De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Hoofdstuk 8 Meten bij marktonderzoek. Open vragen Gesloten vragen Vragen met antwoordschalen Basale vraag- en antwoordformats.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Hoofdstuk 8 Meten bij marktonderzoek. Open vragen Gesloten vragen Vragen met antwoordschalen Basale vraag- en antwoordformats."— Transcript van de presentatie:

1 Hoofdstuk 8 Meten bij marktonderzoek

2 Open vragen Gesloten vragen Vragen met antwoordschalen Basale vraag- en antwoordformats

3 Schema met zes verschillende vraag-en-antwoordformats

4 Open vraag zonder doorvragen Open vragen: respondent krijgt geen antwoordmogelijkheden voorgelegd.  Zonder doorvragen: interviewer probeert geen aanvullende informatie te verkrijgen. Voordeel:  Respondent kan in zijn eigen woorden antwoorden Nadelen:  Moeilijk te coderen en te interpreteren  Respondent geeft niet altijd volledige antwoorden  Kans bestaat dat van het onderwerp wordt afgedwaald Basale vraag- en antwoordformats

5 Open vraag met doorvragen Open vragen: respondent krijgt geen antwoordmogelijkheden voorgelegd.  Met doorvragen: interviewer krijgt instructie om aanvullende informatie boven tafel te krijgen. Voordeel:  Roept volledige antwoorden op Nadeel:  Moeilijk te coderen en te interpreteren Basale vraag- en antwoordformats

6 Gesloten vragen Gesloten vraag: de vragenlijst geeft antwoordmogelijkheden aan waarop de respondent snel en makkelijk kan reageren.  Dichotome: kent twee antwoordmogelijkheden, bijvoorbeeld ‘ja’ of ‘nee’. Voordeel:  Eenvoudig te stellen en te coderen Nadeel:  Antwoordmogelijkheden zijn soms te sterk vereenvoudigd Basale vraag- en antwoordformats

7 Gesloten vragen Gesloten vraag: de vragenlijst geeft antwoord- mogelijkheden aan waarop de respondent snel en gemakkelijk kan reageren.  Meerdere antwoordmogelijkheden: er zijn meer dan twee antwoordmogelijkheden. Voordelen:  Een breed scala antwoordmogelijkheden  Eenvoudig te stellen en te coderen Nadelen:  Kan de aandacht richten op antwoordmogelijkheden waarvan de respondent zich eerst niet bewust was  Je moet een onderscheid maken tussen ‘kies één’ en ‘kies alle die van toepassing zijn’ Basale vraag- en antwoordformats

8 Vragen met antwoordschalen De onderzoeker gebruikt een schaal om de eigenschappen van een theoretisch begrip te meten.  Natuurlijke antwoordschaal: de respondent krijgt de schaal in een geschikte en gemakkelijk te begrijpen maat gepresenteerd, zoals bijv. jaren, meters, euro’s. Voordelen:  Respondent kan mate van intensiteit/gevoel uitdrukken  Eenvoudig te stellen en te coderen Nadelen:  Respondent kan zich soms niets bij de schaal voorstellen  De schaal kan ‘geforceerd’ of te gedetailleerd zijn Basale vraag- en antwoordformats

9 Vragen met antwoordschalen De onderzoeker gebruikt een schaal om de eigenschappen van een theoretisch begrip te meten.  Synthetische antwoordschaal: de respondent moet een verzonnen schaal gebruiken, bijv een zevenpuntsschaal, een koopintentie die als % wordt uitgedrukt. Voordelen:  Respondent kan mate van intensiteit/gevoel uitdrukken  Eenvoudig te stellen en te coderen Nadeel:  Respondent kan zich soms niets bij de schaal voorstellen Basale vraag- en antwoordformats

10 De aard van het kenmerk dat wordt gemeten Vorig onderzoek De dataverzamelingsmethode De capaciteiten van de respondent Het gewenste schaalniveau Overwegingen bij de keuze voor een vraag-en- antwoordformat

11 Meten: de hoeveelheid of intensiteit van een kenmerk vaststellen dat voor de onderzoeker van belang is. Eigenschappen: de speciale kenmerken van een object die het onderscheiden van een ander object.  Objectieve eigenschappen zijn fysiek te verifiëren (leeftijd, laatst bezochte winkel)  Subjectieve eigenschappen kunnen niet rechtstreeks worden gemeten, begrippen zitten in het hoofd van de onderzoeker (houding of intenties van een individu) Basisbegrippen rond meten

12 Schaalkenmerken Beschrijving: verwijst naar het gebruik van een unieke beschrijvende aanduiding (of benaming) die staat voor elk punt op de schaal. Volgorde: verwijst naar de relatieve omvang van de beschrijvende aanduidingen. Afstand: een schaal heeft de eigenschap afstand als de absolute verschillen tussen de beschrijvende aanduidingen bekend zijn en in eenheden kunnen worden uitgedrukt. Oorsprong: een schaal heeft de eigenschap oorsprong als er een uniek beginpunt is of de schaal een echt nulpunt heeft.

13 Nominale schalen: schalen die alleen benamingen gebruiken (kunnen alleen een beschrijving geven). Ordinale schalen: met ordinale schalen kan de onderzoeker een rangorde in respondenten of hun antwoorden aanbrengen. Intervalschalen: schalen waarbij de afstand tussen elke beschrijvende aanduiding bekend is. Ratioschalen: schalen met een echt nulpunt. Meetniveaus van schalen

14 Meetniveaus van schalen verschillen naar hun schaaleigenschappen

15 Welke schaal gebruik je wanneer (1)

16 Welke schaal gebruik je wanneer (2)

17 Welke schaal gebruik je wanneer (3)

18 Een betrouwbare meting: een meting waarbij elke respondent op dezelfde of vergelijkbare manier antwoord geeft op een identieke of bijna-identieke vraag. Validiteit: gedefinieerd als de accuraatheid van de meting: het is een schatting van de precisie van de meting vergeleken met de werkelijkheid. Een valide meting is dus een meting die waarheidsgetrouw is. Betrouwbaarheid en validiteit van metingen


Download ppt "Hoofdstuk 8 Meten bij marktonderzoek. Open vragen Gesloten vragen Vragen met antwoordschalen Basale vraag- en antwoordformats."

Verwante presentaties


Ads door Google