De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Werk Aanbod van arbeid. Ouders Werkt, werkloos of geen van beiden Deeltijd of voltijd Ondernemer of in loondienst.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Werk Aanbod van arbeid. Ouders Werkt, werkloos of geen van beiden Deeltijd of voltijd Ondernemer of in loondienst."— Transcript van de presentatie:

1 werk Aanbod van arbeid

2 Ouders Werkt, werkloos of geen van beiden Deeltijd of voltijd Ondernemer of in loondienst

3 Bevolking De bevolking in Nederland bestaat uit circa 16,9 miljoen mensen. De potentiele beroepsbevolking (mensen van 15 t/m 64 jaar) betreft circa 11 miljoen mensen.

4 Beroepsbevolking Potentiele beroepsbevolking: iedereen tussen 15 t/m 64 Bestaat uit – Beroepsbevolking: werkt of biedt zich aan voor werk, minimaal 12 uur per week – Niet beroepsbevolking: biedt zich niet aan voor werk (b.v. studenten, huisvrouwen, huismannen, arbeidsongeschikten)

5 cijfers De beroepsbevolking betreft ongeveer 7,2 miljoen mensen. Deze mensen zijn tussen 15 en 65 jaar oud en kunnen/willen werken. De niet-beroepsbevolking betreft ongeveer 3,8 miljoen mensen. Deze mensen zijn niet op zoek naar werk of b.v. arbeidsongeschikt.

6 Cijfers De beroepsbevolking bestaat uit een werkend deel en een werkloos deel. Het werkeloze deel is 8,5% van beroepsbevolking 8,5% van 7,2 miljoen = werklozen Structureel of conjunctureel???????

7 Deeltijd Je werkt geen volledige werkweek van 38 of 40 uur, maar een deel daarvan. Is in Nederland populair omdat: – Nederlanders verdelen de zorgtaken – Nederlanders hechten aan vrije tijd

8 Deeltijd werken Voordeel van deeltijd werken: mensen kunnen werk en zorg combineren Nadeel van deeltijd werken: minder aanbod van arbeid: mensen werken immers geen 40 uur maar b.v. 24 uur per week. Zeker bij krappe arbeidsmarkt is dat een probleem.

9 Werk Werkgelegenheid berekenen we in voltijdbanen van 38 uur Als er in een land mensen 38 uur per week kunnen werken, en iedereen werkt in deeltijd 3,8 uur per week, dan wordt de werkgelegenheid niet plotseling

10 Deeltijdfactor Deeltijdfactor: aantal uren dat iemand werkt gedeeld door uren van een volledige baan. Voorbeeld: aantal werkenden is en aantal voltijdsbanen is Deeltijdfactor: / = 0,67 Hoe lager de factor, hoe meer deeltijd

11 p/a ratio P/A ratio is omgekeerde van deeltijd factor. Geeft aan hoeveel mensen er werken tov aantal banen Voorbeeld: aantal werkenden is en aantal voltijdsbanen is P/A ratio: / = 1,5

12 Arbeidsparticipatie Participatiegraad: de mate waarin de potentiële beroepsbevolking meedoet aan arbeidsproces (beroepsbevolking/potentiële beroepsbevolking) x 100% Maak opdracht 1.7 t/m 1.10

13 Arbeidsparticipatie Verhogen arbeidsparticipatie om in toekomst voldoende aanbod van arbeid te hebben En om uitkeringen betaalbaar te houden (denk aan grijze druk…)

14 Werk of vrije tijd Cbs: ben jij uniek of ben jij gemiddeld? We zijn allemaal uniek, maar toch niet helemaal?

15 Werk of vrije tijd We kiezen tussen werk en vrije tijd Meer vrije tijd is minder inkomen Meer inkomen en werk, is minder vrije tijd Opofferingskosten van werken is dus vrije tijd Opofferingskosten van meer vrije tijd is minder loon

16 Werk of vrije tijd Nederlanders kiezen voor meer vrije tijd dan Amerikanen. Hangt af van: – voorkeuren – Wettelijke mogelijkheden

17 Meer of minder werken Wat ga je doen als je meer loon per uur krijgt: – Meer werken, want je krijgt een hogere beloning – Minder werken want je hoeft minder te werken om het zelfde loon te krijgen

18 Werk of vrije tijd Budgetlijn: relatie tussen inkomen en vrije tijd, bij een bepaald uurloon. Stel loon is € 10 per uur en ik kan maximaal 24 uur werken per etmaal – Als ik 24 uur werk, verdien ik € 240 en heb ik nul uur vrije tijd – Als ik nul uur werken verdien ik niks en heb ik 24 uur vrije tijd – Als ik 12 uur werk, heb ik 12 uur vrije tijd en verdien ik € 120

19 Hoofdstuk 2 Vergrijzing Filmpje (cbs in de klas)

20 Vergrijzing Relatief steeds meer 65 plussers Grijze druk neemt toe: grijze druk is aantal 65 plussers ten opzichte van bevolking tussen 20 en 65 Stijgt naar 40% in 2025

21 Grijze druk

22 Gevolgen vergrijzing Meer zorgkosten en meer kosten voor AOW Minder mensen die AOW premies betalen Dus: meer kosten en minder mensen die ervoor betalen En: Minder mensen beschikbaar op arbeidsmarkt (wie doet het werk straks?)

23 Vergrijzing Vergrijzing leidt er dus toe dat er relatief weinig actieven zijn die belasting en premies betalen en relatief veel mensen zijn die veel kosten Naast 65 plussers zijn er ook nog andere inactieven: werklozen, studenten, arbeidsongeschikten

24 Vergrijzing Inactieven kosten vaak veel geld, maar betalen geen of weinig belastingen en premies. Als er teveel inactieven komen, ontstaat er een probleem: veel kosten, weinig opbrengsten

25 I/A ratio I/A ratio: verhouding tussen inactieven en actieven I/A ratio = aantal inactieven/aantal actieven x 100%

26 I/A ratio Inactieven: mensen van 15 jaar en ouder die een uitkering ontvangen: gepensioneerden, werklozen en arbeidsongeschikten. Actieven: mensen die werken en sociale premies betalen.

27 I/A ratio Probleem van hoog I/A ratio oplossen door Hogere belastingen en premies voor actieven: niet wenselijk voor actieven Lagere uitkeringen voor inactieven: ook niet echt wenselijk

28 I/A ratio Probleem van hoog I/A ratio oplossen door: – Verhogen apt: groeiend aantal actieven kan betaald worden zonder verhoging van belastingen of verlagen van uitkeringen – Verhogen van de participatie: pensioenleeftijd omhoog en kinderopvang verbeteren

29 Verhogen apt Stel ik heb 100 actieven die met elkaar (100 pp) verdienen. Er zijn 20 inactieven die samen 200 krijgen (10 per persoon). De actieven moeten 2% van hun inkomen aan belasting/premies betalen (200/10.000) Nu gaat de apt omhoog met 10% omhoog tot en komen er twee inactieven bij die met elkaar 220 verdienen (nog steeds 10 per persoon) Door de gestegen APT blijft belastingdruk op 2% (220/11.000)

30 2.12 a.i/a ratio is 60. Bij 5 miljoen actieven, moet het aantal inactieven dan 3 miljoen zijn. b.30% van 400 miljard = 120 miljard. 120 miljard gedeeld door 3 miljoen inactieven is 4 miljoen. c.(400/32) X 36 = 450 miljard d.(120 miljard/ 450 miljard) x 100% = 26,7% e.(120 miljard/420 miljard) x 100% = 28,6%

31 Hoofdstuk 3: vraag en aanbod Markt van vraag en aanbod van arbeid Aanbod: iedereen tussen de 15 en 67 die werkt of wil werken (= beroepsbevolking) Vraag: mensen die werken (vervulde vraag naar arbeid) en vacatures (onvervulde vraag naar arbeid)

32 Prijs op de markt Op elke markt is er een prijs. Op de arbeidsmarkt is dat het loon. Op de valutamarkt is het de wisselkoers Op de vermogensmarkt is het de rente

33 Aanbod Aanbod wordt bepaald door – Economie: als het economisch goed gaat (hoogconjunctuur), bieden meer mensen zich aan omdat de kans dat je een baan vindt groter is – Demografische factoren: groei van de bevolking, meer vrouwen die willen werken, immigratie – Loon: hoe hoger het loon, hoe meer aanbod – Wetgeving: iedereen moet doorwerken tot 67 jaar, leerplicht wordt langer

34 Vraag Vraag wordt bepaald door: – Economische situatie: als het economisch goed gaat, meer vraag naar personeel – Loon: hoe hoger de lonen, hoe minder vraag – Technologische ontwikkelingen: machines vervangen mensen, maar scheppen ook nieuw werk (structuur van de economie: arbeid vervangen door kapitaal)

35 Arbeidsmarkt Krappe arbeidsmarkt: vraag naar arbeid is groter dan aanbod van arbeid. Meestal in een hoogconjunctuur: lonen stijgen. Ruime arbeidsmarkt: aanbod van arbeid is groter dan vraag. Meestal in laagconjunctuur: lonen dalen

36 Hoofdstuk 4 Individuele arbeidsovereenkomst: tussen 1 werknemer en 1 werkgever Gaat over loon, werktijden, werktijden, opzegtermijn, looptijd, secundaire arbeidsvoorwaarden

37 Hoofdstuk 4 Collectieve arbeidsovereenkomst (cao): afspraken tussen werkgevers en werknemers in 1 bedrijfstak (b.v. Metaal) of tussen 1 werkgever en de werknemers van die werkgever (b.v. KLM) Gaat over loon, scholing CAO wordt afgesloten tussen organisaties van werkgevers en werknemers (vakbond)

38 Hoofdstuk 4 cao wordt meestal algemeen verbindend verklaard. Dan geldt de cao voor alle bedrijven en werknemers in de bedrijfstak. De Cao geldt dan ook voor werknemers en werkgevers die geen lid zijn van een vakbond Werkgevers moeten cao afspraken toepassen in individuele arbeidsovereenkomsten.

39 Hoofdstuk 4 cao onderhandelingen kunnen leiden tot strijd en stakingen Actie in Veghel voor onderhandelingen CAO in transportsector

40 Strijd cao onderhandeling zijn een strijd tussen productiefactor kapitaal en productiefactor arbeid

41 Strijd Vakbonden eisen tijdens cao onderhandelingen meer loon – Meer loon ter compensatie van de inflatie, anders gaan ze er in koopkracht achteruit – Meer loon omdat de arbeidsproductiviteit is toegenomen; ze zijn harder gaan werken

42 Loonstijgingen Loonstijging ter compensatie van inflatie Loonstijging ter compensatie van gestegen arbeidsproductiviteit Loonstijging boven prijscompensatie is initiele loonstijging

43 Loonstijgingen Loonstijgingen die gelijk zijn aan de stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie samen, hebben geen invloed op verhouding loon en winst uitgedrukt in de loonquote en winstquote.

44 Loonruimte Loonruimte: het percentage waarmee de lonen kunnen stijgen, zonder dat de winstquote daalt. Loonmatiging: loonstijging is kleiner dan loonruimte.

45 vandaag Opdracht afronden en bespreken Filmpje vakbonden Wat bepaalt de hoogte van ons loon Opdrachten 4.10/4.11/4.12/4.13/4.14 en 4.15

46 Wat bepaalt de hoogte van ons loon Noem vijf kenmerken/eigenschappen die van invloed op de hoogte van het loon dat iemand verdient

47 Van invloed Leeftijd

48 Van invloed Opleiding: mbo/hbo/wo

49 Van invloed Opleiding: techniek, sociaal, rechten, economie

50 Van invloed Allochtoon/autochtoon

51 Van invloed Man/vrouw

52 Van invloed Provincie

53 Van invloed Groot bedrijf/klein bedrijf

54 Van invloed Opleiding: mbo/hbo/wo

55 Van invloed Gevaarlijk werk

56 Van invloed Vies werk

57 Van invloed Witte boorden of blauwe boorden

58 Van invloed Voltijd/deeltijd

59 Van invloed ZZPer of in loondienst (risico)

60 Van invloed Georganiseerd of niet georganiseerd?

61 Hoofdstuk 5 Het aanbod van werk Tekenen van een aanbodlijn We gaan werken als serveerder/serveerster

62 Aanbodlijn maken Wie gaat er werken voor € 1 per uur Wie werkt er voor € 2 per uur (ook degenen die voor € 1 werken) Wie werkt er voor € 3 per uur Wie werkt er voor € 4 per uur Wie werkt er voor € 5 per uur Wie werkt er voor €6 per uur Wie werkt er voor € 7 per uur Wie werkt er voor € 8 per uur Wie werkt er voor € 9 per uur

63 De aanbodfunctie De aanbodfunctie wordt dan: Qa = L -…

64 Vraaglijn Het cafe vraagt medewerkers. Medewerkers van € 10 per uur is te duur. Bij € 9 wordt 1 medewerker aangenomen, Bij € 8 2 enzovoorts De vraagfunctie is dan; Qv = -L + 10

65 Evenwicht Met de vraagfunctie en de aanbodfunctie, kunnen we een evenwichtsloon uitrekenen Qa = Qv

66 Prijs op de markt Op elke markt is er een evenwichtsprijs. Op de arbeidsmarkt is dat het loon.

67 Aanbod Aanbod wordt bepaald door – Economie: als het economisch goed gaat, bieden meer mensen zich aan omdat de kans dat je een baan vindt groter is – Demografische factoren: groei van de bevolking, meer vrouwen die willen werken, immigratie – Loon: hoe hoger het loon, hoe meer aanbod – Wetgeving: iedereen moet doorwerken tot 67 jaar, leerplicht wordt langer

68 Vraag Vraag wordt bepaald door: – Economische situatie: als het economisch goed gaat, meer vraag naar personeel – Loon: hoe hoger de lonen, hoe minder vraag – Technologische ontwikkelingen: machines vervangen mensen, maar scheppen ook nieuw werk.

69 Aanbod Aanbodlijn: aanbod neemt toe als loon toeneemt: verschuiving op de aanbodlijn Aanbodlijn kan ook verschuiven als loon niet toeneemt. De aanbodlijn verschuift naar rechts als het aantal aanbieders door immigratie, verhogen pensioenleeftijd of geboorte toeneemt

70 Vraag Vraaglijn: vraag neemt toe als loon afneemt: verschuiving op de vraaglijn Vraaglijn kan ook verschuiven als loon niet afneemt. De vraaglijn verschuift naar rechts als het economisch goed gaat

71 Markt Vraagfunctie: Qv = - L Aanbodfunctie: Qa = 2L – L = loon (prijs van arbeid) Evenwicht bij – -L = 2L – -3L = – L = Check: bij een loon van is de vraag en het aanbod:

72 Markt Vraagfunctie: Qv = - L Aanbodfunctie: Qa = 2L – L = loon (prijs van arbeid) – Bereken het evenwichtsloon – Vul het evenwichtsloon in de vraag en aanbodfunctie in en bewijs dat vraag en aanbod gelijk zijn – Wat wordt bedoeld met het evenwichtsloon

73 Markt Vraagfunctie: Qv = - L Aanbodfunctie: Qa = 2L – Qa = Qv 2l = -l L = L = L =

74 Markt Vraagfunctie: Qv = = Aanbodfunctie: Qa = 2L – = – = Klopt: vraag en aanbod zijn beiden

75 Markt Er komen meer mensen op de arbeidsmarkt die willen werken. Vraagfunctie blijft : Qv = - L Aanbodfunctie wordt: Qa = 2L – – Bereken het nieuwe evenwichtsloon – Wat gebeurt met het evenwichtsloon. – Verklaar waarom het loon omlaag gaat?

76 Markt Vraagfunctie: Qv = - L Aanbodfunctie: Qa = 2L – Qa = Qv 2l = -l L = L = L =

77 Markt Deze markt werkt perfect Als er meer aanbieders komen, dan daalt het loon. Als het loon daalt, is het voor werkgevers weer interessant nieuwe mensen aan te nemen Het evenwicht wordt hersteld; iedereen heeft weer werk

78 Markt De markt werkt perfect als vraag en aanbod altijd voor evenwicht kunnen zorgen Als er meer vraag naar arbeid komt, dan stijgt het loon. Als het loon stijgt, bieden meer mensen zich aan.

79 Imperfecte markt In het echt werkt de markt niet perfect Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor evenwicht

80 Imperfecte markt(1) In het echt werkt de markt niet perfect Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor evenwicht Er is een minimumloon: ook al neemt het aanbod van arbeid enorm toe, het loon zakt nooit onder het minimumloon (behalve als het illegaal of zwart gebeurt)

81 Imperfecte markt (2) In het echt werkt de markt niet perfect Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor evenwicht Er is een CAO loon: vakbonden spreken lonen af met werkgevers. Dit legt ook een ondergrens vast Dus ook al neemt het aanbod toe, het loon zakt dan niet onder een bepaalde grens.

82 Imperfecte markt (3) In het echt werkt de markt niet perfect Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor evenwicht Er is informatie asymmetrie. De een weet meer dan de ander. Vraag en aanbod vinden elkaar niet altijd omdat vragers en aanbieders niet alles van elkaar weten

83 Markt Er komen meer mensen op de arbeidsmarkt die willen werken. Vraagfunctie blijft : Qv = - L Aanbodfunctie wordt: Qa = 2L – Vakbond heeft afgesproken dat loon minimaal is Bereken de vraag naar en het aanbod van arbeid Hoe hoog is de werkloosheid?

84 conclusie Markten werken niet perfect Door het afspreken van een ondergrens hebben de mensen die werken een goed loon, maar zijn er ook mensen die buiten de boot vallen.

85 Surplus Werkgeverssurplus: verschil tussen loon dat een werkgever bereid is te betalen en het evenwichtsloon Werknemersurplus: verschil tussen loon waarvoor een werknemer wil werken en het evenwichtsloon.

86 Hoofdstuk 6 Test Werkloosheid Als percentage van de beroepsbevolking Zie definitie p. 54

87 Wat is belangrijk Wat is belangrijk bij het vinden van een baan als verkoper boekhandel Zet in de goede volgorde (belangrijkste eerst) – Leeftijd – Gezond/handicap – Opleiding – Knap/lelijk – Werkervaring – Etniciteit

88 Wat is belangrijk Wat is belangrijk bij het vinden van een baan als consultant Zet in de goede volgorde (belangrijkste eerst) – Leeftijd – Gezond/handicap – Opleiding – Knap/lelijk – Werkervaring – Etniciteit

89 Beroepsbevolking Potentiele beroepsbevolking: iedereen tussen 15 en 65: 11 miljoen – Daarvan werkt 7,3 miljoen 12 uur per week of meer. – Daarvan wil 1,2 miljoen wel werken – Daarvan kan of wil 2,5 miljoen niet werken

90 Beroepsbevolking

91 Werkloosheid (Aantal werklozen/beroepsbevolking) x 100% Zie definitie p. 54 Opdrachten

92 Soorten werkloosheid Natuurlijke werkloosheid Conjuncturele werkloosheid

93 Conjunctuur: op en neergang van de economie. Hangt samen met bestedingen. Bestedingen zijn consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export (=bestedingen van buitenland in ons land) In een laagconjunctuur zijn er minder bestedingen en meer werkeloosheid

94 Conjuncturele werkloosheid Ontstaat door lage bestedingen: vraaguitval Bedrijven produceren minder en hebben minder personeel nodig Laag conjunctuur: – Lonen gaan omlaag – Voorraden nemen toe – Prijzen dalen vaak – Werkloosheid (ruimte arbeidsmarkt) – Faillissementen

95 Conjuncturele werkloosheid Hoogconjunctuur: bestedingen nemen toe Bedrijven produceren meer en hebben meer personeel nodig. Hoogconjunctuur – Lonen gaan omhoog – Voorraden nemen af en bezettingsgraad neemt toe – Prijzen stijgen – Werkloosheid neemt af (krappe arbeidsmarkt)

96 Conjunctuurbeleid In laagconjunctuur verlaagt overheid belastingen en verhoogt zij bestedingen om conjunctuur te stimuleren. Dit noemen we anti cyclisch begrotingsbeleid Kabinet deed tegenovergestelde: verhoogt belastingen en bezuinigt. Beleid tegen de cyclus (laagconjunctuur) in. Overheid (ECB) kan ook rente verlagen.

97 Conjunctuur Bezettingsgraad (p.56) (productie : productiecapaciteit) x 100% Productie: hoeveel maak ik Productiecapaciteit: hoeveel kan ik maken Relatie arbeidsproductiviteit en productiecapaciteit

98 Gisteren Arbeidsproductiviteit en laagconjunctuur – Lage verkopen/omzet; kosten per product verlagen, anders ga ik failliet. Arbeidsproductiviteit en hoogconjunctuur – Te hoge lonen: loonkosten per product verlagen – Te weinig personeel: meer machines

99 Natuurlijke werkloosheid Die is er altijd, ook al draait economie op volle toeren. Twee soorten: – Frictiewerkloosheid: gedurende zoekproces naar baan – Structurele werkloosheid: ontstaat door veranderingen in de economie zoals vervangen arbeid door kapitaal, verplaatsen werk naar lage lonen landen

100 Terugblik Conjuncturele werkloosheid: kan ik oplossen door bestedingen te verhogen Structurele werkloosheid: kan ik niet oplossen door bestedingen te verhogen.

101 Ontstaan structurele werkloosheid Vooral door hoge lonen in relatie tot arbeidsproductiviteit. Als lonen harder stijgen dan arbeidsproductiviteit, dan worden loonkosten per product duurder. Daardoor wordt arbeid vervangen door machines of verplaatst naar lage lonen landen

102 Ontstaan structurele werkloosheid Structurele werkloosheid ontstaat omdat arbeidsmarkt slecht functioneert: -Arbeidsmobiliteit is onvoldoende: werkloze accepteert niet snel ander werk en blijft werkloos -CAO lonen en minimumloon: lonen zijn niet flexibel en bewegen niet mee met vraag en aanbod

103 Ontstaan structurele werkloosheid Structurele werkloosheid ontstaat omdat arbeidsmarkt slecht functioneert: -Ontslagrecht is duur. Het is duur en ingewikkeld om mensen te ontslaan en daardoor nemen werkgevers weinig mensen aan of alleen flexwerkers

104 mobiliteit Omvang daarvan is mede afhankelijk van arbeidsmobiliteit. Arbeidsmobiliteit is de mate waarin mensen bereid en in staat zijn te veranderen van baan, regio en beroep Mobiliteit hangt af van hoogte en lengte uitkeringen, mogelijkheden tot omscholing, sollicitatieregels

105 mobiliteit Beperkte mobiliteit: een werkloze in Limburg wil niet solliciteren op een baan in Groningen. Beperkte mobiliteit: een werkloze leraar wil niet werken als vuilnisman Beperkte mobiliteit: een werkloze filosoof wil zich niet laten omscholen tot leraar economie

106 mobiliteit Mobiliteit verbeteren door lagere en korte uitkeringen en door scholing


Download ppt "Werk Aanbod van arbeid. Ouders Werkt, werkloos of geen van beiden Deeltijd of voltijd Ondernemer of in loondienst."

Verwante presentaties


Ads door Google