De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

1.De beurs is bestemd voor......... a.hobby-isten b.hobbiïsten c.hobbyisten d.hobbyïsten 2.Als je toch weg wilt gaan. Wat........ je tegen? a.hou b.houd.

Verwante presentaties


Presentatie over: "1.De beurs is bestemd voor......... a.hobby-isten b.hobbiïsten c.hobbyisten d.hobbyïsten 2.Als je toch weg wilt gaan. Wat........ je tegen? a.hou b.houd."— Transcript van de presentatie:

1

2 1.De beurs is bestemd voor a.hobby-isten b.hobbiïsten c.hobbyisten d.hobbyïsten 2.Als je toch weg wilt gaan. Wat je tegen? a.hou b.houd c.houdt 3.Ben Drenth heeft geen makkelijke taak. a.als directeur zijnde b.als directeur 4.Het gedrag van de dronkaard is a.gênant b.genant 5.de beste betekenis van ‘c.q.’ (van casu quo) is a.zo nodig b.om precies te zijn c.en d.of (tussen twee gelijkwaardige opties) 6.Die docent is een a.kletsmijer b.kletsmeier c.kletsmeijer 7.Zij vaak via Wordfeud. a.scrabbelt b.scrabbled c.scrabblet 8.Wilt u gewone koffie of ? a.expresso b.espresso 9.Veel artiesten worden begeleid door een a.impressariaat b.impressarriaat c.impresariaat d.impresarriaat 10.In de hal staat een duidelijke a.maquête b.makette c.makkette d.maquette 11.Als je de foto's verkleint, scheelt dat vele a.kilobyte's b.kilobytes c.kiloBytes d.kiloByte's 12.Het is extra lekker door de a.ravigotesaus b.ravigottesaus c.ravigotsaus d.ravigôtesaus 13.Wat betekent 'consensus'? a.overeenstemming b.gevoelswaarde c.wijding d.samenspraak

3 1.De beurs is bestemd voor a.hobby-isten b.hobbiïsten c.hobbyisten d.hobbyïsten 2.Als je toch weg wilt gaan. Wat je tegen? a.hou b.houd c.houdt 3.Ben Drenth heeft geen makkelijke taak. a.als directeur zijnde b.als directeur 4.Het gedrag van de dronkaard is a.gênant b.genant 5.de beste betekenis van ‘c.q.’ (van casu quo) is a.zo nodig b.om precies te zijn c.en d.of (tussen twee gelijkwaardige opties) 6.Die docent is een a.kletsmijer b.kletsmeier c.kletsmeijer 7.Zij vaak via Wordfeud. a.scrabbelt b.scrabbled c.scrabblet 8.Wilt u gewone koffie of ? a.expresso b.espresso 9.Veel artiesten worden begeleid door een a.impressariaat b.impressarriaat c.impresariaat d.impresarriaat 10.In de hal staat een duidelijke a.maquête b.makette c.makkette d.maquette 11.Als je de foto's verkleint, scheelt dat vele a.kilobyte's b.kilobytes c.kiloBytes d.kiloByte's 12.Het is extra lekker door de a.ravigotesaus b.ravigottesaus c.ravigotsaus d.ravigôtesaus 13.Wat betekent 'consensus'? a.overeenstemming b.gevoelswaarde c.wijding d.samenspraak

4 ► Wanneer gebruik je dat? Het betrekkelijk voornaamwoord dat gebruik je als je verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord (een het-woord dus). [Achter de kassa zat een meisje dat precies op jou leek.] ► Wanneer gebruik je wat? 1.Je gebruikt wat als je informatie wilt geven over een hele zin. [Die nieuwe collega doet zijn best, wat ik erg waardeer.] 2.Je gebruikt ook wat als je verwijst naar een overtreffende trap zonder een zelfstandig naamwoord erbij. [Dat is het mooiste wat ik ooit gezien heb.] 3.Bij een verwijzing naar onbepaalde voornaamwoorden of onbepaalde telwoorden zoals alles, sommige, iets, niets en veel, gebruik je wat. [Alles wat je hier ziet, is zelfgemaakt.] 4.Met wat verwijs je ook naar dat of datgene. [Dat is precies wat ik er leuk aan vind.] 5.Ten slotte gebruik je wat als er geen ander woord is waar je naar verwijst. [Wat ze denkt, weet niemand.]

5 Hij gaf me een boek wat ik leuk vond. of Hij gaf me een boek dat ik leuk vond. Deze zin maakt het makkelijk om het verschil te onthouden

6 Vergelijkende trap = als Overtreffende trap = dan NIETWEL Hij is langer dan mijHij is langer dan ik Ik ben even oud als jouIk ben even oud als jij Ik ben kleiner dan hemIk ben kleiner dan hij Jij bent even oud als haarJij bent even oud als zij Wij werken harder dan hun / henWij werken harder dan zij Wij zijn met evenveel als hun / henWij zijn met evenveel als zij Ik ben twee keer zo groot mijn neefje. LEERMOMENT: bij EVEN en ZO hoort ALS (even groot als, zo groot als).

7 Hun, hen, ze en zij zijn persoonlijke voornaamwoorden. Je verwijst daarmee naar twee of meer mensen. ► Wanneer gebruik je zij? Als iets het onderwerp van de zin is, gebruik je zij. Het onderwerp is het ding dat of de persoon die iets doet. [Zij zijn gisteren naar het strand gegaan.] ► Wanneer gebruik je hen? Hen wordt gebruikt als er een voorzetsel (bijvoorbeeld in, op, tegen of voor) voor staat. [Zeg jij het even tegen hen?] Voor een lijdend voorwerp gebruik je ook hen. Het lijdend voorwerp is de persoon of het ding waar iets of iemand anders (het onderwerp) in de zin iets mee doet. [De uitspraak heeft hen erg geschokt.] ► Wanneer gebruik je hun? Je gebruikt hun bij een meewerkend voorwerp waar géén voorzetsel (bijvoorbeeld in, aan, bij,voor, op) voor staat. Het meewerkend voorwerp is de persoon of het ding dat meewerkt aan wat het onderwerp doet. [Het bureau heeft hun (= aan hen) een reis aangeboden.] ► Wat als je twijfelt? Als je niet zeker weet of je zij, hen of hun moet gebruiken, kun je ook altijd ze gebruiken. [Wil jij het aan ze geven?]

8 De voegwoorden omdat en doordat worden soms door elkaar gebruikt. ► Wanneer gebruik je omdat? Omdat gebruik je meestal om te vertellen waarom iemand iets doet. Je geeft er een reden mee aan. [Ahmed was met de bus, omdat hij bang was dat zijn scooter stuk zou gaan.] ► Wanneer gebruik je doordat? Doordat gebruik je meestal om te vertellen waar iets door komt. Je geeft er een oorzaak mee aan. [Ahmed was te laat, doordat zijn scooter stuk was gegaan.] ► Wat als je twijfelt? Soms is het niet duidelijk of iets een reden of een oorzaak is. Meestal gebruiken mensen als ze twijfelen omdat. Omdat bij een oorzaak is beter dan doordat bij een reden. Wel: Ahmed was te laat, omdat zijn scooter stuk was gegaan. Niet: Doordat hij morgen zijn verjaardag viert, gaat hij vandaag inkopen doen.

9 Bij een contaminatie worden twee woorden of uitdrukkingen door elkaar gehaald. NIETWEL optelefoneren mond-op-mondreclame iets overnieuw doen het kost duur zij behoort tot een van de slimsten klopt als een bus het slaat kant noch wal zich beseffen opbellen of telefoneren mond-op-mondbeademing of mond-tot-mondreclame opnieuw doen of over doen het is duur of het kost veel zij is een van de slimsten of zij behoort tot de slimsten klopt als een zwerende vinger of sluit als een bus het raakt kant noch wal of het slaat nergens op zich realiseren of beseffen

10 Bij een pleonasme vertel je iets dat overbodig is, omdat het ook al blijkt uit een ander woord. Meestal bestaat een pleonasme uit een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Soms wordt een pleonasme bewust gebruikt om iets te benadrukken. PLEONASMEUITLEG Ze zaten rond een brandend vuur. Dat lijkt me een klein detail. We willen dit jaar nog veel groter groeien. Hij sprong in het natte water. Vuur brandt altijd, dus brandend is overbodig Een detail is altijd klein, dus klein is overbodig Als iets groeit wordt het altijd groter, dus is groter overbodig. Water is altijd nat, dus nat is overbodig.

11 Bij een tautologie zeg je twee keer hetzelfde met een ander woord. Een tautologie bestaat meestal uit twee woorden die verbonden zijn met het voegwoord en. Tautologieën We blijven altijd en eeuwig bij elkaar. Anouk en Mirjam zijn blij en verheugd dat ze geslaagd zijn. We hebben de bestelling al reeds naar u opgestuurd. Ik ga weg en vertrek.

12

13 1.Het boek … ik lees, is best spannend. 2.Het meisje … daar loopt, is een studiegenoot. 3.Het laatste feest … ik bezocht heb, was heel druk. 4.De balustrade … vanmorgen is geverfd, is al droog. 5.De shampoo … jij gebruikt, ken ik niet. 6.Het voorstel, … nu aan de orde komt, lijkt mij niet haalbaar. 7.Het huis … wij willen huren, is al verhuurd. 8.Het beeldscherm … jij wilt kopen, vind ik erg mooi. 9.Ik heb hier een briefje van mijn collega, … niet te lezen is. 10. Ons kantoor, … verbouwd moet worden, is tijdelijk gesloten.

14 1.Het boek dat ik lees, is best spannend. 2.Het meisje dat daar loopt, is een studiegenoot. 3.Het laatste feest dat ik bezocht heb, was heel druk. 4.De balustrade die vanmorgen is geverfd, is al droog. 5.De shampoo die jij gebruikt, ken ik niet. 6.Het voorstel, dat nu aan de orde komt, lijkt mij niet haalbaar. 7.Het huis dat wij willen huren, is al verhuurd. 8.Het beeldscherm dat jij wilt kopen, vind ik erg mooi. 9.Ik heb hier een briefje van mijn collega, dat niet te lezen is. 10. Ons kantoor, dat verbouwd moet worden, is tijdelijk gesloten.

15


Download ppt "1.De beurs is bestemd voor......... a.hobby-isten b.hobbiïsten c.hobbyisten d.hobbyïsten 2.Als je toch weg wilt gaan. Wat........ je tegen? a.hou b.houd."

Verwante presentaties


Ads door Google