De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Hoofdstuk 2. Bouwstenen van stoffen. 2.1Model Weergave van de werkelijkheid hoe wij denken dat hij is.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Hoofdstuk 2. Bouwstenen van stoffen. 2.1Model Weergave van de werkelijkheid hoe wij denken dat hij is."— Transcript van de presentatie:

1 Hoofdstuk 2. Bouwstenen van stoffen

2 2.1Model Weergave van de werkelijkheid hoe wij denken dat hij is

3 3 2.2De bouw van een atoom Griekse oudheid Als iets in de vaste fase was bestond het dus vooral uit aarde Alle materie is opgebouwd uit een mengsel van: aarde, water, lucht en vuur Als iets in de vloeibare fase was bestond het dus vooral uit water Als iets in van de vaste fase naar de vloeibare fase ging (of andersom) werd dus een deel van de aarde omgezet in water (of andersom)

4 Atoombouw: Middeleeuwen Als iets scherp smaakte bestond het uit puntige deeltjes Als iets in de vloeibaar fase was bestond het uit ronde deeltjes die langs elkaar konden rollen Als iets in de vaste fase was bestond het uit harde vaste blokjes die niet langs elkaar konden schuiven

5 Stoffen Voor iedere stof bestaat er één molecuulsoort Moleculen bestaan uit nog kleinere deeltjes: atomen (atoom = ondeelbaar)

6 Atoommodel van Dalton Een atoom is een massief bolletje. Het atoom video

7

8 Het Atoommodel van Rutherford Een atoom bestaat uit een positieve (massieve) kern met protonen en neutronen en een negatieve elektronenwolk met elektronen. Elektronenwolk Gebied waarin de kans om een electron aan te treffen groter dan 90% is.

9 Let op! Tussen kern en elektronenwolk zit niets, alleen lege ruimte.

10 Grootte pyramide van cheops : aarde = kern : atoom atoom : pingpongbal = tennisbal : aarde

11 Bouwstenen van atomen massa (u) lading plaatsAantal is gelijk aan: Proton (p + ) 1,0 1+ kernAtoomnummer Neutron (n 0 ) 1,00 kernMassagetal - atoomnr. Elektron (e - ) 0 1- rond de kern Atoomnummer

12 Het atoommodel van Bohr Elk atoom bestaat uit een kern (p + + n 0 ) met daarom heen maximaal 7 banen/ schillen, waarin e - geplaatst worden, van binnen naar buiten.

13 Het opvullen van de schillen: Nr. van de schilnaamMax. aantal e - 1K2 2L8 3M18 4N32 5O 6P 7Q

14 Atoomnummer Het atoomnummer = aantal p + Een atoom is neutraal dus: aantal p + = aantal e - (tabel 25 40A of 99 BINAS)

15 Massagetal Het massagetal = aantal p + + aantal n 0 (tabel 25 BINAS) Aantal n 0 = massagetal – atoomnummer Geen eenheid Eén atoomsoort kan verschillende massagetallen hebben

16 Schrijfwijze Massagetal Symbool atoomnummer òf Symbool -massagetalHe- 4

17 Isotopen Atomen van dezelfde soort maar met een ander massagetal Of: Hetzelfde aantal protonen maar een verschillend aantal neutronen Wat is het verschil tussen: massagetal 25 en massagetal 27?

18 Teken het natrium atoom volgens Rutherford Gegeven: Na 11e - 11 p + 12 n 0 11 = atoomnummer 23 = massagetal

19 2.3 Het periodiek systeem Horizontale rijen heten perioden. Verticale kolommen heten groepen. Het nummer van de periode is het aantal bezette banen. Het nummer van de hoofdgroep is het aantal e - in de buitenste baan.

20

21 Hoofdgroep 1: de alkalimetalen Hoofdgroep 2: de aardalkalimetalen Hoofdgroep 7: de halogenen Hoofdgroep 8: de edelgassen Periodiek systeem Atoombouw

22 Edelgassen reageren nooit. Edelgassen staan in groep 8 in het P.S.. Dit betekent dat ze 8 e - in de buitenste baan hebben (behalve helium die heeft één baan en slechts 2 e - ). Alle andere elementen willen wel reageren en willen net als een edelgas 8 e- in de buitenste schil proberen te krijgen.

23 Dit is het streven naar een edelgasconfiguratie (verdeling) met andere woorden alle elementen willen een elektronenverdeling net als bij een edelgas. Dit streven wordt de octetregel genoemd.

24 2.4Ionen (atomen met een lading) Positief ion (metaal): Ontstaat als een atoom elektronen kwijtraakt Negatief ion (niet- metaal) Ontstaat als een atoom elektronen opneemt

25 Ionen Enkelvoudige ionen Bestaan uit één atoomsoort Samengestelde ionen Bestaan uit meerdere atoomsoorten aan elkaar De namen van alle (samengestelde) ionen moet je uit je hoofd leren!

26 Positief enkelvoudigNegatief enkelvoudig Ag + zilver- ion H - Hydride-ion Ni 2+ nikkel- ion F - Fluoride-ion Cr 3+ chroom- ion Cl - Chloride-ion Zn 2+ zink- ionBr - Bromide-ion Hg + kwik(I)- ion I - Jodide-ion Hg 2+ kwik(II)- ionO 2- oxide-ion S 2- sulfide-ion

27 Kwik koopt lopend tien ijzjes! Uit sommige metalen kunnen meerdere verschillende ionen ontstaan. Bij de naamgeving gebruik je dan een Romeins cijfer B.v. Fe 2+ : ijzer (II)ion Fe 3+ : ijzer (III)ion

28 Samengestelde ionen (Tabel 66B) NH 4 + Ammonium- ion OH - Hydroxide-ion NO 2 - Nitriet-ion NO 3 - Nitraat-ion ClO 3 - Chloraat-ion CH 3 COO - Acetaat-ion SO 3 2- Sulfiet-ion SO 4 2- Sulfaat-ion

29 CO 3 2- carbonaat-ion HCO 3 - Waterstofcarbonaat-ion CrO 4 2- Chromaat-ion PO 4 3- Fosfaat-ion C 2 O 4 2- Oxalaat – ion SiO 3 2- Silicaat- ion

30 Opmerking: De lading van een ion noemen we de elektrovalentie ofwel valentie

31 2.5 De massa’s van atomen, moleculen en ionen. 1 u = atomaire massaeenheid= 1, kg De atoommassa’s kun je vinden in BINAS tabel 99

32 Nauwkeurigheid Toevalllige fouten: - afleesfout Systematische fouten: - glaswerk

33 Optellen en aftrekken Antwoord in het getal met het kleinste aantal cijfers achter de komma. Bijvoorbeeld: 1,98 + 0,6 = 2,6

34 Vermenigvuldigen en delen Antwoord in getal met kleinste aantal significante cijfers in totaal Nul aan het begin telt nooit mee! Voorbeeld: 2,6 / 1,338= 1,9

35 Tips: Bij een combinatie van optellen/ aftrekken met vermenigvuldigen/ delen, dan moet je eerst het resultaat van optellen/ aftrekken afronden Alle andere gevallen de tussenantwoorden met alle cijfers overnemen Wetenschappelijke notatie

36 Afspraak Kijk in de vraag naar het kleinste aantal significante cijfers en rond hier je antwoord op af.

37 Relatieve Atoommassa (A r ) Massa van een atoom uitgedrukt in de atomaire massa eenheid u. Atoommassa hangt af van twee factoren: -de massa van de afzonderlijke isotopen -de percentages waarin de verschillende isotopen voorkomen

38 Gewogen gemiddelde-1 Magnesium heeft volgens Binas een atoommassa (A) van 24,31 u. Hoe kan dat? Mg- 2478,99%23,98505 u Mg %24,98584 u Mg- 2611,01%25,98260 u

39 Gewogen gemiddelde-2 De massa van 100 Mg-atomen bedraagt: 78,99 x 23,98505 = 1,895 ∙ 10 3 u 10,00 x 24,98584 = 249,9 u 11,01 x 25,98260 = 286,1 u 2430,6 u De massa van 1 atoom bedraagt dan: : 100 = 24,31 u

40 Molecuulmassa (M r ) De som van de (gemiddelde) atoommassa’s van alle atomen die in een molecuul voorkomen

41 Ionmassa De ionmassa is gelijk aan de massa van de atoomsoort(en) waaruit het ion is ontstaan. De lading telt niet mee. Voorbeeld: Bereken de ionmassa van het NH ion: 1 x N= 1 x 14,01= 14,01 4 x H= 4 x 1,008= 4,032 + Ionmassa= 18,04 u

42 2.6 De eenheid mol Een mol is een afspraak voor een bepaalde hoeveelheid moleculen (6∙10 23 ) In een mol suiker zitten evenveel moleculen als in een molecuul water. Suikermoleculen zijn zwaarder dus een mol suiker weegt zwaarder dan een mol water.

43 Molaire Massa (M) De massa van 1 mol stof in gram Eenheid: g ∙ mol -1 Tabel 98

44 Omrekenen van g naar mol De molaire massa van NH 3 is 17 g∙mol -1 Hoeveel mol is 51 gram? mol NH x gram NH

45 Omrekenen van mol naar g De molaire massa van H 2 O 2 is 34 g ∙ mol -1 Hoeveel gram is 5 mol H 2 O 2 ? mol H 2 O gram H 2 O 2 34 x

46 Omrekenen van L naar (k)g Dichtheid (kg ∙ m -3 ) Kg ∙ m -3 = g ∙ l -1 ( Onthouden!) Hoeveel gram weegt 5.00 liter water? massa water (g) ∙ 10 3 x volume water (l)

47 2.7 Massapercentage Bereken het massapercentage koolstof in koolstofdioxide. massa CO 2 (u) massa C (u) x Percentage: aantal delen per honderd


Download ppt "Hoofdstuk 2. Bouwstenen van stoffen. 2.1Model Weergave van de werkelijkheid hoe wij denken dat hij is."

Verwante presentaties


Ads door Google