De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Definities: Present Simple en Past Simple De Present Simple geeft gewoontes en feiten aan. (NL: Ik loop. Hij loopt. De zon schijnt.) Bij de werkwoorden.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Definities: Present Simple en Past Simple De Present Simple geeft gewoontes en feiten aan. (NL: Ik loop. Hij loopt. De zon schijnt.) Bij de werkwoorden."— Transcript van de presentatie:

1 Definities: Present Simple en Past Simple De Present Simple geeft gewoontes en feiten aan. (NL: Ik loop. Hij loopt. De zon schijnt.) Bij de werkwoorden krijgen He/She/It krijgen +s. I usually walk.He usually walks.The sun shines. De Past Simple geeft aan dat iets in het verleden heeft plaatsgevonden en dat het nu is afgelopen! Kies uit: Regelmatig (+ED) of onregelmatig. Let op: Er is bijna altijd een duidelijke bepaling van verleden tijd (zoals: gisteren, vorige week, vorig jaar, enzovoorts). (NL: Ik liep. Zij ging.) I walked in a park yesterday.She went out yesterday.

2 Definities: Present Continuous en Past Continuous De Present Continuous geeft aan dat iets op dit moment bezig is. (NL: Ik ben muziek aan het luisteren. Jij bent dit aan het lezen op dit moment.) Na het onderwerp volgt de juiste vorm van To be (am/is/are) en het Werkwoord + ing. I am listening to music now. You are reading this at the moment. De Past Continuous geeft aan dat iets op een moment in het verleden bezig was. Na het onderwerp volgt de juiste vorm van To be in de verleden tijd (was/were) en het werkwoord + ing. (NL: Ik was muziek aan het luisteren. Jij was dit toen aan het lezen.) I was listening to music. You were reading this then.

3 Tijden 3 tijden die belangrijk zijn voor de komende repetities: Present Simple Present Continuous Past Simple

4 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

5 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

6 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

7 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw…. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

8 Grammar 1 Schrijf over: Present Simple: feit/gewoonte – 1 ww – I work. Present Continuous: nu bezig/irritatie – 2 ww, ing vorm. I am smoking. Past Simple : Verleden tijd die afgelopen is – 1 werkwoord onregelmatig of regelmatig - I worked – I saw Je moet de gele kolom hierboven even overschrijven. Straks komen de opdrachten op het bord en dan kan je je aantekeningen gebruiken als geheugensteuntje.

9 1.I ( to go ) to school yesterday. 2.I hate that you ( to smoke / always). 3.He’s so boring. He ( to watch TV / always). 4.I always ( to watch ) The Big Bang Theory on Wednesdays. 5.Your mum ( to clean ) your room while you were sleeping. 6.She ( to show off / always )! She’s such a poser. 7.Why are you ( to tease / always ) me? I hate that. 8.That bastard ( to kill ) a lot of people during that attack last month. 9.Barbara ( to be ) afraid of spiders. She really is! 10.Mark ( not / know ) her. 11.They ( to spend ) their summer in France at the moment. 12.( To see ) … Wesley …. that girl fall down the stairs yesterday? 13.Tom ( to buy ) a new t-shirt yesterday. Kies:a. Present Simpleb. Present Continuous c. Past Simple Zet daarna de werkwoorden in de juiste vorm.

10 1.I ( to go ) to school yesterday. 2.I hate that you ( to smoke / always). 3.He’s so boring. He ( to watch TV / always). 4.I always ( to watch ) The Big Bang Theory on Wednesdays. 5.Your mum ( to clean ) your room while you were sleeping. 6.She ( to show off / always )! She’s such a poser. 7.Why are you ( to tease / always ) me? I hate that. 8.That bastard ( to kill ) a lot of people during that attack last month. 9.Barbara ( to be ) afraid of spiders. She really is! 10.Mark ( not / know ) her. 11.They ( to spend ) their summer in France at the moment. 12.( To see ) … Wesley …. that girl fall down the stairs yesterday? 13.Tom ( to buy ) a new t-shirt yesterday. Kies:a. Present Simpleb. Present Continuous c. Past Simple Zet daarna de werkwoorden in de juiste vorm. c. went b. are always smoking b. is always watching a. watch c. cleaned b. Is always showing off b. always teasing c. killed a. is a. doesn’t know b. are spending C. Did Wesley see? C. bought

11 Past Continuous Verleden tijd van “To be” + ww +ing I was walking down the street when suddenly I tripped and fell. He was cooking dinner when I came in.

12 Past Continuous Practice sentences: Kies PresConti. of PastConti. 1.I ……………… down the street yesterday. (walk) 2.I ……………… to my teacher at the moment. (listen) 3.They ……………… when I came in. (kiss) 4.She ……………… her homework now. (do)

13 Past Continuous Practice sentences: Kies PresConti. of PastConti. 1.I ……………… down the street yesterday. (walk) 2.I ……………… to my teacher at the moment. (listen) 3.They ……………… when I came in. (kiss) 4.She ……………… her homework now. (do) was walking am listening were kissing is doing


Download ppt "Definities: Present Simple en Past Simple De Present Simple geeft gewoontes en feiten aan. (NL: Ik loop. Hij loopt. De zon schijnt.) Bij de werkwoorden."

Verwante presentaties


Ads door Google