De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Bouwstenen van atomen massa (u) lading plaatsAantal is gelijk aan: Proton (p + ) 1,0 1+ kernAtoomnummer Neutron (n 0 ) 1,00 kernMassagetal - atoomnr.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Bouwstenen van atomen massa (u) lading plaatsAantal is gelijk aan: Proton (p + ) 1,0 1+ kernAtoomnummer Neutron (n 0 ) 1,00 kernMassagetal - atoomnr."— Transcript van de presentatie:

1

2 Bouwstenen van atomen massa (u) lading plaatsAantal is gelijk aan: Proton (p + ) 1,0 1+ kernAtoomnummer Neutron (n 0 ) 1,00 kernMassagetal - atoomnr. Elektron (e - ) 0 1- rond de kern Atoomnummer

3 Aantal protonen in de kern Massagetal Aantal protonen + aantal neutronen

4 Schrijfwijze Massagetal Symbool atoomnummer òf Symbool -massagetal

5 Hoofdgroep 1: de alkalimetalen Hoofdgroep 2: de aardalkalimetalen Hoofdgroep (1)7: de halogenen Hoofdgroep (1)8: de edelgassen

6 Moleculaire stoffen Bestaan alleen uit niet-metaal atomen Bevatten atoombindingen Geleiden geen stroom

7 Voorbeeld 3 Systematische naam P 2 O 5 Index P-atoom: 2  di Index O-atoom: 5  penta De naam wordt dan difosforpentaoxide telwoord- atoomsoort- telwoord-atoomsoort-ide

8 VanderWaalsbindingen Aantrekkende krachten tussen moleculen: cohesie. Er geldt in het algemeen: Hoe groter de molecuulmassa, hoe sterker de VanderWaalsbindingen, hoe hoger het smelt,- kookpunt.

9 Welke stoffen lossen op in water? Hydrofiel (“houden van water”) Lossen op in water Bevatten een OH- of een NH-groep, zodat ze een H-brug kunnen vormen met water

10 Hydrofoob (“angst voor water”) Lossen niet op in water Sommige stoffen zoals zeep bestaan uit een hydrofiel- en een hydrofoob- gedeelte. (C 17 H 35 COOH)

11 Tekenen van H- bruggen

12 Mengsels Suspensie Mengsel van een vloeistof waarin kleine vaste korreltjes zweven. Voorbeelden: verf, krijt in water

13 Mengsels Emulsie Mengsel van een hydrofiele vloeistof waarin kleine druppels van een hydrofobe vloeistof zweven of omgekeerd. (mayonaise, yoghurt, zonnebrandcrême) Emulgator: Zorgt ervoor dat olie en water wel mengen

14 Overzicht scheidingsmethoden Scheiden indampenextractiefiltrerenadsorptiedestillerenMethode Berust op Verschil in kookpunt oplosbaarheid in extractie- vloeistof deeltjes- grootte Hechtingsver- mogen aan adsorptiemiddel kookpunt Gebruikt voor Oplossing vaste stof In vloeistof (on)gewenste stoffen uit mengsel halen sus- pensies Verwijderen van geur-, kleur-, stoffen uit mengsel Scheiden vloeistoffen

15 Oplosvergelijking Bijvoorbeeld: Oplossen van suiker in water. SUIKER (s)  SUIKER (aq) C 6 H 12 O 6 (s)  C 6 H 12 O 6 (aq)

16 Significantie Kijk naar het kleinste aantal significante cijfers in de vraag en rond je antwoord (op het laatste moment) hier op af.

17 Rekenen met de mol 1Reken de gegeven hoeveelheden om naar mol. 2Reken met behulp van de molverhouding uit de reactie-vergelijking de hoeveelheid mol gevraagde stof uit. 3Reken de hoeveelheid mol om naar de gevraagde eenheid.

18 Oplosvergelijkingen ijzer(III)sulfaat heeft als verhoudingsformule: Fe 2 (SO 4 ) 3 Let op: géén + H 2 O in de reactievergelijking: Oplosvergelijking: Fe 2 (SO 4 ) 3 (s)  2 Fe 3+ (aq) + 3 SO 4 2- (aq)

19 Reactievergelijking natriumoxide heeft als verhoudingsformule Na 2 O Let op: hier wel H 2 O in de reactievergelijking Na 2 O (s) + H 2 O (l)  2 Na + (aq) + 2OH - (aq) (aq) : de ionen die ontstaan zijn gehydrateerd en opgelost in water Alleen de reacties van BaO, CaO, K 2 O en Na 2 O moet je kennen

20 Indampvergelijkingen Wanneer een oplossing van een zout wordt ingedampt ontstaat weer vast zout. 3 K + (aq) + PO 4 3- (aq)  K 3 PO 4 (s)

21 Neerslagreacties wz2fNGc&feature=relatedhttp://www.youtube.com/watch?v=8RmV wz2fNGc&feature=related 1.Oplossingen van NaCl en AgNO 3 worden bij elkaar gevoegd. Er ontstaat een wit neerslag 2.Oplossingen van NaI en AgNO 3 worden bij elkaar gevoegd. Er ontstaat een gelig neerslag

22 Tabel 45A

23 Neerslagreactie vergelijking: Ag + en Cl - : de combinatie is slecht oplosbaar Ze zullen met elkaar reageren en een neerslag vormen: neerslagreactie De vergelijking van de reactie wordt ook ionenvergelijking genoemd Ag + (aq) + Cl - (aq)  AgCl (s)

24 Zouthydraten In het ionrooster zijn dan een aantal moleculen (kristal)water opgenomen. (blauw) koper(II)sulfaatpentahydraat CuSO 4 5H 2 O Bij het indampen van koper(II)sulfaat uit een oplossing vindt dan de volgende reactie plaats: Cu 2+ + SO H 2 O  CuSO 4 5H 2 O Bij sterke verhitting van het hydraat verliest het zijn kristalwater: CuSO 4 5H 2 O  CuSO 4 + 5H 2 O wit Watervrij kopersulfaat wordt als indicator gebruikt om water in de lucht of een andere stof aan te tonen: CuSO 4 + 5H 2 O  CuSO 4 5H 2 O (EXOTHERM)

25 Hard water Hard water bevat veel Mg 2+ of Ca 2+- ionen. Deze ionen zorgen voor problemen omdat ze makkelijk een neerslag vormen. Vorming van hard water: CaCO 3 + H 2 O + CO 2  Ca HCO 3 -

26 Soorten dynamische evenwichten: Homogeen evenwicht Alle stoffen in een reactie hebben dezelfde fase. Heterogeen evenwicht Als er verschillende fasen in de reactievergelijking staan. Verdelingsevenwicht Opgeloste (vaste) stof verdeelt zich over twee oplosmiddelen (die niet mengen) in een vaste verhouding. B.v. jood in water en benzine

27 Ligging van een evenwicht Principe van Le Chatelier- Van ‘t Hoff Oefent men op een stelsel in evenwicht een dwang uit, dan zal het stelsel er zo op reageren dat de gevolgen zoveel mogelijk worden teniet gedaan

28 Drukverhoging: Dan verschuift het evenwicht naar de kant met de minste gasmoleculen. Concentratie: Toevoegen van een bepaalde stof zorgt ervoor dat deze stof verdwijnt door verschuiving van het evenwicht naar de andere kant

29 Een reactie is aflopend als er een neerslag wordt gevormd of een gas ontstaat. Een katalysator versnelt zowel de heen- als teruggaande reactie. Een katalysator beïnvloed de ligging niet, enkel de snelheid van het bereiken van het evenwicht.

30

31 LET OP! zoutzuur is een oplossing van HCl Notatie:H + + Cl -

32 Sterke zuren Tabel 49 : boven H 3 O + Zwakke zuren Tabel 49 : onder H 3 O + Sterke basen onder OH - Zwakke base boven OH -

33 HNO 3  H + + NO 3 - Bv: oplossen salpeterzuur in water Oplossen van een sterk zuur Alle zuurdeeltjes staan H + af

34 Stap 2: NH 4 + NH 3 + H + Bij het oplossen van ammoniumnitraat in water dan kan er een zuur ontstaan: Oplossen van een zwak zuur Stap 1: NH 4 NO 3  NH NO 3 - Niet alle zuurdeeltjes staan H + af  evenwicht

35 Berekeningen: De concentratie altijd in mol/l invullen! pH = - log [H + ] [H + ] = 10 -pH pOH = - log [OH - ] [OH - ] = 10 -pOH pOH + pH = 14

36 significantie bij pH en pOH: Bij pH en pOH tellen alleen de cijfers achter de komma mee voor significantie. pH = 0,25 en pOH = 13,75 zijn beiden in 2 cijfers significant.

37 Drie hoofdcategorieën stoffen:  Moleculaire stoffen: Atoombinding in molecuul (sterk), Van der Waals binding tussen moleculen (zwak), polaire (atoom)bindingen, evt. H-bruggen tussen moleculen.  Metalen: Metaalbinding (zeer sterk), dus hoog smeltpunt, geleiden  Zouten: Ionbinding (sterk), dus hoog smeltpunt, ionen

38 Als bij een reactie elektronenoverdracht plaatsvindt spreken we van een RedOxreactie! Deeltjes die elektronen opnemen zijn oxidatoren Deeltjes die elektronen afstaan zijn reductoren Algemeen kun je stellen dat alle reacties waarbij de lading van een deeltje verandert, redoxreacties zijn. Verder zijn alle reacties waarbij elementen verdwijnen en/of ontstaan ook redoxreacties. Soms zie je dat daarbij de lading verandert (bijvoorbeeld bij het ontstaan van zouten). In andere gevallen gebeurt dat niet.

39 Halfreacties Elke RedOxreactie is op te splitsen in twee halfreacties. Eén die het afstaan van elektronen weergeeft (reductor) Eén die het opnemen van elekronen weergeeft (oxidator) We bekijken weer ons voorbeeld: 2 Fe(s) + O 2 (g)  2 FeO(s) Halfreactie (Red)Fe (s)  Fe e - Halfreactie (Ox)O 2 (g) + 4e -  2 O 2- 2x 1x + Totaal reactie 2 Fe (s) + O 2 (g)  2 FeO (s)

40 Redoxvergelijkingen opstellen: 1. Schrijf de formules van alle deeltjes in het reactiemengsel op. (Vergeet H 2 O niet!) 2.Ga voor ieder deeltje na m.b.v. Binas 48 of het een oxidator of reductor is. 3. Kies uit het rijtje de sterkste oxidator en de sterkste reductor. 4. Kijk of de reactie kan verlopen: OX moet boven RED staan. 5.Schrijf de halfreacties op. De halfreactie van de reductor moet worden omgekeerd! 6.Tel de twee halfreacties op, zorg ervoor dat er evenveel elektronen worden opgenomen als afgestaan. De elektronen worden bij het optellen tegen elkaar weggestreept. 7.VEREENVOUDIGEN (links en rechts hetzelfde wegstrepen) Denk aan water wegstrepen!

41 40 Elektrochemische Cel Hoe stromen de elektronen?

42 De min- pool ontstaat aan de kant van de (sterkste) reductor De plus- pool ontstaat aan de kant van de (sterkste) oxidator Een Pt- elektrode en een C- elektrode doen nooit mee (inerte elektrode) als OX of RED

43 Elektrolyse REDOX Reactie die altijd verloopt Niet alleen een ontledingsmethode Reactie die verloopt onder invloed van een externe (gelijk)spanningsbron.

44 Elektrolyse 2 Br - → Br e - Zn e - → Zn

45 Let op! De halfreacties mag je nooit optellen! Bij de plus- pool reageert de sterkste reductor Bij de min- pool reageert de sterkste oxidator Als je moet kiezen tussen Cl - (+1.36) en H 2 O (+1.23) als RED dan wint Cl - !!!

46 Naamgeving vertakte alkanen Stamnaam: langste onvertakte C-keten (de hoofdketen). Zijgroep: methyl (1 C) of ethyl ( 2 C) etc. Nummering: hoofdketen nummeren en plaats van zijgroep met nummer aangeven. (Zo laag mogelijk nummeren) CH 3 | CH 2 – CH 2 – CH | CH 3 Stamnaam: pentaan Zijgroep: methyl (CH 3 ) Nummering: 2 (dus niet: 4) Naam: 2-methylpentaan

47 Dezelfde regels gelden ook voor andere zij- groepen zoals F, Cl, Br en I. CH 3 Br | CH 2 – CH – CH 2 | CH 3 – CH 2 Stamnaam: hexaan Zijgroep: broom Nummering: 3 (dus niet: 4) Naam: 3-broomhexaan Gecombineerd: CH 3 Cl | CH – CH – CH 2 | CH 3 F 1-fluor-2-chloor-3-methylbutaan

48 Naamgeving van alkenen C  Stam  meth eth prop but pent hex alkaan  aan C123456C Stam  meth eth prop but pent hex Alleen enkele C-C C n H 2n+2 Eén C=C, de rest C-C C n H 2n alkeen  -- een Waar zit de dubbele binding?

49 1-broompropaan Dubbele binding krijgt altijd het laagste nummer 3-broom(-1-)propeen2-broompropeen1-broompropeen

50 methylbutaan 1-fluor-2-buteenmethylpropeen 3-methyl-1-buteen

51 OVERZICHT KoolstofverbindingKenmerk AlkaanAlleen enkele C-C binding Alkeen1x een C=C binding AlkanolAlleen enkele C-C binding (alcoholen)èn O-H groep (of: OH) AlkaanzuurAlleen enkele C-C binding (carbonzuren)èn C-O-H groep (of: COOH) ║ O

52 Extra regels naamgeving alkanolen (alcoholen) : Alcoholen: Naam eindigt met ‘ol’ (geeft OH-groep aan) OH-groep krijgt zo laag mogelijk nummer 3-chloor-2-butanol of 3-chloorbutaan-2-ol

53 Extra regels naamgeving alkaanzuren (carbonzuren) : Carbonzuren: Naam eindigt met ‘zuur’ (geeft COOH-groep aan) C-atoom van COOH-groep krijgt altijd nr 1 C-atoom van COOH behoort tot hoofdketen 3-methylbutaanzuur

54 53 IUPAC namen CH 4 methaan HCOOH methaanzuur CH 3 —CH 3 ethaan CH 3 —COOH ethaanzuur Zijtakken altijd nummeren vanaf de zuurgroep. CH 3 O | ║ CH 3 —CH—CH 2 —C—OH methylbutaanzuur

55 54 Esters In een ester, Is de H in de zuurgroep vervangen door een alkyl- groep (CH-). O  CH 3 — C—O—CH 3 ester groep

56 55 De reactie van een carbonzuur en een alcohol in de aanwezigheid van een zuur (H + ) als katalysator: verestering. O  H + CH 3 —C—OH + H—O—CH 2 —CH 3 O  CH 3 —C—O—CH 2 —CH 3 + H 2 O (ester)

57 Waterstof additie aan onverzadigde olie Zet alkenen om in alkanen Onverzadigd wordt verzadigd


Download ppt "Bouwstenen van atomen massa (u) lading plaatsAantal is gelijk aan: Proton (p + ) 1,0 1+ kernAtoomnummer Neutron (n 0 ) 1,00 kernMassagetal - atoomnr."

Verwante presentaties


Ads door Google