De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Grammar 1 3 tijden die belangrijk zijn voor de komende repetitie: Present Simple Present Continuous Past Simple.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Grammar 1 3 tijden die belangrijk zijn voor de komende repetitie: Present Simple Present Continuous Past Simple."— Transcript van de presentatie:

1 Grammar 1 3 tijden die belangrijk zijn voor de komende repetitie: Present Simple Present Continuous Past Simple

2 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

3 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

4 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

5 Grammar 1 Present Simple:1 werkwoord.He/she/it -> ww+s (SHIT) Voorbeelden:I am.He sleeps.She smiles. Wanneer?-> Feiten en gewoontes Feit:I live in the Netherlands. Gewoonte: I always smile when I see her. Present Continuous:2 werkwoord: am/is/are + -ing vorm Voorbeelden:I am talking.He is smiling. Wanneer?-> Als iets nu aan de gang is. -> irritatie (vaak met ‘always’) Nu aan de gang:I am looking at you. Irritatie: You’re always watching TV when I want to. Past Simple:1 werkwoord: onregelmatig / regelmatig Voorbeelden:Yesterday I worked. Last week I saw…. Wanneer?-> Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. Duidelijke verleden tijd die is afgelopen. I worked at McDonalds in 1999.I saw Inception yesterday.

6 Grammar 1 Schrijf over: Present Simple: feit/gewoonte – 1 ww – I work. Present Continuous: nu bezig/irritatie – 2 ww, ing vorm. I am smoking. Past Simple : Verleden tijd die afgelopen is – 1 werkwoord onregelmatig of regelmatig - I worked – I saw Je moet de gele kolom hierboven even overschrijven. Straks komen de opdrachten op het bord en dan kan je je aantekeningen gebruiken als geheugensteuntje.

7 1.I ( to go ) to school yesterday. 2.I hate that you ( to smoke / always). 3.He’s so boring. He ( to watch TV / always). 4.I always ( to watch ) The Big Bang Theory on Wednesdays. 5.Your mum ( to clean ) your room while you were sleeping. 6.She ( to show off / always )! She’s such a poser. 7.Why are you ( to tease / always ) me? I hate that. 8.That bastard ( to kill ) a lot of people during that attack last month. 9.Barbara ( to be ) afraid of spiders. She really is! 10.Mark ( not / know ) her. 11.They ( to spend ) their summer in France at the moment. 12.( To see ) … Wesley …. that girl fall down the stairs yesterday? 13.Tom ( to buy ) a new t-shirt yesterday. Kies:a. Present Simpleb. Present Continuous c. Past Simple Zet daarna de werkwoorden in de juiste vorm.

8 1.I ( to go ) to school yesterday. 2.I hate that you ( to smoke / always). 3.He’s so boring. He ( to watch TV / always). 4.I always ( to watch ) The Big Bang Theory on Wednesdays. 5.Your mum ( to clean ) your room while you were sleeping. 6.She ( to show off / always )! She’s such a poser. 7.Why are you ( to tease / always ) me? I hate that. 8.That bastard ( to kill ) a lot of people during that attack last month. 9.Barbara ( to be ) afraid of spiders. She really is! 10.Mark ( not / know ) her. 11.They ( to spend ) their summer in France at the moment. 12.( To see ) … Wesley …. that girl fall down the stairs yesterday? 13.Tom ( to buy ) a new t-shirt yesterday. Kies:a. Present Simpleb. Present Continuous c. Past Simple Zet daarna de werkwoorden in de juiste vorm. c. went b. are always smoking b. is always watching a. watch c. cleaned b. Is always showing off b. always teasing c. killed a. is a. doesn’t know b. are spending C. Did Wesley see? C. bought


Download ppt "Grammar 1 3 tijden die belangrijk zijn voor de komende repetitie: Present Simple Present Continuous Past Simple."

Verwante presentaties


Ads door Google