De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES.

Verwante presentaties


Presentatie over: "FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."— Transcript van de presentatie:

1 FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES

2 COLLEGES I.Zijn en worden. II.De onweerstaanbaarheid van de wil. III.De kunst van het verleiden. IV.Kapitalisme en vervreemding. V.De strijd voor vrijheid. VI.Nihilisme en vitalisme.

3 I. ZIJN EN WORDEN

4 1.DE ABSOLUTE GEEST Wat is de erfenis van de achttiende eeuw? 2.REDE EN GESCHIEDENIS Hoe moeten historische ontwikkelingen worden geduid? 3.STRIJD OM ERKENNING Welke rol vervullen kunst en politiek?

5 1. DE ABSOLUTE GEEST

6 NA DE REVOLUTIE  De filosofie van de negentiende eeuw is voor een groot deel een reactie op: 1.De Franse revolutie. 2.De Verlichting. 3.De romantiek.  Filosofen houden ze kritisch tegen het licht en vragen zich af wat hun voor- en nadelen zijn.

7 DE FRANSE REVOLUTIE  Aan het eind van de 18 e. en het begin van de 19 e eeuw beschouwen de meeste Duitse intellectuelen de Franse Revolutie ( ) als een historische gebeurtenis die een nieuw tijdperk inluidt.  Zij buigen zich zowel over de vooruitgang (bijvoorbeeld meer vrijheidsrechten) die werd geboekt als over haar schaduwzijden (bijvoorbeeld de terreur).  Bovendien groeit het besef dat hun gedachten en publicaties niet alleen tot nieuwe interpretaties van de wereld leiden, maar ook bijdragen tot haar verandering.  De Franse Revolutie toont dat mensen zich kunnen bevrijden van de onmondigheid die zij - om met Immanuel Kant ( ) te spreken - aan zichzelf te wijten hebben.

8 DE VERLICHTING  De filosofen van de 19 e eeuw zetten de filosofie van de Verlichting voort (met name het positivisme) of kritiseren haar (daarbij vooral geïnspireerd door de romantiek).  De Verlichting > het geloof in maatschappelijke vooruitgang als gevolg van het gebruik van de (wetenschappelijke) rede.  De bekendste omschrijving van de Verlichting is uit Kants ‘Was ist Aufklärung?’ (1784): “Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en moed ligt, zich van zijn verstand zonder de leiding van een ander te bedienen. Sapere aude. Heb de moed, je van je eigen verstand te bedienen! Is derhalve de zinspreuk van de Verlichting!”

9 ROMANTIEK  Rüdiger Safranski maakt in zijn boek ‘Romantik. Eine deutsche Affäre’ (2007) een belangrijk onderscheid: 1. De romantiek (die Romantik) > een tijdperk (± ± 1820). 2. Het romantische (das Romantische) > een specifieke houding.  Ook al is de romantiek verleden tijd, het romantische is springlevend.  Kenmerken van een romantische houding: - De verbeelding is vaak interessanter dan de werkelijkheid. - Het andere is belangrijker dan het bekende. - Voor zover de toekomst en het verleden ver weg zijn, zijn ze fascinerend. - Grenzen overschrijden in plaats van ze vastleggen.  Het romantische is tot op zekere hoogte een reactie op de onttovering van de wereld die de Verlichting met zich meebrengt > van licht naar duisternis.  Kunstenaars zijn in staat de wereld opnieuw te betoveren > kunst als religie met andere middelen (Kunst als Ersatzreligion).

10 GEORG WILHELM FRIEDRICH HEGEL Korte biografie:  27 augustus 1770: geboren in Stuttgart.  : student theologie in Tübingen, samen met Friedrich Hölderlin and Friedrich Wilhelm Joseph von Schelling.  : huisleraar in Bern.  : huisleraar in Frankfurt.  : professor in de filosofie aan de universiteit van Jena.  1807: redacteur van een krant in Bamberg.  : rector en docent van een gymnasium in Nürnberg.  : professor in de filosofie aan de universiteit van Heidelberg.  : professor in de filosofie aan de universiteit van Berlijn.  14 november 1831: gestorven in Berlijn.

11 BELANGRIJKE PUBLICATIES  Phänomenologie des Geistes (1806).  Wissenschaft der Logik ( ).  Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften (1817).  Grundlinien der Philosophie des Rechts oder Naturrecht und Staatswissenschaft im Grundrisse (1821).  Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte (postuum).  Vorlesungen über die Ästhetik (postuum).

12 DUITS IDEALISME  Hegel werd beïnvloed door het idealisme van Fichte ( ) en Schelling ( ).  Fichte en Schelling kritiseren Kant, omdat deze ten onrechte ervan uitgaat dat het ding-op-zich (Ding-an-sich) niet kan worden gekend.  Idealisme > de ontwikkeling van de geest is de drijvende kracht in de geschiedenis.  Hegel keert zich tegen het subjectief idealisme van Fichte, omdat deze zich in onvoldoende mate rekenschap geeft van de objectieve werkelijkheid.  Tevens keert hij zich teven het objectief idealisme van Schelling, omdat deze zich blind staart op de natuur.  Hegel verdedigt een absoluut idealisme dat de tegenstelling tussen geest (Geist) en natuur (Natur) overwint.

13 DE REALITEIT VAN DE GEEST  Hegel gaat uit van de identiteit van de geest en de natuur, van subject en object.  De geschiedenis kenmerkt zich door de zelfontplooiing van de geest, die zich veruiterlijkt in de natuur.  Hegel is een filosoof die zich zeer uitdrukkelijk rekenschap geeft van historische ontwikkelingen.  Het is de taak van de filosofie de mogelijkheden die in de werkelijkheid worden geactualiseerd te articuleren.  Filosofie is de eigen tijd in gedachten gevat; ze geeft uitdrukking aan de geest van de tijd (Zeitgeist).

14 ALLE KENNIS EEN PLAATS GEVEN  Hegel wil alle kennis die voorhanden is een plaats geven binnen een filosofisch systeem.  Doel > een filosofisch systeem te presenteren dat alles wat er is op een systematische wijze in kaart brengt.  Absoluut idealisme van Hegel > omvat het subjectieve leven en het objectieve leven als delen van een ontwikkeling waarin de absolute geest wordt gearticuleerd.  De oneindige absolute geest (der absolute Geist) wordt via de eindige mens steeds beter gearticuleerd.  Via het zelfbewustzijn heeft het individu deel aan de absolute geest.

15 HOLISME  Klassiek filosofisch debat > holisme versus elementarisme.  Elementarisme > het geheel bestaat uit de som der delen (bijvoorbeeld een machine).  Holisme > het geheel is meer dan de som der delen (bijvoorbeeld een orgaan).  Hegel verdedigt een soort holisme: 1. De delen zijn met elkaar verbonden en veranderen voortdurend. 2. Het geheel wordt bepaald door de zelfontplooiing van de absolute geest.. 3. Het geheel ontwikkelt zich via diverse stadia, waarbij de absolute geest zich veruiterlijkt en weer tot zichzelf terugkeert.

16 2. REDE EN GESCHIEDENIS

17 TAAK VAN DE FILOSOFIE  Hegel heeft de filosofie met de ‘uil van Minerva’ vergeleken die pas na zonsondergang haar vlucht begint > een bepaalde periode in de geschiedenis afgesloten zijn alvorens die goed kan worden begrepen.  Via een speculatief gebruik van de rede wil Hegel desalniettemin met zijn filosofie uitdrukking even aan de absolute idee.  Hij zegt het zo: “De absolute idee allen is zijn, onvergankelijk leven, waarheid die zichzelf begrijpt, en is alle waarheid. Ze is het enige object en de enige inhoud van de filosofie. Omdat ze alle bepaaldheid in zich vat en haar wezen daaruit bestaat dat ze door haar zelfbepaling of verbijzondering tot zichzelf terugkeert, heeft ze verschillende vormen en het is de taak van de filosofie haar daarin te ontdekken. De natuur en de geest zijn in het algemeen verschillende vormen om haar bestaan uit te beelden, kunst en religie zijn haar verschillende wijze om tot besef van zichzelf te komen en zich een passend bestaan te geven; de filosofie heeft met kunst en religie dezelfde inhoud en hetzelfde doel; mar zij is de hoogste wijze om de absolute idee te omvatten, omdat haar manier de hoogste is, namelijk het begrip.”

18 EEN FILOSOFISCH SYSTEEM  Het filosofische systeem van Hegel is gebaseerd op tal van triades.  Zo bestaat het filosofische systeem zelf uit drie delen: 1. De logica > de wetenschap van de absolute idee zoals ze is voor zichzelf (an-und-für sich). 2. De natuurfilosofie > de wetenschap van de absolute idee in haar anders-zijn (Anderssein). 3. Filosofie van de geest > de wetenschap die de absolute idee presenteert in haar bij-zichzelf-zijn (bei-sich- sein).  Het filosofische systeem van Hegel is een dialectische constructie die tegengestelde polen in zich verenigt: geest en natuur.

19 DIALECTISCHE METHODE  Het filosofische systeem dat Hegel presenteert is gebaseerd op de zogenaamde dialectische methode.  Dialectische methode > gebaseerd op de gedachte dat wat elkaar tegenspreekt toch een eenheid vormt.  Die eenheid kenmerkt zich daardoor dat ze dat wat aan elkaar tegengesteld heeft ‘aufgehoben’, dat wil zeggen tegelijkertijd heeft opgeheven, bewaard en op een hoger niveau getild.  De ontwikkeling van de geschiedenis kenmerkt zich door een spiraalvormige vooruitgang.  Het doel > de waarheid van het geheel (Gesamtzusammenhang) aan het licht brengen door het expliciet maken van intrinsieke contradicties en de ontwikkelingen die zij teweeg brengen.

20 DE ARCHITECTUUR VAN HEGELS FILOSOFISCH SYSTEEM FILOSOFISCH SYSTEEM LOGICA FILOSOFIE VAN DE NATUUR FILOSOFIE VAN DE GEEST

21 LOGICA  “Wetenschap van de logica” (Wissenschaft der Logik) > het eerste deel van Hegels filosofische systeem.  Logica > een schets van de ontwikkeling van de begrippen die de mens gebruikt en uitdrukking geven aan de absolute geest.  Hegels logica onderscheidt zich uitdrukkelijk van de formele logica.  In zijn ogen is de formele logica te abstract en te statisch.  Hegel presenteert een logica die recht wil doen aan de alsmaar veranderende werkelijkheid, die laat zien hoe iets ontstaat wat er nog niet is.

22 FILOSOFIE VAN HET WORDEN  Hegels logica is een filosofie van het worden die toont dat tegengestelden op een hoger niveau met elkaar kunnen worden verzoend.  Voorbeeld: de begrippen het ‘zijn’ en het ‘niets’ worden met elkaar verzoend door het begrip ‘worden’.  Hegel zelf: “Er is nog niets en er moet iets ontstaan. Het begin is niet het zuivere Niets, waaruit iets te voorschijn moet komen; het begin heeft dus ook al het Zijn tot inhoud. Het begin omvat dus beide: Zijn en Niets; het is de eenheid van Zijn en Niets; - ofwel het is Nietzijn dat tegelijkertijd Zijn is en Zijn, dat tegelijkertijd Nietzijn is. Verder: zijn en Niets zijn in “het begin” als twee verschillende [zaken] aanwezig; aan de ene kant is het een Nietzijn, dat op het Zijn betrokken is als op iets [dat] anders [is]; het beginnende bestaat eigenlijk nog niet; het gaat alleen nog maar naar het Zijn toe. Het begin heeft dus het Zijn tot inhoud als iets, dat zich van het Nietzijn verwijdert en het opheft als iets tegenovergestelds.”

23 FILOSOFIE VAN DE NATUUR  Hegel schetst in de filosofie van de natuur in feite de externalisering van de absolute geest in zijn anderszijn.  Alhoewel de absolute geest het bestaan van de natuur veronderstelt, is ze de waarheid van de natuur en haar absolute basis.  De filosofie van de natuur bestaat uit een triade: 1. Mechanica > reflecties over tijd, ruimte en beweging. 2. Fysica > reflecties over onder meer hitte, geluid, licht, electriciteit en scheikunde. 3. Organische natuur > reflecties over de geologie, planten en dieren.

24 FILOSOFIE VAN DE GEEST  De triade van de filosofie van de geest omvat de subjectieve geest, de objectieve geest en de absolute geest.  Subjectieve geest > reflecties over antropologie (het lichaam, emoties, etc.), de fenomenologie van de geest (zintuiglijke waarneming, perceptie, erkenning van de ander, etc.) en psychologie (intellectuele functies als intentie, voorstellingsvermogen, herinnering, etc.).  Objectieve geest > reflecties over de vrijheid voor zover die wordt belichaamd door de wet, de religie en de wetenschap.  Absolute geest > reflecties over kunst, religie en filosofie.

25 3. STRIJD OM ERKENNING

26 VORM GEVEN AAN DE VRIJHEID  Kunst en politiek zijn volgens Hegel belangrijke domeinen van de vrijheid.  Deze domeinen worden ook gekenmerkt door een strijd om erkenning > burgers, politici en kunstenaars willen erkend worden door de ander.  Deze strijd om erkenning kan leiden tot een vergroting van de vrijheid.  Hegel reconstrueert de ontwikkeling van de kunst en de politiek.  Vrijheid wordt door Hegel omschreven als inzicht in de noodzakelijkheid.

27 FILOSOFIE VAN DE KUNST  Alexander Gottlieb Baumgarten ( ) is de grondlegger van de filosofische subdiscipline esthetica > theorie van de zintuiglijke kennis.  Bij Kant is esthetica vooral een theorie van het esthetische oordeel.  Pas bij Hegel en Schelling wordt de esthetica een filosofie van de kunst.  Centrale vraagstuk in de esthetica > het verschil tussen een esthetische en een niet-esthetische ervaring.  Kunst geeft volgens Hegel uitdrukking aan de absolute geest via het evoceren van esthetische ervaringen.  De rationele inhoud van de absolute geest manifesteert zich ook door middel van esthetische ervaringen.  Esthetische ervaring zijn zintuiglijk van aard, maar daarom niet minder rationeel.  Contra de romantische opvatting over kunst.

28 DE BELICHAMING VAN HET ABSOLUTE  In de geest van Plato > door het aanschouwen van de schoonheid van een kunstwerk of de natuur krijgt de mens zicht op het absolute en de waarheid.  Via de zintuigen geeft kunst uitdrukking aan de idee, dat wil zeggen de eenheid van een begrip en de met haar corresponderende werkelijkheid.  Hegel vindt dat goede kunst het absoluut ware tot uitdrukking breng, zeg het absolute belichaamt.  Daar mee heeft kunst ook een cognitieve functie > ze brengt de waarheid aan het licht.  Kunst hoort bij de religie en de filosofie > zij vermag dat te doen wat de religie middels mythische voorstellingen doet en de filosofie middels begrippen.  De kunst maakt daarbij gebruik van de misleiding (Täuschung) > schone schijn (beeld van een beeld van de werkelijkheid).

29 DE ONTWIKKELING VAN DE KUNST  Het absolute is eeuwig en wordt op verschillende manieren door de eindige kunstwerken manifest.  Hegel is niet alleen van mening dat de schoonheid van kunstwerken het absolute tot uitdrukking brengen, maar ook dat het daarbij steeds om een en hetzelfde absolute gaat dat zich van tijdperk tot tijdperk anders manifesteert.  Als gerealiseerd idee is een uitmuntend kunstwerk een ideaal dat zich kenmerkt door de eenheid van vorm en inhoud een volledige veraanschouwelijking ervan.  Hegel onderscheidt drie vormen van kunst, die zich kenmerken door het streven naar, het bereiken van en het overschrijden van dit ideaal: 1. Symbolische kunst. 2. Klassieke kunst. 3. Romantische kunst.

30 SYMBOLISCHE KUNST  De symbolische kunst kenmerkt zich door een zoektocht naar het ideaal, dat wil zeggen het streven naar een adequate vertolking van een idee in een kunstwerk, ook al wordt dat ideaal niet bereikt.  De context > archaïsche culturen in Egypte en de Oriënt waar een kunstwerk binnen rituelen een symbool vormt voor iets anders.  Symbolische kunst is de minst ontwikkelden, omdat de inhoud vooral op een abstracte wijze vorm wordt gegeven.  Voorbeelden > een leeuw die moed en een tempel die god symboliseert.  Zolang het absolute symbolisch, dat wil zeggen indirect en inadequaat, wordt weergegeven, blijft het raadselachtig.  Dit wordt volgens Hegel nog eens door de sfinx gesymboliseerd.  Centrale kunstuiting > architectuur.

31 KLASSIEKE KUNST  De klassieke kunst geeft op een adequate wijze uitdrukking aan het ideaal, omdat vorm en inhoud een eenheid vormen en een idee volledig veraanschouwelijkt wordt.  De context > de sculpturen uit de Griekse oudheid.  Het menselijke lichaam krijgt in de sculpturen een soort goddelijke status.  Het raadsel van de symbolische kunst wordt bij wijze van spreken opgelost.  De klassieke kunst is zowel onafhankelijk als compleet.  Centrale kunstuiting > sculptuur.

32 ROMANTISCHE KUNST  De klassieke kunst heeft zijn tijd gehad op het moment dat het christendom de waarde onderstreept van het individu en zijn subjectieve vrijheid.  De komst van de romantische kunst betekent in feite de overgang van de harmonie van het individu naar diens idiosyncrasie.  De romantische kunst brengt tot uitdrukking dat sommige aspecten van het absolute niet door kunstwerken kunnen worden belichaamd.  Centrale kunstuitingen > schilderkunst, muziek en poëzie.

33 HET EINDE VAN DE KUNST  Volgens Hegel stuit de kunst op grenzen > sommige zaken die door de religie en de filosofie tot uitdrukkingen kunnen worden gebracht, kunnen niet door de kunst tot uitdrukking worden gebracht (bijvoorbeeld de heilige drie-eenheid van het christendom).  These van het einde van de kunst > de kunst is niet meer in staat om aan haar hoogste bestemming te voldoen, namelijk het absolute adequaat tot uitdrukking te brengen.  Hegel beweert niet dat geen kunstwerken (moeten of kunnen) worden gemaakt.  Kunstwerken worden meer en meer het object van interpretatie.

34 POLITIEKE FILOSOFIE  De politieke filosofie van Hegel omvat drie delen: 1. Het recht (Recht) > analyse van rechtsprincipes en het natuurrecht. 2. De moraliteit (Moralität) > analyse van de ethische grondbeginselen (goed en kwaad, etc.). 3. De zedelijkheid (Sittlichkeit) > analyse van de instituties die vorm geven aan het recht en de moraliteit.  Het spanningsveld tussen recht en moraliteit wordt door de zedelijkheid opgeheven.

35 EEN KWESTIE VAN VRIJHEID  Voor Hegel draait politiek om het vorm geven van de vrijheid.  Centrale vraag: hoe moet de wilsvrijheid van uiteenlopende individuen op elkaar afgestemd worden?  Het recht is daarvoor noodzakelijk, maar niet voldoende (omdat het relatief abstract blijft).  Naast de dwang die van het recht uitgaat, moeten individuen ook inzien dat ze werkelijk vrij zijn wanneer ze de wilsvrijheid van anderen (h)erkennen.  Vrijheid is bij Hegel meer dan ‘het zich kunnen laten gaan’ > ook een zaak van reflexieve zelfbeperking.  Collectieve normen garanderen de vrijheid van het individu.

36 ZEDELIJKHEID  Als onderdeel van de politieke filosofie van Hegel verwijst de zedelijkheid naar drie instituties: 1. Het gezin > een natuurlijke eenheid waar liefde wordt ervaren. 2. De burgerlijke maatschappij > een intermediair tussen het gezin en de staat. 3. De staat > het zedelijke geheel.  Hegel beschouwt de staat als de hoogste vorm waarop aan de menselijke vrijheid vorm wordt gegeven.

37 AANBEVOLEN LITERATUUR 1. Hegel: Phänomenologie des Geistes (1806) [diverse vertalingen, ook – deels - in het Nederlands]. 2. Hegel: Grundlinien der Philosophie des Rechts oder Naturrecht und Staatswissenschaft im Grundrisse (1821) [diverse vertalingen]. 3. Rüdiger Safranski: ‘Romantik. Eine deutsche Affäre’ [diverse vertalingen, ook in het Nederlands].


Download ppt "FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."

Verwante presentaties


Ads door Google