De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

AUTORISATIECURSUS VOOR MONTAGE DEFA DVS90 ALARM

Verwante presentaties


Presentatie over: "AUTORISATIECURSUS VOOR MONTAGE DEFA DVS90 ALARM"— Transcript van de presentatie:

1 AUTORISATIECURSUS VOOR MONTAGE DEFA DVS90 ALARM
Welkom bij de autorisatiecursus voor het DEFA DVS90 alarm. Deze cursus bevat alle noodzakelijke informatie voor het monteren van het DEFA DVS90 alarmsysteem en voor het beantwoorden van alle vragen in de autorisatietest van DEFA. De autorisatietest moet met een goed resultaat worden afgesloten voordat een certificaat kan worden afgegeven. U ontvangt een diploma en een autorisatienummer zodra DEFA ervan op de hoogte is gesteld dat u de test met succes hebt afgerond. U mag zich dan een gecertificeerde inbouwer noemen van het DVS90 alarmsysteem. Gebruik de pijltjestoetsen op het toetsenbord om door de cursus te navigeren: Met de rechter pijltjestoets gaat u naar de volgende bladzijde of functie. Met de linker pijltjestoets keert u terug naar de vorige bladzijde of functie. HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

2 AUTORISATIECURSUS DVS90
Waarom certificeert DEFA zijn inbouwers? Het doel van deze cursus is om de inbouwers te trainen zodat ze het product kennen en weten wat er bij het monteren komt kijken. Het product moet werken zoals mag worden verwacht, niet alleen de eerste dag, maar gedurende de totale levensduur van de auto. Door de montage op de juiste manier uit te voeren, voorkomen we: - Teleurgestelde klanten. - Extra kosten wanneer de auto terug moet naar de inbouwer voor het herstellen van fouten. - Dat het imago van het product onterecht geschaad wordt. SUCCES MET DE CURSUS! ! EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie A , AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

3 AUTORISATIECURSUS DVS90
Hoofdmenu 1. Autorisatiecursus – DEFA DVS 2. Elektro - Solderen - Relais - Diode - Multimeter - Ingangs- en uitgangssignalen - Signalen. Hoog/laag - Signalen. Analoog/digitaal - CAN-BUS 3. Voorbereidingen voor montage 4. DEFA Security – DVS 5. Aan de slag 6. Programmeren – DEFA Express 7. Montage-instructies – autospecifiek 8. Introductieaankondigingen 9. Hoofdschema 10. Centrale unit 11. Motorkapschakelaar 12. Sirene 13. Bewegingssensor 14. Hellingshoeksensor 15. Ruitmodule 16. Uitvoer - Centrale vergrendeling 17. DVS90 bediend via originele afstandsbediening 18. Gebruiksaanwijzing - Uitschakeling in noodsituaties - Programmeren van afstandsbedieningen 19. Werkplaatsregister 20. Alarmsticker 21. Testprocedure 22. Aflevering aan de klant 23. Autorisatietest – via internet 24. Einde EERSTE BLADZIJDE Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

4 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro - solderen Hoe maakt u een goede soldeerverbinding? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

5 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – solderen Solderen aan een bestaande bedrading: 1. Verwijder bij de alarmbedrading de isolatie over een lengte van 8 mm en bij de bestaande bedrading over een lengte van ongeveer 6 mm. Gebruik een striptang. 2. Draai de koperdraad van de alarmbedrading om de koperdraad van de bestaande bedrading. 3. Leg de bedrading evenwijdig naast elkaar. 4. Soldeer de verbinding vast. Zorg dat het tin over en in de verbinding vloeit. 5. Isoleer de soldeerverbinding met tape. Begin aan de kant met de twee draden en wikkel de tape om de soldeerverbinding. Hierdoor kan de tape niet losraken wanneer de twee draden vanaf de rechterkant uit elkaar worden getrokken. 1. 2. 3. 4. 5. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

6 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – solderen Solderen van twee draden: 1. Verwijder de isolatie over een afstand van ongeveer 12 mm vanaf het uiteinde. Gebruik een striptang. 2. Draai de koperdraden in elkaar en trek de draden recht. 3. Soldeer de verbinding vast. Zorg dat het tin over en in de verbinding vloeit. 4. Isoleer de soldeerverbinding met tape of een krimpkous. Let op! Het is belangrijk dat de soldeerverbinding wordt gemaakt op een plaats waar de draden niet worden bewogen. Als u dit niet doet, bestaat de kans dat de draad na een poosje precies bij de soldeerverbinding breekt ten gevolge van mechanische belasting (bv. bij de overgang tussen de carrosserie en een portier). 1. 2. 3. 4. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

7 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – solderen 1. Vaak zijn drie handen handiger tijdens het solderen dan 2 handen. Eén hand voor de soldeerbout, een andere hand om de draden vast te houden en een derde hand om tin toe te voegen. Dit probleem wordt opgelost met de WTA 50. Met dit apparaat kunt u met dezelfde hand de draden vasthouden en verhitten. Eén hand blijft vrij om het tin vast te houden. Prijs: ongeveer 375,- euro. 2. Een goedkoper alternatief vormt de LR 21 ESD. U hebt dan niet de beschikking over 'een derde hand'. Prijs: ongeveer 125,- euro. Beide apparaten moeten worden aangesloten op een soldeerstation. De Weller WS-51 leent zich hier uitstekend voor (3). Prijs: 244,- euro. 4. Als u niet wilt investeren in een WTA 50, dan is de Weller SPI – 41 waarschijnlijk het beste alternatief, vooral wat prijs betreft. Deze kunt u direct op netspanning aansluiten. Omdat hierbij geen soldeerstation nodig is, is dit alternatief 55 euro goedkoper. Voor alarminstallaties is tinsoldeer met een diameter van 1,00 mm geschikt. 1. 3. 2. 4. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

8 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – solderen Een perfecte soldeerverbinding is een must voor het storingsvrij inbouwen van alarmsystemen. Slechte soldeerverbindingen vormen vaak de reden waarom het alarmsysteem niet naar behoren werkt. Hoe maakt u een goede soldeerverbinding: 1. Zorg dat de soldeerbout vrij is van oude soldeerresten. Maak het warme uiteinde schoon met een vochtige doek. 2. Breng op beide zijden van de soldeerbout een beetje tin aan nadat de bout is schoongemaakt. 3. Plaats de soldeerbout op het soldeerpunt en voeg tin toe bij het contactpunt tussen de bout en de draden. Op deze manier zal het tin smelten en in het soldeerpunt vloeien. 1. 2. 3. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

9 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – solderen Foto 1 toont een soldeerverbinding zoals die er uit zou moeten zien. U ziet dat de koperdraad door het tin zichtbaar is. Dit duidt erop dat het tin goed opgenomen is. Foto 2 toont een voorbeeld van koudsolderen. U ziet het tinsoldeer als een drup aan de buitenkant van de draden zitten. Dit geeft aan dat er niet voldoende warmte is gebruikt of dat de soldeerbout niet genoeg tijd heeft gehad om de soldeerverbinding op te warmen. Daardoor kon het tinsoldeer niet ver genoeg doordringen in de soldeerverbinding. Foto 3 toont een voorbeeld van teveel warmte/te lange soldeertijd. Hierdoor smelt de isolatie in de buurt van de soldeerverbinding. 1. 2. 3. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

10 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – relais Werking EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

11 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – relais U kunt een relais vergelijken met een schakelaar zoals bijvoorbeeld de AAN/UIT-schakelaar van een lamp. Het verschil is dat een relais elektrisch schakelt, terwijl u een lampschakelaar fysiek moet indrukken. Het relais wordt bediend via pen 85 en 86. Wanneer een spanning van 12 V (12V-relais) op de spoel wordt gezet (d.w.z. pen 85 aan massa en 12 V op pen 86 of andersom), wordt de schakelaar in het relais omlaaggetrokken en wordt pen 30 met pen 87 verbonden. Op pen 86 staat nu 12 V en het relais wordt bediend door een mechanische schakelaar die afwisselend wel of geen contact met pen 85 maakt. Op pen 30 aan de ene kant van de schakelaar staat 12 V terwijl het lampje aan de andere kant van de schakelaar verbonden is met pen 87. De schakelaar wordt ingedrukt -> 12 V op de relaisspoel -> het relais verbindt pen 30 met pen 87 -> het lampje gaat branden. Gebruik de rechter pijltjestoets om de schakelaar met massa te verbinden. Op die manier verbindt het relais de pennen 30 en 87 met elkaar. (Gebruik de linker pijltjestoets om de verbinding met massa weer te verbreken). Dit is een 87A-relais, 12 volt/40 ampère. D.w.z. het relais werkt op 12 V (het relais wordt bekrachtigd bij een spanningsverschil van 12 V tussen pen 85 en 86). 40 A betekent dat het relais een stroom van maximaal 40 A toelaat tussen pen 30 en pen 87 (en tussen 30 en 87A). Met een zekering van 40 A loopt er nooit meer dan 40 A stroom door het relais. RELAIS 87A - 12 V/40 A 30 86 85 87 87A 40 A MECHANISCHE SCHAKELAAR EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

12 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – relais, praktijkvoorbeelden Afbeelding A): Sommige auto's zijn uitgerust met een handige schakelaar aan bestuurderszijde waarmee de achterklep geopend kan worden. De bestuurder drukt op de schakelaar, de elektromotor begint te draaien en de achterklep opent. Druk op de rechter pijltjestoets om de schakelaar in te drukken. Druk op de linker pijltjestoets en daarna op de rechter om de werking opnieuw te bekijken. Afbeelding A) ACHTERKLEP OPENT (ELEKTROMOTOR) 10 A DRUKSCHAKELAAR 5 A Ziet er goed uit, het werkt. Nu willen we deze functie op afstand bedienen. De eerste halte is Dometic waar we een elektronische unit met afstandsbediening kopen. We sluiten de unit aan op de achterklepopener in de auto zoals getoond in afbeelding B. Probeer het systeem uit met behulp van de pijltjestoetsen! Afbeelding B) ACHTERKLEP OPENT (ELEKTROMOTOR) U kunt zien dat er 12 V op de linkerkant van de elektromotor wordt gezet, net als bij de schakelaar in afbeelding A). Maar de elektromotor draait niet: waarom niet? 10 A Zoals u kunt zien, kan de unit slechts 1 ampère leveren terwijl de elektromotor 5 ampère nodig heeft om te kunnen draaien. Dit is alsof u 1 hond voor een hondenslee zet terwijl de slee zo zwaar blijkt te zijn dat er vijf honden nodig zijn om de slee in beweging te krijgen. Wat moeten we nu doen? We hebben 4 ampère extra nodig. Het relais helpt ons hierbij. DRUKSCHAKELAAR 5 A ELEKTRISCHE UNIT MET AFSTANDS- BEDIENING Afstandsbediening 2 A 1 A EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

13 Elektro – relais, praktijkvoorbeelden
Afbeelding B) is dezelfde als afbeelding B) op de vorige bladzijde. Wat we alleen hebben gedaan is de stuurstroom van de unit weglaten zodat de tekening niet zo rommelig lijkt. In afbeelding C) hebben we verbinding gemaakt met een 12 volt 87-relais dat maximaal 40 ampère doorlaat. Dat moet voldoende zijn, we hebben maar 5 A nodig. U kunt nu zien dat 1 ampère van de unit wordt gebruikt om de relaisspoel te bekrachtigen (de spoel heeft maar 0,070 A nodig). Zolang de voeding op pen 30 naar het relais 5 A kan leveren, werkt dit. Hier is het systeem aangesloten op een circuit van 10 ampère. Let op! We drukken geen 10 ampère naar de elektromotor. De elektromotor neemt op wat hij nodig heeft. Daarom zal er 5 ampère door het relais lopen wanneer de elektromotor draait. Test de werking met behulp van de pijltjestoetsen. Afbeelding B) ACHTERKLEP OPENT (ELEKTROMOTOR) 10 A DRUKSCHAKELAAR 5 A ELEKTRISCHE UNIT MET AFSTANDS- BEDIENING 1 A Afbeelding C) ACHTERKLEP OPENT (ELEKTROMOTOR) 10 A DRUKSCHAKELAAR 12 V/40 A 5 A De elektromotor draait! ELEKTRISCHE UNIT MET AFSTANDS- BEDIENING 30 85 86 87 1 A EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

14 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – de diode Wat is een diode? Hoe werkt een diode? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

15 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – de diode De werking van een diode kan worden vergeleken met het ventiel in een autoband. Een bandenventiel laat alleen in één richting lucht stromen. Een diode laat alleen in één richting stroom door. Hier ziet u het symbool voor de diode. De stroom wordt doorgelaten in de richting van de pijl (van links naar rechts in de afbeelding rechts), maar niet in tegengestelde richting. Pijl Stop EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

16 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – de diode De werking van een diode kan tot op zekere hoogte worden vergeleken met het ventiel in een autoband. Een bandenventiel laat alleen in één richting lucht stromen. Een diode laat alleen in één richting stroom door. U weet dat om het lampje te laten branden stroom door het lampje moet vloeien. Om dit te bereiken moet er een potentiaalverschil bij het lampje zijn. De stroom gaat van plus naar min (of van de hoogste spanning naar de laagste). We houden het hier op spanning omdat we dat bij het inbouwen van alarmsystemen meestal gebruiken. A) Hier ziet u dat de diode het lampje aan massa (massa carrosserie) legt. Het lampje gaat branden omdat er aan de andere kant 12 V staat. Als we de diode omdraaien, krijgen we: B) De diode voorkomt dat er stroom naar massa gaat lopen Het lampje brandt niet. Als we de diode verplaatsen naar de andere kant van het lampje, krijgen we situatie C) en D). C) De diode geleidt in plusrichting en het lampje brandt. D) De diode spert in plusrichting en het lampje brandt niet. U begrijpt nu dat een diode gebruikt kan worden om zowel in plusrichting (D) als in minrichting (B) te sperren. U begrijpt ook dat een diode zowel in plusrichting (C) als in minrichting (A) stroom kan geleiden. +12V 0 V A) +12 V +12 V B) +12 V 0 V C) 0 V 0 V D) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

17 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – diode – praktijkvoorbeeld Dit is hoe het portiercircuit van een bepaalde auto met twee portieren eruit kan zien. De portierschakelaars zijn negatief, d.w.z. wanneer het portier wordt geopend, maken de portierschakelaars contact met massa. Wanneer een portier wordt geopend, ontvangt de regeleenheid een massasignaal op een van de portieringangen waardoor de indicator Open portier in het dashboard gaat branden. (Hier: Blauwe draadkleur duidt op een massasignaal) Gebruik de pijltjestoetsen op het toetsenbord om het portier te openen en sluiten. Met de rechter pijltjestoets wordt het portier geopend, met de linker wordt het gesloten. INDICATOR OPEN PORTIER Nu het linker portier geopend is, maakt de portierschakelaar verbinding met massa. De regeleenheid ontvangt dit massasignaal via pen 3. Hierdoor wordt er een positief spanningssignaal op pen 1 gezet en wordt het dashboard aangestuurd om aan te geven dat het linker portier geopend is. 1 2 PORTIERSCHAKELAAR LINKS VOOR 1 2 3 Merk ook op dat pen 3 van de regeleenheid een ingang is terwijl pen 1 van de regeleenheid een uitgang is. Pen 1 van het dashboard is een ingang. Waarom? REGELEENHEID PORTIERSCHAKELAAR RECHTS VOOR 4 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

18 Elektro – diode – praktijkvoorbeeld
De DVS90 is hier verbonden met beide portiercircuits van de auto. Er blijft maar één ingang over omdat alle andere ingangen voor andere functies gebruikt worden (denkbeeldige situatie). Daarom wordt een en dezelfde portieringang voor het alarmsysteem verbonden met beide portiercircuits van de auto. Wat gebeurt er nu wanneer we het linker portier openen? Open het portier met de rechter pijltjestoets, sluit het portier met de linker. INDICATOR OPEN PORTIER We hebben de beide circuits van de auto met elkaar verbonden, waardoor de indicator Open portier op zijn beurt aangeeft dat beide portieren geopend zijn terwijl dat niet het geval is. De pijltjes geven aan hoe het stroomrichting is. Door bekabeling van de alarm vloeit de spanning van pen 4 van de regeleenheid weg De regeleenheid denkt daarom dat het linker EN rechter portier geopend is. Bij het inbouwen van alarmsystemen willen we de originele functies van de auto niet veranderen. In dit geval wordt het probleem opgelost met behulp van de diode(s). 1 2 PORTIERSCHAKELAAR LINKS VOOR 1 2 3 REGELEENHEID PORTIERSCHAKELAAR RECHTS VOOR 4 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

19 Elektro – diode – praktijkvoorbeeld
De diode is nu geplaatst! De diode is zodanig geplaatst dat de spanning nog steeds van pen 3 van de regeleenheid naar massa kan vloeien (zodat de indicator Open portier voor het linker voorportier aangestuurd kan worden). Hij is ook zo geplaatst dat spaning van uit de alarmunit naar massa kan vloeien als de linker voor portier geopend wordt. Is alles nu opgelost? Alles lijkt te werken, ten minste wanneer het linker voorportier opent en sluit. Gebruik de rechter pijltjestoets om het portier te openen en de linker pijltjestoets om het portier te sluiten. INDICATOR OPEN PORTIER Het ziet er goed uit! Het signaal van het portier wordt in de diode tegen gehouden en zal daarom het circuit van het rechter voorportier niet bereiken. Maar wat gebeurt er wanneer het linker portier sluit en het rechter opent? 1 2 PORTIERSCHAKELAAR LINKS VOOR 1 2 3 REGEL- EENHEID PORTIERSCHAKELAAR RECHTS VOOR 4 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

20 Elektro – diode – praktijkvoorbeeld
Alleen het rechter portier is geopend, maar de indicator Open portier 'denkt' dat beide portieren geopend zijn. We zijn duidelijk nog niet klaar! De diode houdt het signaal in één richting tegen en laat het in de andere richting door. We moeten er ook voor zorgen dat het signaal niet het portiercircuit voor de linker kant bereikt wanneer het portier geopend is. Tegelijkertijd moet het signaal de alarmunit bereiken. We hebben hier een extra diode nodig. Waar zou u die diode plaatsen? Gebruik de rechter pijltjestoets om de diode te plaatsen. Gebruik de linker pijltjestoets om de diode opnieuw te plaatsen. INDICATOR OPEN PORTIER 1 2 Dan werkt het voor beide portieren! PORTIERSCHAKELAAR LINKS VOOR 1 2 3 REGELEENHEID PORTIERSCHAKELAAR RECHTS VOOR 4 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

21 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro - multimeter Meten van stroom en spanning met een multimeter. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

22 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – multimeter, meten van spanning (volt) Meten van spanning (volt) met een multimeter: 1. Draai de instelknop naar het symbool voor gelijkspanning, V en DC worden aangegeven op het display (Fluke 112). 2. Sluit de zwarte meetpen aan op aansluiting COM van de multimeter. 3. Sluit de rode meetpen aan op aansluiting V van de multimeter. 4. Verbind de zwarte meetpen met de massa van de auto. 5. Verbind de rode meetpen met de bedrading waarvan u de spanning wilt meten. We kunnen zien dat de ORANJE/ZWARTE bedrading een spanning heeft van 7,5 volt. Let op! Massa en min op de accu zijn bij een auto in elektrisch opzicht hetzelfde. DEFA ADVIES: De FLUKE 112 is een goede multimeter bij het inbouwen van alarmsystemen. 7,50 1. V 3. V ORANJE/ZWART 2. COM 5. 4. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

23 PORTIERSCHAKELAAR LINKS VOOR PORTIERSCHAKELAAR RECHTS VOOR
Elektro – multimeter, meten van spanning (volt) Als we de multimeter verbinden met het portiercircuit dat we eerder hebben bekeken, dan kunnen we de exacte spanning in de bedrading aflezen, zowel bij geopend als gesloten portier: Druk op de rechter muisknop om het linker voorportier te openen. 0,00 5,00 INDICATOR OPEN PORTIER 1 2 PORTIERSCHAKELAAR LINKS VOOR 1 2 3 REGELEENHEID PORTIERSCHAKELAAR RECHTS VOOR 4 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

24 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – multimeter, meten van stroom (ampère) Meten van stroom (ampère) met een multimeter: 1. Trek de zekering uit de zekeinghouder. 2. Sluit de zwarte meetpen aan op aansluiting COM van de multimeter. 3. Sluit de rode meetpen aan op aansluiting A van de multimeter. 4. Draai de instelknop naar het symbool voor gelijkstroom. U ziet nu A en DC op het display staan (Fluke 112). 5. Verbind de zwarte meetpen met punt dat naar de alarmunit gaat). Verbind de rode meetpen met de met het deel dat vanaf de accu komt. Door de meetpennen 5 en 6 om te wisselen, loopt de stroom in tegengestelde richting door de multimeter en zouden we min 20 mA hebben gemeten. We kunnen zien dat de alarmunit 0,020 A of 20 mA gebruikt. 0,020 4. A ROOD 3. A 5. 2. COM 6. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

25 Elektro – Ingangs- en uitgangssignalen
Wat bedoelen we in de elektronica met ingangs- en uitgangssignalen? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

26 AUTORISATIECURSUS DVS90
Elektro – Ingangs- en uitgangssignalen Je hoort in de elektronica vaak over de begrippen ingangssignaal en uitgangssignaal. Wat is het verschil? Voor een huis is het heel normaal dat er deuren zijn waardoor je naar binnen en naar buiten kunt. De keukendeur is voor de keuken zowel een uitgang als een ingang. In een groot winkelcentrum ziet u vaak dat er één toegangsdeur is en één uitgangsdeur. U kunt niet naar buiten via de deur waardoor u net naar binnen bent gekomen en omgekeerd. Bij ingangs- en uitgangssignalen is het precies hetzelfde. Eén draad wordt gebruikt om signalen naar een elektronische eenheid te versturen (ingangssignaal) en een andere draad om vanaf de eenheid signalen te versturen (uitgangssignaal). Als we bij de alarmunit beginnen en ons voorstellen dat het alarmsysteem geactiveerd wordt wanneer er een portier wordt geopend, dan zal de portierschakelaar een signaal naar de unit versturen. Wanneer de unit een signaal ontvangt van de portierschakelaar dat het portier net geopend is, dan verstuurt de unit signalen uit naar de sirenes en de lampjes zodat deze respectievelijk geluid maken en knipperen. De draden die gebruikt worden voor de signalen naar de unit vormen de ingangen van de unit. De draden die de unit gebruikt om signalen te versturen, vormen de uitgangen van de unit. Wanneer we de alarmunit gebruiken om de centrale vergrendeling te bedienen, dan vormen de draden van de unit die gebruikt worden om signalen te versturen naar de servo's van de centrale vergrendeling de uitgangen van de unit. Voorbeelden van ingangs- en uitgangssignalen. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

27 AUTORISATIECURSUS DVS90
Signalen – hoog/laag Wat bedoelen we met hoge en lage signalen? Waar ligt de grens tussen hoge en lage signalen? Is er een grens? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU Revisie AUTORISATIECURSUS DVS90 Auteur: K. O. Malme EINDE

28 Hoge en lage signalen In de elektronica wordt er vaak een onderscheid gemaakt tussen HOGE en LAGE signalen. Wat is een HOOG signaal en wat is een LAAG signaal? Wanneer we een signaaldraad gebruiken om bijvoorbeeld de spanning te meten van de portierschakelaar naar de regeleenheid in een auto, dan wisselt de waarde tussen twee spanningen. Eén spanning wanneer het portier gesloten is en één spanning wanneer het portier geopend is. Tussen welke twee spanningen gewisseld wordt, verschilt per systeem. In gevallen waar de spanningswaarde onbelangrijk is, is het handiger om de hoogste waarde als HOOG te beschouwen en de laagste waarde als LAAG. Als we kijken naar de portierschakelaar in het schema, dan zien we dat de waarde HOOG (5 V) wordt wanneer het portier gesloten wordt en LAAG (0 V) wanneer het portier geopend wordt. PORTIER GESLOTEN PORTIER GEOPEND REGEL- EENHEID PORTIERSCHAKELAAR RV A 5 V 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

29 Signalen – analoog/digitaal
Wat is het verschil tussen analoge en digitale signalen? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

30 Draden met meer dan één functie (BUS)
Een analoge signaaldraad kan, kortgezegd, alleen gebruikt worden voor één of twee signalen: het portier is gesloten: (5 V), het portier is geopend (0 V). Een digitale signaaldraad kan verschillende signalen versturen. Wanneer we een digitale signaaldraad met behulp van een oscilloscoop doormeten, dan zien we een eindeloos lange reeks pulsen. Elke puls heeft een unieke betekenis. Eén puls kan u bijvoorbeeld vertellen of een portier geopend of gesloten is. In afbeelding 1 zien we een analoog systeem: Beide portieren beschikken over een eigen draad. Als het signaal van één draad 'hoog' is, is het portier gesloten. Als het signaal van de andere draad 'hoog' is, is het andere portier ook gesloten. Als de signalen van de draden 'laag' zijn, zijn de portieren geopend. In afbeelding 2 zien we dezelfde portieren in een digitaal systeem. Vanaf de schakelaars naar de eerste regeleenheid zijn de signalen nog steeds analoog, net als in afbeelding 1. Tussen de regeleenheden zijn ze digitaal. De portiersignalen in de digitale signaaldraad tussen de regeleenheden kunnen er bijvoorbeeld als volgt uitzien: Puls B geeft aan welk portier het betreft: Puls B = hoog = linker voorportier. Puls B = laag = rechter voorportier. Puls C geeft aan of het portier gesloten of geopend is. Puls C = laag = portier geopend. Puls C = hoog = portier gesloten. Als puls B laag is terwijl puls C hoog is, wat weten we dan? Als het signaal van een draad 50 Kbit/s is, betekent dit dat er pulsen per seconde door de draad bewegen. K = kilo = 1.000 Bit = een puls. 1 ) A 5 V PORTIERSCHAKELAAR LV 0 V REGEL- EENHEID PORTIERSCHAKELAAR RV 2 ) A 5 V B C 4,00 V 0 V REGEL- EENHEID (CAN) POR- TIER LV 1,75 V HOOFD- REGEL- EENHEID (CAN) PORTIERSCHAKELAAR LV A B C 5 V 4,00 V 0 V REGEL- EENHEID (CAN) POR- TIER RV 1,75 V PORTIERSCHAKELAAR RV EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

31 Elektro – CAN-BUS Heel veel auto's zijn tegenwoordig uitgerust met een CAN-bussysteem. We zullen de verschillende types eens gaan bekijken. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

32 CAN-BUS SERVO CENTRALE VERGRENDELING LINKER VOORPORTIER A)
Een draad waardoor digitale signalen zich verplaatsen wordt vaak een BUS genoemd. Dergelijke digitale signaaldraden moeten aan de uiteinden over een soort elektronische doos beschikken, een doos die weet wat de pulsen betekenen. Er zijn verschillende types digitale systemen. Om de verschillende systemen van elkaar te kunnen onderscheiden, hebben ze allemaal een andere naam. Het meestgebruikte BUS-systeem in een auto heet het Controller Area Network (CAN). Waarom een CAN-BUS? Een van de voordelen van digitale signalen ten opzichte van analoge signalen is dat er aanzienlijk minder draden (lijnen) nodig zijn in een auto, in vergelijking met het aantal functies waarover de auto beschikt. Anders gezegd: Als de signalen helemaal via analoge signaaldraden zouden moeten lopen, dan zouden er onnodige analoge signaaldraden bestaan in een auto vol met apparatuur en functies. Verschillende analoge signaaldraden kunnen bovendien compleet verdwijnen wanneer het bedieningspaneel, enz. wordt gekoppeld aan een regeleenheid. Auto A) is analoog en zonder CAN-BUS (geen digitale signalen). Zoals we kunnen zien, moeten er door de hele auto analoge signaaldraden worden getrokken naar de regeleenheid. Auto B) beschikt over een CAN-BUS (digitale signalen). Deze auto heeft dezelfde analoge signalen als auto A), maar deze gaan alleen naar de dichtstbijzijnde regeleenheid. De regeleenheden communiceren langs digitale weg met elkaar. Deze communicatie kan in theorie via slechts één draad plaatsvinden, maar vaak worden er twee draden gebruikt. Hier: ORANJE/GROEN en ORANJE/BRUIN. BUS-draden zijn vaak in elkaar gedraaid (getwist). SERVO CENTRALE VERGRENDELING LINKER VOORPORTIER A) SERVO CENTRALE VERGRENDELING LINKER VOORPORTIER B) REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

33 CAN-BUS MET CAN ZONDER CAN
Hier hebben we het linker voorportier in tweeën gedeeld. Beide auto's beschikken over dezelfde uitrusting. Door een regeleenheid in het portier te plaatsen, zien we dat bij de auto met CAN alleen de CAN-draden getrokken hoeven te worden. Maar alle draden moeten getrokken worden bij de auto zonder CAN. (In werkelijkheid moet er ook 12 V en massa naar de regeleenheid in het portier gaan.) MET CAN Alle bovengenoemde draden leiden naar de CAN-module. Vanaf de CAN-module en het portier uit: +12V draad Massa draad CAN HIGH draad CAN LOW draad Totaal: draden REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) ZONDER CAN Servo centrale vergrendeling: draden Slotcilinder: draden Portierschakelaar: draad Richtingaanwijzer in spiegel: draad Elektrisch bedienbare buitenspiegel LV, RV: 8 draden Elektrische ruitbediening LV, RV, LA, RA: draden Schakelaar centrale vergrendeling: draden Totaal: draden REGEL- EENHEID EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

34 CAN-BUS De DVS90 is voorbereid voor en kan worden aangesloten op 3 verschillende BUS-systemen (alle van het CAN-type). Deze zijn: A) LOW SPEED CAN (weinig storingsgevoelig)(robuust). B) HIGH SPEED CAN C) ENKELE DRAAD Extra informatie: A) Het LOW SPEED CAN, ook wel het weinig storingsgevoelige of robuuste CAN-systeem genoemd, bestaat uit twee getwiste draden. Een draad wordt CAN High genoemd, de ander CAN Low. We kunnen het verschil zien door een oscilloscoop aan te sluiten. We zien dan dat het CAN H wisselt tussen 4,00 V en 1,75 V, terwijl het CAN L fluctueert tussen 3,25 V en 1,00 V. NB! Als het signaal in de draden constant 0 V en 12 V blijft, betekent dit dat de 'BUS' slaapt. U kunt de 'BUS' eenvoudig activeren door een functie in te schakelen, bv. het openen/sluiten van een portier, het indrukken van een toets op de afstandsbediening, enz. Deze 'BUS' werkt normaal gesproken niet met snelheden boven 125 Kb/s (125 kilobits per seconde). B) Het HIGH SPEED CAN bestaat ook uit twee getwiste draden. Deze draden worden ook CAN H en CAN L genoemd. Als we meten met een scoop, zien we dat CAN H wisselt tussen 2,5 V en 3,5 V terwijl CAN L wisselt tussen 2,5 V en 1,5 V. Deze 'BUS' kan maximaal 1 Mb/s aan, maar bij auto's wordt zelden meer dan 500 Kb/s gebruikt. C) ENKELE DRAAD, bestaat uit één draad. Het signaal wisselt tussen 1,75 V en 4 V. Normale snelheid: maximaal 50 Kb/s. TYPE CAN-BUS AANTAL DRADEN SCOOPBEELD CAN H 3,25 V CAN L: 1 V LOW SPEED A) 4,00 V CAN H: 1,75 V CAN L CAN H 2,5 V CAN L: 1,5 V B) HIGH SPEED 3,5 V CAN H: 2,5 V CAN L CAN ENKELE DRAAD C) CAN: EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

35 CAN-BUS De afbeelding op deze bladzijde is ruwweg dezelfde als die op de vorige bladzijde. Het scoopbeeld voor BUS A) en B) is het enige dat verschillend is. CAN H en CAN L worden hier in dezelfde afbeelding getoond. Dit is om aan te geven dat het uitgangssignaal naar CAN H en CAN L gelijktijdig optreedt, alleen in tegengestelde richting en op verschillend niveau's. Dit betekent dat alle pulsen twee keer verstuurd worden. Het Low Speed CAN is zo opgebouwd dat wanneer één draad doorgesneden wordt of kortsluiting maakt, het systeem blijft werken met slecht één draad. Dit is de reden waarom deze 'BUS' soms het weinig storingsgevoelige of robuuste CAN-systeem wordt genoemd. High Speed CAN is afhankelijk van beide draden om te kunnen werken. Let op! Zoals we kunnen zien, kan het type BUS niet worden vastgesteld aan de hand van de overdrachtssnelheid: Zowel High Speed als Low Speed CAN kan een snelheid van 125 Kb/s bereiken! Alle drie bussen kunnen in theorie werken met een snelheid van 50 Kb/s. We kunnen de snelheid van de BUS meten door de breedte van het smalste pulssignaal te meten. De formule voor de overdrachtssnelheid is: Snelheid = 1/tijd Bijvoorbeeld: 1/0,00002 = (Zie scoopbeeld voor C) D.w.z. de snelheid is hier 50 Kb/s TYPE CAN-BUS AANTAL DRADEN SCOOPBEELD CAN H 4 V 3 V CAN H: LOW SPEED A) CAN L: 2 V 1 V CAN L 0 V CAN H 4 V CAN H: 3 V B) HIGH SPEED 2 V CAN L: 1 V CAN L 0 V CAN ENKELE DRAAD C) CAN: Lengte van de puls = 20 µs of 0,00002 seconden EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

36 CAN-BUS Hier kunnen we zien dat de DVS90 verbonden is met de CAN-bedrading van de auto. ORANJE/GROEN (P5.1) staat voor CAN H en ORANJE/BRUIN (P5.2) voor CAN L. REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) ORANJE/GROEN, CAN HIGH P5.1 REGEL- EENHEID (CAN) REGEL- EENHEID (CAN) ORANJE/BRUIN, CAN LOW P5.2 REGEL- EENHEID (CAN) 3,25 V CAN LOW: 1,00 V CAN HIGH: 4 V 1,75 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

37 Montage – voorbereidingen voor montage
Gereedschappen en veiligheidsprocedures. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

38 Montage – voorbereidingen voor montage
De werkplaats is altijd verantwoordelijk voor het volgen van alle noodzakelijke veiligheidsprocedures bij het monteren van alarmsystemen. Bepaalde veiligheidsprotocollen moeten opgevolgd worden bij werkzaamheden in en rondom de motorruimte. Onderstaand worden een paar essentiële eisen getoond waaraan de inbouwer moet voldoen. Dit ontslaat hem echter niet van de verantwoordelijkheid om andere maatregelen te treffen die bijdragen aan een veilige montage. Plaats de auto bij montage- en testwerkzaamheden op een horizontale ondergrond, trek de parkeerrem aan en zet de versnellingspook in de vrijstand. Kies stand P bij auto's met een automatische transmissie. Neem de minpool los van de accu voorafgaand aan de montage. Wanneer de minpool niet kan worden losgenomen, moeten de elektrische onderdelen waaraan gewerkt wordt spanningsloos worden gemaakt. Volg de instructies van de voertuigfabrikant op voordat de accu wordt losgenomen. Dit heeft betrekking op uitrusting als de airbag of de veiligheidscode van de radio. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

39 Montage – voorbereidingen voor montage
Gebruik het juiste gereedschap voor een juiste montage volgens de voorschriften. Volg deze twee stappen om de aansluiting op de bedrading van de auto tot stand te brengen: 1. Knip de originele bedrading van de auto door en sluit de alarmbedrading aan met behulp van kabelschoentjes die met een kabelschoentang worden aangeknepen. 2. Het beste resultaat wordt bereikt door de verbindingen te solderen. Zorg er altijd voor dat de verbindingen goed geïsoleerd zijn. Maak gebruik van krimpkousen of tape. Gebruik geen aansluitmateriaal dat 'stroom laat weglekken'. Het gebruik van materiaal dat 'stroom laat weglekken' is niet volgens de voorschriften en daarom natuurlijk niet toegestaan. Let op! Gebruik geen 'oude', vertrouwde testlampjes vanwege de fijngevoelige elektronica in moderne auto's. Om alarmsystemen in te bouwen hebt u het volgende nodig: - Multimeter. - Soldeerbout. - Extractiegereedschap nr. 1. DEFA art.nr.: - Extractiegereedschap nr. 2. DEFA art.nr.: - Draadstripper. - Kabelschoentang. - Kabelschoentjes/aansluitmateriaal (geïsoleerd). EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

40 DEFA Security – DVS90 De onderdelen EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

41 DEFA Security – DVS90 De DVS90 kan analoge en digitale signalen van het type CAN lezen. Hij beschikt over een ingebouwde ontvanger voor DEFA handzenders. Het systeem werkt zowel op 12 volt als op 24 volt. DEFA ontwikkelt software die geschikt is voor alle automodellen. Hierdoor kan het systeem in de meeste auto's worden ingebouwd. Het werkt identiek aan ieder ander origineel alarmsysteem. Degenen die de vorige generatie alarmsystemen kennen, herinneren zich deze varianten waarschijnlijk wel: 400, 800, CAN, High Speed CAN en PSA-CAN. Zie de DVS90 als al deze varianten ondergebracht in slechts één unit. Standaard bestaat de DVS90 uit de volgende hoofdonderdelen: 2. 3. 1. 4. 1. Centrale verwerkingsunit. 2. Ruitmodule. 3. Sirene. 4. Kaart met pincode. 5. Motorkapschakelaar met zelftapschroef. 6. Gebruiksaanwijzing. 6. 5. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

42 DEFA Security – DVS90 In de doos treffen we verder nog aan:
1. P1-bedrading. 2. P2-bedrading. 3. P4-bedrading. 4. P5-bedrading. 5. Klittenband. 6. Zelftapschroeven voor sirene. 7. Zekering en zekeringhouder. 8. Beschermkapje voor motorkapschakelaar. 9. Losse stekker voor sirene. 2. 3. 4. 1. 5. 6. 9. 8. 7. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

43 DEFA Security – DVS90 Het alarmsysteem kan uitgebreid worden met:
1. Hellingshoeksensor. 2. Bewegingssensor. 3. Splitter, noodzakelijk om zowel de hellingshoeksensor als de bewegingssensor op dezelfde alarmunit aan te sluiten. 4. Het is mogelijk om een DEFA-afstandsbediening te gebruiken wanneer de auto niet standaard hierover beschikt. 1. 2. 3. 4. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

44 Alarmfuncties – DVS90 1. Waarschuwings-led.
Hier ziet u de lijst met alarmfuncties. 1. Waarschuwings-led. 2. Alarmsignalering via richtingaanwijzers. 3. Alarmsignalering via sirene. 4. Back-upsirene (batterij). 5. Ingebouwde startonderbreker, 1-circuit. 6. Ruitbreuksensor, met Watchdog-functie. 7. Microgolfsensor voor interieurbewaking. 8. Hellingshoeksensor, met Watchdog-functie. Het alarm gaat af wanneer de auto gesleept of opgetild wordt. 9. Beveiligen van portieren, motorkap en achterklep door middel van aparte circuits. 10. Beveiligen van extra uitrusting zoals radio, extra verlichting enz. 11. Beveiligen van het ontstekingssignaal. 12. Alternatief: nooduitschakeling via afstandsbediening. 13. Z.g. 'rolling code' op de afstandsbediening, diefstalbeveiliging. 14. Omzetten van een digitaal ontstekingssignaal naar een analoog ontstekingssignaal. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

45 Aan de slag De downloads in dit hoofdstuk zijn nodig om een pc te kunnen gebruiken voor het programmeren van het DVS90-alarmsysteem. De in dit hoofdstuk getoonde downloads hoeven SLECHTS eenmalig per pc te worden uitgevoerd. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

46 Aan de slag De alarmunit wordt zonder software geleverd en kan daarom niet gebruikt worden voordat deze geprogrammeerd is met de specifieke software voor de auto waarin het alarmsysteem gemonteerd wordt. Om aan de slag te kunnen hebben we het volgende nodig: 1. Een pc. 2. Het programma DEFA Express. 3. Een USB-kabel (wordt aangesloten tussen de pc en de alarmunit bij het programmeren van de unit). 4. Een alarmsysteem (DEFA DVS90). 2. DEFA Express 1. pc Let op! DEFA Express wordt gedownload van internet. 4. Alarmunit 3. USB-kabel USB-aansluiting (P8) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

47 Aan de slag – downloaden van DEFA Express naar uw pc
Download DEFA Express naar de pc die u wilt gebruiken bij het inbouwen van alarmsystemen. - De pc moet over een internetaansluiting beschikken. - De pc moet ook een USB-aansluiting hebben. 1. Voor het downloaden van DEFA Express moet de computer met internet zijn verbonden. 2. Klik op de onderstaande link om DEFA Express te downloaden: 3. Klik met de linker muisknop op ”Run” 6. Klik met de linker muisknop op ”I Agree” 9. Klik met de linker muisknop op ”Next” 3. U ziet nu het venster dat hier linksboven wordt getoond op het scherm van uw pc. Klik met de linker muisknop op ”Run”. Het bovenste venster in het midden verschijnt nu op het scherm. 4. Klik met de linker muisknop op ”Run”. Het volgende venster verschijnt. 5. Druk met de linker muisknop op ”Next”. Ga verder totdat u 11. DEFA Express op het scherm ziet staan. DEFA Express is nu op uw computer geïnstalleerd. Voordat u de internetverbinding verbreekt, moet u ook nog de autospecifieke software en montage-instructies downloaden (zie volgende bladzijde). 4. Klik met de linker muisknop op ”Run” 10. Klik met de linker muisknop op ”Finish” 7. Klik met de linker muisknop op ”Next” 5. Klik met de linker muisknop op ”Next” 8. Klik met de linker muisknop op ”Install” 11. DEFA Express EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

48 Aan de slag – downloaden van autospecifieke software en bedradingsschema's
Zo downloadt u alle autospecifieke montage-instructies samen met alle autospecifieke software voor de DVS90: 1. Uw pc moet verbonden zijn met internet. 2. Klik met de linker muisknop op: Check for Updates. 3. Klik met de linker muisknop op: Update. 4. Wacht terwijl het programma de bestanden downloadt, dit duurt enkele minuten. 5. Het downloaden is voltooid wanneer het hoofdmenu van DEFA Express op het scherm verschijnt. U beschikt nu over alle noodzakelijke gegevens om de DVS90 met uw pc te kunnen programmeren: software en montage-instructies voor alle auto's die binnen het DEFA-programma vallen. Er verschijnen voortdurend nieuwe modellen auto's op de markt en daarom is DEFA continu bezig toepassingen voor deze modellen te ontwikkelen. Het is om die reden verstandig om zo nu en dan op de knop ”Check for Updates” te klikken. Zo wordt u op de hoogte gehouden over nieuwe ontwikkelingen en upgrades van DEFA. (Let erop dat u hierbij verbinding maakt met internet.) Sluit DEFA Express af door op het rode kruisje te klikken in de rechter bovenhoek. 2. Klik op de knop ”Check for Updates” 3. Klik op ”Update” 4. Wacht terwijl het programma de bestanden downloadt. 5. Downloaden bijna voltooid. (Hoofdmenu DEFA Express) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

49 Programmeren – DEFA Express
DEFA Express is het programmeergereedschap voor de DEFA DVS90. In dit hoofdstuk wordt het DEFA Express-programma beschreven. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

50 Programmeren – DEFA Express
1. Sluit de alarmunit met behulp van de USB-kabel aan op de pc. (U vindt de USB-aansluiting aan de achterkant of aan de zijkant van de pc.) 2. Open DEFA-Express door te dubbelklikken op de snelkoppeling op het bureaublad. Vervolg op de volgende bladzijde ... 1. 2. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

51 Programmeren – DEFA Express
Het hoofdmenu van DEFA Express wordt op het scherm weergegeven. We zien de volgende knoppen in het hoofdmenu van DEFA Express: 1. ”Configure a new car” wordt gebruikt bij montage van een nieuw alarmsysteem. Hier treffen we onder andere het volgende aan: - Autospecifieke software. - Autospecifieke montage-instructies. - Setup van ingangs- en uitgangssignalen. - Afstellen van sensoren. 2. ”Modify an existing car” wordt gebruikt bij het instellen van alarmunits die al over autospecifieke software beschikken. Bv. Een klant krijgt valse meldingen van ruitbreuk. De inbouwer kan hier de gevoeligheid van de ruitbreuksensor aanpassen. We vinden hier: - Setup van ingangs- en uitgangssignalen. - Afstellen van sensoren. 3. ”Check for Updates” wordt gebruikt om te controleren of DEFA toepassingen voor nieuwe modellen auto's heeft ontwikkeld/gewijzigd sinds de laatste download. Deze kunnen vanaf hier ook naar uw computer gedownload worden. 4. ”Check Alarm Status” – het alarmsysteem bewaart informatie over welke sensoren/triggers het alarm de laatste tien keer geactiveerd hebben. Dat kan hier worden uitgelezen. Laten we eerst eens kijken naar de menukeuze ”Configure a new car” aan de hand van een voorbeeld: EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

52 Programmeren - DEFA Express - ”Configure a new car”
Deze bladzijde geeft aan welke soort programmering nodig is bij het monteren van een enkel alarmsysteem: In dit voorbeeld wordt een alarmsysteem gemonteerd in een DEFA SUPER SAFE COUPÉ, modeljaar 2010, met afstandsbediening: 1. Klik met de linker muisknop op ”Configure a new car”. (Of druk op de rechter pijltjestoets.) 2. Kies het automerk in het dropdown-menu. 3. Kies het model in het dropdown-menu. 4. Kies het bouwjaar in het dropdown-menu. 5. Kies type. 6. Kies overige. DEFA A. Nadat alle keuzes zijn gemaakt, krijgt u toegang tot de autospecifieke montage-instructies. We zullen de instructies afdrukken voordat we het programmeren beëindigen. Druk op ’Show’, zie pijl. SUPER SAFE 2010 COUPÉ B. U ziet de montage-instructies op het scherm. Druk de instructies af. (hier niet mogelijk) Met afstandsbediening C. Sluit de autospecifieke montage-instructies. 7. Het programmeren wordt voltooid door op ”Next” te drukken. 8. DEFA Express geeft een melding wanneer het programmeren voltooid is. Dit duurt ongeveer 5 seconden. De unit is nu ingesteld op een DEFA SUPER SAFE modeljaar Alle noodzakelijke instellingen, zoals bijvoorbeeld de gevoeligheid van de bewegingssensor, zijn ingesteld op deze specifieke auto. Als de unit in andere modellen gebruikt moet worden, dient de unit geprogrammeerd te worden met de specifieke software voor de desbetreffende auto. Begin bij stap 1 van deze bladzijde. (Let erop dat u de alarmunit aansluit op de pc.) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

53 Programmeren - DEFA Express - ”Montagedocument”
De alarmunit is volledig geprogrammeerd en is klaar voor gebruik. U kunt nu het montagedocument afdrukken door op ”Print” te drukken. Vul alle gegevens in en druk op ”Print”. Vul de rest van de gegevens in, plaats een stempel en uw handtekening. Geef het document aan de klant. DVS90 DEFA SUPER SAFE KF 89095 DEFA AS Kari Svendsen Sandviksveien 183 1300 Sandvika Ola Normann EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

54 Programmeren – DEFA Express
Door ”Define Custom Settings” aan te vinken nadat u een type auto hebt gekozen, gaat het programma naar ”Custom settings” voordat het programmeren is voltooid. Druk op ’Next’. Het programma opent de ”Custom settings”. Zie de volgende bladzijde. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

55 Programmeren – DEFA Express
Onder ”Define Custom Settings” vindt u vijf tabbladen. Dit zijn: - General - Inputs - Outputs - Node Settings - Information Op het tabblad ”General”: - Kan de ruitbreuksensor geactiveerd/gedeactiveerd worden. - Wordt de ”Watchdog-functie” geactiveerd/gedeactiveerd. - Bevestigingssignaal bij activeren en deactiveren wordt uit- of aangezet. (Afhankelijk van de bestemming. Chirp signaal is in Noorwegen niet toegestaan). - Kiezen van de interne relaisfuncties (startonderbreker/wegrijblokkering). EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

56 Programmeren – DEFA Express
De inbouwer kan op het tabblad ”Inputs” kiezen of diverse ingangssignalen, 7 in totaal, geactiveerd worden door plus- of minsignalen. De ingangssignalen kunnen ook gedeactiveerd worden. De ingangssignalen die door DEFA al gebruikt worden en die daarom deel uitmaken van een specifieke montage-instructie, zijn niet beschikbaar voor de inbouwer. Zoals u ziet, zijn deze grijs en gemarkeerd met ”In Use”. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

57 Programmeren – DEFA Express
De inbouwer kan op het tabblad ”Outputs” naar wens vrij gekozen uitgangssignalen toevoegen, 7 in totaal. Dat geldt natuurlijk alleen tenzij de uitgangssignalen door DEFA worden gebruikt en grijsgekleurd zijn. Alle uitgangssignalen beschikken nagenoeg over dezelfde menuopties, maar ze versturen verschillende signalen: Uitgangssignaal 1: Groen (laag): Laag betekent dat het uitgangssignaal naar massa gaat. Het uitgangssignaal is hier ingesteld op ”Lock”, ”Time” staat ingesteld op 500 ms. Met andere woorden: Dit uitgangssignaal gaat nu gedurende een halve seconde naar massa wanneer het alarm geactiveerd wordt. (Negatieve puls kenmerkend voor centrale vergrendeling, vergrendelen). Max. belasting: 1,5 A Uitgangssignaal 2: Blauw (laag): Laag betekent dat het uitgangssignaal naar massa gaat. Het uitgangssignaal is hier ingesteld op ”Unlock”, ”Time” staat ingesteld op 500 ms. Met andere woorden: Dit uitgangssignaal gaat nu gedurende een halve seconde naar massa wanneer het alarm geactiveerd wordt. (Negatieve puls kenmerkend voor centrale vergrendeling, ontgrendelen). Max. belasting: 1,5 A Uitgangssignaal 3: Groen/rood (hoog): Hoog betekent dat het uitgangssignaal hoog is (12 V of 24 V). Hier is het uitgangssignaal ingesteld op ”Ignition”. Het uitgangssignaal blijft nu hoog zolang de ontsteking is ingeschakeld. Deze instelling kan bijvoorbeeld gebruikt worden in een auto met CAN waar moeilijk toegang kan worden verkregen tot de analoge ontstekingssignalen. Als er een positieve puls van de centrale vergrendeling nodig is, kan dit uitgangssignaal gebruikt worden met dezelfde instellingen als bij uitgangssignaal 1 of 2. Max. belasting: 1 A Uitgangssignaal 4: Blauw/rood (hoog): Hoog betekent dat het uitgangssignaal hoog is. Hier is het uitgangssignaal ingesteld op ”Sound”. Het uitgangssignaal wordt nu hoog wanneer de sirene moet gaan klinken. Max. belasting: 1 A Vervolg op de volgende bladzijde ... EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

58 Programmeren – DEFA Express
Uitgangssignaal 5 en 6: Grijs/zwart en grijs/rood (voeding hoog): Dit zijn positieve uitgangssignalen die een 'zwaarder' onderdeel aan kunnen sturen. Ze worden hoofdzakelijk gebruikt voor het aansturen van de richtingaanwijzers. Beide uitgangssignalen kunnen in dit voorbeeld bij activering gedurende 300 ms hoog worden en bij deactivering twee keer gedurende 300 ms met een interval van 300 ms. Of met andere woorden: 1 knippering bij activeren en twee knipperingen bij deactiveren. Ieder vakje dat is aangevinkt zorgt voor een puls van 100 ms. Dit is gedaan zodat het mogelijk is om bij het gebruik van een DEFA-afstandsbediening dezelfde reactie van de richtingaanwijzers te krijgen als bij het gebruik van een originele afstandsbediening. Bovendien is het mogelijk om een eigen knipperpatroon in te stellen. Relais: (potentiaalvrij contact): Het relais voor de startblokkering kan voor andere doelen gebruikt worden. Als we het relais aan massa leggen, hebben we een massaverbinding via het relais. Als we er 12 V instoppen, komt er 12 V uit. Hier is de functie ”Hazard” gekozen voor het relais. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

59 Programmeren – DEFA Express
Op het tabblad ”Node Settings” kan de gevoeligheid van de drie afzonderlijke sensoren ingesteld worden. De ruitbreuksensor kent vijf gevoeligheidsniveaus. Niveau 1 (geheel naar links) is de laagste gevoeligheid. Niveau 5 (geheel naar rechts) is de hoogste gevoeligheid. De bewegingssensor kent acht gevoeligheidsniveaus. Niveau 1 (geheel naar links) is de laagste gevoeligheid. Niveau 8 (geheel naar rechts) is de hoogste gevoeligheid. De hellingshoeksensor kent drie gevoeligheidsniveaus. Niveau 1 (geheel naar links) is de laagste gevoeligheid. Niveau 3 (geheel naar rechts) is de hoogste gevoeligheid. Let op! Alle instellingen op de tabbladen General, Inputs, Outputs en Node Settings worden door DEFA gedaan voor ieder model auto. Alleen wanneer de inbouwer deze wil veranderen, of extra opties wil toevoegen, kan hij op deze tabbladen de wijzigingen aanbrengen. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

60 Programmeren – DEFA Express
Op het tabblad ”Information”, staat informatie over: - Welke autospecifieke software in de alarmunit aanwezig is. - Welke firmwareversie nodig is voor deze specifieke auto. - Welke interfaceversie gebruikt is. DEFA heeft mogelijk wijzigingen aangebracht in die autospecifieke software, waardoor er verschillende varianten in omloop zijn. Wat is er in de unit aanwezig/wat zou er in de unit aanwezig moeten zijn? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

61 DEFA Express: custom settings bij bestaande voertuigen
We kwamen bij het menu ”custom settings” in nieuwe voertuigen door : 1. Op ”Configure a new car” te drukken. 2 Vervolgens een model auto te kiezen. 3. ”Custom Settings” aan te vinken. 4. Op ”Next” te drukken Als u de instellingen van een unit wilt wijzigen die al in een auto is ingebouwd, gebruik dan: ”Modify an existing car”! De software van de unit wordt overgebracht naar de pc, u voert wijzigingen door en vervolgens verzendt u de gewijzigde software terug naar de alarmunit. Op deze manier blijven alle oudere aangebrachte wijzigingen intact. Misschien is de gevoeligheid van de hellingshoeksensor aangepast door een vorige inbouwer. Als u voor de “rode pijlen” volgt zoals hierboven beschreven, moet u de autospecifieke software kiezen voordat u bij het menu komt waarin u de gevoeligheid van de bewegingssensor kunt instellen. Alle oude wijzigingen worden overschreven naar het standaardniveau dat door DEFA gekozen is voor de auto. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

62 Programmeren – DEFA Express
DEFA ontwikkelt continu alarmtoepassingen voor nieuwe auto's. Deze updates zijn steeds terug te vinden onder de optie ”Check for Updates”. Om deze updates te kunnen downloaden moet de pc verbonden zijn met internet wanneer u op ”Check for Updates” drukt. Als de knop ”Update” zichtbaar is in het volgende menu, worden nieuwe updates naar de pc gedownload zodra u op deze knop drukt. Als de knop ”Update” niet zichtbaar is, zijn er geen nieuwe updates verschenen sinds de laatste keer dat er gecontroleerd werd. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

63 Programmeren – DEFA Express
De volgende knop in het hoofdmenu is de knop ”Check Alarm Status”. Hier vind u een overzicht van de items die het alarm de laatste tien keer geactiveerd hebben. Als een klant klaagt over valse alarmmeldingen, kan dit overzicht mogelijk van pas komen. U ontdekt snel welke sensor of welke schakelaar het alarm heeft ingeschakeld. Druk op ”Update” om de lijst te tonen. In dit voorbeeld zien we dat het alarm de 2 keer door het contact “aan” getriggerd werdt en een maal door de radar sensor. Met de knop ”Clear” wordt de lijst gewist. U ziet in de kolom “Time since arm” de tijd tussen het scherp zetten van het alarm en de alarmmelding. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

64 Specifieke bedradingsschema's
DEFA verzorgt aangepaste montage-instructies voor ieder model auto. We zullen een van deze formulieren nader bekijken. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

65 Autospecifiek bedradingsschema – bladzijde 1
Op bladzijde 1 vindt u het model auto waarop de instructie van toepassing is. In dit geval een DEFA SUPER SAFE COUPÉ, modeljaar 2010 met afstandsbediening. Het streepje ( - ) achter 2010 betekent dat het formulier van toepassing is op auto's vanaf modeljaar 2010 tot aan een nieuwe modelversie. Een nieuwe modelversie kan jaar ”bestaan” voordat deze wordt vervangen door een nieuwe. Onder REQUIREMENTS staan alle extra materialen die bij montage nodig zijn. Omdat de meeste auto's tegenwoordig over een CAN-BUS beschikken, zal deze lijst vaak leeg zijn. Vaak hoeft u bij moderne auto's niet meer dan 6 draden aan te sluiten voor de montage van een alarmsysteem. Extra materialen zijn daardoor overbodig. We proberen ook in te schatten hoeveel tijd de montage vraagt. Dit verschilt natuurlijk per inbouwer en hoe vaak een systeem in eenzelfde model auto gemonteerd is. Voor de montagetijd gebruiken we de volgende classificatie: - A, maximaal 2 uren. - B, 2 tot 4 uren. - C, langer dan 4 uren. Het gedeelte OTHER is bestemd voor opmerkingen betreffende de montage in dit model auto. De sirene wordt zonder stekker geleverd. Op bladzijde 1, in de instructies rechts onderaan, wordt aangegeven hoe de sirenebedrading aangesloten moet worden op de sirenestekker. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 65

66 Autospecifiek bedradingsschema – bladzijde 2
Op bladzijde 2 en 3 geven we aan welke draden van het alarmsysteem en de auto met elkaar verbonden moeten worden. De draadkleur, het pennummer en de locatie van de stekker in de auto worden aangegeven. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 66

67 Autospecifiek bedradingsschema – bladzijde 3
In sommige gevallen wordt de draadfunctie ook aangegeven. Hierdoor wordt het lokaliseren van een storing vergemakkelijkt. Bijvoorbeeld: - Pos. Block. Arm: Positieve blokkade bij activeren. Wanneer het signaal van deze draad “hoog” wordt, wordt het activeren van het alarm gedurende een bepaalde tijd geblokkeerd. - Pos. Disarm: Een positief signaal in deze draad zal het alarm uitschakelen. - Neg. Block. Disarm: Deactivering wordt gedurende een bepaalde tijd geblokkeerd nadat het signaal “laag” geworden is. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 67

68 Autospecifiek bedradingsschema – bladzijde 4
Op bladzijde 4 geven we aan waar de verschillende onderdelen van het alarmsysteem ingebouwd moeten worden. Dit zijn slechts onze suggesties. De inbouwer mag uiteraard zelf beslissen waar de onderdelen geplaatst worden, zolang hij zich houdt aan de voorschriften voor het plaatsen van de onderdelen. In sommige gevallen is dit absoluut noodzakelijk. Verschillende motoren leiden bijvoorbeeld tot een verschillende indeling van de motorruimte bij een auto. Misschien is de locatie die DEFA aangeeft mogelijk in een auto met een 1,6 liter benzinemotor maar niet in hetzelfde model met een 2 liter dieselmotor.. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 68

69 Specifieke bedradingsschema's – 400- en 800-schema's
De 400- en 800-systemen zijn twee vorige alarmsystemen van DEFA. DEFA heeft gedurende een aantal jaar autospecifieke montage-instructies vervaardigd. Daarom bestaan er diverse instructies voor het monteren van oudere DEFA alarmsystemen. Als u een systeem in wilt bouwen in een auto zonder DEFA Express, kunt u de eerdere instructies voor de 400- en 800-systemen volgen. De stekkers van het alarmsysteem zijn uiteraard niet de juiste, maar de kleurcodes van de draden zijn gelijk. In zulke gevallen kiest u niet het model auto in DEFA Express, maar kiest u het type alarmsysteem: 800 wanneer u de instructies van het 800-systeem volgt bij het inbouwen. 400 wanneer u de instructies van het 400-systeem volgt bij het inbouwen. (Onthoud dat u de juiste programmeerversie moet kiezen wanneer u 400 kiest: 6.1, 6.2, 6.3, enz.) U vindt het juiste programmeertype dat u moet gebruiken op bladzijde 2 van de instructies voor het 400-systeem, links onderaan. Als voorbeeld is rechts het DEFA 400-systeem gekozen samen met programmeertype 6.12. DEFA 400 6. 12 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 69

70 Nieuwsbrief EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

71 Nieuwsbrief – Alarmtoepassingen voor nieuwe modellen auto's
DEFA verstuurt nieuwsbrieven om te informeren dat er nieuwe alarmtoepassingen ontwikkeld zijn voor nieuwe modellen auto's. DEFA verstuurt de nieuwsbrieven naar de landelijke distributeurs die er op hun beurt voor zorgen dat hun klanten geïnformeerd worden. Het volgende wordt in de nieuwsbrieven vermeld: De auto in kwestie. Het type alarmsysteem dat gebruikt moet worden. De minimale software-eisen. Indien mogelijk extra accessoires die voor montage nodig zijn. Als er bijvoorbeeld diodes gebruikt moeten worden dan wordt dat hier genoemd. Er bestaat een formulier voor wijzigingen aan vorige systemen. Hierop vindt u, naast de bovengenoemde informatie, een omschrijving van de wijziging. Een voorbeeld hiervan kan zijn dat de autofabrikant de kleur van een draad heeft veranderd. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 71

72 Hoofdschema DVS90 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

73 Hoofdschema ZWART, USB NAAR PC Dit overzicht toont alle ingangs- en uitgangssignalen van de alarmunit. Wie eerder een DEFA-alarmsysteem van de vorige generatie gemonteerd heeft, zal verschillende kleurcodes herkennen. Deze worden vaak opnieuw gebruikt en hebben grotendeels dezelfde functie als voorheen. DEFA gebruikt, voor zover mogelijk, de bekende functies. Verschillende ingangs- en uitgangssignalen van de DVS90 kunnen echter indien nodig worden gewijzigd. Deze zijn gemarkeerd met (P) in het hoofdschema rechts. Wanneer we de ingangssignalen opnieuw benoemen, kunnen we bijvoorbeeld twee regelsignalen voor de portieren gebruiken wanneer er sprake is van een 4-deurs auto. Hierdoor voorkomen we dat er meerdere circuits over een diode lopen. Door deze flexibiliteit verloopt de montage in sommige gevallen gemakkelijker dan wanneer de ingangs- en uitgangssignalen vastgelegd worden zoals bij de vorige generaties alarmsystemen. De ingangs- en uitgangssignalen die door DEFA worden gebruikt voor toepassing in een specifieke auto, worden vastgelegd voor hun specifieke doel. De overgebleven ingangs- en uitgangssignalen, met het merkteken (P), kunnen door de inbouwer vrij gebruikt worden. De ingangs- en uitgangssignalen worden ingesteld via DEFA Express aan de hand van de individuele behoefte. We komen hierop terug en zullen elke draad en zijn bijbehorende functie nader bekijken. LIN-BUS ZWART/GRIJS MOTORKAP- SCHAKELAAR HELLINGSHOEKSENSOR LIN-BUS BEWEGINGSSENSOR 30 ORANJE/BRUIN, CAN LOW ROOD/ZWART, INGANG STARTONDERBR. ORANJE/GROEN, CAN HIGH ROOD/GEEL, INGAAND REGELSIGN. (POS) (P) INGAAND REGELSIGN. (POS) WIT/GROEN, UITGANG STARTONDERBR. ROOD/WIT, INGAAND REGELSIGN. (POS) (P) INGAAND REGELSIGN. (POS) ROOD, 12 V/24 V GRIJS, PORTIERSCHAKELAAR (P) STANDAARD UITGANGS- SIGN. (POS) BLAUW/ROOD, STANDAARD UITGANGSSIGN. (POS) (P) GRIJS/WIT, PORTIERSCHAKELAAR 2 (P) GRIJS/ZWART, UITGANGSSIGN. RICHTINGAANWIJZER 1 (P) WIT, ACHTERKLEPSCHAKELAAR (P) GRIJS/ROOD, UITGANGSSIGN. RICHTINGAANWIJZER 2 (P) WIT/BRUIN, ONTSTEKING (P) STANDAARD UITGANGS- SIGN. (NEG) 15 BLAUW, STANDAARD UITGANGSSIGN. (NEG) (P) BRUIN/GEEL, INGAAND REGELSIGN. (NEG) (P) INGAAND REGELSIGN. (NEG) STANDAARD UITGANGS- SIGN. (NEG) GROEN, STANDAARD UITGANGSSIGN. (NEG) (P) BRUIN/WIT, INGAAND REGELSIGN. (NEG) (P) INGAAND REGELSIGN. (NEG) BRUIN, ACCESSOIRES (P) ZWART, RUITMODULE ZWART/GRIJS, MOTORKAPSCHAKELAAR (P) GROEN/ROOD, STANDAARD UITGANGSSIGN. (POS) (P) STANDAARD UITGANGS- SIGN. (POS) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

74 De centrale unit We zullen hier de montage van de alarmunit nader bekijken. Waarop moeten we letten bij de montage hiervan? Waarmee in de auto moet elke draad worden verbonden? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

75 De centrale unit De centrale unit vormt het “brein” van het alarmsysteem. Deze communiceert met de overige onderdelen van het systeem via een LIN-bus (behalve de ruitmodule). De centrale unit kan het volgende uitlezen: - High Speed CAN. - Low Speed CAN. - Single Wire CAN. - Analoge signalen. De centrale unit bevat ook een ontvanger voor Defa handzenders. De centrale unit is beveiligd tegen een verkeerde aansluiting op voeding. Ook beschikt hij over een elektronische beveiliging tegen overbelasting op alle uitgangen. Als de accu leegraakt, blijven alle noodzakelijke functies zoals de alarmstatus en de codes van de afstandsbediening intact. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

76 Centrale unit – montagepositie in de auto
Monteer de centrale unit onder het dashboard of op een andere plaats in het interieur. Bevestig de unit met kabelbinders. De centrale unit mag niet zichtbaar zijn en dient achter een van de afdekpanelen gemonteerd te worden. Om te voorkomen dat condens via de draden in de centrale unit terecht kan komen, moet de unit met de stekkers omlaag gemonteerd worden. De bekabekling mag niet zichtbaar zijn van onderen. Voorkom contact met bewegende onderdelen. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

77 De centrale unit – bedradingsschema P1 (1 van 2)
P1.1 (rood): De voeding is via een zekering van 25 A verbonden met een verdeelstuk (zekeringenkast) voor de hoofdstroom of het contactslot. De zekering mag om twee redenen niet in de motorruimte geplaatst worden: 1. De motorruimte is een vochtige ruimte waar corrosie optreedt. Het contact tussen de aansluitingen in de zekeringhouder wordt hierdoor minder. 2. Dieven zouden de zekering dan eenvoudig kunnen bereiken en het alarmsysteem kunnen uitschakelen. De zekering moet zo dicht mogelijk bij de voedingsbron geplaatst worden. P1.3 (zwart): Moet met de carrosserie worden verbonden. Gebruik de meegeleverde ringkabelschoentjes, de ring en de zelftapschroeven. Gebruik eventueel het originele massapunt. NB! De massadraad mag niet verlengd worden! Bij auto's zonder goedgekeurde originele startmotor-blokkering moeten de rood/zwarte en de wit/groene draden ook aangesloten worden: P1.2 (rood/zwart) en P1.4 (wit/groen): De stuurstroomdraad vanaf het contactslot naar de startmotorrelais (aansluiting 50) wordt dicht bij het contactslot doorgeknipt. De rood/zwarte draad wordt op een van de uiteinden aangesloten. De wit/groene draad wordt op het andere uiteinde aangesloten. WIT/GROEN, STARTBLOKKERING IN/UIT P1.4 ZWART, MASSA P1.3 ROOD/ZWART, STARTBLOKKERING IN/UIT P1.2 ROOD, (8 – 30 V) P1.1 25 A 8 – 30 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

78 De centrale unit – bedradingsschema P1 (2 van 2)
Op deze bladzijde kijken we naar achteraf gemonteerde startblokkeringen voor modellen auto's die standaard al een startblokkering hadden. De autofabrikanten nemen geleidelijk aan afscheid van het traditionele contactslot op verscheidene modellen. Dit is daarom vervangen door de START/STOP-knop. De knop is vaak verbonden met een elektronische module, zodat er achter het contactslot geen traditionele startblokkeringsstekker meer beschikbaar is. Een geschikte draad moet ergens anders worden gezocht, bijvoorbeeld de draad van het rempedaal of tussen de regeleenheden van de auto en de startmotor. REGELEENHEID WIT/GROEN, STARTBLOKKERING IN/UIT P1.4 ZWART, MASSA P1.3 ROOD/ZWART, STARTBLOKKERING IN/UIT P1.2 ROOD, (8 – 30 V) P1.1 25 A 8 – 30 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

79 De centrale unit – bedradingsschema P4.4 ontsteking
Ontstekingssignaal, wit/bruine draad: - Verbinden met klem 15 achter het contactslot. Op de draad staat 12 V wanneer de ontsteking ingeschakeld is en 0 V wanneer de ontsteking uitgeschakeld is. Het ontstekingssignaal kan eventueel opgepakt worden wanneer het contact in stand ACC staat, maar dit kan tot problemen leiden. Sommige autoradio's houden in stand ACC een restspanning vast nadat de contactsleutel uit het contact is verwijderd. Dit betekent dat het alarmsysteem niet ingeschakeld wordt voordat de elektronica in de radio de restspanning heeft afgevoerd (condensator). WIT/BRUIN, ONTSTEKING P4.4 15 25 A ONTSTEKING AAN: 12 V ONTSTEKING UIT: 0 V CONTACTSLOT EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

80 De centrale unit – bedradingsschema P4.4 ontsteking
U vindt geen contactslot in auto's met een startknop, noch een aansluiting 15 achter het slot. De ontsteking wordt verzorgd door de regeleenheid van de auto. WIT/BRUIN, ONTSTEKING P4.4 REGEL- EENHEID ONTSTEKING AAN: 12 V ONTSTEKING UIT: 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

81 De centrale unit – bedradingsschema P4.3 achterklep
Schakelaar voor achterklep, witte draad: - Verbinden met de originele achterklepschakelaar van de auto. U vindt deze tussen de schakelaar en het lampje in de bagageruimte. De draad zit bij nieuwere auto's vaak voorin, op de regeleenheid of achter de snelheidsmeter. Het signaal moet bij auto's met een indicator Open achterklep voorin beschikbaar zijn. Wanneer u de draad in de auto doormeet, meet u meestal 12 V wanneer de klep gesloten is en 0 V wanneer de klep geopend is. Bij bepaalde auto's is het omgekeerd. DEFA houdt hier in de autospecifieke software rekening mee. BAGAGERUIMTE- VERLICHTING WIT, ACHTERKLEPSCHAKELAAR P4.3 Achterklep geopend: 0 V Achterklep gesloten: 12 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

82 De centrale unit – bedradingsschema P4.3 achterklep
Bij nieuwere auto's zal het elektronische systeem overschakelen naar de “slaapstand” of de energiespaarstand, bijvoorbeeld een bepaalde tijd nadat de portieren gesloten zijn. De regeleenheid verstuurt dan pulsen in plaats van een constant spanningssignaal naar het achterklepcircuit om energie te besparen. Voorheen moesten we een diode gebruiken om het probleem op te lossen. Dat is bij het monteren van de DVS90 niet nodig omdat deze pulsen kan lezen. REGEL- EENHEID Spaarstand 12 V 0 V BAGAGERUIMTEVERLICHTING WIT, ACHTERKLEPSCHAKELAAR P4.3 Achterklep geopend: 0 V Achterklep gesloten: 12 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

83 De centrale unit – bedradingsschema P2.5 – extra ACCESSOIRES
Extra accessoires, bruine draad: Het alarmcircuit beveiligt ingebouwde accessoires in de auto zoals een radio/cd-speler of andere apparatuur. Het circuit is standaard ingesteld om een alarm te laten klinken wanneer de verbinding met massa wordt losgenomen. Met andere woorden: Wanneer de draad wordt doorgeknipt. De ingang is vrij programmeerbaar en is, wanneer DEFA deze niet voor specifieke doelen gebruikt, beschikbaar voor het aansluiten van allerlei apparatuur. We komen later terug op de manier waarop dit moet gebeuren. BRUIN, EXTRA ACCESSOIRES P2.1 Aangesloten: 0 V Niet aangesloten: 12 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

84 De centrale unit – bedradingsschema P2-4 en P2-8 richtingaanwijzers
Aansturing richtingaanwijzers, grijs/zwarte draad en grijs/rode draad: De draden worden met hun eigen richtingaanwijzercircuit verbonden, één rechts en de andere links. Maximale belasting op elke uitgang: 10 A (120 W) De uitgangen zijn elektronisch beveiligd tegen overbelasting en kortsluiting. D.w.z: Wanneer de kortsluiting verholpen is, werken de uitgangen weer normaal. De afbeelding rechts toont het standaard richtingaanwijzercircuit zoals het tot het einde van de jaren negentig gebruikt werd. 12 V Richtingaanwijzer rechts: 0 V Richtingaanwijzer links: 0 V RECHTER RICHTING- AANWIJZER GRIJS/ZWART, CU_UIT 5 P2.8 GRIJS/ROOD, CU_UIT 6 P2.4 RICHTING- AANWIJZER- RELAIS RICHTING- AANWIJZER- SCHAKELAAR LINKER RICHTING- AANWIJZER Richtingaanwijzer links: 12 V 0 V Richtingaanwijzer rechts: 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

85 De centrale unit – bedradingsschema P2-4 en P2-8 richtingaanwijzers
De meeste signalen lopen bij moderne auto's via de regeleenheid van de auto. De draden vanaf de richtingaanwijzerschakelaar tot aan de regeleenheid worden spanningsloos nadat het contact is uitgezet. De aansluiting moet dus tussen de regeleenheid en de richtingaanwijzers worden gemaakt. 12 V Richtingaanwijzer rechts: 0 V Richtingaanwijzer links: 0 V RECHTER – RICHTING- AANWIJZER GRIJS/ZWART, CU_UIT 5 P2.8 GRIJS/ROOD, CU_UIT 6 P2.4 REGEL- EENHEID LINKER RICHTING- AANWIJZER RICHTINGAANWIJZER- SCHAKELAAR Richtingaanwijzer links: 12 V 0 V Richtingaanwijzer rechts: 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

86 De centrale unit – bedradingsschema P2-4 en P2-8 richtingaanwijzers
Sommige auto's hebben één circuit per lampje, d.w.z. 6 richtingaanwijzercircuits. Omdat het alarmsysteem hiervoor maar twee uitgangen heeft, moeten we diodes plaatsen om te zorgen dat alle gloeilampjes kunnen branden. Dezelfde aansluiting zonder diodes wijzigt de originele configuratie van de auto. Dat willen we niet. De auto moet na het inbouwen van het alarmsysteem net zo werken als daarvoor. 12 V Richtingaanwijzer rechts: 0 V Richtingaanwijzer links: 0 V RECHTER RICHTINGAANWIJZER GRIJS/ZWART, CU_UIT 5 P2.8 GRIJS/ROOD, CU_UIT 6 P2.4 REGEL- EENHEID RICHTINGAANWIJZER- SCHAKELAAR Richtingaanwijzer links: 12 V 0 V Richtingaanwijzer rechts: 0 V LINKER RICHTINGAANWIJZER EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

87 De centrale unit – bedradingsschema P2-2 richtingaanwijzers via alarmknipperlichtschakelaar
Alarmknipperlicht- schakelaar AAN/UIT: 12 V Normaal gesproken kunnen we het extra werk met diodes, zoals uitgelegd op de vorige bladzijde, voorkomen door een aansluiting met de alarmknipperlichtschakelaar te maken. We doen dit waar mogelijk, omdat dit de eenvoudigste wijze van inbouwen is. Deze schakelaars werken grotendeels op twee verschillende manieren: In beide gevallen wordt de draad verbonden met massa zodra de schakelaar ingedrukt wordt. Maar: 1. Sommige schakelaars blijven ingedrukt. 2. Andere keren terug in hun normale stand. In situatie 1 wordt de regeleenheid zo geprogrammeerd dat de richtingaanwijzers blijven knipperen zolang de draden van de schakelaar met massa zijn verbonden. In situatie 2 wordt de regeleenheid zo geprogrammeerd dat de richtingaanwijzers afwisselend in- of uitgeschakeld worden na ontvangst van een massapuls. In beide situaties kan de “Waarschuwings”-functie van DEFA gebruikt worden om de richtingaanwijzers aan te sturen. 0V Alarmknipperlicht- schakelaar AAN/UIT: 12 V 0 V RECHTER RICH- TINGAANWIJZER GROEN, CU_UIT 1 (alarmknipperlichtschakelaar) P2.2 REGEL- EENHEID Alarmknipperlicht- schakelaar AAN: 12 V 0 V Alarmknipperlicht- schakelaar UIT: 0 V LINKER RICHTINGAANWIJZER EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

88 De centrale unit – uitgangssignaal alarmknipperlichten.
Uitgangssignaal 1 (groen – P2.2) is hier ingesteld als alarmknipperlichten. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

89 De centrale unit – bedradingsschema P2-2 richtingaanwijzers via alarmknipperlichtschakelaar
Bij sommige auto's met een BUS-systeem is de alarmknipperlichtschakelaar rechtstreeks op een BUS-NODE (NODE = ELEKTRONISCHE UNIT) aangesloten. Dit betekent dat de draad van de schakelaar naar de regeleenheid in de auto niet bestaat. In sommige gevallen kunnen we de alarmknipperlichtfunctie van DEFA niet gebruiken om de richtingaanwijzers aan te sturen. Zoals we in de afbeelding kunnen zien, bestaan er alleen digitale signalen, vanaf de schakelaar naar de regeleenheden, vlak in de buurt van de richtingaanwijzers. Hier bevindt zich een regeleenheid in de motorruimte en één in de bagageruimte van de auto. In deze gevallen moeten we richtingaanwijzerdraden trekken naar de motorruimte en de bagageruimte om tussen de regeleenheden en de gloeilampjes verbinding te maken met de richtingaanwijzers. Kan het alarmsysteem geen digitale signalen lezen? Jawel, dat kan het wel. Maar in dit geval hebben we het over het versturen van signalen naar de BUS in de auto om de richtingaanwijzers te laten knipperen. Dit is mogelijk, maar de autofabrikanten staan dit helaas niet toe. CAN- NODE GRIJS/ZWART, CU_UIT 5 P2.8 Alarmknipperlicht- schakelaar AAN: 12 V CAN-NODE MET ALARM- KNIPPERLICHT- SCHAKELAAR 0 V CAN- NODE GRIJS/ROOD, CU_UIT 4 P2.4 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

90 De centrale unit – bedradingsschema P4-1, portieraansluitingen
Portiersignaal, grijze draad: Wordt verbonden met het portiercircuit. Wanneer u de draad in de auto doormeet, meet u meestal 12 V wanneer het portier gesloten is en 0 V wanneer het portier geopend is. Bij sommige auto's kan het andersom zijn en daarom heeft DEFA hier rekening mee gehouden in de verschillende, autospecifieke software. Let op! Bij moderne auto's wordt 12 V hier vaak vervangen door 5 V. INTERIEUR- VERLICHTING Portier geopend: 0 V Portier gesloten: 12 V GRIJS, PORTIER 1 P4.1 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

91 De centrale unit – bedradingsschema P4-1/P4-2, portieraansluitingen
Portiersignaal, grijs/witte draad: Werkt hetzelfde als bij grijze draad. Wordt aangesloten bij auto's die beschikken over meer dan één portiercircuit. De auto uit het voorbeeld heeft twee portiercircuits, één voor het linker voorportier en één voor de overige drie portieren. Wanneer u de draad in de auto doormeet, meet u meestal 12 V wanneer het portier gesloten is en 0 V wanneer het portier geopend is. Bij sommige auto's kan het andersom zijn en daarom heeft DEFA hier rekening mee gehouden in de verschillende, autospecifieke software. INTERIEUR- VERLICHTING REGEL- EENHEID Portier geopend: 0 V Portier gesloten: 12 V GRIJS/WIT, PORTIER 2 P4.2 GRIJS, PORTIER 1 P4.1 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

92 De centrale unit – bedradingsschema P4-1, portieraansluitingen
Zoals eerder opgemerkt, kunnen de portieringangen ingesteld worden op het lezen van plussignalen. Dit geldt voor alle ingangen van de DVS90. Het omzetten van de polariteit is daardoor niet langer nodig. INTERIEUR- VERLICHTING Portier geopend: 12V Portier gesloten: 0V REGEL- EENHEID GRIJS, PORTIER 1 P4.1 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

93 De centrale unit – bedradingsschema P4-1, portieraansluitingen
De ingangen van de DVS90 zijn algemeen bruikbaar, wat betekent dat geen van de ingangen vergrendeld is voor een specifieke toepassing. Hierdoor zijn voor de DVS90 geen diodebruggen noodzakelijk. Zie de volgende bladzijde voor oplossingen voor auto's met vier afzonderlijke portiercircuits. INTERIEUR- VERLICHTING Portier geopend: 0 V Portier gesloten: 12 V REGEL- EENHEID GRIJS, PORTIER 1 P4.1 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

94 De centrale unit – bedradingsschema P2 en P4 algemene ingangen
De ingangen van de DVS90 zijn algemeen bruikbaar, wat betekent dat alle ingangen voor diverse toepassingen gebruikt kunnen worden. Om te beginnen, beperken we ons tot de “oude” DEFA-functies: BRUIN = AUX (dit was wit/rood op AUS*) ZWART/GRIJS = MOTORKAP WIT/BRUIN = ONTSTEKING WIT = MOTORKAPSCHAKELAAR GRIJS/WIT = PORTIER 2 GRIJS = PORTIER 1 ROOD/WIT = Activeren/deactiveren originele afstandsbediening. ROOD/GEEL = Activeren/deactiveren originele afstandsbediening. BRUIN/WIT = Activeren/deactiveren originele afstandsbediening. BRUIN/GEEL = Activeren/deactiveren originele afstandsbediening. Wanneer we afwijken van de bovenstaande ordening, d.w.z. de ingangen hernoemen door bijvoorbeeld zwart/grijs voor het portier te gebruiken en niet voor de motorkap, verschijnt dit in de specifieke montage-instructies. In de tekening rechts zien we dat alle 10 ingangen zijn voorgesteld als portiersignalen, wat in het echt natuurlijk nooit nodig zal zijn. Het is hier gedaan om de mogelijkheden te tonen/demonstreren. *AUS = AUTO SECURITY (eerder DEFA-alarmsysteem). INTERIEUR- VERLICHTING REGEL- EENHEID Portier geopend: 0 V Portier gesloten: 12 V BRUIN (AUX), PORTIER 1 P2.1 ZWART/GRIJS (MOTORKAP), PORTIER 2 P2.5 WIT/BRUIN (ONTSTEKING), PORTIER 3 P4.1 WIT (ACHTERKLEPSCHAKELAAR), PORTIER 4 P4.2 GRIJS/WIT (PORTIER 2), PORTIER 5 P4.3 GRIJS (PORTIER 1), PORTIER 6 P4.4 ROOD/WIT (AFSTANDSBEDIENING 1), PORTIER 7 P4.5 ROOD/GEEL (AFSTANDSBEDIENING 2), PORTIER 8 P4.6 BRUIN/WIT (AFSTANDSBEDIENING 3), PORTIER 9 P4.7 BRUIN/GEEL (AFSTANDSBEDIENING 4), PORTIER 10 P4.8 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

95 De centrale unit – bedradingsschema P2 en P4 standaard ingangen
De mogelijkheid om pulssignalen te lezen bij auto's waarin deze gebruikt worden, zorgt dat de noodzaak om diodes te plaatsen in de portiercircuits van deze auto's verdwijnt met het inbouwen van de DVS90. Let op! Bij het meten van pulscircuits met een multimeter, is de spanning die op het scherm wordt aangegeven een gemiddelde waarde. Als het signaal even lang 12 V blijft als 0 V, meet u ongeveer 6 V wanneer het portier gesloten is. De pulsen van 12 V zijn vaak erg kort, dus wees niet verbaasd als de waarde op de multimeter helemaal daalt tot 1 V of lager wanneer het portier gesloten is en u 12 of 5 V verwacht te zien. In zulke gevallen is de multimeter niet geschikt. De oscilloscoop is hierbij het juiste meetgereedschap. INTERIEUR- VERLICHTING REGEL- EENHEID Portier geopend: 0 V Portier gesloten: 12 V BRUIN (AUX), PORTIER 3 P2.1 ZWART/GRIJS (MOTORKAP), PORTIER 3 P2.5 GRIJS/WIT, PORTIER 2 P4.2 GRIJS, PORTIER 1 P4.1 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

96 De centrale unit – bedradingsschema P2 en P4 standaard ingangen
De ingangen die niet door DEFA gebruikt zijn voor inbouw in de auto, zijn nu beschikbaar voor de inbouwer om naar eigen inzicht te gebruiken. We kunnen zien dat de waarden achter rood/wit en rood/geel hier grijs zijn. Dit betekent dat deze gebruikt worden door DEFA. De rest van de ingangen kan ingesteld worden als positieve of negatieve triggeringangen, op dezelfde wijze als de ingangen die door DEFA zijn gebruikt. Triggeringang: Een ingang die het alarm kan inschakelen als hierop een min- of een plussignaal wordt gezet. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

97 De centrale unit – bedradingsschema P2.5 motorkapschakelaar
Het alarmsysteem beschikt over een eigen draad voor auto's met een originele motorkapschakelaar. De draad waarmee verbinding moet worden gemaakt, bevindt zich vaak binnenin de auto. Door P2.5 te gebruiken, hoeft u geen draad vanaf de sirene naar het interieur van de auto te trekken. De draad waarmee verbinding met de motorkapschakelaar moet worden gemaakt, wordt in de autospecifieke instructies van dat model auto beschreven. Motorkap geopend: 0 V Motorkap gesloten: 12 V ZWART/GRIJS, MOTORKAPSCHAKELAAR P2.5 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

98 De centrale unit – ingangen - samenvatting
Alle ingangen kunnen ingesteld worden om het volgende te lezen: Negatieve signalen. Positieve signalen of C) Pulssignalen Degenen die DEFA AutoSecurity, de vorige generatie DEFA-alarmsystemen, kennen, herinneren zich misschien dat hoge signalen werden gedefinieerd als een spanning boven 4 V, terwijl lage signalen signalen waren die beneden 2 V bleven. Bij de DVS90 zijn deze niveaus D) instelbaar. Dit maakt aanpassingen voor auto's gemakkelijker en kunnen we alarmtoepassingen ontwikkelen voor een breder aannbod aan auto's zonder dat we extra materialen als diodes. diodebruggen en polariteitsomzetters hoeven te gebruiken. De laatste twee zijn geschiedenis. NEGATIEF SIGNAAL POSITIEF SIGNAAL BRUIN (AUX), PORTIER 1 P2.1 ZWART/GRIJS (MOTORKAP), PORTIER 2 P2.5 PULSSIGNAAL WIT/BRUIN (CONTACTSLOT), PORTIER 3 P4.1 24 V WIT (MOTORKAPSCHAKELAAR), PORTIER 4 P4.2 GRIJS/WIT (PORTIER 2), PORTIER X P4.3 HOOG GRIJS (PORTIER 1), PORTIER X P4.4 LAAG ROOD/WIT (AFSTANDSBEDIENING 1), PORTIER X P4.5 0V ROOD/GEEL (AFSTANDSBEDIENING 2), PORTIER X P4.6 BRUIN/WIT (AFSTANDSBEDIENING 3), PORTIER X P4.7 BRUIN/GEEL (AFSTANDSBEDIENING 4), PORTIER X P4.8 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

99 Motorkapschakelaar Plaatsing van en informatie over de DEFA-motorkapschakelaar. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

100 De centrale unit – bedradingsschema – motorkapschakelaar
Veel auto's beschikken standaard niet over een motorkapschakelaar. In deze gevallen moet de DEFA-motorkapschakelaar geplaatst worden. De schakelaar is hermetisch afgedicht en bestand tegen water, pekel en hoge/lage temperaturen. Let op! De schakelaar is uitsluitend bedoeld voor alarmsignalen en laat geen hogere stroomsterktes toe dan 50 mA. Hij mag daarom niet worden aangesloten op andere circuits, zoals de interieurverlichting of iets dergelijks om problemen te voorkomen. Let op! De schakelaar bevat magnetische onderdelen. Gebruik daarom tijdens het plaatsen geen magnetische gereedschappen, zoals magnetische bitjes. Gebruik de meegeleverde, niet-magnetische schroef. Als de schakelaar wordt blootgesteld aan magnetische velden, kan hij zijn werking gedeeltelijk of volledig verliezen. Na het plaatsen op metaal zal het magnetische veld geleidelijk worden omgeleid en beperkt via de carrosserie van de auto.Na enkele uren werkt de schakelaar normaal gesproken weer. De draden van de schakelaar zijn in elektrisch opzicht gelijk. Eén wordt met massa verbonden en de ander met de zwart/grijze draad van het signaal. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

101 De centrale unit – bedradingsschema – motorkapschakelaar
De schakelaar wordt aangesloten op de zwart/grijze draad vanaf de sirene. Hij legt het systeem aan massa als de motorkap geopend wordt en verbreekt de massaverbinding als de motorkap gesloten wordt. Als de zwart/grijze draad niet gebruikt kan worden, moet hij worden geïsoleerd en zo worden vastgezet dat water geen corrosie van de draad kan veroorzaken. Als de draad doorgeknipt moet worden, doe dat dan niet te dicht bij de sirene. Dat maakt het isoleren van de draad moeilijker. Motorkap open: 0 V Motorkap gesloten: 12 V ZWART/GRIJS, MOTORKAPSCHAKELAAR EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

102 Motorkapschakelaar 1. De volledige hoogte van de schakelaar is 30 mm. 2. De schakelaar maakt contact op een hoogte van 22 mm. Hij moet niet zo worden gemonteerd dat hij in het grensgebied van het inschakelpunt (22 mm) werkt. Controleer tevens de mate van indrukking. Zacht materiaal, zoals isolatiemateriaal dat aan de onderzijde van de motorkap bevestigd is, zal na verloop van tijd ingedrukt worden, waardoor de contacthoogte kan veranderen. 30 mm 1. 22 mm 2. 10 mm 3. 3. Ingedrukt is de schakelaar 10 mm hoog. Met andere woorden, er moet minimaal 1 cm speling aanwezig zijn onder de motorkap waar de schakelaar wordt gemonteerd. 4. 3 mm 4. De schakelaar mag niet worden gemonteerd vlak naast verticale metalen randen. De minimumafstand tot verticale metalen randen is 3 mm. 5. 5. De massadraad mag NIET worden bevestigd met de schroef waarmee de schakelaar bevestigd wordt. 6. De schakelaar mag niet worden gemonteerd met de "opening" gericht naar de motorruimte van de auto, omdat dat er in veel gevallen toe kan leiden dat de schakelaararm haaks op de motorkap komt te staan als deze gesloten wordt. Dat kan leiden tot een mechanisch defect aan de schakelaar. Een dergelijke, verkeerde montage maakt het verder mogelijk de schakelaararm te saboteren van buitenaf door bijvoorbeeld een stuk karton naar binnen te schuiven om daarmee de schakelaar ingedrukt te houden.. 6. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 102

103 Motorkapschakelaar De motorkapschakelaar kan met de "opening" naar opzij of naar voren worden gemonteerd. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

104 Motorkapschakelaar De motorkapschakelaar moet zo worden gemonteerd dat hij van buitenaf niet bereikbaar is als de motorkap gesloten is. Bij sommige auto's is het moeilijk een optimale inbouwpositie voor de schakelaar te vinden. Als dat het geval is, en als de schakelaar bijvoorbeeld van buitenaf met een schroevendraaier bereikbaar is, moet de schakelaar worden beschermd door hem in een omgekeerde beschermkap te plaatsen en de schakelaar samen met de kap te monteren. A) B) D) C) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

105 Motorkapschakelaar Hier zien we de schakelaar, compleet met beschermkap, gemonteerd in de auto. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

106 De sirene Montage van de sirene. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

107 De sirene - Montage De sirene zorgt ervoor dat de alarminstallatie geluid kan maken. Hij bevat onder andere een 30 Watt element dat een geluidsdruk produceert van 116 dB als het alarm geactiveerd wordt. De back-upsirene is uitgerust met interne batterijen. Dit zorgt ervoor dat de sirene ook in werking kan treden als de spanning onderbroken wordt, wat soms het geval is als iemand het systeem probeert te saboteren. De back-upsirene treedt in werking en maakt gedurende 30 seconden geluid als: 1. De bedrading naar de back-upsirene doorgeknipt of losgenomen wordt. 2. De voedingsspanning naar de centrale unit losgenomen wordt. 3. De spanning van de autoaccu wegvalt. De back-upsirene wordt niet geactiveerd als de accu geleidelijk ontladen raakt, wat het geval kan zijn als de auto geparkeerd wordt terwijl de verlichting brandt. De batterijen worden geladen met 25 mA als het contact aan gezet wordt en de laadstroom daalt tot 5 mA als de batterijen vol zijn. Let op! Als de accu van de auto of de sirene om de een of andere reden losgekoppeld moet worden, moet dat gedaan worden nadat het alarmsysteem uitgeschakeld is, omdat anders het alarmsysteem geactiveerd wordt. De back-upsirene bevat een NiMH-batterijpakket dat voor gebruik moet worden opgeladen. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

108 De sirene - Montage De bedrading van de sirene wordt geleverd zonder plug. Dat maakt het gemakkelijker de bedrading uit de motorruimte naar het interieur van de auto te voeren. Een losse plug wordt meegeleverd. Nadat de bedrading naar binnen is gevoerd, worden de draden in de plug bevestigd, zoals hier rechts is afgebeeld: Pen 2 = Zwart Pen 3 = Blauw Pen 4 = Rood De plug wordt vervolgens aangesloten op P6 of P7 op de centrale unit. De sirene communiceert met de centrale unit via de LIN-bus. P6 en P7 zijn beide LIN-busaansluitingen. Het maakt daarom niet uit op welke van de twee aansluitingen de sirene wordt aangesloten. BLAUW PEN 3 ZWART PEN 2 ROOD PEN 4 P6/P7 EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

109 De sirene - Montage Een voorbeeld van een juiste montage van de sirene. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

110 De sirene - Montage De back-upsirene wordt met schroeven gemonteerd in de motorruimte van de auto. De set bevat 3 zelftappende schroeven met bijbehorende veerringen. De sirene moet worden gemonteerd op een plaats waar hij zo goed mogelijk beschermd is tegen opspattende modder en water. De minimumafstand tot het uitlaatsysteem en een turbo is 30 cm. De sirene mag niet bereikbaar zijn vanaf de buitenzijde/onderzijde van de auto . De sirene is uitgerust met een afwater opening, zie afbeelding. Het is belangrijk de sirene onder de aangegeven hoeken te monteren, zodat zich geen condens(water) kan verzamelen in de sirene +30 30 90 85 Afwater opening voor water EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

111 De sirene - Montage 1. De centrale unit is bedoeld voor het aansturen van één sirene. 2. De verlengkabels naar de LIN-bus zijn niet dik genoeg voor de voeding van de sirene. Met andere woorden: de verlengkabels naar de LIN-bus zijn alleen voor de sensoren. DE SIRENE MOET ALTIJD RECHTSTREEKS OP DE CENTRALE UNIT WORDEN AANGESLOTEN. (De constructie van de splitter is niet zodanig dat deze in de motorruimte van de auto gemonteerd kan worden. Hij moet altijd in het interieur van de auto gemonteerd worden). Voor een tweede sirene moet een geluidsuitgangssignaal voor stekker P2 worden geprogrammeerd en een standaart 12 volt piëzo sirene gebruikt worden.. 1. 2. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

112 De bewegingssensor Montage van de bewegingssensor. EERSTE BLADZIJDE
HOOFDMENU EINDE

113 Bewegingssensor - Montage
De bewegingssensor bewaakt het interieur van de auto. Het alarm gaat af als iets/iemand in de auto beweegt. De sensor wordt 20 seconden nadat het alarm ingeschakeld is, actief. De sensor zendt zwakke microgolfradiosignalen uit (frequentie: 2,45 GHz). Hij registreert de reflecties van de signalen die hij verstuurt. De signalen die de sensor verstuurt, worden beïnvloed door vloeistof/metaal in beweging. De sensor ontvangt de reflecties van de signalen die hij zelf verstuurd heeft. Als deze reflecties niet overeenkomen met de signalen die verzonden zijn, oordeelt de sensor dat binnen het gebied dat door de sensor gedekt wordt, vloeistof of metaal in beweging is. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

114 Bewegingssensor - Montage
1. De sensor moet bij voorkeur worden gemonteerd bij het dak, tussen het dak en de hemelbekleding, ongeveer 40 cm vanaf de voorruit in het midden van de auto. Bij de montage bij het dak moeten de zonnekleppen en de A-stijlbekleding worden gedemonteerd. De bedrading wordt weggewerkt achter de hemelbekleding en de A-stijlbekleding. De sensor wordt aan de hemelbekleding bevestigd met het meegeleverde klittenband. Het DEFA-logo moet naar beneden wijzen. 2. De sensor kan ook op de B-stijl gemonteerd worden. In dat geval moet de voorzijde naar het dekkingsgebied wijzen en moet de sensor onder een hoek van ongeveer 45 graden naar beneden gemonteerd worden. 3. Als het niet mogelijk is de sensor tegen het dak te monteren, kan de sensor in de middenconsole gemonteerd worden. Als de sensor in het voorste deel van de console gemonteerd wordt, moet hij verticaal worden geplaatst. Het DEFA-logo moet naar het dekkingsgebied wijzen. Als de sensor in het achterste gedeelte van de middenconsole wordt gemonteerd, bijvoorbeeld tussen de stoelen, moet het DEFA-logo naar het dashboard wijzen. Let op! De sensor moet indien mogelijk worden verborgen achter de hemelbekleding of achter een kunststof kap. Hij mag niet worden afgedekt door metaal, omdat metaal de sensorsignalen tegenhoudt. Houd er rekening mee dat bij sommige auto's in de hemelbekleding een dunne metalen film aanwezig is. Losse metalen voorwerpen zoals sleutels, munten, enz. en flessen met inhoud, kunnen het alarm activeren als ze zich op een afstand van minder dan 25 cm van de sensor bevinden. P6/P7 ZWART, BEWEGINGSSENSOR EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 114

115 Bewegingssensor - Montage
Twee voorbeelden van plaatsen waar de bewegingssensor gemonteerd kan worden. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

116 Bewegingssensor – Montage tweede (laadruimte) sensor
Als er tweede laadruimte sensor gemonteerd wordt, zijn er niet genoeg aansluitingen op de centrale unit. Dit probleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een splitter. De aansluitingen wordt gerealizeerd zoals in deze afbeelding. De bewegingssensors heeft een aansluitkabel van 2,5 m. Om de tweede radar te plaatsen is er een kit (artikelnummer ) met een verlengkabel male – female (5 mtr) + splitter en kort aansluit kabeltje voor naar de centrale. SIRENE P6/P7 CENTRALE UNIT SPLITTER Kit: BEWEGINGSSENSOR 2,5 mtr BEWEGINGSSENSOR 5 mtr 2,5 mtr EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 116

117 Bewegingssensor - Montage
Als we een stap verdergaan en drie sensoren willen installeren, moeten we twee splitters gebruiken. Deze worden gebruikt zoals rechts is aangegeven. Denk eraan dat de sirene rechtstreeks op de centrale unit moet worden aangesloten omdat de verlengkabels niet dik genoeg zijn voor de voeding van de sirene. P6/P7 CENTRALE UNIT SPLITTER BEWEGINGSSENSOR SIRENE HELLINGSHOEK- SENSOR BEWEGINGSSENSOR SPLITTER EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 117

118 Bewegingssensor - Montage
Zoals we al op de vorige pagina zagen, is het mogelijk in één auto gebruik te maken van twee bewegingssensoren. Deze sensoren werken als ze gemonteerd zijn in afzonderlijke compartimenten, van elkaar gescheiden door een metalen scheidingswand. Als twee sensoren in één ruimte moeten worden gemonteerd, moet: - De afstand tussen de sensoren minimaal 160 cm zijn. - Het DEFA-logo op beide sensoren in dezelfde richting wijzen. > 1,6 meter DEFA-LOGO DEFA-LOGO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

119 Bewegingssensor - Montage
Klik, om de gevoeligheid van de sensor in te stellen, op ”Modify an existing car” en daarna op ”Node Settings”. De sensor heeft acht gevoeligheidsniveaus en niveau 2 wordt meestal gebruikt als standaard gevoeligheidsniveau. Het standaardniveau is afhankelijk van het model auto. Niveau 1 (geheel naar links) is de laagste gevoeligheid. Niveau 8 (geheel naar rechts) is de hoogste gevoeligheid. Testen van de gevoeligheid: De bewegingssensor registreert bewegingen in het interieur van de auto. De sensor wordt geactiveerd als er via de geopende voorportierruit een hand naar binnen wordt gestoken die naar beneden naar het midden van de voorstoel wordt bewogen en vervolgens binnen 5 seconden weer uit de auto wordt gehaald. Bewegingen buiten de auto mogen er niet toe leiden dat de sensor geactiveerd wordt. Het testen van het gevoeligheidsniveau wordt beschreven in het hoofdstuk over het werkplaatsregister. BEWEGINGSSENSOR EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 119

120 Hellingshoeksensor Montage van de hellingshoeksensor. EERSTE BLADZIJDE
HOOFDMENU EINDE

121 Hellingshoeksensor - Montage
De hellingshoeksensor beveiligt onder andere de wielen van de auto. Het alarm gaat af als de auto opgekrikt of weggesleept wordt. Als de auto volledig stilstaat, wordt de sensor 20 seconden nadat het alarm ingeschakeld is actief. De sensor is zelfstellend. Dat betekent dat de sensor de hoek van de auto ten opzichte van de weg opslaat op het moment dat het alarm ingeschakeld wordt en deze hoek wordt gebruikt als uitgangspunt. Als de hoek van de auto ten opzichte van de weg verandert, gaat het alarm af. Door de auto heen en weer te schudden of op de auto te slaan, wordt het alarm niet geactiveerd. Als de auto vervoerd moet worden op een veerboot, moet het alarm worden ingeschakeld terwijl de sensoren gedeactiveerd zijn. Zie de gebruiksaanwijzing van het alarmsysteem voor het tijdelijk deactiveren van de sensoren. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

122 Hellingshoeksensor - Montage
De sensor heeft 3 assen (X, Y en Z). Hij kan daardoor onder elke willekeurige hoek worden gemonteerd en de enige voorwaarden bij de montage zijn: - De sensor is niet waterbestendig en moet daarom op een droge plaats worden gemonteerd. - Het is belangrijk de sensor stevig te monteren, zodat hij niet los kan komen van zijn bevestigingsplaats. Dat leidt tot vals alarm. De sensor moet na montage niet zichtbaar zijn. Omdat de hellingshoeksensor altijd al een tweede sensor gemonteerd wordt, zit in de leveringsomvang van de hellingshoeksensor altijd een splitter en aansluitkabel. HELLINGSHOEKSENSOR KIT SPLITTER BEWEGINGSSENSOR EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 122

123 Hellingshoeksensor - Montage
Voorbeeldmontagepositie voor een hellingshoeksensor EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

124 Sensor synchronisatie
De sirenes en sensoren (LIN-units) moeten om te kunnen werken met de centrale unit worden gesynchroniseerd. Dat gebeurt automatisch als er spanning wordt gezet op een nieuwe centrale unit (de LIN-units moeten eerst aangesloten worden). Het is ook mogelijk de LIN-units handmatig te synchroniseren Dat moet gebeuren na het aansluiten van nieuwe of het verwijderen van oude LIN-units. De procedure voor het handmatig synchroniseren is als volgt: P6/P7 CENTRALE UNIT 1. Sluit de sensoren aan op de centrale unit via P6 of P7. 2. Zet het contact AAN. SPLITTER 3. Houd de toets op de ruitmodule ingedrukt (10 seconden) totdat de led begint te knipperen. 4. Als de led stopt met knipperen, is de synchronisatie voltooid. BEWEGINGSSENSOR HELLINGSHOEKSENSOR SIRENE EERSTE BLADZIJDE EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE EINDE 124

125 De ruitmodule Montage van de ruitmodule. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU
EINDE

126 De ruitmodule- Montage
De ruitmodule bestaat uit een led, een ruitbreuksensor en een schakelaar. De led knippert rood. Hij informeert de klant met behulp van verschillende lichtsignalen. Als het alarm ingeschakeld is, knippert de led één keer per 2 seconde. De ruitbreuksensor registreert het geluidsbeeld in het interieur. De sensor interpreteert de signalen op twee verschillende niveaus: 1. De "Watchdog-functie" signaleert slagen op de ruit. De sirene en de knipperlichten geven 5 keer een signaal. De gevoeligheid van de functie kan worden ingesteld met het DEFA Express-programma (zie Programmeren). 2. De ruitbreuksensor signaleert het geluid van brekend glas. Door ruitbreuk wordt het alarm direct geactiveerd. De gevoeligheid van de ruitbreuksensor kan worden ingesteld met het DEFA Express-programma (zie Programmeren). De toets wordt voor verschillende functies gebruikt, zo wordt bijvoorbeeld door één keer op de toets te drukken voordat het alarm wordt ingeschakeld, het alarm ingeschakeld zonder dat de sensoren actief zijn. Het deactiveren van de sensoren wordt gebruikt om te voorkomen dat het alarm onbedoeld af gaat, bijvoorbeeld als de auto wordt vervoerd op een veerboot of als er een hond in de auto wordt achtergelaten. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

127 De ruitmodule - Montage
De ruitmodule wordt bevestigd op de voorruit. De led moet als het even kan zichtbaar zijn, ongeacht de hoek waaronder naar de auto wordt gekeken. De normale plaatsen voor de module zijn afgebeeld in de afbeelding rechts. De plug wordt aangesloten op P3 van de centrale unit. P3 ZWART, RUITMODULE EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 127

128 De ruitmodule - Montage
De meest gebruikelijke positie voor de montage van de ruitmodule wordt hier getoond. Reinig de ruit met een reinigingsmiddel. Plak de meegeleverde blauwe alarmsticker op de ruit en plak de ruitmodule zodanig op deze sticker, dat alleen de lens zichtbaar is aan de bovenzijde van de sticker. Het voorbeeld van de DEFA merksticker is niet toegestaan op Nederlandse markt. Hvor er bildet? Jeg ser ingenting.. har jeg blitt blind?  EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 128

129 De ruitmodule - Montage
De ruitbreuksensor kan naar wens worden in- en uitgeschakeld. Dat gebeurt bij "General" in het DEFA Express-programma. Aangevinkt = functie actief. Ook de "Watchdog-functie" kan naar wens worden in- en uitgeschakeld. Dat gebeurt bij "General" in het DEFA Express-programma. Aangevinkt = functie actief. Klik op ”Modify an existing car” in het hoofdmenu voor de optie ”General”. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 129

130 De ruitmodule - Montage
Klik, om de gevoeligheid van de ruitmodulesensor in te stellen, op ”Modify an existing car” en daarna op ”Node Settings”. De sensor heeft vijf gevoeligheidsniveaus en niveau 3 wordt meestal gebruikt als standaard gevoeligheidsniveau. Het standaardniveau is afhankelijk van het model auto. Niveau 1 (geheel naar links) is de laagste gevoeligheid. Niveau 5 (geheel naar rechts) is de hoogste gevoeligheid. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 130

131 Uitgangen We zullen de uitgangssignalen van het alarmsysteem eens nader bekijken. Waar kunnen we deze voor gebruiken? Hoe kunnen we ze instellen? Legge til en slide hvor vi forklarer hvorfor noen av utgangene er ”låst”? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE 131

132 Uitgangen Konsekvent: Enten ”Negativ” eller ”Negativ ut”, jfr. GRN.
Het alarmsysteem heeft de volgende uitgangssignalen: - 2 uitgangssignalen naar massa, maximale belasting 1,5 A. 2 uitgangssignalen schakelend naar boordspanning (12 V of 24 V), maximale belasting 1 A. 2 uitgangssignalen schakelend naar boordspanning (12 V of 24 V), maximale belasting 10 A. 1 relais waarmee u elke gewenste component kunt aansturen. Als u de rood/zwarte draad aan massa legt, wordt de wit/groene draad aan massa gelegd als het relais bekrachtigd wordt. Als u de wit/groene draad aan massa legt, wordt de rood/zwarte draad aan massa gelegd als het relais bekrachtigd wordt. De maximale belasting gedurende een korte periode is 25 A. Bij permanent gebruik is de maximale belasting 10 A. ROOD/ZWART - RELAIS UIT/IN MAX. 10 A WIT/GROEN - RELAIS UIT/IN MAX. 10 A De uitgangssignalen kunnen verschillende functies hebben. De alternatieve functies worden geprogrammeerd in DEFA Express. We zullen de keuzemogelijkheden eens nader bekijken: BLAUW/ROOD - PLUS UIT MAX. 1 A GRIJS/ZWART - PLUS UIT MAX. 10 A GRIJS/ROOD - PLUS UIT MAX. 10 A Konsekvent: Enten ”Negativ” eller ”Negativ ut”, jfr. GRN. Husk nytt bilde av DEFA Express som inneholder de nye output-funksjonene. Først må Expressen oppdateres. BLAUW - MIN UIT......MAX. 1,5 A GROEN - MIN UIT......MAX. 1,5 A GROEN/ROOD - PLUS UIT MAX. 1 A EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 132

133 Uitgangssignalen – Alarmknipperlichtfunctie
Als we ”Hazard” kiezen voor de groen/rode draad, wordt er via de groen/rode draad gedurende 2 minuten een signaal gegeven als het alarm geactiveerd wordt. Het signaal wordt vervolgens voor een halve seconde onderbroken en daarna weer gedurende een halve seconde gegeven. Zoals we al op de vorige pagina zagen, wordt via de groen/rode draad een plussignaal verstuurd. Als we een massasignaal willen hebben, moeten we kiezen voor de blauwe of de groene draad. Deze functie wordt gebruikt om de alarmknipperlichten in te schakelen als het alarm geactiveerd wordt. (De functie wordt ook kortstondig geactiveerd bij het in- en uitschakelen van het alarm.) Hetzelfde gebeurt elektrisch als u de alarmknipperlichtschakelaar 2 minuten ingedrukt houdt (de alarmknipperlichten knipperen zolang u de knop ingedrukt houdt. Niemand kan de alarmknipperlichten uitschakelen zolang als u de knop ingedrukt houdt.) U kunt vervolgens de knop even loslaten voordat u nogmaals kort op de knop drukt om het knipperen te beëindigen. OPMERKING! Ja, we hebben het al eerder gezegd maar we herhalen het nog maar eens: U kunt alle uitgangssignalen kiezen en programmeren. De polariteit echter staat vast. Zo kunt u bijvoorbeeld via de blauwe draad nooit een plussignaal versturen. 12/24 V 2 MINUTEN 0,5 S 0,5 S 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 133

134 Uitgangssignalen – Geluidsignaalfunctie
Als we voor de groen/rode draad ”Sound” kiezen: Via de groen/rode draad wordt een korte tijd (100 ms) een signaal gegeven waardoor er een kort geluidssignaal hoorbaar is. Afbeelding A. Via de groen/rode draad worden twee korte geluidssignalen gegeven als het alarm uitgeschakeld wordt. Afbeelding B. Via de groen/rode draad wordt gedurende 30 seconden een signaal verstuurd als het alarm geactiveerd wordt. Afbeelding C. Met andere woorden: Er wordt een uitgangssignaal verstuurd als de sirene geacht wordt geluid te maken. Zoals we al op de vorige pagina zagen, wordt via de groen/rode draad een plussignaal verstuurd. Als we een negatief signaal willen, moet de blauwe of groene draad gebruikt worden. Deze functie kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor extra sirenes (andere dan DVS90 sirene). Let op! ”Sound Chirp" AAN/UIT wordt gekozen onder ”General”. Alleen beschikbaar op markten waar geluidssignalen toegestaan zijn. 12/24 V Afbeelding A) 0 V 100 ms 100 ms 12/24 V Afbeelding B) 0 V 100 ms 100 ms 12/24 V Afbeelding C) 30 SECONDEN 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

135 Uitgangssignalen – Pager-functie
Als we de voor de groen/rode draad ”Pager” kiezen: Via de groen/rode draad wordt gedurende 30 seconden een signaal verstuurd als het alarm geactiveerd wordt. Als het alarm meerdere keren geactiveerd gedurende dezelfde activeringsperiode, zal de ”Pager”-functie alleen de eerste keer geactiveerd worden. 12/24 V 30 SECONDEN 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 135

136 Uitgangssignalen – Pager-functie, een voorbeeld
Hier hebben we een voertuigvolgsysyeem (DEFA DT20) aangesloten op het alarmsysteem. De DT20 stuurt een bericht als de oranje draad aan massa wordt gelegd. Daarom moeten we de groene of de blauwe draad van het alarm gebruiken. Alleen deze twee geven een massasignaal. In dit voorbeeld is gekozen voor de blauwe draad. Let op! De ingang van de DT20 moet worden ingesteld op ”Input Alarm” om te kunnen werken. BLAUW ORG EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 136

137 Uitgangssignalen – Lichtsignaalfunctie
Als we ”Light” kiezen voor de groen/rode draad, wordt er via deze draad een signaal verzonden als het alarm in- en uitgeschakeld wordt met een DEFA-afstandsbediening. Hier kunnen we de pulsen en de pulslengte naar wens instellen. Ieder groen vinkje staat voor een signaal van 0,1 seconde. In dit voorbeeld staan er 5 vinkjes rechts naast Arming. Dit resulteert in een signaal van 0,5 seconde als het alarm ingeschakeld wordt. Rechts naast Disarming staan eerst 5 vinkjes, vervolgens 5 lege vakjes en vervolgens weer 5 vinkjes. Dit resulteert in twee pulssignalen van 0,5 seconde met een pauze van 0,5 seconde bij het uitschakelen. Denk eraan de grijs/rode en grijs/zwarte draad te gebruiken om de richtingaanwijzers rechtstreeks aan te sturen. Het uitgangssignaal op de groen/rode draad is 1,5 A en dat is een te lage stroomsterkte om de richtingaanwijzers rechtstreeks aan te sturen. 12/24 V INSCHAKELEN: 0 V 0,5 s 0,5 s 12/24 V UITSCHAKELEN: 0 V 0,5 s 0,5 s EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 137

138 Uitgangssignalen – Startrelaisfunctie
Voor de groen/rode draad is hier gekozen voor ”StartRelay”. Als er behoefte is aan meerdere startblokkeercircuits, kan het uitgangssignaal gebruikt worden om relais aan te sturen die bijvoorbeeld het brandstofpompcircuit of het ontstekingscircuit onderbreken. Dit komt naast het geïntegreerde startblokkeercircuit dat gewoonlijk gebruikt wordt om het circuit naar de startmotor te onderbreken. De groen/rode draad verstuurt een signaal als het alarm uitgeschakeld is en het contact aan staat. Het signaal valt weg 55 seconden nadat het contact uit is gezet. 86 85 87 30 GROEN/ROOD 87 RELAIS BRANDSTOFPOMP REGELEENHEID EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 138

139 Uitgangssignalen – Ontstekingsfunctie
Als we ”Ignition” kiezen voor de groen/rode draad, wordt er via de groen/rode draad een signaal gegeven zolang het contact aan staat. In de afbeelding kunnen we zien hoe het alarm gebruikt kan worden om een digitaal ontstekingssignaal om te zetten in een analoog ontstekingssignaal. CAN L CAN H GROEN/ROOD DIGITALE ONTSTEKING IN ANALOGE ONTSTEKING UIT EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

140 Uitgangssignalen – ”Lock” en ”Unlock”-functie
Hier is voor ”Lock” gekozen voor de groene draad en voor ”Unlock” voor de blauwe draad. Via ”Lock” wordt een signaal verstuurd als het alarm ingeschakeld wordt met een DEFA-afstandsbediening. Via ”Unlock” wordt een signaal verstuurd als het alarm uitgeschakeld wordt met een DEFA-afstandsbediening. Het signaal wordt alleen verzonden op het moment dat de conditie wijzigt. Met andere woorden, er wordt geen puls verzonden als het alarm al ingeschakeld is. Hetzelfde geldt bij het uitschakelen in een gedeactiveerde conditie. In het kader ”Time” rechts in DEFA Express hebben we voor beide signalen gekozen voor 500 ms. De signalen duren daarom een halve seconde (500 ms = 0,5 s). Deze functies worden gewoonlijk gebruikt om de centrale vergrendeling van de auto te bedienen met een DEFA-afstandsbediening. De signalen worden niet verstuurd als er een originele afstandsbediening wordt gebruikt. Andere manieren om centrale vergrendelingssystemen aan te sturen komen aan bod in het volgende hoofdstuk. 500 ms 0 V 12 V/24 V BLAUW - ONTGRENDELEN 500 ms 0 V 12 V/24 V GROEN - VERGRENDELEN EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

141 Uitgangssignalen – ”Lock/Unlock Pattern”-functie
Er zijn verschillende originele centrale vergrendelingssystemen. De ”Lock/Unlock Pattern”-functie maakt het mogelijk het alarmsysteem hieraan aan te passen. In het voorbeeld behandelen we een systeem dat niet reageert op de eerste puls om te ontgrendelen. Deze auto is zo gemaakt dat als de sleutel in de slotcilinder gestoken wordt en naar de stand ontgrendelen wordt gedraaid, alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld. Er wordt een pulssignaal verstuurd door de elektrische module in de auto maar dit pulssignaal wordt genegeerd. Er wordt geen slotservo van de centrale vergrendeling geactiveerd. Het portier wordt handmatig ontgrendeld op dezelfde manier als bij een auto zonder centrale vergrendeling. Om alle portieren te ontgrendelen, moet de sleutel nogmaals in de stand ontgrendelen worden gedraaid binnen een bepaalde tijd (ongeveer 3 seconden). Als het alarm wordt aangesloten op de bedrading van de centrale vergrendeling, zou het alarm exact hetzelfde doen als de gebruiker doet met de slotcilinder om alle portieren te ontgrendelen. Dit is opgelost door ervoor te zorgen dat de afstandsbediening van het alarm na de eerste druk op de toets twee pulssignalen verstuurt. Dat is wat we hier gedaan hebben door gebruik te maken van de ”Lock/Unlock pattern”-functie. Vergrendel- puls (500 ms) 12/24 V Ontgrendelpuls 1 (500 ms) Ontgrendelpuls 2 (500 ms) VERGRENDELEN: 0 V 0,5 s 0,5 s 12/24 V ONTGRENDELEN: 0 V 0,5 s 0,5 s EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 141

142 Uitgangssignalen – ”Arming Pulse en Disarming Pulse”-functies
Bij ”Arming Pulse” wordt er elke keer dat de toets voor inschakelen wordt ingedrukt, een pulssignaal verstuurd. Dat is het geval bij de DEFA-afstandsbediening en de originele afstandsbediening van de auto als deze wordt gebruikt om het alarm in- en uit te schakelen. Bij bepaalde auto's werkt de functie soms alleen bij het van ontgrendeld naar vergrendeld gaan en niet als de auto reeds vergrendeld is. Dat komt omdat bij bepaalde auto's geen vergrendelsignaal kan worden verstuurd als de auto al vergrendeld is. De ”Disarming Pulse”-functie werkt hetzelfde als de ”Arming-Pulse” maar wordt geactiveerd door het uitschakelen en niet door het inschakelen van het alarm. De inbouwer kan zelf de pulslengte instellen. Hier is de tijd ingesteld op milliseconden of 20 seconden. Deze functie kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor ”follow me home”. 20 s 0 V 12/24 V INSCHAKELPULS: 20 s 0 V 12/24 V UITSCHAKELPULS: EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 142

143 Uitgangssignalen – ”Armed Status en Disarmed Status”-functies
”Armed Status” is geactiveerd zolang het alarm ingeschakeld is. ”Disarmed Status” is geactiveerd zolang het alarm uitgeschakeld is. Let op! Als u een laag signaal wilt gebruiken moet u de groene of blauwe draad gebruiken. Alarm ingeschakeld 12/24 V Armed Status: 0 V Alarm uitgeschakeld 12/24 V Disarmed Status: 0 V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 143

144 Uitgangssignalen - uitgangssignalen geclaimd door DEFA
In sommige gevallen maakt DEFA gebruik van bepaalde uitgangssignalen om de belangrijkste functies van het alarm te laten werken zoals ze moeten werken. In de gevallen waarin een uitgangssignaal gebruikt wordt door DEFA kan de inbouwer het uitgangssignaal niet meer naar eigen behoefte gebruiken. Dit wordt aangegeven door de achtergrond van het desbetreffende uitgangssignaal grijs weer te geven. We kunnen hier zien dat uitgangssignaal 1 wordt gebruikt om de knipperlichten aan te sturen via de alarmknipperlichtschakelaar. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

145 Uitgangssignalen – Centrale vergrendeling
Hier behandelen we de verschillende centrale vergrendelingssystemen die vandaag de dag in auto's worden gebruikt. Hoe kunnen we deze aansturen met de uitgangssignalen van het alarm? Alleen van toepassing bij gebruik van de DEFA-afstandsbediening. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

146 Regeling centrale vergrendeling – Adapter centrale vergrendeling,
Regeling centrale vergrendeling – Adapter centrale vergrendeling, box met 2 relais Als de servo's van de centrale vergrendeling rechtstreeks aangestuurd moeten worden of als het nodig is de servo's van de centrale vergrendeling via een relais aan te sturen, kan er een relaisbox worden aangesloten tussen de centrale unit en de centrale vergrendeling. In de bovenste tekening is te zien hoe de relaisbox eruitziet. De onderste tekening laat de relaisbox in werking zien. De draden (A) worden aangesloten op twee van de uitgangen van de centrale unit, zodat de centrale unit de vergrendel- en ontgrendelrelais in de relaisbox kan aansturen. (We kennen de vergrendel- en ontgrendelfuncties van de vorige pagina.) De blauwe draad (A) stuurt het ontgrendelrelais aan. De groene draad (A) stuurt het vergrendelrelais aan. De rode draad (A) wordt aangesloten op +12 V of massa, afhankelijk van het feit of de blauwe en groene draad worden aangestuurd door plussignalen of massasignalen van de centrale unit (zie volgende pagina). De uitgangen voor het ontgrendelen (B) en vergrendelen (C) worden aangesloten op de centrale vergrendeling van de auto om deze aan te sturen. Op de volgende dia's zien we verschillende centrale vergrendelingssystemen en hoe deze worden aangestuurd met behulp van de relaisbox. ROOD BLAUW GROEN BRUIN WIT GEEL A) B) C) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 146

147 Regeling centrale vergrendeling – Adapter centrale vergrendeling,
Regeling centrale vergrendeling – Adapter centrale vergrendeling, box met 2 relais Hier zien we hoe de centrale unit aangesloten wordt op de adapter voor de centrale vergrendeling. We hebben twee mogelijkheden: 1. Als we een plussignaal van de centrale unit gebruiken, moet de rode draad van de adapter aan massa worden gelegd. 2. Als we een massasignaal van de centrale unit gebruiken, moet de rode draad van de centrale unit aangesloten worden op 12 V. Op de volgende pagina's is te zien hoe de draden van de adapter worden aangesloten op de verschillende centrale vergrendelingssystemen die we in auto's vinden. P2-6 GP_OUT3 - GROEN/ROOD B) P2-7 GP_OUT4 - BLAUW/ROOD C) +12 V P2-2 GP_OUT1 – GROEN B) P2-3 GP_OUT2 – BLAUW C) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 147

148 Regeling centrale vergrendeling – 6 verschillende originele
Regeling centrale vergrendeling – 6 verschillende originele centrale vergrendelingssystemen DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING We zullen eens gaan kijken naar de 6 meest voorkomende centrale vergrendelingssystemen: 1. De auto heeft geen centrale vergrendeling, er moeten DEFA-servo's worden gemonteerd. 2. De servo's van de originele centrale vergrendeling worden rechtstreeks aangestuurd. 3. De originele centrale vergrendeling wordt aangestuurd met een plussignaal. 4. Regeling van een origineel systeem dat vergrendelt als het aan massa wordt gelegd en ontgrendelt als de massaverbinding wordt verbroken. 5. De originele centrale vergrendeling wordt aangestuurd met een massasignaal. 6. Regeling van een origineel, pneumatisch systeem. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING P2.6 of P2.7 BLAUW/ROOD +12V +12V GROEN/ROOD Vergren- delen Ontgren- delen A: Vergrendelen B: Ontgrendelen BLAUW 1 2 GROEN 3 Slotservo's centrale vergrendeling DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING P2.2 of P2.3 BLAUW GROEN +12V Naar originele regel- eenheid A: Ontgrendelen B: Vergrendelen A: Vergrendelen en ontgrendelen 4 5 A: Vergrendelen en ontgrendelen 6 Naar pneumatische pomp EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 148

149 Regeling centrale vergrendeling – DEFA-servo
De DEFA-servo's zijn bedoeld voor auto's die niet af fabriek uitgerust zijn met een centrale vergrendeling. Hiermee kan, in combinatie met een alarmsysteem, een auto zonder centrale vergrendeling achteraf alsnog met centrale vergrendeling worden uitgerust. De slotservo's worden aangestuurd volgens schema 1 voor de centrale vergrendeling zoals afgebeeld in de vorige dia. De slotservo's worden parallel aangesloten. Nytt bilde! EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

150 Regeling centrale vergrendeling – Schema 1, DEFA-servo's
De DEFA-adapter voor de centrale vergrendeling wordt rechtstreeks aangesloten op de DEFA-servo. Als het relais in de ruststand staat, liggen beide zijden van de servo aan massa. Als een van de relaiscontacten opengaat, wordt de massaverbinding verbroken en komt er aan deze kant van de servo 12 V (24 V) te staan. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het vergrendelrelais te bedienen. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING Als het vergrendelrelais in werking is, wordt de massaverbinding aan een kant van de servo verbroken. Tegelijkertijd komt er op deze zijde van de servo een spanning van 12 V te staan. Hierdoor gaat de servo werken en wordt het portier van de auto vergrendeld. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het relais te activeren. +12V Na een korte periode gaat het relais weer naar de normale positie, waardoor de 12V-spanning wegvalt en de servo weer aan massa wordt gelegd. We zijn nu weer terug bij de uitgangspositie, maar de portieren zijn vergrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. VERGRENDELEN: MASSA ruststand: beide kabels aan massa verbonden VERGRENDELEN: 12 V 12V 12V 12V 0V 0V 0V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 150

151 Regeling centrale vergrendeling – Schema 1, DEFA-servo's
Het ontgrendelen gaat op dezelfde manier. Het enige verschil is dat nu het ontgrendelrelais wordt geactiveerd. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het vergrendelrelais te bedienen. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING Als het vergrendelrelais in werking is, zien we dat het ontgrendelrelais de massaverbinding aan een zijde van de servo verbreekt. Tegelijkertijd komt er op deze zijde van de servo een spanning van 12 V te staan. Hierdoor gaat de servo werken en wordt het portier van de auto ontgrendeld. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het relais te activeren. +12V Het relais veert terug, verbreekt de 12V-verbinding en legt de servo weer aan massa. We zijn nu weer terug bij de uitgangspositie, maar de portieren zijn ontgrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. ONTGRENDELEN: MASSA ruststand: beide kabels aan massa verbonden ONTGRENDELEN: 12 V 12V 12V 12V 0V 0V 0V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 151

152 Regeling centrale vergrendeling – Schema 2
Hier hebben we een origineel systeem dat werkt zonder elektronica. De voedingsspanning is afkomstig van de schakelaar(s) van de centrale vergrendeling. Door de draden te volgen van de massa-aansluiting tot aan de slotservo's, kunnen we zien dat in ruststand beide zijden van de servo's aan massa liggen. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om de vergrendeltoets aan bestuurderszijde te bedienen. Als de vergrendeltoets wordt ingedrukt, zien we dat de schakelaar de massaverbinding aan een zijde van de servo's verbreekt. Tegelijkertijd komt er op deze zijde van de servo een spanning van 12 V te staan. Hierdoor gaat de servo werken en worden de portieren van de auto vergrendeld. Druk op de rechter pijltjestoets om de vergrendeltoets los te laten. SCHAKELAARS CENTRALE VERGRENDELING OF SLOTCILINDER IN PORTIEREN (Passagierszijde) (Bestuurderszijde) VERGRENDELEN VERGRENDELEN De vergrendeltoets veert terug, verbreekt de 12V-verbinding en legt de servo's weer aan massa. We zijn nu weer terug bij de uitgangspositie, maar de portieren zijn vergrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. +12V +12V ONTGRENDELEN ONTGRENDELEN VERGRENDELEN: MASSA ruststand: beide kabels aan massa verbonden VERGRENDELEN: 12 V 12V 12V 12V 0V 0V 0V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 152

153 Regeling centrale vergrendeling – Schema 2
We kijken even wat er gebeurt bij het ontgrendelen: Omdat we nu weer terug zijn bij de uitgangspositie, liggen beide zijden van de slotservo's aan massa. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om de ontgrendeltoets op het portier aan passagierszijde te bedienen. Als de ontgrendeltoets wordt ingedrukt, zien we dat de schakelaar de massaverbinding aan de andere zijde van de slotservo's verbreekt. Tegelijkertijd komt er op deze zijde van de slotservo's een spanning van 12 V te staan. Hierdoor ontgrendelen de slotservo's de portieren van de auto. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om de ontgrendeltoets los te laten. De ontgrendeltoets veert terug, verbreekt de 12V-verbinding en legt de slotservo's weer aan massa. We zijn nu weer terug bij de uitgangspositie, maar de portieren zijn ontgrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. We gaan dit systeem nu aansturen met het alarmsysteem. Daar hebben we twee relais voor nodig. Hiervoor zijn twee redenen: 1. Het uitgangssignaal van de centrale unit is maximaal 1 A. (De slotservo's worden hier rechtstreeks gevoed door het alarmsysteem. Iedere slotservo gebruikt in werking ongeveer 3 ampère. 4 portieren (slotservo's) x 3 A = 12 A!) 2. Functioneel. We kunnen de originele schakelaars niet "kopiëren" door gebruik te maken van de uitgangssignalen van het alarm. Daarvoor hebben we 2 relais nodig. Zoals we zien is er een adapter voor de centrale vergrendeling nodig. SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING OF SLOTCILINDER IN PORTIEREN (Passagierszijde) (Bestuurderszijde) VERGRENDELEN VERGRENDELEN +12V +12V ONTGRENDELEN ONTGRENDELEN ONTGRENDELEN: MASSA ruststand: beide kabels aan massa verbonden ONTGRENDELEN: 12 V 12V 12V 12V 0V 0V 0V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 153

154 Regeling centrale vergrendeling – Schema 2
Hier is de adapter voor de centrale vergrendeling aangesloten tussen de twee originele schakelaars in de auto (seriële aansluiting). We zullen de werking eens nader bekijken: We volgen ook nu weer de bedrading vanaf de massa, via alle drie de schakelaars en zien dat in ruststand beide zijden van de servo's aan massa liggen. Dat was ook al het geval voordat we de adapter voor de centrale vergrendeling monteerden. Verder kunnen we zien dat zowel het vergrendelrelais als het ontgrendelrelais de massaverbinding van de servo's verbreekt vlak voordat ze 12 V op de servo's zetten. Dat moeten we hebben - zo werken de originele schakelaars ook. Dat is precies wat we net gezien hebben. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het vergrendelrelais te bedienen. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING +12V Als het vergrendelrelais in werking is, zien we dat het vergrendelrelais de massaverbinding aan een zijde van de servo's verbreekt. Tegelijkertijd komt er op deze zijde van de servo een spanning van 12 V te staan. Hierdoor gaat de servo werken en worden de portieren van de auto vergrendeld. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het relais te activeren. VERGRENDELEN VERGRENDELEN +12V +12V Het relais veert terug, verbreekt de 12V-verbinding en legt de servo's weer aan massa. We zijn nu weer terug bij de uitgangspositie, maar de portieren zijn ontgrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. ONTGRENDELEN ONTGRENDELEN VERGRENDELEN: MASSA ruststand: beide kabels aan massa verbonden VERGRENDELEN: 12 V (Passagierszijde) (Bestuurderszijde) 12V 12V 12V 0V 0V 0V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 154

155 Regeling centrale vergrendeling – Schema 2
We zullen ook de ontgrendelfunctie bekijken: We volgen ook nu weer de bedrading vanaf de massa, via alle drie de schakelaars en zien dat beide zijden van de servo's aan massa liggen. Dat was ook al het geval voordat we de adapter voor de centrale vergrendeling monteerden. Verder kunnen we zien dat het ontgrendelrelais de massaverbinding van de servo's verbreekt vlak voordat het 12 V op de servo's zet. Dat is ook de bedoeling want nu werkt het net zoals de originele schakelaars. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het ontgrendelrelais te activeren (hetzelfde gebeurt als de alarmuitschakeltoets op de afstandbediening wordt ingedrukt). DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING Als het vergrendelrelais in werking is, zien we dat het de massaverbinding aan een zijde van de servo's verbreekt. Tegelijkertijd komt er op deze zijde van de servo's een spanning van 12 V te staan. Hierdoor ontgrendelen de servo's de portieren van de auto. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het relais te activeren. +12V Het relais veert terug, verbreekt de 12V-verbinding en legt de servo's weer aan massa. We zijn nu weer terug bij de uitgangspositie, maar de portieren zijn ontgrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. Nu moet dit ook werken via het alarm. Het vergrendelrelais werkt gedurende 0,5 seconde bij het inschakelen van het alarm en het ontgrendelrelais werkt gedurende 0,5 seconde bij het uitschakelen van het alarm. Opmerking: Merk op dat de originele draden bij A) zijn doorgeknipt. Als we dat niet gedaan zouden hebben, zou bij het openen van het relais 12 V direct aan massa worden gelegd, waardoor er kortsluiting zou ontstaan - en daar zitten we niet op te wachten! VERGRENDELEN VERGRENDELEN A) +12V +12V A) ONTGRENDELEN ONTGRENDELEN ONTGRENDELEN: MASSA ruststand: beide kabels aan massa verbonden ONTGRENDELEN: 12 V (Passagierszijde) (Bestuurderszijde) 12V 12V 12V 0V 0V 0V EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 155

156 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met plussignaal (AUS* = schema 3) Het volgende systeem waar we naar gaan kijken wordt geregeld met een plussignaal (hoog signaal) op de stuurdraden van het systeem. In de normale stand is de spanning op de stuurdraden van het systeem nagenoeg nul volt. De voeding voor de slotservo's wordt geleverd door de originele regeleenheid in het voertuig. In normale positie staat er nul volt op de stuurdraden. Door op de vergrendeltoets te drukken, komt er 12 V te staan op de stuurdraad, zodat de portieren vergrendeld worden. De originele regeleenheid zet nu 12 V op een van de draden van de servo's en legt de andere zijde aan massa. Als de vergrendeltoets weer in zijn uitgangspositie terugkeert, verbreekt de originele regeleenheid de aansturing van de slotservo's en is het systeem gereed om opnieuw bediend te worden. 12.00 0.00 VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING +12V 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 156

157 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met plussignaal De werking is hetzelfde als bij het vergrendelen, maar nu komt er 12 V te staan op de draad voor het ontgrendelen. 12.00 0.00 VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING +12V 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 157

158 Regeling centrale vergrendeling – Regeling met plussignaal
Omdat de slotservo's rechtstreeks gevoed worden en niet door het alarmsysteem, en we alleen twee plussignalen nodig hebben, kunnen we het in dit geval stellen zonder adapter voor de centrale vergrendeling. We gebruiken nu twee van de plussignalen van het alarmsysteem. Als voor de groen/rode draad "Lock" wordt geprogrammeerd, komt er 12 V te staan op deze draad als het alarm ingeschakeld wordt. Als voor de blauw/rode draad "Unlock" wordt geprogrammeerd, komt er 12 V te staan op deze draad als het alarm uitgeschakeld wordt. P2-6 GP_OUT3 - GROEN/ROOD P2-7 GP_OUT4 - BLAUW/ROOD EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 158

159 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met plussignaal De groen/rode draad van het alarm is hier aangesloten op de regeleenheid van de centrale vergrendeling. Als we nu op de vergrendeltoets van de afstandsbediening van het alarm drukken, zet de groen/rode draad van het alarm 12 V op de draad voor het vergrendelen. Precies op dezelfde manier als het geval zou zijn wanneer de vergrendeltoets in de auto ingedrukt zou worden. Let op! Gewoonlijk maken we geen aansluiting op de vergrendeltoets maar op de slotcilinder van de auto. Qua functie werken deze beide vaak hetzelfde maar het is veiliger de draden van de slotcilinder te gebruiken omdat soms vergrendeltoetsen in het interieur worden losgekoppeld van het systeem als de auto wordt vergrendeld van buitenaf met de slotcilinder. (Gebruik de pijltjestoetsen om de werking te bekijken.) Maar we moeten ook de ontgrendelingsfunctie nog aansluiten: P2-6 GP_OUT1 - GROEN/ROOD VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING +12V 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING/ SLOTCILINDER EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 159

160 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met plussignaal De blauw/rode draad, waar 12 V op staat als het alarm wordt uitgeschakeld, wordt nu aangesloten. De aansluiting is nu voltooid. (Gebruik de pijltjestoetsen om de werking te bekijken.) P2-6 GP_OUT1 - GROEN/ROOD P2-7 GP_OUT2 - BLAUW/ROOD VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING +12V 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 160

161 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING
Regeling centrale vergrendeling – Schema 4 We kijken nu naar een vierde versie van een originele centrale vergrendeling: Dit systeem is zo geconstrueerd dat het vergrendeld wordt en ook vergrendeld blijft als de originele regeleenheid van de centrale vergrendeling geen massasignaal van de schakelaar van de centrale vergrendeling ontvangt. Als de schakelaar aan massa ligt, ontgrendelt het systeem en blijft het ontgrendeld zolang de schakelaar aan massa ligt. Hoe komt het dat we 12 V meten op de draad tussen de schakelaar van de centrale vergrendeling en de regeleenheid voor de centrale vergrendeling als het systeem vergrendeld is? De schakelaar heeft toch geen 12V-aansluiting? Jawel, die heeft hij wel. De originele regeleenheid van de centrale vergrendeling zet 12 V op de draad tussen de regeleenheid en de schakelaar via een weerstand (de weerstand bevindt zich in de regeleenheid) Dit blijft dus een "hoog" signaal omdat de draad niet aan massa wordt gelegd. En dat is precies wat de schakelaar doet bij het ontgrendelen. Daardoor meten we 0 V of massa als het systeem ontgrendeld is en +12 V als het systeem vergrendeld is. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om te vergrendelen met de originele schakelaar. 12.00 0.00 ONTGRENDELEN 5 De signaaldraad van de schakelaar ligt niet langer aan massa, waardoor de originele regeleenheid het signaal kan "verhogen" tot 12 V (wat hij de hele tijd probeert, maar wat niet lukt zolang de schakelaar aan massa ligt). De regeleenheid verbreekt de aansluiting naar massa en zet 12 V op een van de draden van de servo's gedurende ongeveer 0,5 seconde, zodat ze kunnen vergrendelen. Druk op de rechter pijltjestoets om te kunnen zien hoe het systeem eruitziet na 0,5 seconde. ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 1 6 VERGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING De regeleenheid verzorgt niet langer een signaal van 12 V en een massaverbinding voor de servo's. De centrale vergrendeling heeft de portieren vergrendeld. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 161

162 Regeling centrale vergrendeling – Schema 4
Het ontgrendelen gaat als volgt: Het systeem staat in de vergrendelde stand. We meten 12 V op de draad tussen de regeleenheid en de schakelaar. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om te ontgrendelen met de originele schakelaar. 12.00 0.00 De signaaldraad van de regeleenheid naar de schakelaar wordt via de schakelaar aan massa gelegd. De regeleenheid zet 12 V en massa op de servo's gedurende ongeveer 0,5 seconde, waardoor ze ontgrendelen. Druk op de rechter pijltjestoets om te kunnen zien hoe het systeem eruitziet na 0,5 seconde. De regeleenheid verzorgt niet langer een signaal van 12 V en een massaverbinding voor de slotservo's. De centrale vergrendeling heeft de portieren ontgrendeld. We gaan dit systeem nu aansturen met het alarmsysteem. Het belangrijkste punt is ook nu weer een schakelaar te maken die elektrisch hetzelfde werkt als de originele schakelaar. Deze wordt in serie aangesloten samen met de originele schakelaar. Om dat te realiseren, hebben we twee relais nodig. Ook moeten we de adapter voor de centrale vergrendeling gebruiken. Opmerking: In dit geval worden de servo's niet van spanning voorzien door het alarm maar wordt alleen de regeleenheid aangestuurd, die op zijn beurt de servo's aanstuurt. Daarom hebben we alleen een adapter nodig om dezelfde werking als die van de originele schakelaar te verkrijgen. Niet omdat de belasting te hoog is. ONTGRENDELEN 5 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 1 6 VERGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 162

163 Regeling centrale vergrendeling – Schema 4
De adapter voor de centrale vergrendeling is nu in serie aangesloten met de originele schakelaar. We zullen eens kijken naar de volgende functie: We volgen ook nu weer de bedrading vanaf de massa via beide schakelaars en zien dat er contact is tot aan de regeleenheid. Net als het geval was voordat we de adapter voor de centrale vergrendeling aansloten. Verder zien we dat het vergrendelrelais de massaverbinding (groen) verandert in "niets" (rood) als het in werking is. Rood van het vergrendelrelais is namelijk nergens op aangesloten. We zien verder dat het ontgrendelrelais aan massa wordt gelegd als het relais in werking is, want bruin ligt aan massa. Het lijkt er op dat de werking van de relais en de schakelaar gelijk is. Laten we het eens proberen: Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het vergrendelrelais te bedienen. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING Als het vergrendelrelais in werking is, wordt de massaverbinding verbroken, waardoor er een "hoog" signaal op de draad komt te staan en de regeleenheid 12 V en massa op de servo's zet, waardoor deze gaan werken. Tegelijkertijd verbreken ze de massaverbinding van de vergrendel-/ontgrendelschakelaar, waardoor de servo's niet ontgrendelen zodra het relais weer teruggaat naar de uitgangspositie. (De hevel van de originele schakelaar is mechanisch verbonden met de servo's in dit systeem.) De situatie die we nu zien duurt ongeveer 0,5 seconde (de tijd dat het relais bekrachtigd is). Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het bedienen van het relais te beëindigen. ONTGRENDELEN 5 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 1 6 VERGRENDELEN Het relais veert terug. We zijn weer in de uitgangspositie. Er staat een "hoog" signaal op de stuurdraad en de auto is vergrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 163

164 Regeling centrale vergrendeling – Schema 4
We gaan de auto nu ontgrendelen: Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het ontgrendelrelais te bedienen. Als het ontgrendelrelais in werking is, ligt de regeleenheid via de bruine draad van het ontgrendelrelais aan massa. De regeleenheid zet 12 V en massa op de servo's. Deze ontgrendelen en tegelijkertijd drukken ze de hevel van de originele schakelaar naar massa. Dat gebeurt om te voorkomen dat de servo's vergrendelen zodra het relais weer naar zijn uitgangspositie gaat. (De hevel van de originele schakelaar is mechanisch verbonden met de servo's in dit systeem.) De situatie die we nu zien duurt ongeveer 0,5 seconde (de tijd dat het relais bekrachtigd is). Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord. Het relais gaat weer terug naar de uitgangspositie. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING ONTGRENDELEN Het relais veert terug. We zijn weer in de uitgangspositie. Op de stuurdraad staat nu een laag signaal (ligt aan massa) en de auto is ontgrendeld. Het systeem is nu gereed om opnieuw te worden bediend. In dit voorbeeld wordt de stuurdraad (pen 1) verbonden met 12 V als de auto vergrendeld wordt. Deze spanning is per auto verschillend maar zal in de meeste gevallen tussen V liggen. De spanning kan oplopen tot 24 V bij 24V-systemen. 5 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 1 6 VERGRENDELEN EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 164

165 Regeling centrale vergrendeling – Regeling met massasignaal. (AUS
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met massasignaal (AUS* = schema 5) Dit is hetzelfde systeem als we bestudeerd hebben bij de regeling met plussignaal (AUS* = schema 3). Het enige verschil is dat de autofabrikant gekozen heeft voor het regelen van het systeem met massasignalen. In normale positie staat er een positieve spanning op de stuurdraden. Door op de vergrendeltoets te drukken, wordt de stuurdraad aan massa gelegd, zodat de portieren vergrendeld worden. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om te vergrendelen met de vergrendeltoets. 12.00 0.00 Als pen 1 van de originele regeleenheid via de vergrendeltoets aan massa wordt gelegd, stuurt de regeleenheid een stuurspanning naar de servo's, 12 V naar pen 5 en wordt pen 6 aan massa gelegd. De servo's vergrendelen. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om de vergrendeltoets los te laten. VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING Als de vergrendeltoets losgelaten wordt, keert de toets weer terug naar de ruststand. De schakelaar staat weer in de ruststand en is gereed om opnieuw bediend te worden. AUS* = vorig alarmsysteem van DEFA (AutoSecurity) 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 165

166 CENTRALE VERGRENDELING
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met massasignaal De werking is hetzelfde als bij het vergrendelen, maar nu wordt de draad voor het ontgrendelen aan massa gelegd. 12.00 0.00 VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 166

167 Regeling centrale vergrendeling – Regeling met massasignaal
Omdat de servo's rechtstreeks gevoed worden en niet door het alarmsysteem, en we alleen twee massasignalen nodig hebben, kunnen we het in dit geval stellen zonder adapter voor de centrale vergrendeling. We gebruiken de twee massasignalen van het alarmsysteem. Als voor de groene draad "Lock" wordt geprogrammeerd, wordt deze draad door het alarm aan massa gelegd als het alarm ingeschakeld wordt. Als voor de blauwe draad "Unlock" wordt geprogrammeerd, wordt deze draad door het alarm aan massa gelegd als het alarm uitgeschakeld wordt. P2-2 GP_OUT1 – GROEN P2-3 GP_OUT2 – BLAUW EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 167

168 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING
Regeling centrale vergrendeling – Regeling met massasignaal De groene draad van het alarm is hier aangesloten op de regeleenheid van de centrale vergrendeling. Als we nu op de vergrendeltoets van de DEFA afstandsbediening van het alarm drukken, legt de groene draad van het alarm de draad voor het vergrendelen aan massa. Precies op dezelfde manier als het geval zou zijn wanneer de vergrendeltoets in de auto ingedrukt zou worden. Let op! Gewoonlijk maken we geen aansluiting op de vergrendeltoets maar op de slotcilinder van de auto. Qua functie werken deze beide vaak hetzelfde maar het is veiliger de draden van de slotcilinder te gebruiken omdat soms vergrendeltoetsen in het interieur worden losgekoppeld van het systeem als de auto van buitenaf met de slotcilinder wordt vergrendeld. (Gebruik de pijltjestoetsen om de werking te bekijken.) Maar we moeten ook de ontgrendelingsfunctie nog aansluiten: P2-1 GP_OUT1 – GROEN VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 168

169 Regeling centrale vergrendeling – Regeling met massasignaal
De blauwe draad, die aan massa wordt gelegd als het alarm wordt uitgeschakeld, wordt nu aangesloten. De aansluiting is nu voltooid. (Gebruik de pijltjestoetsen om de werking te bekijken.) P2-2 GP_OUT1 – GROEN P2-3 GP_OUT2 – BLAUW VERGRENDELEN 5 1 ORIGINELE REGELEENHEID VOOR CENTRALE VERGRENDELING 6 2 ONTGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 169

170 Regeling centrale vergrendeling – Schema 6
We zijn nu aangekomen bij het zesde en laatste originele centrale vergrendelingssysteem dat we in deze cursus behandelen. De elektrisch geregelde pneumatische pomp voor de centrale vergrendeling. Hierbij worden de slotservo's aangestuurd met behulp van lucht. Druk en onderdruk wordt opgebouwd door de originele dubbelwerkende drukpomp voor de centrale vergrendeling. Druk op de rechter pijltjestoets om te vergrendelen met de originele schakelaar. 12.00 0.00 Als de stuurdraad via de schakelaar voor de centrale vergrendeling aan massa wordt gelegd, creëert de pomp een onderdruk, waardoor de servo's in de portieren aangestuurd worden. De portieren worden vergrendeld. De pomp werkt ongeveer 4 seconden, lang genoeg om voldoende onderdruk te creëren om de servo's te laten vergrendelen. ONTGRENDELEN 12V ORIGINELE DUBBELWERKENDE POMP VOOR CENTRALE VERGRENDELING 4 VERGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 170

171 Regeling centrale vergrendeling – Schema 6
De portieren worden vergrendeld als de stuurdraad aan massa wordt gelegd. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om te ontgrendelen met de originele ontgrendelschakelaar. 12.00 0.00 Als de stuurdraad aangesloten wordt op +12 V via de schakelaar van de centrale vergrendeling, bouwt de pomp luchtdruk op waarmee de servo's in de portieren worden aangestuurd. De portieren zullen ontgrendelen. De pomp werkt ongeveer 4 seconden, lang genoeg om voldoende luchtdruk te creëren om de servo's te laten ontgrendelen. We gaan het originele systeem nu aansturen met het alarm. De oplossing is ook nu weer een schakelaar te maken die net zo werkt als de originele schakelaar. Zoals we kunnen zien wordt er gebruik gemaakt van de originele regeleenheid voor dit centrale vergrendelingssysteem. Als we dit kunnen aansturen, hoeven we ons over de belasting geen zorgen te maken. Maar we moeten wel gebruik maken van relais om de vergrendel-/ontgrendelschakelaar los te koppelen alvorens we de stuurdraad aan massa leggen of op 12 V aansluiten. We kunnen geen 12 V of massa zetten op een draad waarop de tegengestelde spanning staat. Hierdoor zou brand kunnen ontstaan. We moeten dus weer gebruik maken van de adapter voor de centrale vergrendeling. ONTGRENDELEN 12V ORIGINELE DUBBELWERKENDE POMP VOOR CENTRALE VERGRENDELING 4 Voordat we verdergaan stellen we de pulsduur voor "Lock" en "Unlock" in op 4 seconden. We zagen dat de pomp ongeveer 4 seconden moet werken om de vergrendeling te kunnen laten vergrendelen/ontgrendelen. Het alarm moet er dus ook voor zorgen dat de pomp lang genoeg draait om de portieren te kunnen vergrendelen/ontgrendelen. Let op! Gebruik nooit pulssignalen die langer zijn dan 1 seconde voor de elektroslotservo's. Als langere pulssignalen worden gebruikt, zal de servo na verloop van tijd doorbranden. VERGRENDELEN SCHAKELAAR CENTRALE VERGRENDELING EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 171

172 Regeling centrale vergrendeling – Schema 6
Ook nu moeten we de adapter voor de centrale vergrendeling weer in serie aansluiten met de originele schakelaar. Laten we eens kijken naar de werking: We volgen weer de draad van 12 V, via de schakelaars en zien dat er spanning op staat tot aan de regeleenheid, net als voordat we de adapter voor de centrale vergrendeling (onze schakelaar) aansloten. Verder zien we dat het vergrendelrelais de verbinding met 12 V (groen) verbreekt voordat de massaverbinding (rood) tot stand wordt gebracht. Als het relais in werking is, wordt de rode draad van het vergrendelrelais aan massa gelegd. Op de volgende pagina bekijken we hoe het ontgrendelen in zijn werk gaat. We gaan proberen het systeem te vergrendelen met het alarm: Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het vergrendelrelais te bedienen. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING Als het vergrendelrelais in werking is, wordt de +12V-aansluiting losgekoppeld van de schakelaar. Op de stuurdraad staat een laag signaal via de rode draad en de regeleenheid laat de pomp draaien die vervolgens zorgt voor de vergrendeling. Tegelijkertijd beweegt de pomp de hevel van de originele schakelaar weg van de 12V-aansluiting, zodat de servo's niet vergrendelen als het relais weer terugkeert in de ruststand. (De hevel van de originele schakelaar is mechanisch verbonden met de servo in het portier.) De situatie die we nu zien blijft gedurende 4 seconden bestaan (de tijd dat het relais bekrachtigd is). We moeten eraan denken de stuurpulsen bij pneumatisch geregelde centrale vergrendelingssystemen in te stellen op 4 seconden. De pomp heeft voldoende tijd nodig om druk/onderdruk op te bouwen. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het relais te activeren. 12V ONTGRENDELEN 12V ORIGINELE DUBBELWERKENDE POMP VOOR CENTRALE VERGRENDELING 4 VERGRENDELEN Het relais veert terug, we zijn weer in de uitgangspositie en de auto is vergrendeld. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 172

173 Regeling centrale vergrendeling – Schema 6
We gaan controleren of we het ontgrendelrelais goed hebben aangesloten: Het ontgrendelrelais verbreekt de massaverbinding via de blauwe draad van de originele vergrendelschakelaar voordat er via de bruine draad 12 V op wordt gezet. We zien ook dat de massaverbinding van de originele schakelaar van de centrale vergrendeling wordt verbroken voordat er 12 V op wordt gezet. Er komt bij het ontgrendelen 12 V op te staan. Dat ziet er goed uit. We gaan proberen het systeem te vergrendelen met het alarm: Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord om het ontgrendelrelais te activeren. DEFA-ADAPTER CENTRALE VERGRENDELING 12V Het relais wordt bekrachtigd en verbreekt de massaverbinding van de schakelaar. Op de stuurdraad staat een hoog signaal via de bruine draad en de regeleenheid laat de pomp draaien die vervolgens zorgt voor de ontgrendeling. Tegelijkertijd beweegt de pomp de hevel van de originele schakelaar van de massa-aansluiting naar de 12V-aansluiting, zodat de slotservo's niet vergrendelen als het relais weer terugkeert in de ruststand. Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord. Het ontgrendelrelais gaat weer terug naar de uitgangspositie. ONTGRENDELEN 12V ORIGINELE DUBBELWERKENDE POMP VOOR CENTRALE VERGRENDELING 4 Het relais veert terug, we zijn weer in de uitgangspositie en de auto is ontgrendeld. VERGRENDELEN EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 173

174 De DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Hier zien we hoe we signalen van de originele centrale vergrendeling van de auto kunnen gebruiken om het alarm in en uit te schakelen. VOORBEELD ORIGINELE AFSTANDSBEDIENINGSMODULE EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

175 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Als het alarm gekoppeld wordt aan een originele afstandsbediening, moet er aan de volgende voorwaarde voldaan zijn: Het alarm moet alléén kunnen worden uitgeschakeld met de originele afstandsbediening (of de pincode vam het alarm). Het alarm is niet gecertificeerd als het uitgeschakeld kan worden met de slotcilinder, met de vergrendeltoets in het interieur of op een andere manier dan met de afstandsbedieningen. We bestuderen eerst 4 verschillende analoge systemen die in een auto gebruikt worden en zien hoe het alarm moet worden gemonteerd om geautoriseerd te worden met betrekking tot bovengenoemde eis. De vier systemen zijn: 1. Externe ontvanger voor de originele afstandsbediening met 2 signaaldraden van de ontvanger naar de regeleenheid in de auto, waarbij de signalen van de slotcilinder geen invloed hebben op de signaaldraden vanaf de ontvanger. 2. Gelijk aan 1, maar hier hebben de signalen van de slotcilinder wel invloed op de signaaldraden van de ontvanger. 3. Externe ontvanger met één signaaldraad van de ontvanger naar de regeleenheid in de auto. 4. De ontvanger is geïntegreerd in de regeleenheid. ORIGINELE AFSTANDSBEDIENINGSMODULE EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 175

176 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Door de 4 draden als volgt te programmeren, kunnen we het alarmsysteem bedienen met de originele afstandsbediening omdat dan aan de eis op de vorige pagina is voldaan. Om te begrijpen hoe dat gedaan wordt, zullen we de drie meest gebruikte instellingen (programmeringen) op de volgende pagina's bespreken. Als we begrijpen hoe dit werkt, vergemakkelijkt dat het storingzoeken aanzienlijk. Instelling 1. Door het aansluiten van: Massa op bruin/wit - Wordt het alarm ingeschakeld. Massa op bruin/geel - Wordt het alarm uitgeschakeld. Plus op rood/wit - Wordt het alarm ingeschakeld. Plus op rood/geel - Wordt het alarm uitgeschakeld. Instelling 2. Door het aansluiten van: Plus op rood/wit - Wordt het alarm ingeschakeld, maar alleen als de bruin/gele draad net daarvoor aan massa wordt gelegd voordat er plus op de rood/witte draad wordt gezet. Plus op rood/geel - Wordt het alarm uitgeschakeld, maar alleen als de bruin/gele draad aan massa wordt gelegd voordat er plus op de rood/gele draad wordt gezet. (De bruin/witte draad is hier niet actief.) Instelling 3. Door het aansluiten van: Plus op rood/wit - Wordt het alarm ingeschakeld, maar niet als de bruin/witte draad net daarvoor aan massa is gelegd. Plus op rood/geel - Wordt het alarm uitgeschakeld, maar niet als de bruin/gele draad net daar voor aan massa is gelegd. Print deze pagina voordat u verdergaat. BRUIN/GEEL - UITSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL BRUIN/WIT - INSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL Instelling 1 ROOD/WIT - INSCHAKELEN MET PLUSSIGNAAL ROOD/GEEL - UITSCHAKELEN MET PLUSSIGNAAL BRUIN/GEEL - VERIFICATIE MET MASSASIGNAAL BRUIN/WIT - NIET IN GEBRUIK Instelling 2 ROOD/WIT - INSCHAKELEN MET PLUSSIGNAAL ROOD/GEEL - UITSCHAKELEN MET PLUSSIGNAAL BRUIN/GEEL - BLOKKERING UITSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL BRUIN/GEEL - BLOKKERING INSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL Instelling 3 ROOD/WIT - INSCHAKELEN MET PLUSSIGNAAL ROOD/GEEL - UITSCHAKELEN MET PLUSSIGNAAL EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 176

177 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Hier zien we een schematische voorstelling van een elektrisch schema van de centrale vergrendeling in een denkbeeldige auto. We hebben gemeten op de draden en het volgende ontdekt: ROZE PEN 2: Hier meten we een massapulssignaal als de auto vergrendeld wordt met de originele afstandsbediening. We hebben ook gemeten dat er geen pulssignaal ontvangen wordt als de auto vergrendeld wordt met de slotcilinder. BRUIN PEN 1: Hier meten we een massapulssignaal als de auto ontgrendeld wordt met de originele afstandsbediening. We hebben ook gemeten dat er geen pulssignaal ontvangen wordt als we de slotcilinder gebruiken. Dat betekent dat we al gevonden hebben wat we nodig hebben: Een signaal (MASSA) als we vergrendelen met de originele afstandsbediening en een signaal (MASSA) als we ontgrendelen met de originele afstandsbediening. Deze kunnen gebruikt worden om het alarm in en uit te schakelen. Hoe? Teken dit schema op een stuk papier en teken vervolgens de DEFA-draden van de vorige pagina (die u geprint heeft) in het schema. Kijk of u de aansluitingen kunt maken die op de volgende pagina te zien zijn. Denk er ook aan dat u moet kiezen tussen de instellingen 1, 2 en 3. (Bekijk de pagina die u geprint heeft.) VOORBEELD 1 ONTVANGER OE-handzender IN DE AUTO ROZE - MASSAPULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER BRUIN - MASSA BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) REGELEENHEID IN DE AUTO GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 177

178 REGELEENHEID IN DE AUTO
DVS90 bediend via originele afstandsbediening OPLOSSING (VOORBEELD 1): Instelling 1. We sluiten de bruin/gele draad, die het alarm uitschakelt als hij aan massa wordt gelegd, aan op de roze draad (2), die aan massa wordt gelegd als de auto ontgrendeld wordt met de originele afstandsbediening. We sluiten de bruin/witte draad, die het alarm inschakelt als hij aan massa wordt gelegd, aan op de bruine draad (1), die aan massa wordt gelegd als de auto vergrendeld wordt met de originele afstandsbediening. Wat zou er gebeuren als de bruin/witte draad zou worden aangesloten op de rode (3) en de bruin/gele draad op de oranje (4) bij dezelfde instelling? VOORBEELDOPLOSSING 1 ONTVANGER OE-handzender IN DE AUTO ROZE - MASSAPULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER BRUIN - MASSA BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER. Oplossing: Het alarm zou in- en uitgeschakeld worden met de slotcilinder. Wat zou er gebeuren als de bruin/witte draad zou worden aangesloten op de groene (5) en de bruin/gele draad op de blauwe (6) bij dezelfde instelling? P2 ALARM BRUIN/WIT - INSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL BRUIN/GEEL - UITSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL Oplossing: Het alarm zou niet in- of uitgeschakeld worden omdat de bruin/witte en bruin/gele draad geprogrammeerd zijn om te reageren op negatieve pulssignalen bij instelling A). Op groen (5) en blauw (6) staat een plussignaal bij het bedienen van de centrale vergrendeling. Wat zou er gebeuren als de rood/witte draad zou worden aangesloten op de blauwe (6) en de rood/gele draad op de groene (5) bij dezelfde instelling? ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) REGELEENHEID IN DE AUTO GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER Oplossing: Het alarm zou UIT en AAN gaan bij gebruik van zowel de afstandsbediening als de slotcilinder. Dat is niet toegestaan! Verder zou het alarm INGESCHAKELD worden bij het ontgrendelen van de auto en UITGESCHAKELD bij het vergrendelen. Begrijpt u hoe dat komt? BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 178

179 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Hier volgt een ander voorbeeld. Hier bespreken we hetzelfde schema voor de centrale vergrendeling als in voorbeeld 1 maar met één wijziging: Hier hebben we een massasignaal gemeten op de roze draad, zelfs bij het vergrendelen met de slotcilinder en een massasignaal op de bruine draad, zelfs bij het ontgrendelen met de slotcilinder. Op de een of andere manier moet de rode draad binnen de regeleenheid met de roze draad verbonden zijn, terwijl de oranje draad binnen de regeleenheid met de bruine draad verbonden moet zijn. Dat betekent dat de oplossing van voorbeeld 1 in dit geval niet werkt, omdat de signalen van de slotcilinder de signalen op de bedrading van de ontvanger voor radiogolven beïnvloeden. Ook dat leidt er weer toe dat het alarm ingeschakeld en uitgeschakeld wordt als de slotcilinder gebruikt wordt. Hoe kunnen we dit oplossen? Teken dit schema op een stuk papier en teken vervolgens de DEFA-draden van de vorige pagina (die u geprint heeft) in het schema. Kijk of u de aansluitingen kunt maken die op de volgende pagina te zien zijn. Denk er ook aan dat u moet kiezen tussen de instellingen 1, 2 en 3. (Bekijk de pagina die u geprint heeft.) VOORBEELD 2 ONTVANGER VOOR RADIOGOLVEN IN DE AUTO ROZE - MASSAPULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER BRUIN - MASSA BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) REGELEENHEID IN DE AUTO GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 179

180 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
OPLOSSING (VOORBEELD 2): Instelling 1. We sluiten de bruin/gele draad, die het alarm uitschakelt als hij aan massa wordt gelegd, aan op de bruine draad (1), die aan massa wordt gelegd als de auto ontgrendeld wordt met de originele afstandsbediening. We sluiten de bruin/witte draad, die het alarm inschakelt als hij aan massa wordt gelegd, aan op de roze draad (2), die aan massa wordt gelegd als de auto vergrendeld wordt met de originele afstandsbediening. Het alarm gaat nu AAN en UIT met de afstandsbediening en met de slotcilinder. Door twee diodes aan te sluiten, een in de roze draad en een in de bruine, tussen de regeleenheid in de auto en de aansluitpunten voor de bruin/witte en bruin/gele draad, kunnen we ervoor zorgen dat het massasignaal van de slotcilinder niet langer op de bruin/witte en de bruin/gele draad komt te staan. Het alarm kan nu alleen maar worden in- en uitgeschakeld met de afstandsbediening. VOORBEELDOPLOSSING 2 ONTVANGER VOOR RADIOGOLVEN IN DE AUTO ROZE - MASSAPULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER BRUIN - MASSA BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER P2 ALARM BRUIN/WIT - INSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL BRUIN/GEEL - UITSCHAKELEN MET MASSASIGNAAL ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN REGELEENHEID IN DE AUTO SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 180

181 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Hier volgt nog een voorbeeld. Dit centrale vergrendelingssysteem is anders dan de twee andere die we bekeken hebben. Hier gaat slechts één signaaldraad van de ontvanger voor radiogolven naar de regeleenheid in de auto. Ook nu hebben we weer op de draden gemeten en hebben we ontdekt dat op de roze draad (1) een massasignaal gegeven wordt bij het vergrendelen en ontgrendelen met de afstandsbediening. Wat gebeurt er als we zowel de bruin/witte als de bruin/gele draad op de roze draad aansluiten? Het probleem hier is dat zowel op de bruin/witte als op de bruin/gele draad een massasignaal komt te staan bij het vergrendelen en ontgrendelen. Het alarm krijgt met andere woorden een opdracht om tegelijkertijd te worden in- en uitgeschakeld. Dan weet dit alarmsysteem niet wat het moet doen. Hoe kunnen we dit oplossen? Teken dit schema op een stuk papier. Teken vervolgens de DEFA-draden (die u geprint heeft) in het schema. Kijk of u de aansluitingen kunt maken die op de volgende pagina te zien zijn. Een aanwijzing: Gebruik instelling 2. (Bekijk de pagina die u geprint heeft.) VOORBEELD 3 ONTVANGER VOOR RADIOGOLVEN IN DE AUTO ROZE - MASSAPULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING MASSAPULS BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) REGELEENHEID IN DE AUTO GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 181

182 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
OPLOSSING (VOORBEELD 3): Instelling 2. We hebben een massasignaal nodig op de bruin/gele draad gevolgd door een plussignaal op de rood/witte draad om het alarm in te schakelen. En we hebben een massasignaal nodig op de bruin/gele draad gevolgd door een plussignaal op de rood/gele draad om het alarm uit te schakelen. We zullen een een massapulssignaal meten op de roze draad als we de afstandsbediening gebruiken. We meten een plussignaal op de groene draad tijdens het vergrendelen. We meten een plussignaal op de blauwe draad tijdens het ontgrendelen. We weten dat de ontvanger voor radiogolven signalen ontvangt van de afstandsbediening. De ontvanger voor radiogolven stuurt vervolgens een signaal naar de regeleenheid voor het vergrendelen/ontgrendelen van de auto. Met andere woorden: Het pulssignaal op de roze draad moet komen voordat de servo's van de centrale vergrendeling worden aangestuurd als de afstandsbediening wordt gebruikt. VOORBEELDOPLOSSING 3 ONTVANGER VOOR RADIOGOLVEN IN DE AUTO ROZE - MASSAPULS BIJ VERGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING MASSAPULS BIJ ONTGRENDELEN MET ORIGINELE AFSTANDSBEDIENING GEEN PULS BIJ GEBRUIK VAN SLOTCILINDER. P2 ALARM BRUIN/GEEL ROOD/GEEL ROOD/WIT ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) REGELEENHEID IN DE AUTO GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 182

183 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
Hier volgt voorbeeld 4. Hier is de ontvanger voor radiogolven geïntegreerd in de regeleenheid. Daarom zijn er geen signalen beschikbaar vanaf de ontvanger voor radiogolven. Dat betekent dat we op de een of andere manier gebruik moeten maken van de wel beschikbare signalen. Hoe kunnen we dit oplossen? Teken dit schema op een stuk papier. Teken vervolgens de DEFA-draden (die u al geprint heeft) in het schema. Kijk of u de aansluitingen kunt maken die op de volgende pagina te zien zijn. (Bekijk de pagina die u geprint heeft.) Aanwijzing 1: We weten dat het massapulssignaal op de rode draad gegeven wordt voordat de pulssignalen via de draden voor de servo's van de centrale vergrendeling worden verstuurd als de slotcilinder gebruikt wordt. De regeleenheid is zo geprogrammeerd dat de auto vergrendeld wordt als er een massapulssignaal op pen 1 ontvangen wordt. De regeleenheid reageert door 12 V op pen 3 te zetten en pen 4 aan massa te leggen. Hierdoor worden alle portieren van de auto vergrendeld. Aanwijzing 2: Gebruik instelling 3. VOORBEELD 4 ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) GEÏNTE- GREERDE ONTVANGER VOOR RADIOGOLVEN ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER REGELEENHEID IN DE AUTO BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 183

184 DVS90 bediend via originele afstandsbediening
OPLOSSING (VOORBEELD 4): Instelling 3. Zoals we kunnen zien bij instelling 3 wordt het alarm ingeschakeld als op de rood/witte draad een plussignaal komt te staan maar niet als net daarvoor op de bruin/witte draad een massapulssignaal wordt ontvangen. Door de rood/witte draad op de groene draad en de bruin/witte draad op de rode draad aan te sluiten, kan het alarm controleren of de rode draad aan massa wordt gelegd (als de slotcilinder wordt gebruikt) voordat er op de groene draad 12 V komt te staan (de centrale vergrendeling vergrendelt) en vanaf dat uitgangspunt gaan werken. Hetzelfde gaat op voor het ontgrendelen: Het alarm wordt uitgeschakeld als op de rood/gele draad een pluspulssignaal wordt ontvangen (hoog signaal) maar niet als net hiervoor op de bruin/gele draad een massasignaal (laag signaal) wordt ontvangen. We zien dat op de rood/gele draad +12 V komt te staan via de blauwe draad als de servo van de centrale vergrendeling ontgrendelt. De bruin/gele draad wordt aan massa gelegd als het ontgrendelen gebeurt via de slotcilinder. We hebben nu wat voorbeelden gezien van het aansturen van het alarm via de originele centrale vergrendeling van de auto. Er zijn nog meer manieren waarop dat kan gebeuren. Maar dit is voor nu voldoende. Het belangrijkste van dit hoofdstuk is dat u meer over het onderwerp te weten bent gekomen. We kunnen met deze korte introductie volstaan omdat de inbouwer deze oplossingen niet zelf hoeft te bedenken, want voor elk type auto heeft DEFA al een oplossing bedacht. VOORBEELDOPLOSSING 4 BRUIN/WIT BRUIN/GEEL ROOD/GEEL ROOD/WIT ROOD - VERGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) GEÏNTE- GREERDE ONTVANGER VOOR RADIOGOLVEN ORANJE - ONTGRENDELEN MET SLOTCILINDER (MASSAREGELING) GROEN, +12 V BIJ VERGRENDELEN SLOTCILINDER LINKER VOORPORTIER REGELEENHEID IN DE AUTO BLAUW, +12 V BIJ ONTGRENDELEN SLOTSERVO EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 184

185 Gebruiksaanwijzing EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

186 Gebruiksaanwijzing - Inschakelen
Inschakelen van het alarmsysteem: 1. Druk op de vergrendelingstoets van de originele afstandsbediening van uw auto. De richtingaanwijzers gaan knipperen, afhankelijk van de manier waarop dat wordt aangegeven bij het vergrendelen van uw auto. 2. De richtingaanwijzers gaan knipperen, afhankelijk van de manier waarop dat wordt aangegeven bij het vergrendelen van uw auto. Het LED-lampje blijft 20 seconden branden en gaat vervolgens knipperen. Dit betekent dat de verschillende sensoren actief zijn. Als het systeem actief is, zal het LED-lampje knipperen met tussenpozen van 2 seconden. Let op! Het contact moet zijn uitgezet om het alarmsysteem te kunnen inschakelen. DEFA-afstandsbediening: Specifieke bevestigingssignalen (verlichting) kunnen worden geprogrammeerd in het DEFA Express-programma. DEFA-afstandsbediening Originele afstandsbediening EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 186

187 Gebruiksaanwijzing - Uitschakelen
Uitschakelen van het alarmsysteem: 1. Druk op de ontgrendelingstoets van de originele afstandsbediening van uw auto. De richtingaanwijzers gaan knipperen, afhankelijk van de manier waarop dat bij het ontgrendelen van uw auto wordt aangegeven. 2. De richtingaanwijzers gaan knipperen, afhankelijk van de manier waarop dat wordt aangegeven bij het ontgrendelen van uw auto. DEFA-afstandsbediening: Specifieke bevestigingssignalen (verlichting) kunnen worden geprogrammeerd in het DEFA Express-programma. DEFA-afstandsbediening Originele afstandsbediening EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 187

188 Gebruiksaanwijzing - Inschakelen zonder sensoren
1. Zet het contact uit. 2. Druk op de toets van de ruitmodule. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. 1. 3. Druk op de linker toets van de DEFA-afstandsbediening of op de vergrendeltoets van de originele afstandsbediening. 4. De LED begint direct te knipperen om aan te geven dat de sensoren niet actief zijn. 2. 4. 3. DEFA-afstandsbediening Originele afstandsbediening EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

189 Gebruiksaanwijzing - Alarmgeschiedenis
Als u het alarm uitschakelt en het alarm knipperen 5 keer , gelijktijdig met 5 korte geluidssignalen geeft aan dat het alarm geactiveerd is in uw afwezigheid. Het aantal knipperingen van de LED geeft aan door welke sensor of welk ander signaal het alarm geactiveerd is. De LED blijft deze knippercodes weergeven totdat het contact aan gezet wordt of totdat het alarm opnieuw ingeschakeld wordt. Een demonstratie van de functie is rechts afgebeeld. Het alarm is geactiveerd door de portierschakelaar terwijl het alarm ingeschakeld is. Voordat u de demo start: Wat voor knippercode verwacht u van de LED als het alarm uitgeschakeld wordt? (Het geluid van de sirene ontbreekt.) Met de rechter pijltjestoets wordt de demonstratie gestart. 1 KEER KNIPPEREN: 2 KEER KNIPPEREN: HELLINGSHOEKSENSOR 3 KEER KNIPPEREN: PORTIERSCHAKELAAR 4 KEER KNIPPEREN: MOTORKAPSCHAKELAAR 5 KEER KNIPPEREN: ACHTERKLEPSCHAKELAAR 6 KEER KNIPPEREN: ONTSTEKING 7 KEER KNIPPEREN: EXTRA UITRUSTING 8 KEER KNIPPEREN: BEWEGINGSSENSOR 9 KEER KNIPPEREN: RUITBREUKSENSOR 10 KEER KNIPPEREN: EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 189

190 Gebruiksaanwijzing - Automatisch weer inschakelen
Het alarm staat aan. Als het alarm uitgeschakeld is en er binnen 60 seconden na het uitschakelen geen portier wordt geopend, wordt het alarm automatisch weer ingeschakeld. Op deze manier reageert het alarm op het onbedoeld indrukken van de ontgrendeltoets. Als deze functie niet aanwezig zou zijn en de gebruiker per ongeluk de toets indrukt , zou de auto ontgrendeld blijven en zou het alarm uitgeschakeld blijven. Het kan voorkomen dat kinderen in huis met de afstandsbediening gaan spelen en op de toets(en) gaan drukken. Zodra een van de portieren geopend wordt, wordt deze functie gedeactiveerd. Door deze functie is het niet mogelijk de sleutels in de auto in te sluiten. Om de sleutels in de auto te krijgen moet er een portier worden geopend. En als een van de portieren geopend wordt, wordt deze functie gedeactiveerd. 45 50 55 60 35 40 10 15 20 25 30 5 1. Het alarm wordt uitgeschakeld met een afstandsbediening. 2. Er verstrijken 60 seconden. Tijdens deze periode wordt geen van de portieren geopend. 3. Het alarm wordt na 60 seconden automatisch weer ingeschakeld. Let op! De meeste auto's hebben standaard een functie voor het automatisch weer vergrendelen. De auto wordt weer vergrendeld na het ontgrendelen met een originele afstandsbediening als binnen een bepaalde periode geen van de portieren geopend wordt. Deze periode varieert per model auto. Globaal gesproken loopt de periode uiteen van 20 tot 60 seconden na het ontgrendelen. DEFA heeft alarmoplossingen die zijn afgestemd op elk type auto. De periode waarna het alarm opnieuw inschakelt, varieert ook per type auto. (Het alarm wordt ingeschakeld als de auto vergrendeld wordt.) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

191 Gebruiksaanwijzing – Uitschakelen in noodsituaties
Als de afstandsbediening niet meer werkt of als u deze kwijt bent, kunt u het alarm op de volgende manier uitschakelen: Zoek uw pincodekaart op. Op deze kaart staat uw pincode (5 cijfers). Volg de procedure die op de pincodekaart staat OPMERKING! Als u een fout maakt, kunt u de procedure vanaf punt 3 een onbeperkt aantal keren herhalen.. Denk eraan dat u uw pincodekaart in uw portefeuille bewaart en niet in de auto. De uitschakelprocedure vindt u op de volgende pagina: EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

192 Gebruiksaanwijzing – Uitschakelen in noodsituaties
1. Zet het contact aan. 2. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het eerste cijfer van de pincode. De LED gaat telkens na het indrukken van de toets branden. Wacht op een bevestigingsknippersignaal van de LED. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het eerste cijfer gegeven. 3. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het tweede cijfer van de pincode. De LED gaat telkens na het indrukken van de toets branden. Wacht op een bevestigingsknippersignaal van de LED. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het tweede cijfer gegeven. 4. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het derde cijfer van de pincode. De LED gaat telkens na het indrukken van de toets branden. Wacht op een bevestigingsknippersignaal van de LED. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het derde cijfer gegeven. 5. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het vierde cijfer van de pincode. De LED gaat telkens na het indrukken van de toets branden. Wacht op een bevestigingsknippersignaal van de LED. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het vierde cijfer gegeven. DEFA VEHICLE SECURITY 90 PINCODE: 6. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het laatste cijfer van de pincode. De LED gaat telkens na het indrukken van de toets branden. Het alarm wordt uitgeschakeld als de juiste code is ingevoerd. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 192

193 Gebruiksaanwijzing – Inleren van een afstandsbediening
1. Zet het alarm uit en zet het contact aan. 2. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het eerste cijfer van de pincode. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het eerste cijfer gegeven (LED gaat branden). 3. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het tweede cijfer van de pincode. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het tweede cijfer gegeven. 4. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het derde cijfer van de pincode. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het derde cijfer gegeven. 5. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het vierde cijfer van de pincode. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het vierde cijfer gegeven. 6. Druk de toets op de ruitmodule net zo vaak in als het laatste cijfer van de pincode. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. De LED knippert snel als de juiste code is ingevoerd. Het alarm is gereed voor de acceptatie van de eerste afstandsbediening. DEFA VEHICLE SECURITY 90 PINCODE: 7. Houd beide toetsen op de afstandsbediening gelijktijdig ingedrukt totdat de LED gedurende 0,5 seconde snel knippert en de richtingaanwijzers van de auto één keer knipperen om aan te geven dat de afstandsbediening is geregistreerd. Het maximale aantal afstandsbedieningen dat kan worden geregistreerd: 4 8. Beëindig het programmeren door het contact uit te zetten. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 193

194 Het werkplaatsregister
EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

195 Het werkplaatsregister
Het werklplaatsregister is bedoeld voor de inbouwer. Er zijn drie functies: 1. Testen omtrekbeveilliging. Met deze functie kunnen de signalen van de motorkapschakelaar, de achterklepschakelaar en alle portierschakelaars op eenvoudige wijze worden getest. (Voer deze test altijd uit na het inbouwen.) 2. Alarmgeschiedenis. Als het alarm geactiveerd is, wordt er geregistreerd welke sensor of schakelaar verantwoordelijk is voor het activeren. De tien laatste redenen voor het activeren van het alarm worden geregistreerd en opgeslagen. Als de klant klaagt over "valse alarmmeldingen", is met deze functie snel te achterhalen welke sensor/schakelaar hiervoor verantwoordelijk is. (Dit kan ook worden uitgelezen in DEFA Express.) 3. Testen van bewegingssensor - gevoeligheid. Na het voltooien van de inbouw is het belangrijk te controleren of de bewegingssensor goed is afgesteld. Dat kan op eenvoudige wijze door dit register te openen. Hier is de sirene gedempt en kunt u het alarm meerdere keren activeren zonder telkens het alarm te hoeven in- en uitschakelen. Als het alarm geactiveerd wordt, geeft de sirene met geluidssignalen het gevoeligheidsniveau aan. 3 geluidssignalen is gevoeligheidsniveau 3, enz. De gevoeligheid van de sensor kan alleen worden ingesteld met het DEFA Express-programma. REGISTER FUNCTIE 1 DEUR OPEN IDICATIE - PORTIER, MOTORKAP EN ACHTERKLEP 2 ALARMGESCHIEDENIS: LAATSTE 10 3 TESTEN VAN BEWEGINGSSENSOR - GEVOELIGHEID EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 195

196 Het werkplaatsregister – openen van de registers
1. Zet het alarm uit en zet het contact aan. 2. Voer de werkplaatscode in, 5 x 2 keer drukken: Druk twee keer op de toets van de ruitmodule. De LED gaat branden als op de toets gedrukt wordt. De bevestiging wordt 1 seconde na het invoeren van het eerste cijfer gegeven (LED gaat branden). 3. Herhaal stap 2 voor alle cijfers van de werkplaatscode. De LED knippert na het laatste cijfer om aan te geven dat de code correct is ingevoerd. Na het invoeren van het laatste cijfer geeft de sirene een geluidssignaal. (Hier: Klik door de code met de rechter pijltjestoets.) Een kort geluidssignaal van de sirene geeft aan dat u register nr. 1 geopend heeft. 4. Als u nogmaals op de toets op de ruitmodule drukt, opent u register 2. Twee korte geluidssignalen van de sirene geven aan dat u register nr. 2 geopend heeft. 5. De volgende keer dat u op de toets van de ruitmodule drukt, opent u register 3. Drie korte geluidssignalen van de sirene geven aan dat u register nr. 3 geopend heeft. Werkplaatscode: De volgende keer dat u op de toets drukt, keert u terug naar register 1, zodat u cyclisch van register naar register kunt gaan. Zet het contact uit om het werkplaatsregister te verlaten. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 196

197 Het werkplaatsregister – Testen van schakelaars – portier,
Het werkplaatsregister – Testen van schakelaars – portier, motorkap en achterklep U heeft nu register nr. 1 geopend. Als de motorkap, de achterklep of een van de portieren geopend wordt, knippert de LED gedurende 10 seconden of net zo lang totdat het geopende onderdeel weer gesloten wordt. (Hier: Rechter pijltjestoets opent het linker voorportier.) Het linker voorportier lijkt te werken zoals zou moeten. (Hier: Rechter pijltjestoets sluit het voorportier.) De motorkap, achterklep en alle portieren worden getest door ze een voor een te openen en te sluiten. Zet het contact uit om het werkplaatsregister te verlaten of klik een keer op de ruitmodule om naar de volgende functie te gaan. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

198 Het werkplaatsregister – Alarmgeschiedenis
U heeft nu register nr. 1 geopend. Klik kort op de ruitmodule om naar register 2 te gaan. De sirene geeft 2 geluidssignalen om aan te geven dat register 2 geopend is. (Druk op de rechter pijltjestoets op uw toetsenbord.) Na 5 seconden geeft de LED door middel van het aantal knipperingen aan welke sensoren/schakelaars de laatste tien keer het activeren van het alarm hebben veroorzaakt. De eerste knippercode hoort bij de sensor die het meest recente alarm heeft veroorzaakt. Als er verder geen alarmmeldingen meer opgeslagen zijn, gaat de LED snel knipperen om dat aan te geven. (Druk op de rechter pijltjestoets op het toetsenbord als er 5 seconden verstreken zijn.) 3 x knipperen = portierschakelaar Er lijkt een probleem te zijn met een portierschakelaar. Als u het register nogmaals wilt uitlezen, klikt u weer naar register 2 via de andere registers. Met 3 keer klikken moet u weer in register 2 kunnen komen. 3 x knipperen = portierschakelaar 3 x knipperen = portierschakelaar EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 198

199 Werkplaatsregister – Bewegingssensor, gevoeligheidstest
U heeft nu register nr. 2 geopend. Klik kort op de ruitmodule om naar register 3 te gaan. De sirene geeft 3 geluidssignalen om aan te geven dat register 3 geopend is. (Druk op de rechter pijltjestoets op uw toetsenbord.) De LED gaat gedurende 20 seconden branden. De bewegingssensor is actief zodra de LED begint te knipperen. Druk op de rechter pijltjestoets om het eind van de periode van 20 seconden aan te geven. Controleer de gevoeligheid van de sensor door met uw bovenlichaam tegen de ruiten van de auto te drukken. (De portierruiten moeten dicht zijn.) Verhoog de gevoeligheid totdat de sensor reageert op uw bewegingen. Verlaag vervolgens de gevoeligheid één stap. De sensor is nu goed afgesteld. (Let op! De gevoeligheid kan alleen worden afgesteld met behulp van het DEFA Express-programma.) EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 199

200 Stickers alarmsysteem
Hoe plaatst u de stickers van het alarmsysteem. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

201 SCM sticker: duidelijk zichtbaar!
Er worden geen merkstickers meegeleverd. Bij een SCM certifikaat zitten drie SCM stickers welke aangebracht moeten worden op elke zijruit voor en een op de achterruit van de auto. Bakdør eller bakluke? Hva med bilde av en skikkelig bil? EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE 201

202 Testprocedure EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

203 Testprocedure Probeer het alarm in en uit te schakelen.
Als de montage voltooid is, moet het alarmsysteem worden getest alvorens de auto aan de klant wordt afgeleverd. Probeer het alarm in en uit te schakelen. Controleer de schakelaars van de motorkap, de achterklep en alle portierschakelaars door gebruik te maken van de indicator Open portier. Controleer of de bewegingssensor werkt en goed afgesteld is. Controleer of de Watchdog/ruitbreuksensor werkt. Dat kunt u doen door voorzichtig met een muntstuk tegen de ruit te tikken als het alarm ingeschakeld is (de sensor is 20 seconden na het inschakelen van het alarm actief). Lett rotete slide?  EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

204 Aflevering aan de klant
EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

205 Aflevering aan de klant
Na de montage van het alarmsysteem moet het volgende aan de klant worden overhandigd: 1. Gebruiksaanwijzing 2. Pincodekaart. 3. SCM cerifikaat 4. eventueel DEFA-afstandsbediening. Let op! De eigenaar van de auto moet weten wat de pincode is en hoe deze gebruikt moet worden. We adviseren daarom dat de inbouwer laat zien hoe de nooduitschakelprocedure in zijn werk gaat voordat de auto aan de klant wordt afgeleverd. EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

206 Autorisatietest – Via internet
EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE

207 Autorisatietest – Via internet
U bent nu aan het einde van deze cursus gekomen. De volgende stap is het afleggen van een autorisatietest. Zodra DEFA informatie heeft ontvangen dat de test met een goed resultaat is afgelegd, ontvangt u per post een diploma en een autorisatiecertificaat. Klik hier voor het aanvragen van het examen . EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EERSTE PAGINA VAN DIT HOOFDSTUK EINDE

208 Veel succes met de autorisatietest
en de montage van de DVS 90!! EERSTE BLADZIJDE HOOFDMENU EINDE


Download ppt "AUTORISATIECURSUS VOOR MONTAGE DEFA DVS90 ALARM"

Verwante presentaties


Ads door Google