaartuig: (2’) (2’) (2’) … (3’) (3’) (3’) … x (2’) (2’) (2’) … 30- Op een zeilvaartuig, varend met zeil over BB, hoor je recht voor je: Je vaart gewoon verder, het kan een zeilvaartuig zijn met zeil over SB. Je wijkt uit, liefst naar BB. x Je wijkt uit, liefst naar SB. a a b b c c

81 7. I.A.L.A. A

82 01- De markering ter aanduiding van afzonderlijke gevaren ziet eruit als volgt: Zwart met 1 of meer rode banden en 2 zwarte ballen als topteken. Rood met 1 zwarte band en 1 rode bal als topteken. Rood boven zwart en 2 zwarte ballen als topteken. 04- In/met de betonnings- richting is een boei ter markering v/e aanbevolen vaarwater naar bakboord… groen met een (brede) rode horizontale band en spits of pilaar of spar. groen en rood horizontaal gestreept (verschillende banden) en spits. groen boven, rood onder en spits. 03- Een boei ter markering v/d bakboordzijde v/e vaarwater is… rood en stomp met een rode kegel, met punt naar boven, als topteken. rood en spits met een enkele rode cilinder als topteken. rood en stomp met een enkele rode cilinder als topteken. 02- De oost kardinale markering ziet eruit als volgt: Geel – zwart - geel gestreept; topteken: 2 kegels met basis naar elkaar. Zwart – geel - zwart gestreept; topteken: 2 kegels met basis naar elkaar. Geel boven zwart; topteken: 2 kegels met toppen naar elkaar. c b a a a a b b b c c c

83 08- Wanneer een “meetboei” uitgelegd wordt, zal dit in het algemeen… een kardinale boei zijn. een laterale boei zijn. een gele boei zijn. 07- Welk lichtkarakter komt hiermee overeen? Fl (2+1) 4s Fl (2+1) 15s Fl (2+1) W 15s 06- Je bemerkt bij slechte zichtbaarheid een boei met 2 zwarte ballen als top- teken. Dit wijst op een afzonderlijk gevaar. Deze boei is niet van belang voor de pleziervaart. Hiermee wordt een ankerplaats voor grote vaartuigen betond. 5s 10s 15s 20s 05- Je bemerkt in een vaar- geul een rood groeps- schitterlicht met 2 schit- teringen. Dit is het licht v/e splitsing met aanbevolen route naar bakboord. Dit is het licht v/e afzonderlijk gevaar. Dit is het licht v/e gewone bakboordboei. c c a b a a a b b b c c

84 11- Deze aanduiding is juist. x Deze aanduiding is fout. Men kan dat niet weten. Wat zijn de juiste boeien? A: stomp, B: spits, D: veilig vaarwater, C: kardinaal oost. A: spits, B: stomp, D: kardinaal zuid, C: veilig vaarwater. x A: spits, B: stomp, D: kardinaal zuid, C: kardinaal oost. 12- Je zeilt ‘s nachts op de Schelde, oostwaarts, je ziet: VQ(6)+Lfl10s x Je laat de boei aan bakboord. Je laat de boei aan stuurboord. Maakt niet uit… 10- De betonningsrichting van de IALA A betonning loopt … altijd naar een haven. in principe naar elke haven. xofwel naar een haven, ofwel om de continenten in wijzerzin. c d 09- b a voorkeurs route a b c c a a a b b b c c 11- a b

85 13- Een noord kardinale boei of ton… x duidt aan dat de hindernis ten zuiden van de boei ligt. duidt aan dat de hindernis ten noorden van de boei ligt. wordt enkel gebruikt om hindernissen te bebakenen. 14- Deze boei heeft o.a. volgende kenmerken: Rood boven wit. x Indien voorzien van een licht is dit altijd wit. Zwarte bal als topteken. 15- Men ziet als topteken: Welke kleur heeft de boei? x Zwart – geel – zwart. Geel – zwart – geel. Zwart boven geel. RW a a b a b b c c c

86 8. Kustreglement

87 01- In de havengeul belet een baggervaartuig je de vrije doorgang. Het moet uitwijken en zijn kabels en kettingen vieren. Het mag maar het hoeft niet uit te wijken en zijn kabels en kettingen te vieren. Het moet niet uitwijken en zijn kabels en kettingen niet vieren. 04- Een helder licht is onder normale omstandigheden ten minste zichtbaar tot op… 1 zeemijl. 2 zeemijlen. 3 zeemijlen. 03- Wanneer twee W.V.V.’s <50m een ander vaartuig assisteren voeren ze elk: Gewoon één toplicht. Twee toplichten boven elkaar. Drie toplichten boven elkaar. 02- Een bovenmaats zeeschip voert ‘s nachts 3 rondom zichtbare rode lichten. Altijd. Enkel als het varend is. Enkel varend en op aanwijzing v/h loodswezen. a c c b a a a b b b c c

88 05- Elk vaartuig moet zijn naam en die van zijn thuishaven op een zichtbare plaats voeren. Dit mag op de spiegel. Dit moet op de spiegel. Dit mag niet op de spiegel. 08- Personen die het plank- zeilen beoefenen, moeten dragen… een of ander isotherm pak; “duikpak”. een oranje isotherm pak. degelijk zwemvest van opvallende kleur. 06- De nationale vlag moet i/d B.T.Z. en de kusthavens altijd gehesen worden. Ja. Enkel op verzoek v/d overheid. Enkel bij in- en uitvaren v/d havens en op verzoek v/d overheid. 07- De diabolo wordt getoond, (pleziervaartuigen met LOA 6m of < mogen geen zee kiezen) van zodra buitengaats een wind staat… die uit zee waaiend 4 Beaufort bedraagt. die uit land waaiend 4 Beaufort bedraagt. die // aan kust waaiend 4 Beaufort bedraagt. a c c b a a a b b b c c

89 10- Een kategorie vaar- tuigen moet in de havens v/d Belgische kust zo dicht als veilig en uitvoerbaar SB wal houden. Dit betreft… gewoon alle vaartuigen. vaartuigen met LOA < 12m. vaartuigen met LOA < 20m. 12- De veerboot (LOA: 15m) in de havengeul van Nieuwpoort… moet voorrang geven aan vaartuigen die de geul volgen. moet geen voorrang geven aan vaartuigen die de geul volgen. is een beperkt manoeuvreerbaar vaartuig. 11- Een W.V.V. > 100m toont… 1 toplicht 2 toplichten 3 toplichten 09- Een zeilvaartuig op aanvaringskoers met een bovenmaats zeeschip… moet koers en vaart houden; bovenmaats zeeschip moet voorrang geven. mag uitwijken. moet uitwijken. c c a b b a a a b b c c

90 14- In de toegangsgeulen tot de havens en in de havengeulen zelf… mag men opkruisen met de motor bij. mag men opkruisen als men geen motor heeft. moet de motor altijd bijstaan. 16- Je ziet op een vaartuig twee horizontaal geplaatste zwarte ballen. Dit is… een vaartuig bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden overdag, de niet vrije kant van een baggervaartuig. een ‘achteruit’ varend vaartuig gebruik makend van z’n stuurinrichting aan de voorsteven. 15- In de vaargeulen mag men ankeren. Fout. Juist, doch enkel op plaatsen waar de scheepvaart daardoor niet gehinderd wordt. Juist, doch enkel waar men de scheepsvaart niet hindert en waar er geen kabels en/of leidingen liggen. 13- Welke licht- en dagmerk combinatie is de juiste? Het betreft werken in uitvoering. acb c c c a a a b b b

91 18- Vanuit zee komende zie je op de semafoormast: Je mag gewoon de haven binnen varen. Je moet toelating vragen en krijgen om de haven binnen te varen. Niemand mag de haven binnen varen. 17- In de B.T.Z lig je op aanvaringskoers met een WVV dat een blauw zwaai- licht voert. Je moet wijken omdat dit een politievaartuig in opdracht is. Je moet wijken omdat je voor beroepsvaart altijd moet wijken. De gewone voorrangsregels zijn hier van toepassing, daar een politie vaartuig geen absolute voorrang heeft. c b a a b c

92 9. Schelde reglement

93 01- Een WVS vaart bij vloed voorbij Doel naar zee maar draait en vaart terug naar Antwerpen. Dit manoeuvre noemt men x ‘kop voor nemen’. ‘opdraaien’. ‘terugdraaien’. 03- Je merkt enkel een geel licht achteraan op een vaartuig. Dit is een… assisterende sleepboot. x slepend binnenschip. slepend schip waarvan de aard niet kan bepaald worden. 02- Een zeilschip vaart naar A’pen, bij vloed, het nadert een doortocht met gevaar voor aanvaring. Uit A’pen komt een WVS. (binnenschip) Het zeilschip heeft voorrang: het vaart voor stroom. Het zeilschip heeft voorrang: WVS wijkt voor zeilschip. Het zeilschip heeft geen voorrang. 04- De regel ‘zich buiten de vaargeul verwijderd te houden,waar dit uitvoerbaar is’ geldt voor… zeilschepen. schepen met een lengte < 20m. x schepen met een lengte < 12m. a b c c b b b c c a a a

94 05- De nationale vlag moet overdag gevoerd door… x zeeschepen. zeilschepen. schepen die in het buitenland geregistreerd zijn. 06- Volgens het scheep- vaartreglement v/d Beneden Zeeschelde is de vaargeul het gedeelte… x van het vaarwater dat betond of bebakend is. waar enkel de beroepsvaart mag varen. waar enkel de pleziervaart mag varen. a a c c b b

95 10. Etiquette

96 01- Tot de normale gedrags- regels (ETIQUETTE) van de pleziervaarder behoort o.a… Zoveel mogelijk uitwijken voor de beroepsvaart. Altijd uitwijken voor de beroepsvaart. Het groeten op de voorgeschreven manier (met vlaggen) v/e koninklijk vaartuig. 03- Je vaart op onze Nat. feestdag in de geul naar zee. Om dit te vieren mag je volgens de etiquette… voeren gewoon de nationale vlag zoals altijd. de grote bevlagging. de kleine bevlagging. 02- Een ‘niet varend’ pleziervaartuig kan in het buitenland de volgende vlaggen voeren. Belg. driekleur a/d vlaggenstok, eigen clubvlag onder zaling SB, clubvlag van bezochte club onder zaling BB. Belg. driekleur a/d vlaggenstok, eigen clubvlag onder zaling BB, Nat. vlag van bezochte land onder zaling SB. Belg. driekleur a/d vlaggenstok, Nat. vlag van bezochte land in masttop, eigen clubvlag onder zaling BB. a b c a a b b c c 04- Wanneer men, ‘niet wedstrijd zeilend’, voorrang heeft op een vaartuig in wedstrijd zal men volgens de etiquette… zoveel mogelijk uitwijken. uitwijken, maar ook omdat het reglementair verplicht is. niet uitwijken maar wel mooi koers en vaart houden. a b c

97 06- Hoe weet je dat een zeilvaartuig deelneemt aan een wedstrijd? Het voert de wedstrijdvlag in het want en de nationale vlag. Het voert geen nationale vlag, wel een wedstrijdvlag. Het voert een wedstrijdvlag onder de bakboordzaling. 05- Een vorm van goede etiquette is ondermeer… de beroepsvaart voorrang geven omdat dit bij wet verplicht is. altijd wijken voor de beroepsvaart, maar enkel in de Belgische Territoriale wateren. overal zoveel mogelijk uitwijken voor de beroepsvaart. b c a a b c

98 11. Veiligheid.

99 01- Bij bliksem op zee… legt men alle elektronische apparaten en de motor af. laat men best de motor draaien. kan men geen specifieke maatregelen nemen. 03- Een flexibele gasslang moet vervangen worden; bij voorkeur om de… 5 jaar. 4 jaar. 3 jaar. 02- Een gasmelder plaatst men… bij voorkeur in de gasbun. onderaan, zo laag mogelijk, benedendeks. net onder het kookfornuis. 04- Men kan bluswater gebruiken … bij alle branden. enkel bij B-branden. enkel bij A-branden. b b c c a a a a b b c c

100 05- Jerrycans met reservebenzine moeten bewaard worden? In de motorruimte, als deze geventileerd is. Onder de kuipbanken als deze afgesloten zijn. In een geventileerde ruimte. 07- De lengte van de sleeptros hangt af van… de grootte van de vaartuigen en de vaart ervan. de afstand tussen de golven. de grootte van de vaartuigen en afstand tss. de golven. 06- Bij het verblijf in het vlot… moet eerst en vooral een ‘kapitein’ worden aangeduid. Moet men onmiddellijk vuurpijlen afvuren. moet men elkaar warm houden door elkaar warm te wrijven. 08- Men mag bij het slepen… een MAYDAY uitzenden. een PANPAN uitzenden. een SÉCURITÉ uitzenden. a c c c a a a b b b b c

101 09- Welke pyrotechnische middelen gebruikt men in geval van nood, 10M buiten de kust, zowel overdag als ‘s nachts? Een handstakellicht, rode kleur. Een rode parachute vuurpijl. Een witte vuurpijl. 11- Langs de kust varend, ziet men aan het wateropp. een duiker met zijwaarts gestrekte armen op en neer zwaaiend. Daar hoeft men geen aandacht aan te schenken. Dit sein wil zeggen dat er nog duikers in de buurt zijn. Dit is een algemeen erkend noodsein. 12- Aan de Britse zuidkust maakt een vliegtuig 1 cirkel boven je vaartuig om ver- volgens verder te vliegen met openen en sluiten van de gasklep. Je verandert je koers tot ze + loodrecht ligt op de koers van het vliegtuig. Je maakt onmiddellijk rechts omkeer. je verandert je koers tot ze evenwijdig loopt aan die van het vliegtuig. b c c a a a b b c 12- Een radarreflector is nuttig… overdag. ‘s nachts. altijd. c a b

102 15- Een radarreflector moet, bij wet, op zee altijd gehesen zijn. Juist. Fout. Enkel bij beperkt zicht. 14- De H.E.L.P.-positie… is een noodsein. gebruikt men om een man overboord uit het water te helpen. is een positie om zo weinig mogelijk warmteverlies te hebben wanneer men in het water ligt. 13- Wettelijk gezien moet men… min. 2 handstakellichten en rookpotten aan boord hebben. een voldoende aantal pyrotechnische middelen aan boord hebben. een voldoende aantal vuurpijlen aan boord hebben. b b c a a a c b c

103 12. Communicatie

104 01- De naam van je boot is de “New Princess”. In het fonetisch alfabet wordt dit: xNovember, Echo, Whiskey, Papa, Romeo, India, November, Charly, Echo, Sierra, Sierra. November, Eddie, Whiskey, Papa, Robert, India, November, Charly, Eddie, Sierra, Sierra. November, Echo, Whiskey, Papa, Romeo, Indigo, November, Charly, Echo, Sierra, Sierra. 03- Je vaartuig verliest z’n roer 5 mijl voor de kust. Je drijft in westelijke richting. Je hebt hulp nodig. Je zendt een… ‘Mayday’ bericht uit. x ‘PAN PAN’ bericht uit. ‘Sécurité’ bericht uit. 02- Deze vlag op een vreemde constructie betekent… dat er een bijzondere lading ligt op de constructie. x dat je huidige koers gevaarlijk is. dat iemand medische bijstand verlangt. 04- Om een marifoon of vhf-toestel aan boord te mogen gebruiken… x moet je een certificaat hebben. moet je geen certificaat hebben om een mayday uit te zenden. moet de schipper of kapitein een certificaat hebben. a a b b b b c c c c a a

105 05- SART wil zeggen? x Search And Rescue Transponder. Search And Radar Transponder. Search And Rescue Transmission. 07- Een navtex-bericht begint met? Het navtex bericht heeft geen vast begin NNNN. x ZCZC. 06- Om een EPIRB te mogen gebruiken (bij wet) moet men… x een Gmdss certificaat hebben. een vhf-bepert certificaat hebben. 18 jaar zijn. 08- Een heliograaf is… een toestel om een ‘zonnetje te schieten’. xeen toestel om met behulp van de zonnestralen lichtseinen te geven. een plaatsbepalingssysteem dat niet meer wordt gebruikt. a a b c a a b b b c c c

106 09- Hoe gebeurt de plaatsbepaling van een EPIRB in alarm boven 70° N? Met ingebouwde GPS functie. Dankzij Doppler effect via de GEOSAR satellieten. x Dankzij Doppler effect via de LEOSAR satellieten. c a b Einde van de meerkeuze vragen Kustvaart 1 Yachtman. Indien U meent een fout te


Download ppt "Kustvaart 1 Yachtman Meerkeuzevragen 2. Maritiem milieu 1. Navigatie Werkwijze 3. Vaartuig 4. I.A.R. 5. I.A.R. Lichten & Dagmerken11. Veiligheid 12. Communicatie."

Verwante presentaties


Ads door Google