De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES.

Verwante presentaties


Presentatie over: "FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."— Transcript van de presentatie:

1 FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES

2 COLLEGES I.Zijn en worden. II.De onweerstaanbaarheid van de wil. III.De kunst van het verleiden. IV.Kapitalisme en vervreemding. V.De strijd voor vrijheid. VI.Nihilisme en vitalisme.

3 VI. NIHILISME EN VITALISME

4 1.PERSPECTIVISME Kan het nihilisme worden overwonnen? 2.AMOR FATI Wanneer wordt iemand een slaaf? 3.HET LEVEN ALS KUNSTWERK Wat houdt het goede leven in?

5 1. PERSPECTIVISME

6 FRIEDRICH NIETZSCHE Korte biografie:  1844: geboren op 15 oktober in Röcken.  1849: Nietzsches vader sterft.  : middelbare school in Naumburg.  : studeert klassieke filologie en theologie in Bonn en Leipzig.  1865: Nietzsche leest Schopenhauer.  1868: Nietzsche ontmoet Wagner ( ).  1869: hoogleraar klassieke filologie in Basel.  1870: dient als hulp in het ziekenhuis gedurende de Frans-Duitse oorlog ( ).  1879: beëindigt zijn hoogleraarschap vanwege ziekte.  : een nomadisch bestaan.  1882: Nietzsche ontmoet Lou von Salomé ( ).  1889: geestelijke inzinking.  1897: Nietzsches moeder sterft.  1900: sterft op 15 augustus te Weimar.

7 BELANGRIJKE PUBLICATIES  Die Geburt der Tragödie (1872).  Unzeitgemäße Betrachtungen (1873/76).  Menschliches, Allzumenschliches (1878/80).  Morgenröte (1881).  Die fröhliche Wissenschaft (1882).  Also sprach Zarathustra (1883/85).  Jenseits von Gut und Böse (1886).  Zur Genealogie der Moral (1887).  Der Fall Wagner (1888).  Der Antichrist (1888).  Nietzsche contra Wagner (1888).  Ecco homo (1888).  Götzen-Dämmerung (1889).

8 PERIODES EN PUBLICATIES  Het werk van Nietzsche kan opgesplitst worden in vier perioden: Eerste periode: Publicaties: Die Geburt der Tragödie; Unzeitgemäße Betrachtungen (1873/76). - Thema’s: teloorgang van de Griekse tragedie door toedoen van de filosofie die door Socrates wordt belichaamd; de wederopstanding van de tragedie in de muziek van Wagner; kritiek op met name de Duitse cultuur. Tweede periode: Publicaties: Menschliches, Allzumenschliches; Morgenröte; Die fröhliche Wissenschaft. - Thema’s: op zoek naar waarachtigheid; kritiek op morele en religieuze vormen van decadentie. Derde periode: Publicaties: Also sprach Zarathustra; Jenseits von Gut und Böse; Zur Genealogie der Moral. - Thema’s: nihilisme; proclamatie van een nieuw tijdsgewricht; Übermensch en de eeuwige wederkeer. Vierde periode: Publicaties: Ecco Homo; Der Antichrist; Nietzsche contra Wagner; Götzen- Dämmerung. - Thema’s: Nietzsche zelf; kritiek op het Christendom.

9 OP ZOEK NAAR EEN RADICAAL NIEUWE FILOSOFIE CONTRA HEGEL Een luid ‘nee’ tegen elk filosofisch systeem CONTRA SCHOPENHAUER Een luid ‘nee’ tegen het pessimisme CONTRA KIERKEGAARD Een luid ‘nee’ tegen de religie CONTRA MARX Een luid ‘nee’ tegen het socialisme. CONTRA MILL Een luid ‘nee’ tegen de scheiding tussen de ethiek van het goede leven en de handelingsethiek

10 VOORBIJ HET GODDELIJKE PERSPECTIEF  Volgens Nietzsche is er geen goddelijk perspectief – zoals Hegel suggereert – van waaruit alles kan worden waargenomen en beoordeeld.  Een theorie is niet waar op het moment dat ze correspondeert met een onafhankelijke realiteit.  “Er zijn geen feiten, alleen interpretaties”, aldus Nietzsche.  Hij introduceert een pragmatische kijk op waarheid > het criterium voor de waarheid is haar instrumentele waarde.  Begrippen zijn nuttig zolang ze aspecten van de werkelijkheid voor het voetlicht brengen die een specifiek belang dienen.

11 GEEN NEGATIE VAN DE WIL  Diagnose van Schopenhauer > leven is lijden.  Zijn therapie > een ascetisch leven, dat wil zeggen afstand doen van al hetgeen het lijden veroorzaakt.  Nietzsche > u moet ‘ja’ tegen het leven zeggen en accepteren dat u alleen kunt leven wanneer u ook lijdt.  Affirmatie van het leven (Lebensbejahung) impliceert dat u moet lijden > pessimisme betekent dat u het leven doodt.  Helden > degenen die werkelijk weten wat het betekent om te leven (Montaigne, Goethe, Stendhal).  Zij vluchten niet in een “Boeddhistische negatie van de wil.”

12 DOOD VAN GOD  Kierkegaard > naast de esthetische en ethische levensstijl, kan het individu kiezen voor een religieuze levensstijl.  Nietzsche stelt dat het geen zin heeft om deze keuze te maken, omdat god dood is.  Onder meer in ‘Die fröhliche Wissenschaft’ wordt geproclameerd: “God is dood”.  Deze uitspraak verwijst naar het verval van het geloof in metafysische zekerheden die eeuwenlang constitutief waren voor de Christelijke waarden van de Europese cultuur.  Vanwege de consequenties is het niet eenvoudig om van deze metafysische zekerheden afscheid te nemen.  Gods dood impliceert het verlies van de legitimatie van de Christelijke waarden die ten grondslag liggen aan de Europese cultuur.

13 POST-SOCIALISME  Voor Marx, verwijst het socialisme naar een maatschappij waar een eind is gemaakt aan situaties waarin mensen uitgebuit worden, dat wil zeggen niet langer slaven van het kapitalisme zijn.  Nietzsche vindt dat het socialisme het resultaat is van een cultuur die gedragen wordt door ressentiment > de wrok van het proletariaat ten opzichte van de bourgeoisie.  Het socialisme maakt van mensen slappe wezens in plaats van ze sterker te maken.  Nietzsche kritiseert de ‘hordengeest’ (Herdenmentalität) die inherent zou zijn aan het socialisme.

14 HET GOEDE LEVEN  Het liberalisme van Mill legt de nadruk op de negatieve vrijheid, ook al heeft hij aandacht voor de positieve vrijheid > minder staat, meer vrijheid.  Zijn idee veronderstelt een duidelijke scheiding tussen de privésfeer en de publieke sfeer.  Nietzsche vindt dat vrijheid voorbij deze scheiding te zoeken is > geen slaaf te zijn.  Publieke zaken moeten radicaal perspectivistisch vanuit het privéperspectief worden bekeken, dat wil zeggen vanuit een idee van het goede leven.

15 FILOSOOF MET DE HAMER  Qua stijl is het werk van Nietzsche nogal paradoxaal > tegelijkertijd zoekend en stellig, liberaal en dogmatisch, profaan en sacraal, etc.  Het werk van Nietzsche kenmerkt zich ook door het gebruik van diverse genres > onder andere aforismen, essays, gedichten en pamfletten.  De ondertitel van ‘Götzen-Dämmerung’ luidt: ‘Wie man mit dem Hammer philosophiert’.  De hamer hanteert Nietzsche vooral om de metafysica stuk te slaan.

16 ANTI-METAFYSISCH  Vanwege haar verlangen naar belangeloze kennis is de metafysica vergif voor iedereen die het leven omarmt.  Nietzsche kritiseert de idee van belangeloze kennis.  Het is een objectief gegeven dat mensen de werkelijkheid al naar gelang hun positie en belangen anders waarnemen.  Waarheid is altijd de waarheid vanuit een bepaald perspectief.  De diverse perspectieven zijn incommensurabel en niet in elkaar te vertalen.  Perspectivisme > elke vorm van kennis claimt vanuit een bepaald standpunt de waarheid in pacht te hebben.  Nietzsche is radicaal anti-metafysisch, omdat hij de zoektocht naar een perspectief dat boven alle perspectieven verheven is, verwerpt.

17 NA DE DOOD VAN GOD  Door god dood te verklaren, heeft Nietzsche een bom gelegd onder allerlei normatieve vooronderstellingen die in de Westerse cultuur een centrale plaats innemen.  God bood lange tijd het fundament voor de belangrijkste normatieve vooronderstellingen in het Westen > normen waren via de Bijbel immers door god aan de mens gegeven.  Door god dood te verklaren, zadelde Nietzsche mensen op met de vraag: hoe kunnen normen tegenwoordig nog worden gefundeerd?  De zoektocht naar een antwoord op deze vraag leidt volgens veel denkers tot nihilisme.

18 NIHILISME  Nihilisme (van het Latijnse nihil: niets) > het verwerpen van een objectieve basis voor de kennis en de moraal.  In abstracte woorden betekent nihilisme bij Nietzsche: een beweging waarbij de mens wegtrekt uit een centrum naar een onbekende plek x zonder de verwachting x ooit te bereiken.  Meer concreet kritiseert Nietzsche het religieus nihilisme omdat ze een moraal verdedigt die deze wereld verafschuwt en een wereld die nog komen moet (het hemelrijk) zeer waardeert > dat leidt tot een devitalisering van de cultuur.  Nietzsche strijdt voor een revitalisering van de cultuur > pantheïstisch vitalisme: al wat er is wil zichzelf ontplooien.

19 2. AMOR FATI

20 LEVEN ALS CENTRAAL BEGRIP  Met het oog op een revitalisering van de cultuur verdedigt Nietzsche de actieve variant van een radicaal nihilisme > de totale verwerping van alle waarden (Umwertung aller Werte) om uiteindelijk aan gene zijde van goed en kwaad (Jenseits von Gut und Böse) het nihilisme te overwinnen.  Dat impliceert dat het begrip ‘leven’ een zeer centrale plaats inneemt in Nietzsches filosofie.  Het begrip ‘leven’ verwijst bij Nietzsche niet alleen naar het leven van een individu, maar naar al wat leeft > “Op het eeuwig levende komt het aan: wat is gelegen aan het ‘eeuwige leven’ en aan het leven in het algemeen?”

21 EEN ONVERZADIGBAAR VERLANGEN  Nietzsche vraagt zich in zijn filosofie voortdurend af welke houding ten opzichte van het leven impliciet of expliciet uit iemands denken en handelen spreekt.  Hij zegt het zo: “Wat betekenen eigenlijk alle menselijke waarderingen? Wat verraden ze van de condities van het leven, van dit leven, verder: van het menselijke leven, uiteindelijk van het leven zonder meer?”  Het leven zonder meer wordt volgens Nietzsche wellicht het beste vertolkt door de kunst.  Zo overleeft het onverzadigbaar verlangen dat Wagner in zijn opera ‘Tristan und Isolde’ tot uitdrukking brengt het leven van elk individu en incarneert het zich steeds opnieuw.

22 DE TERUGKEER VAN DE TRAGEDIE  In ‘Die Geburt der Tragödie’ pleit Nietzsche voor een wedergeboorte van de Griekse tragedie.  In het oude Griekenland stonden Apollo and Dionysus voor twee verschillende krachten in het leven die in de tragedie hun synthese vonden.  De apollinische levenskracht staat voor de dag het stellen van grenzen, beheersing, zelfbevestiging en de maat houden.  De dionysische levenskracht staat voor de nacht, het doorbreken van grenzen, roes, zelfvergetelheid en de extase.  De tragedies van Aeschylos en Sophocles vormen een geslaagde synthese van de apollinische en dionysische levenskracht.  De vijand van de tragedie > de Griekse Verlichting (vooral Socrates) die niet gevoelig is voor de tragische kant van het leven.  De muziek van Wagner is in de ogen van Nietzsche de wederopstanding van de Griekse tragedie.

23 EUROPESE CULTUUR  Nietzsche heeft zijn kritische pijlen gericht op de Europese cultuur, die in zijn ogen eenzijdig apollinisch is geworden, waardoor de gezonde en creatieve Dionysische krachten worden onderdrukt.  Apollo is in de Griekse oudheid de god van de zon > ‘degene die schijnt’.  Als esthetisch principe verwijst het appolinische naar de vormgevende krachten die inherent zijn aan de beginsel van de individualisering (principium individuationis).  Dionysos is in de Griekse oudheid de god van de orgiastische festivals.  Als esthetisch principe verwijst het dionysische naar de extase, dat wil zeggen het verlies aan individualiteit (c.q. zelfverlies).

24 APOLLO EN DIONYSOS DIONYSISCHAPOLLINISCH SubversiefAffirmatief ChaosOrde AmoreelMoreel

25 HET ZOALS HET IS OMARMEN  Latere werk van Nietzsche > accentverschuiving waarbij de nadruk vooral op het dionysische komt te leggen.  Het apollinisch verdwijnt echter niet helemaal > streven naar een nuchtere dronkenschap (bijvoorbeeld carnaval).  Een nuchtere dronkenschap berust op het onderschrijven van het leven > een persoonlijkheid ontwikkelen die het leven omarmt zoals het is.  Amor fati > het eigen lot liefhebben.  Degene die ‘ja’ tegen het leven zegt > ook al kritiseert hij of zij het leven, de negatie ervan is uit den boze, omdat dat tot wreedheden leidt.  Nietzsche: “Dit alleen is nodig: dat de mens zijn tevredenheid met zichzelf bereikt – of het nu is door het ene of het andere dicht- en kunstwerk: pas dan kan men het verdragen dat de mens, hoe dan ook, aan te zien! Wie met zichzelf ontvevreden is, is voortdurend bereid zich daarvoor te wreken.”

26 HERINNERINGEN  In ‘Unzeitgemäße Betrachtungen’ stelt hij de volgende vraag: hoe dient de mens zich tot de (eigen) geschiedenis te verhouden?  Het is goed dat de mens vergeetachtig is, want herinneringen ondermijnen dikwijls het leven.  ‘Ja’ tegen het leven te zeggen, impliceert dat een en ander dient te worden vergeten.  De kunst is om alles wat niet de moeite waar is voor het leven te vergeten.  In zijn latere werk presenteert Nietzsche een eigenwillige vorm van geschiedschrijving > genealogie.

27 GENEALOGIE  In ‘Zur Genealogie der Moral’ presenteert Nietzsche een kritische kijk op de geschiedenis van de moraal.  Genealogie > een methode om een dominante manier van (ethisch) denken kritisch onder de loep te nemen.  Ethische denkbeelden kunnen het beste worden gezien als het product van een specifiek tijdperk van waaruit ze zich verder hebben ontwikkeld.  Een goede genealogie genereert een kritisch kijk op het heden > het onvanzelfsprekende aantonen van datgene wat als vanzelfsprekend wordt geacht door de oorsprong bloot te leggen van een bepaalde manier van denken (zie ook het werk van Michel Foucault).

28 VOORBIJ DE SLAVERNIJ  Religie en filosofie vormen de objecten van Nietzsches genealogische kritiek.  Religie > verkondigt een moraal die mensen verzwakt.  Filosofie > formuleert morele principes (bijvoorbeeld Kants categorische imperatief) dat de vitaliteit van het individu ondermijnt.  Zowel de religie als de filosofie maken van mensen slaven.  Nietzsche > zoektocht naar een nieuwe moraal om mensen sterker te maken in plaats van ze te verzwakken.  Zijn diagnose van wat mis is met de religie en de filosofie is gebaseerd op een onderscheid tussen twee vormen van moraal.

29 TWEE VORMEN VAN MORAAL  Nietzsche vindt dat de moraal van mensen is gebaseerd op verschillende belangen die corresponderen met sociale hiërarchieën.  De geschiedenis van de ethiek > een strijd tussen verschillende morele voorstellingen.  In ‘Jenseits von Gut und Böse’ onderscheidt Nietzsche twee vormen van moraal: 1. De moraal van de slaven (Sklavenmoral). 2. De moraal van de heren (Herrenmoral).

30 DE MORAAL VAN DE SLAVEN  De religie is volgens Nietzsche verantwoordelijk voor schuldgevoelens, het besef van de zonde en een slecht geweten.  Dat leidt tot ressentiment > het opnieuw voelen van iets dat niet meer bevredigd kan worden en het compenseren van dit verlies door wreedheden.  De moraal van de slaven ligt ten grondslag aan de neergang van de cultuur, c.q. de decadentie.  Uiteindelijk is de moraal van de slaven de moraal van de verliezers (losers).  Wat de verliezers ‘goed’ noemen stamt in feite van hun ressentiment, dat op haar beurt leidt tot het haten van de heren, die het ‘kwaad’ zouden belichamen.

31 DE MORAAL VAN DE HEREN  De moraal van de heren berust op hun macht over andere mensen.  Het is de macht over het woord die de heren mede in staat stelt te heersen.  Het idee van wat ‘goed’ is, vloeit voort uit het zelfbeeld van de heren.  Dit zelfbeeld is positief, waardoor zij positief ten opzichte van het leven staan.  Wat de heren het ‘kwaad’ noemen, wordt belichaamd door de passieve zichzelf verloochenende houding van de slaven.

32 3. HET LEVEN ALS KUNSTWERK

33 ESTHETIEK  Nietzsche vindt de esthetiek uit zijn tijd te intellectualistisch.  De esthetische ervaring is niet alleen een intellectuele, maar ook een lichamelijke aangelegenheid > een roestoestand die zich kenmerkt door een versterkt levensgevoel.  Hierbij is sprake van een sterke tegenwoordigheid van geest en lichaam.  Smaak is volgens Nietzsche het vermogen om met lichamelijke directheid (instinct) te bepalen wast waardevol is.  Esthetiek en ethiek gaan bij hem hand in hand > kunstwerken geven uitdrukking aan de wijze waarop een kunstenaar staat ten opzichte van het leven.

34 KUNST EN MORAAL  Nietzsche transcendeert het liberale onderscheid tussen de ethiek van het goede leven en de handelingsethiek.  De handelingsethiek is niet meer dan de uitdrukking van een specifieke idee van het goede leven > de kunst om te leven wetende dat lust en lijden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.  Voor Nietzsche is het de centrale vraag: hoe van het eigen leven een kunstwerk te maken?  Nietzsche: “Een ding is nodig. Z’n karakter ‘stileren’ – een grote en schaarse kunst! Ze wordt bedreven door iemand die alles overziet wat zijn natuur aan krachten en zwakheden biedt en die dat dan samenvoegt in een kunstig ontwerp, totdat alles kunst en rede lijt en ook de zwakheden nog het oog behagen.”

35 ÜBERMENSCH  Zelfstilering impliceert dat de mens zichzelf moet overwinnen.  De ‘Übermensch’ is iemand die daartoe in staat is.  Nietzsche presenteert de ‘Übermensch’ in ‘Also Sprach Zarathustra’ > een vertolking van een visie op de toekomst.  In de toekomst is de mensheid in staat zijn eigen natuur achter zich te laten, zichzelf te overwinnen.  In feite is de ‘Übermensch’ iemand die op een autonome wijze vorm geeft aan een dionysisch bestaan.  De ‘Übermensch’ > geen Darwinistische constructie, omdat het niet gaat om een blind proces waarbij de rede geen enkele rol speelt.  Het gaat iemand die bevrijd is van elke vorm van wrok en medelijden.

36 ETERNAL RECURRENCE  Nietzsche raises in ‘The Gay Science’ an interesting question: how would you respond if at some point a demon were to appear before you in a moment of lonely solitude and confront you with the news that your life will be repeated exactly as it has occurred in even the smallest of details?  In ‘Thus Spoke Zarathustra’ this eternal recurrence (ewigen Wiederkehr) is both announced and affirmed.  It is the joyful affirmation of meaningfulness in a fleeting world of becoming devoid of ultimate sense.

37 EEUWIGE WEDERKEER  Nietzsche ziet de geschiedenis als een eeuwige wederkeer (ewige Wiederkehr).  Daarmee bedoelt hij dat het leven bestaat uit een oneindige reeks gebeurtenissen waar van het van een enkel individu slechts een kleine gebeurtenis is > “Het leven op aarde is algemeen gezien, een ogenblik, een intermezzo, een uitzondering zonder gevolgen, iets dat voor het totale karakter van de aarde zonder belang blijft.”  Daarom moet het leven hier en nu ‘bejaht’ worden.  Tegen deze achtergrond moet volgens Nietzsche het vooruitgangsgeloof, dat zowel een profane (eschatologie) als een seculiere kant kent, bekritiseerd worden.

38 EEN HERWAARDERING VAN ALLE WAARDEN  Volgens Nietzsche moet het pessimisme van Schopenhauer plaats maken voor zijn pantheïstisch vitalisme > dat betekent een herwaardering van alle waarden en uitdrukking geve aan de wil tot macht.  Alle waarden van een cultuur dienen opnieuw te worden gewaarderd.  Voor Nietzsche is de idee van een herwaardering van alle waarden een soort regulatief principe dat hem behulpzaam is om het nihilisme achter zich te laten dat voortvloeit uit de dood van god.  In feite gaat het om een lustvol omarmen van waarden die uitdrukking geven aan een dionysische creativiteit die vrij is van ressentiment.  Degene die inziet dat er geen sprake is van vooruitgang in de geschiedenis en deze zich veelmeer kenmerkt door een eeuwige wederkeer van alles, zal zijn of haar wil tot macht op een dionysische wijze vorm geven.

39 THE REVALUATION OF VALUES  Instead of having an experimental life most people are herd animals who embrace the moral certitude of eternal values and have a sense of belonging to a specific collective.  Nietzsche criticizes the belief in eternal values and pleas for a revaluation of all values (Umwertung aller Werte).  Therefore a genealogy of morality focuses on the conditions under which values were formulated and transformed.  The target of Nietzsche’s revaluation are the Christian values, because they undermine life.  Nietzsche wants to establish a new hierarchy of values directed by the will to power.

40 WIL TOT MACHT  Nietzsche had het plan gevat om onder de titel ‘Der Wille zur Macht’ een boek te schrijven, maar dat boek kwam er nooit.  Zijn zus heeft onder die titel aantekeningen gebundeld en zodanig gemanipuleerd dat ze de Duitse nationaal-socialisten zeer welgevallig waren.  Toch is de wil tot macht een centrale gedachte in het werk van Nietzsche.  Voor hem is de wil tot macht het streven “om aan het worden het karakter van het zijn” te geven, dat wil zeggen een eeuwigheidswaarde te verlenen.  Dat betekent het leven zo in te richten dat het eeuwig zo zou mogen doorgaan.  Nietzsche zegt dat de mens in feite wil worden wat hij is: “Maar wij willen worden, die wij zijn – de nieuwe mensen, de uitzonderlijken, de onvergelijkbaren, de eigen wettengevers, de zichzelf scheppenden!”

41 AANBEVOLEN LITERATUUR 1.Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra (1883/85) [er is een vertaling in het Nederlands]. 2.Friedrich Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse (1886) [er is een vertaling in het Nederlands]. 3.Gustav Mahler, Derde Symfonie [diverse uitvoeringen].


Download ppt "FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."

Verwante presentaties


Ads door Google