De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Digitaliseren en automatiseren.  De digitale configuratie  Gedachte achter koploper  Installeren koploper  Aanmaken database  Verbinding tussen PC.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Digitaliseren en automatiseren.  De digitale configuratie  Gedachte achter koploper  Installeren koploper  Aanmaken database  Verbinding tussen PC."— Transcript van de presentatie:

1

2 Digitaliseren en automatiseren.  De digitale configuratie  Gedachte achter koploper  Installeren koploper  Aanmaken database  Verbinding tussen PC en Centrale  1e test  1e gegevens invoeren  2 e test

3 Digitaliseren en automatiseren.  Simpel bloksysteem. –Digitale onderdelen  Bezetmelders  Wisseldecoders –Blok types (eigenschappen) –Blokken  Invoeren  Onderlinge relaties  Aanvullende eigenschappen –Baanontwerp

4 Digitaliseren en automatiseren.  Rijden. –Starten en stoppen automatisch rijden. –Invloed blokeigenschappen op rijgedrag. –Automatisch stoppen bij station  Valkuilen  IJken van locs/treinstellen

5 1.1 De digitale configuratie.  Niet belangrijk welk digitaal systeem er gebruikt wordt.  Voor digitale besturing wel een minimale eis nodig. –Mogelijkheid tot communicatie met een PC –Terugmelding mogelijk. –Centrale moet ondersteund worden door automatiseringsprogramma (i.o.g. koploper)

6 1.1 De digitale configuratie.  Centrale: verzorgd de stuurcommando’s voor loc, wissels, sein decoders met een bepaald protocol. (DCC, Motorola, MFX,Selectric etc.) –Locdecoders: besturen de locomotief, motor, verlichting, koppeling, rookgenerator etc. –Wissel-schakeldecoders: schakelen wissels, seinen, bedienen draaischijf etc.

7 1.1 De digitale configuratie.  Bezetmelders (terugmelddecoders) : zorgen voor de informatie naar de centrale over de bezetting van een stuk spoor.  Terugmeld secties: zijn gekoppeld aan de bezetmelders en definiëren een blok. (Voor koploper gebruiken we er minimaal 2 per blok.)  PC: is verbonden met de centrale en zorgt met behulp van een besturingprogramma voor een (gedeeltelijk) automatisch bedrijf. (Deze leest en stuurt gegevens van/naar de centrale.)

8 1.1 De digitale configuratie.  Besturing programma:  Koploper  Rocrail  DDL  DDW  Loc commander  Jocisoft  JMRI  I-Train  Railroad en Co // Traincontroller  Win Digipet  Softlok

9 1.1 De digitale configuratie.  Koploper –Gratis. –Veel mogelijkheden. –Geschikt voor veel centrales. –Grote groep gebruikers. –Ondersteund door forum. –Geen “zwaar” systeem nodig.  Door vele mogelijkheden soms onoverzichtelijk.  Wordt niet meer “ontwikkeld”.  Mogelijk worden nieuwe(re) centrales niet meer ondersteund.  Grafische interface “ouderwets” (zou beter/mooier kunnen).

10 1.2 Gedachte achter koploper.  Een trein komt uit een blok en gaat via een blok naar een blok.  Een blok is een stuk spoor waarop zich maar 1 trein mag bevinden. (uitzondering bij rangeer en stationssporen.)  Een trein moet passen in een blok.  Aan elk blok kunnen eigenschappen worden toegekend.

11 1.2 Gedachte achter koploper.  Aan treinen(soorten) kunnen eigenschappen worden toegekend.  Koploper bestuurd de treinen op basis van deze gegevens.  Locdecoder functies zoals optrekken en afremmen kunnen het beste uitgeschakeld of op minimum gezet worden tijdens testperiode.

12 1.3 Installeren van koploper  PC eisen: –PentiumIII/500MHz –32Mb RAM –10Mb vrije ruimte op harddisk –Grafische controller (256 kleuren/800x600) –Monitor 15” –Besturingssysteem Windows 95/98/ME/XP, NT, 2000, Vista, Windows 7 –1 COM poort of USB poort

13 1.3 Installeren van koploper  Sinds 16 maart 2009 geen registratie meer nodig voor koploper.(versie 6.6)  Download laatste versie van (stand 6 dec 2014: 8.5, build no 0)  Unzip het gedownloade bestand en start koplXX.exe.  Volg de instructies op het scherm.  Laat de basisinstellingen ongewijzigd.  Start koploper.

14 1.4 Aanmaken database.  Na installatie van koploper is er alleen een demo database beschikbaar.  Open “Algemeen” en “Nieuwe Database”.  Klik in het nieuwe scherm op “Volgende”.  Geef nu de nieuwe database een naam (testbaan1) en selecteer de centrale die je gaat gebruiken. (deze wordt nu standaard geopend)  Selecteer de poort voor de communicatie tussen centrale en PC.  Klik nu op “ Einde”.

15 1.5 Verbinding tussen PC en Centrale  Na installatie en aanmaken nieuwe database programma Koploper en Windows afsluiten.  Schakel de PC uit.  Verbind de communicatie poort van de PC met de centrale. (RS232/USB/LAN)  Schakel eerst de centrale in, dan de PC en wacht dat Windows is opgestart.

16 1.6 1e test  Na opstarten van Windows koploper opstarten.  Na het opstarten van koploper met de muis op het groene spiegel-ei klikken.  Indien alles goed is kan er een communicatie opgestart worden tussen PC en centrale. ( i.o.g. brand groene LED)  Klik op het rode spiegel-ei om de verbinding te verbreken. (i.o.g. brandt rode LED)

17 1.6 1e test  Indien er geen communicatie is controleer: –Of de kabel met juiste poort is aangesloten. –Juiste kabel is toegepast. –De centrale juist is ingesteld.  Indien instellingen van de centrale en kabels goed zijn het menu “Instellingen per database” onder “Algemeen” openen.  Controleer of de juiste centrale, baudrate en de juiste poort staat ingesteld. (Eventueel aanpassen.)  Sluit menu af, probeer de communicatie opnieuw.

18 1.7 1e Gegevens invoeren  Indien de communicatie goed is moeten gegevens van minimaal één loc ingegeven worden.  Zorg dat er geen communicatie is.  Open het “Onderhouden” menu en maak de selectie “Treintypes”.  Klik op het “+” teken en voer een treintype in, bijvoorbeeld “Goederentrein”.  Laat de overige gegevens voor wat ze zijn en klik op het “V” symbool (of f4) en klik opnieuw op het “+” teken.

19 1.7 1e Gegevens invoeren  Voer een nieuw treintype in, bijvoorbeeld “Stoptrein”.  Pas de maximum snelheid aan naar 120km/u  Laat de overige gegevens voor wat ze zijn en klik op het “V” symbool (of f4).  Sluit het menu af.

20 1.7 1e Gegevens invoeren  Open nu “ Onderhouden”, “Locomotieven”.  Klik op het “+” teken.  Voer nu “Naam”en “Kenmerk” in.  Selecteer het treintype (Goederentrein).  Zorg dat bij “Rijden met “ decoderstappen is geselecteerd.  Geef nu het adres van de locdecoder in. (18)

21 1.7 1e Gegevens invoeren  Geef het “Aantal stappen decoder”op (28).  Laat de overige gegevens voor wat ze zijn en klik op het “V” symbool.  Klik opnieuw op het + teken en herhaal nu het voorgaande voor een tweede locomotief en vul de eigenschappen in voor: –Naam: (Personen) –Kenmerk: (1020) –Decoderadres: (3) –Decoderstappen: (28)

22 1.7 1e Gegevens invoeren  Sluit het menu nu af.  In overzicht locomotieven staan nu beide locomotieven vermeld.  Indien er gegevens aangepast moeten worden voor locomotieven het menu “Onderhouden” “Locomotieven” opnieuw openen.  Dubbelklikken nu op de naam van de loc (linker kolom) of op de zwarte driehoek in de keuzebalk onder in het scherm. (de naam is te selecteren door pijltjes toetsen)

23 1.7 1e Gegevens invoeren  Om de zaak te verfraaien kunnen foto’s van de locomotieven en/of treinstellen worden toegevoegd. (hierover later meer)  Indien de gegevens zijn ingevoerd kunnen we een tweede test uit gaan voeren.

24 1.8 2 e test  Sluit de baan aan op de centrale en plaats één van de ingevoerde locs op de baan.  Dubbelklik in het menu “Overzicht Locomotieven” op de regel van de geplaatste locomotief op de baan.  Er verschijnt nu een scherm waarin de gegevens staan van de geselecteerde locomotief. We noemen dit het rijwindow

25 1.8 2 e test  Klik op het groene spiegel-ei om de communicatie te starten.  Beweeg met de muis de schuifbalk naar rechts bij “Rangeren”, “Handmatig snelheid”.  Als het goed is kun je nu de loc met de regelaar op het scherm besturen.  Klik op het rode speigel-ei om de communicatie te stopen.

26 1.9 Simpel bloksysteem Basis  Begin met een schets te maken van de baan.  Deel de baan in blokken waarbij; –de lengte per blok ongeveer gelijk is. –In een blok GEEN wissels zitten. –de trein in één blok past. –In de tekening is aangegeven waar terugmeld sectie´s zitten, indien mogelijk direct nummeren. Voorbeeld: 1-09 = ingang 9 van module 1. –ook de wissels en seinen aangeven zijn. (indien van toepassing)  Bepaal rijrichting.

27 1.9 Simpel bloksysteem Basis  Een blok heeft een begin en een eindpunt.  Verschillende manieren van blokdetectie: –1 melder  Gehele blokdetectie –Stopplaats minder nauwkeurig –2 melders  Begin blok  Stop in blok –Stopplaats ligt vast –Meer dan 2 melders.  Begin blok  Afrem punt  Stop in blok –Stopplaats ligt vast maar kan variëren (trein lengte) –Remweg kan variëren bij meerdere stopplaatsen –Meer mogelijkheden om vorig blok vrij te geven.

28 1.9 Simpel bloksysteem Basis  Deel de baan in blokken in.  Bepaal rijrichting.  Keuze voor twee melders per blok.  1e melder bepaald aanvang blok.  2e melder bepaald de stopplaats.  Lengte meldpunten lang genoeg.

29 1.9 Simpel bloksysteem Menu onderhouden  De gegevens van de modelbaan worden in het menu “Onderhouden” vastgelegd. –Digitale onderdelen (welke digitale onderdelen zijn er aangesloten) –Bloktypes (soorten en eigenschappen van blokken) –Blokken (relaties tussen verschillende blokken) –Baanontwerp (vastleggen sporenplan, rijwegen)

30 1.9.1 Simpel bloksysteem Digitale onderdelen  Voordat er informatie ingelezen kan worden van de baan moeten we koploper vertellen wat we hier voor willen gebruiken.  Hetzelfde geldt voor het aansturen van wissels en seinen.  Open “Onderhouden”, “Baan Definities”, “Digitale onderdelen.  Klik op het “+” teken om iets toe te voegen.  Selecteer bij “type onderdeel”uit de lijst het onderdeel dat toegevoegd moet worden.

31 1.9.1 Simpel bloksysteem Digitale onderdelen  Afhankelijk van de soort terugmelding (of decoder)die er wordt toegepast een keuze maken uit de lijst. (i.o.g. Bezetmelder(s))  Vul het aantal in.  Klik op het “V” symbool (of f4) om dit op te slaan en sluit het menu af.  Later kan het aantal modules nog gewijzigd worden. –Opm: indien er digitale onderdelen worden toegevoegd of worden verwijderd, moet het baanoverzicht opnieuw worden opgebouwd. Beantwoord deze vraag in koploper met “Ja”.

32 1.9.1 Simpel bloksysteem Digitale onderdelen  Sluit de baan aan volgens de gemaakte schets/tekening.

33 1.9.1 Simpel bloksysteem Digitale onderdelen S 88 Centrale

34 1.9.1 Simpel bloksysteem Digitale onderdelen  Sluit de baan aan volgens de gemaakte schets/tekening.  Nu eerst controleren of de bezetmelders werken en of deze op de juiste ingangen van de bezetmelder zijn aangesloten.  Ga hierbij als volgt te werk:

35 1.9.2 Simpel bloksysteem Bezetmelders testen  Klik op het groene spiegel-ei om de communicatie te starten.  Selecteer “Testprogramma” en klik op het tabblad “Bezetmelders”  Op het scherm verschijnt een overzicht van bezetmelders. (Let hierbij op het aantal modules dat moet worden uitgelezen dat onderaan in het scherm staat vermeld. Pas dit zo nodig aan.)  Rij nu handmatig met een loc over de baan.  Controleer of de juiste melder op het scherm wordt aangegeven. Bij een gedetecteerde melding zal de computer ook een signaal geven. (tenminste,a ls het geluid aan staat op de pc)  Sluit het menu. (opnieuw laten initialiseren is alleen nodig indien ook wissels en seinen zijn getest)

36 1.9.3 Simpel bloksysteem Blok types  Indien alle bezetmelders functioneren en juist zijn aangesloten kan begonnen worden met het invoeren van de blokken.  Zorg dat er geen communicatie meer is (rode spiegel ei)  Selecteer het menu “Onderhouden”/”Baandefinities”/”Bloktypes”.  Hier kunnen verschillende soorten blokken worden ingevoerd zoals bijvoorbeeld: –Stationsblok –Perronblok –Kopspoor –Rangeerblok etc.

37 1.9.3 Simpel bloksysteem Blok types  Van elk soort blok kunnen eigenschappen worden vast gelegd.  Bij de eerste keer openen van het menu is geen bloktype aanwezig.  Een “Normaal blok” wordt automatisch aangemaakt indien er een bloktype wordt aangemaakt.  Om eigenschappen te wijzigen klik je op het zwarte driehoekje (links) of dubbelklik je op de naam van het bloktype.  Een nieuw soort blok kun je invoeren door op de “+” te klikken.

38 19.3 Simpel bloksysteem Blok types  Als voorbeeld maken we een stationsblok aan. –Klik op de “+” –Voer de naam “ stationsblok” in bij omschrijving. –Selecteer bij maximum snelheden (decoder) “Gemiddelde snelheid”. –Bij “Maximum snelheid (decoder)” vullen we “Gemiddelde snelheid” in. –Bij “Snelheid geijkt” vullen we “40” in. –De rest laten we voor wat het is. –Klik op “V” om dit op te slaan en sluit het menu.

39 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  De onderlinge relaties tussen blokken wordt ingevoerd in het menu “Onderhouden/Baandefinities/Blokken”.  De eerste keer start het met een leeg scherm.  Wat je wilt doen met een blok kies je met de iconen rechts boven.

40 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Start met het aantal blokken aan te maken die in de baan voor komen. (i.o.g. 4) –Klik op het icoon. (Nieuw blok) –Ga naar het veld “Onderhouden blokken en klik met de muis op een lege plek. –Er staat nu een wit vierkant met het cijfer 1 afgebeeld. –Ga opnieuw naar een lege plek en klik nogmaals. Opnieuw verschijnt er een vierkant, nu met cijfer 2. –Herhaal dit tot er 4 van deze blokjes zijn, 1 t/m 4.

41 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Klik op het icoon (Verplaats één blok)  Klik nu met de muis op een blok, hou de muisknop ingedrukt en verplaats het blok naar de plaats waar je hem graag wilt hebben.  Doe dit ook met de andere blokken.  Klik nu op het icoon (Verbind met ander blok)

42 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Klik met de muis op blok 1 en hou de muisknop ingedrukt.  Sleep deze naar blok 2 en laat muisknop los.  De lijn die nu is geplaatst geeft een verbinding aan tussen blok 1 en 2.  De plaats van het sterretje in de lijn geeft de richting aan.  De verbinding tussen blok 1 en 2 gaat nu van blok 1 naar blok 2.  Herhaal dit voor 2 naar 3, 3 naar 4 en 4 naar 1.

43 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  De lijn geeft nu de verbinding tussen de blokken aan en bepaald in welke richting de treinen straks gaan rijden.  Indien er nu een blok wordt verplaatst zullen de lijnen mee bewegen.  Ben je tevreden sla dit dan op door op de icoon (Opslaan) te klikken.

44 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Dubbelklik op een blok en er wordt een scherm met twee tabbladen geopend om de eigenschappen vast te leggen. (begin bij blok 1) –Algemeen /richting:  Omschrijving (vrije tekst), geef blok een naam.  Bloktype, selecteer hier het bloktype dat je wilt toekennen aan dit blok.  Onderaan tabblad staat ”Uit Blok” en geeft aan vanuit welk blok er gereden wordt.  Er wordt gereden via het blok dat vermeld is bij “Algemeen bloknummer” (dit blok dus).  Naar welk blok gereden wordt moet je aanvinken in het gedeelte “richtingen”.

45 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Vul in voor blok 1: –Omschrijving: 1e blok –Bloktype : Normaal blok –Vink aan in “Richtingen”, 2.  De rest laten we ongemoeid op dit tabblad.  Klik nu op tabblad “Bezetmeldingen”  Nieuw blad opent zich.

46 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Op dit tabblad “ Bezetmeldingen” worden de bezetmelders aangegeven die voor dit blok gelden, alsmede de volgorde waarin deze (per mogelijke richting) worden bereden.  Voor blok 1 geldt dat eerst bezetmelder 1-01 en dan 1-02 wordt bereden in de richting die we in “Onderhoud blokken” hebben aangegeven”.

47 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Vink deze bezetmelders aan in het gedeelte “Bezet bij…”. (1-01 en 1-02)  Klik op het blauwe vlak onder “Te verwachte bezetmelders”.  Nu verschijnt er rechts een blokje met 3 puntjes. Klik hierop en er verschijnt een nieuw scherm.  In dit scherm moeten de bezetmelders in de juiste volgorde worden ingevoerd.

48 1.9.4 Simpel bloksysteem Blokken  Klik op het blauwe vlak naast “Bezetmeldpunt” en vervolgens op de pijl die verschijnt.  Selecteer nu de 1e bezetmelder die we tegen komen in blok1.  Er verschijnt een 2e kolom.  Selecteer hier de 2e bezetmelder.  Klik op OK om dit op te slaan.  Klik nogmaals op OK en vervolgens op de icoon  Herhaal dit voor de andere blokken en sluit “Onderhoud blokken”

49 1.9.5 Simpel bloksysteem Baanontwerp  Onder menu’s “Blokken” en “Eigenschappen” is vastgelegd tussen welke blokken de treinen kunnen rijden.  Het baan ontwerp is een schematische weergave van de sporen, wissels en seinen.  We hebben in koploper de verbinding tussen blokken bepaald.  De rijweg wordt bepaald door het baanontwerp.  Invoeren banenplan onder menu “Onderhouden/Baan Definities/Baanontwerp”.

50 1.9.5 Simpel bloksysteem Baanontwerp  Er openen zich twee vensters: –Baanoverzicht: ontwerp tekenen. –Tool: algemeen.  De vier ingevoerde blokken staan links boven in het venster “Baanoverzicht”.  Het “Baanoverzicht” venster kun je in afmeting aanpassen door met de ingedrukte rechter muisknop op het kader te gaan staan en te slepen.

51 1.9.5 Simpel bloksysteem Baanontwerp  Boven in het scherm zijn er een aantal iconen bij gekomen.  Start met het icoon.  Begin met het oefenen voor het plaatsen van de lijnen. Klik hiervoor op in Tool.  Teken het banenplan zoals we in de schets hebben gemaakt.

52 1.9.5 Simpel bloksysteem Baanontwerp  Sleep de blokken naar de juiste lijnen.  Lijnen kunnen gekoppeld worden aan een blok.  Klik op icoon  Klik nu op het blok en klik op de lijnen die daarbij horen.  Herhaal dit bij alle blokken.  Sla het vervolgens op met de icoon.  Sluit vervolgens het scherm af.

53 1.9.6 Simpel bloksysteem Rijden  Alle gegevens voor het automatisch rijden zijn nu ingevoerd.  Koploper moet nu nog weten waar de treinen zich bevinden en in welke richting ze staan.  Plaats de personen locomotief in blok 1 en de goederen locomotief in blok 3.  Start communicatie op en klik op het plaatje van personen locomotief.

54 1.9.6 Simpel bloksysteem Rijden  Controleer of de rijrichting van de loc overeen komt met die van koploper door bijvoorbeeld de front/sluitverlichting in te schakelen.  Sleep het plaatje van de personen locomotief naar blok 1 van het baanoverzicht.  Het bloknummer wordt nu geel en de bijbehorende sporen kleuren rood, dit ten teken dat het blok bezet is.  Klik op de blauwe pijl in het rij window.  Herhaal dit voor de goederen locomotief. Plaats deze in blok 3.

55 1.9.6 Simpel bloksysteem Rijden  Het automatisch rijden kan nu gestart worden. Dit kan door: –Op F8 te drukken –Op de icoon te klikken.  Het automatisch rijden kan gestopt worden door: –Op F6 te drukken. –Op icoon te klikken.  Noodstop door stop op centrale of door op icoon te klikken.

56 1.9.6 Simpel bloksysteem Rijden  Rijgedrag van een blok aanpassen.  Stop het automatisch rijden en sluit communicatie.  Open menu “Onderhouden/Baan definities/Blokken” dubbelklik op blok 4.  Verander bloktype naar “Stationsblok” en sla dit op.  Start communicatie en automatisch rijden.

57 1.9.6 Simpel bloksysteem Rijden  Personen treinen moeten stoppen bij het station.  Stop automatisch rijden en communicatie.  Open menu “Onderhouden / Gegevens treintype / Bloktype”.  Selecteer “Stoptrein” en “Stationsblok” en klik op ▲.  Wijzig: –Wachttijd minimaal = 10 seconden –Wachttijd maximaal = 30 seconden –Stopkans = 100% –Klik op V om de gegevens op te slaan.

58 1.9.6 Simpel bloksysteem Rijden  Selecteer “Goederentrein” en “Stationsblok” en klik op ▲.  Wijzig: –Wachttijd minimaal = 0 seconden –Wachttijd maximaal = 1 seconden (is minimale waarde) –Stopkans = 0%  Start de communicatie en laat de treinen weer automatisch rijden.

59 1.10 Valkuilen  Indien we te maken hebben met relatief korte blokken, kunnen instellingen van de massa traagheid een ongewenst remgedrag geven.  Te hoge snelheid laat de trein/locomotief te laat of abrupt stoppen.

60 1.10 Valkuilen  Massa traagheid wordt nu geregeld door koploper.  Aanpassen door menu “Onderhouden”, “Treintype” tabblad ”Stam gegevens”.  Aanpassen door menu “Onderhouden”, “Locomotieven” tabblad ”Decoderstappen”.  Gedrag wordt beter/mooier indien er gereden wordt met geijkte snelheden.

61 1.11 IJken  Voordat locomotieven of treinstellen geijkt worden, moet eerst de maximale snelheid worden bepaald.  Voor het ijken/meten van snelheden is een stuk spoor van een vaste lengte nodig. (tussen 50 en 100cm)  Beide uiteinde moeten voorzien zijn van een melderstuk die even groot in lengte zijn.  Melderstukken moeten aangesloten zijn.

62 1.11 IJken  Beide meldstukken dienen opgegeven te worden in koploper.  Afstand tussen begin eerste melder en begin tweede melder dient ook opgegeven te worden.  Open “Algemeen”, “Instellingen per database” tabblad “Snelheid/Bestemmingen”  Geef ook de manier van meten op. (heen en weer)  Het meetgedeelte mag een deel van de baan zijn.  Zorg voor voldoende uitlooplengte en juiste schaalinstelling.

63 1.11 IJken  Start met het meten van de maximale snelheid van de locomotief/treinstel.  Pas eventueel de instellingen van de decoder aan (doorgaans CV 5 en 6).  Start met metingen van stap 1. (kan lang duren)  Achteraf kunnen gemeten waarde gecorrigeerd worden.  Zorg ervoor dat de waarde voor optrek en afrem CV niet te hoog staan (massa simulatie)

64 1.11 IJken  Open “Onderhouden”, “Locomotieven” en selecteer uit de lijst de loc/treinstel dat geijkt moet gaan worden.  Vink bij “Rijden met” nu “Geijkte snelheid” aan.  Ga naar het tabblad “Snelheid ijken”.  Plaats de loc/treinstel TUSSEN de twee melders in en selecteer nu rijstap 28. (linker vlak)  Klik op het groene spiegel ei en klik op “Start meting” en dan op “Bepaal richting”.

65 1.11 IJken  Nadat de loc/treinstel tot stilstand is gekomen vink je “1 Meting” aan en klik je op “Start 1 of meer metingen”.  De maximale snelheid wordt nu gemeten.  Pas zonodig decoderinstellingen aan vink nu “Metingen tot” aan.  Vul een snelheid in die boven de maximale snelheid is gemeten.  Klik nu snelheidsstap 1 (linker vlak) en op “Start 1 of meer metingen “.

66 1.11 IJken  De metingen stoppen automatisch na het bereiken van de ingestelde snelheid.  Corrigeer eventueel stappen waarbij er weinig snelheidsverschil is gemeten.  Herhaal dit voor alle locomotieven/treinstellen.

67 1.11 IJken  Bij veel decoders kan naast de CV instellingen voor de maximale snelheid (CV5) ook de gemiddelde snelheid worden ingesteld. (CV6) Praktijk heeft geleerd dat in de meeste gevallen de instelling voor gemiddelde snelheid ongeveer ¼ (Lenz) tot ⅓ (ESU) moet zijn van de maximale snelheid, maar hangt een beetje van de soort decoder af. (deze instelling beïnvloed het regelgedrag in het onderbereik van de decoder)

68 Slot  Indien alle locomotieven/treinstellen zijn geijkt, opnieuw rijden inschakelen.  Koploper regelt continu het afremmen/stoppen bij en slaat dit per blok/trein op.  Na verloop van tijd gaat alles beter/mooier rijden.  Maak voor dat er (grote) veranderingen gemaakt worden aan de koploper database eerst een backup. (Algemeen - Backup/Restore)

69


Download ppt "Digitaliseren en automatiseren.  De digitale configuratie  Gedachte achter koploper  Installeren koploper  Aanmaken database  Verbinding tussen PC."

Verwante presentaties


Ads door Google