De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Jeugdgezondheidszorg Gezin en opvoeding: gedrags- en opvoedingsproblemen Academiejaar 2008-2009 Hans Grietens Centrum voor Gezins- en Orthopedagogiek Katholieke.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Jeugdgezondheidszorg Gezin en opvoeding: gedrags- en opvoedingsproblemen Academiejaar 2008-2009 Hans Grietens Centrum voor Gezins- en Orthopedagogiek Katholieke."— Transcript van de presentatie:

1 Jeugdgezondheidszorg Gezin en opvoeding: gedrags- en opvoedingsproblemen Academiejaar Hans Grietens Centrum voor Gezins- en Orthopedagogiek Katholieke Universiteit Leuven

2 Inhoud Omschrijving Assessment Ontstaanstheorieën en modellen voor interventie

3 Gedragsproblemen bij kinderen en jongeren Een orthopedagogisch perspectief

4 Terminologie Een algemene definitie  “... kinderen die zich zichtbaar ongewoon of abnormaal gedragen en dit afgezien van de ernst, de oorzaak of de context van het gestelde ongewone gedrag” Dit is een zeer brede definitie  ook emotionele en psychosomatische klachten  geen rekening houdend met duur, frequentie, intensiteit en pervasiviteit

5 Naar een klinische definitie Men moet rekening houden met:  het ontwikkelingsperspectief  de continuümgedachte  de context  de informant

6 Het ontwikkelingsperspectief Hoe oud is het kind? Wat is nog gepast voor zijn/haar leeftijd? Kennis van ontwikkeling van kinderen is belangrijk om gedrag in te schatten

7 Continuümgedachte Alle kinderen stellen wel eens GP, dat hoeft niet problematisch te zijn GP verschillen in ernst, duur en frequentie Grens tussen normale variatie en ernstig afwijkend gedrag is soms onduidelijk

8 Context GP doen zich altijd in een bepaalde situatie voor Soms is er enkel een probleem in één situatie Soms zijn er GP in meerdere situaties (pervasiviteit)

9 Informant Wie meldt de GP? Soms hebben verschillende informanten een verschillende perceptie van het gedrag van een kind

10 Klinische definitie “... een relatief concept dat aan de orde is als de op dat moment in een bepaalde omgeving heersende normen en geldende regels worden overschreden. De ernst van het probleemgedrag wordt verder bepaald aan de hand van de frequentie, de duur en de omvang alsmede door de mate waarin de betrokkene zichzelf en/of zijn omgeving psychische schade berokkent” (Van der Ploeg)

11 Typologie van probleemgedrag Externaliserende problemen  in eerste instantie storend voor de omgeving Internaliserende problemen  in eerste instantie storend voor het kind zelf Internaliserende problemen vallen minder op en worden minder snel gesignaleerd De typologie dekt niet alle GP

12 Classificatie van gedragsproblemen Klinisch-psychiatrische systemen  vanuit klinisch-psychiatrische praktijk worden stoornissen gedefinieerd door mensen met jarenlange klinische ervaring  het gaat om zeer ernstige, psychiatrische stoornissen bv. depressie, ADHD, persoonlijkheidsstoornis  categorale systemen dwz “ja” of “neen”-systemen

13 Voorbeeld: DSM-IV (Diagnostic and statistical manual of mental disorders, American Psychiatric Association)  1: klinische stoornissen (bv. ADHD, autistische stoornis,...)  2: persoonlijkheidsstoornissen en verstandelijke handicap (bv. antisociale persoonlijkheid)  3: somatische aandoeningen (bv. neurologische stoornissen)  4: psychosociale en omgevingsproblemen (bv. verwaarlozing)  5: algemeen functioneren (op schaal van 1 tot 100) 100: uitstekend functioneren <10: persoon is gevaar voor anderen of zichzelf

14 Empirisch-statistische systemen  vanuit psychometrische hoek en op basis van wetenschappelijk onderzoek vanuit epidemiologie met behulp van gedragsvragenlijsten  alle gedragsproblemen worden erin opgenomen van lichte tot zeer ernstige problemen men houdt rekening met ontwikkeling en norm

15  GP worden beschouwd als continua (dimensies) bv. mate van opstandig gedrag, aandachtstekort,...  Voorbeeld: ASEBA-systeem (Achenbach) gedragsvragenlijsten voor 1,5 tot 18 jaar  120 vragen uit 8 probleemgebieden (bv. agressie, regelovertredend gedrag, sociale problemen, angst/depressie) ouder-, leerkracht- en kindvragenlijsten (CBCL, TRF, YSR) gedragsprofiel van het kind  op welke gebieden zijn er veel/geen problemen? vergelijking van informatie uit verschillende bronnen is mogelijk  moeder-vader  ouders-leerkracht ...

16 Voorbeeld Thomas (10j.) 4 e leerjaar, gewone school Matige leerprestaties (rekenen zwak) Weinig motivatie om te leren Toenemende gedragsproblemen thuis en op school  ‘luistert niet’, ‘ongehoorzaam’, ‘tegenspreken’, ‘roepen’  ‘geen vrienden’  ‘geen interesses’, ‘kan zich niet bezighouden’ CBCL van moeder en vader

17 Gedragsprofiel volgens moeder

18

19

20 Epidemiologisch onderzoek Prevalentie van gedragsproblemen in de populatie Samenhang met demografische kenmerken geslacht leeftijd sociale context Verloop van gedragsproblemen

21 Voornaamste resultaten Prevalentie van ernstige GP bij 4- tot 18-jarigen in de bevolking: ± 10% Prevalentie van psychiatrische stoornissen: 6 à 7% Jongens vertonen meer GP dan meisjes GP dalen niet met de leeftijd Kinderen uit lagere socio-economische milieus vertonen meer GP GP verdwijnen niet altijd vanzelf Veel te weinig kinderen en jongeren met GP krijgen professionele hulp

22 Is er een toename van GP? Publieke opinie: JA Praktijk: Toename wachtlijsten Nieuwe gedragsproblemen Onderzoek: ?

23 Gedragsproblemen bij adolescenten % hoge scores per cohorte (Collishaw e.a., 2004) Cohorte adolescenten

24 Hoe ontstaan gedragsproblemen? Er bestaan zeer vele en uiteenlopende theorieën over het ontstaan (etiologie) van GP Er kan onderscheid worden gemaakt tussen theorieën die verklaring situeren in  het kind  de context de nabije omgeving van het kind (ouders, gezin) de bredere omgeving (school, buurt, maatschappij)  “nature” versus “nurture” en wisselwerking tussen beide Recente theorieën gaan ervan uit dat er meerdere verklaringen zijn voor GP  op verschillende niveaus (kind, gezin, bredere context)  integratieve, multifactoriële of ecologische modellen

25 Kindgerichte verklaringen, bv.  biologische theorieën  temperamenttheorieën Interactionele verklaringen, bv.  sociale leerhteorie  gehechtheidstheorie Integratieve verklaringen Kind Omgeving

26 Biologische theorieën Gedrag wordt gestuurd door interne biologische processen; bij foute sturing kunnen GP ontstaan Gedrag is een epifenomeen van deze processen Verschillende invalshoeken  neuroanatomie dysfuncties op het niveau van de structuur van de hersenen  neurochemie dysfuncties in de chemische processen in de hersenen  genetica gedrag heeft een erfelijk bepaalde component (“behavior genetics”) sommige GP komen meer voor in bepaalde families voorbeeld: ADHD

27 Temperamentstheorieën Biologisch gebaseerde voorloper van persoonlijkheid  stilistische aspecten van gedrag  vroeg-observeerbare, erfelijke aspecten van persoonlijkheid  reactieve en zelf-regulatorische aspecten van gedrag Dimensies  emotionaliteit  extraversie  activiteit  doorzettingsvermogen Temperament speelt rol bij ontwikkeling  gedragsstoornissen  ADHD  depressie  angst

28 Sociale leertheorie Gedrag in sociale situatie kan worden gevat in ABC-schema  A: antecedenten  B: gedrag  C: gevolgen Leerprincipes  gedrag dat direct wordt bekrachtigd (beloond), neemt toe gewenst gedrag + beloning = meer gewenst gedrag ongewenst gedrag + beloning = meer ongewenst gedrag  gedrag dat niet direct wordt beloond, neemt af

29 Illustratie: ontstaan van agressief gedrag Theorie van Patterson over coërciviteit (dwang) in opvoedingssituaties  A: kind moet iets doen (eten, huiswerk)  B: het wil dit niet en protesteert (roepen)  conflict  C: wat kan de ouder doen? toegeven kordaat disciplineren negeren dreigen (met straf) fysiek straffen

30 Coërciviteit en wet van het effect

31

32 Wat gebeurt er bij herhaaldelijk en onbeperkt toegeven?  kind en ouders ontsnappen aan iets wat ze niet graag hebben  ouders verliezen de gedragscontrole over het kind  agressief gedrag wordt een instrument  kind gaat elders hetzelfde gedrag stellen

33 Gehechtheidstheorie (Bowlby) o Emotionele regulatie binnen ouder-kind dyade o Basisniveaus van gehechtheidsprocessen bij ouder en kind  ‘proximity-seeking behaviour’ (K) en ‘caregiving behaviour’ (O)  representatieprocessen o Relationele patronen relationele veiligheid

34 Bij ouder met negatieve opvoedingsgeschiedenis: verstoord functioneren van gezin als ‘veilige basis’ trauma-communicatiepatronen o silencing / underdisclosure pattern o overdisclosure pattern intensifiëring intrafamiliaal conflict / ontwikkeling fysiek geweld ontwikkeling van kindermishandeling parentificatieprocessen emotionele responsiviteit

35 Verstoorde hechtingsprocessen in een context van traumatisering zorgcontext wordt onvoorspelbaar en bedreigend verstoring van gehechtheidsprocessen: paradox o ouder als bron van veiligheid o ouder als bron van alarm en angst gedesorganiseerde gehechtheidsprocessen

36 Gedesorganiseerde gehechtheidsprocessen coherente gehechtheidsstrategie? ontwikkeling van controlerende strategieën: o controlerend-coërcief o controlerend-zorgend relationele desorganisatie intergenerationele trauma-transmissie

37 Ecologische modellen Integratie van diverse theorieën over het ontstaan van GP Uitgangspunten  GP hebben niet één, maar meerdere oorzaken (multicausaliteit)  risico- en protectieve factoren risicofactoren: verhogen de kansen op GP protectieve factoren: verlagen de kansen op GP  cumulatieve risicomodellen  risicofactoren op niveau kind, gezin, omgeving  samenspel is belangrijk

38 Ecologisch model agressief gedrag (Scholte)

39 Ecologisch model vanuit sociale leertheorie (Patterson)

40 Opvoedingsproblemen bij kinderen en jongeren

41 Opvoeden + opvoedingsproces Wat is opvoeden?  Samenleven (continue interacties) van volwassenen met een kind  Met wiens ontwikkeling ze begaan zijn (zich verantwoordelijk voor voelen)  En bereid zijn zich tot een duurzame (toekomstgerichtheid) relatie te engageren

42 Opvoeden + opvoedingsproces Opvoedingsproces  Functioneel proces (niet alleen intentioneel)  Complementair (Kind + Opvoeder)  Circulair (Kind Opvoeder)

43 Opvoeden + opvoedingsproces In de veelheid van dagelijkse interacties  Manifesteert het kind in zijn gedrag een PEDAGOGISCHE VRAAG (= vraag naar een bepaalde pedagogische aanpak)  afhankelijk van temperament en erfelijke aanleg  Manifesteren de ouders in hun handelen hun PEDAGOGISCH AANBOD  afhankelijk van persoonlijkheid, erfelijke aanleg en geschiedenis  Dit alles in een bepaalde context Problematisch opvoeden kenmerkt zich door een breuk in het circulair proces van pedagogische vraag en aanbod

44 Opvoedingsproblemen Opvoedingsonzekerheid Opvoedingsspanning Opvoedingscrisis Problematische opvoedingssituatie

45 Orthopedagogiek De wetenschappelijke studie van het handelen / behandelen in problematische opvoedingssituaties (POS) Die zich kunnen voordoen in het gezin, de school, maar ook in gezinsaanvullende of gezinsvervangende situaties  POS: « Een door de betrokkenen als nagenoeg perspectiefloos ervaren opvoedingssituatie, waarin zij er zonder deskundige hulp van buitenaf niet zullen in slagen het geheel zodanig te veranderen dat het weer perspectiefbiedend wordt » (Ter Horst, 1980)

46 POS Vanzelfsprekendheid in de opvoeding valt weg Ervaren/beleefde « perspectiefloosheid » door betrokkenen of derden  Kindperspectief : ontwikkeling loopt vast, wordt belemmerd  Opvoedersperspectief : onzekerheid, vragen, zorg, handelingsverlegenheid

47 Primaire opvoedingsproblemen Fysiek en psychisch ‘gezonde’ opvoeders (ouders, leerkrachten, …) met ‘normale’, gezonde, ‘gewone’ kinderen  slagen er niet in de pedagogische vraag van het kind te onderkennen (verkeerde betekenisgeving aan het gedrag van hun kind)  slagen er niet in het gevraagde pedagogisch aanbod (manier van pedagogisch handelen waar het kind om vraagt) te realiseren  slagen er door een bijzondere opvoedingssituatie (echtscheidingssituatie, hersamengesteld gezin, meerlingen, …) niet in het gepaste pedagogische aanbod te bieden

48 Secundaire opvoedingsproblemen Opvoedingsproblemen die (mede) veroorzaakt worden door  Ziekte of stoornis bij de opvoeders psychiatrische problematiek (vb. depressie) (chronische) ziekte (vb. CVS)  Ziekte of stoornis van het kind leerstoornis, verstandelijke beperking, zintuiglijke beperking, gedragsstoornis genetische syndromen (chronische) ziekte → De pedagogische vraag van het kind wordt specifiek

49 Dimensies van opvoeden Ouderlijke betekenisgeving (representaties) belevingen verwachtingen houdingen Ouderlijk handelen (gedrag) steun (beschikbaarheid, sensitiviteit, responsiviteit) controle (gedrags-, psychologisch)

50 Model van Belsky

51 Model van Hellinckx

52 Kindermishandeling...of wanneer goede zorg bieden aan een kind niet (langer) vanzelfsprekend is Een chronisch belangenconflict ten nadele van het kind Een tekort aan pedagogisch besef Een beladen opvoedingsgeschiedenis Sociale isolatie

53 Een chronisch belangenconflict ten nadele van het kind Belang ouder Belang Kind Belang Ouder Belang Kind

54 Een tekort aan pedagogisch besef (‘parental awareness’) Pedagogisch besef  verwachtingen  belevingen  sensitiviteit/responsiviteit  attitudes tegenover fysieke straf als disciplineringsmiddel Problematisch  geforceerd  overwegend negatief  verminderd  eerder positief Voorbeeld  POS-schaal (Kind & Gezin)

55 Een beladen opvoedingsgeschiedenis Intergenerationele transmissie Geschiedenissen herhalen zich via dynamieken van  traumatisering  problematische gehechtheid  destructief gerechtigde aanspraak (Nagy) ‘actually suffered past injustice’ ‘taking the past out on the future’

56 Sociale isolatie Gering familiaal en sociaal netwerk Weinig efficiënt hulpzoekgedrag Gesloten gezinssystemen


Download ppt "Jeugdgezondheidszorg Gezin en opvoeding: gedrags- en opvoedingsproblemen Academiejaar 2008-2009 Hans Grietens Centrum voor Gezins- en Orthopedagogiek Katholieke."

Verwante presentaties


Ads door Google