De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Afwijkend gedrag. P. Bracke – Academiejaar 2004-2005  Afwijkend gedrag = gedrag dat de normatieve regels van een gegeven groep of samenleving overtreedt.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Afwijkend gedrag. P. Bracke – Academiejaar 2004-2005  Afwijkend gedrag = gedrag dat de normatieve regels van een gegeven groep of samenleving overtreedt."— Transcript van de presentatie:

1 Afwijkend gedrag

2 P. Bracke – Academiejaar  Afwijkend gedrag = gedrag dat de normatieve regels van een gegeven groep of samenleving overtreedt Onderscheid tussen conform en afwijkend gedrag is cultuur-, situatie- en positie-afhankelijk Afwijkend gedrag impliceert een beoordeling of evaluatie, dus het gedrag moet zichtbaar zijn Bron: Tricia Dodd, Sian Nicholas, David Povey, Alison Walker, (2004), Crime in England and Wales. Publications Group, Research, Development and Statistics Directorate, Communications Development Unit, Room 264, Home Office, 50 Queen Anne’s Gate, London SW1H 9AT.

3 P. Bracke – Academiejaar Anomietheorie: bijdrage van DURKHEIM 1. Anomie of normenloosheid: situatie waarbij de bestaande waarden en normen niet langer invloed uitoefenen Twee maatschappelijke condities kunnen aan de basis van anomie liggen: Structurele factoren Conjuncturele factoren

4 P. Bracke – Academiejaar  STRUCTURELE FACTOREN: ivm de toenemende complexiteit van de samenleving ten gevolge van de toenemende differentiatie Mechanische samenleving Organische samenleving differentiatie of arbeidsdeling neemt toe economische ontwikkeling interactie tussen leden van verschillende subsystemen neemt af Bestaande instituties (staat, religie, locale gemeenschap) verliezen hun morele kracht Nieuwe instituties (internationale organisaties, sportverenigingen?,vrijwilligerswerk?) nog niet ten volle ontwikkeld ANOMIE moeizame ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden en normen

5 P. Bracke – Academiejaar Bron: Krohn, M. (1978), A Durkheimian Analysis of International Crime Rates, Social Forces, 57, 2,

6 P. Bracke – Academiejaar  CONJUNCTURELE FACTOREN: ivm schommelingen in de economische conjunctuur. Laagconjunctuur of economische crisis en hoogconjunctuur of economische groei Discrepantie tussen individuele aspiraties en middelen om doel te bereiken Waarden en normen - die de sociaal geconstrueerde eindlimieten van de morele behoeften bepalen - verliezen hun bindende kracht

7 P. Bracke – Academiejaar Durkheim - Marx  Overeenstemming: kapitalistische productieproces (competitie maakt elk individu is een potentiële tegenstander) is fundamenteel ongezond omdat het sociale regulatie teniet doet  Verschilpunt: Welke remedie? Marx : sociale reorganisatie van de economie: arbeiders moeten eigenaars van de productiemiddelen worden Durkheim : morele regulatie is nodig: in een organische samenleving zijn geen gemeenschappelijke normen en waarden meer mogelijk, wel moeten zich normen en waarden ontwikkelen ter regulatie van de interacties tussen verschillende beroepsgroepen een voorwaarde is dat de arbeidsdeling als spontaan wordt ervaren Hoe?: toegeschreven statusverschillen moeten verdwijnen, waardoor statusverschillen en sociale hiërarchieën een weerspiegeling vormen van “natuurlijke” ongelijkheden (= verschillen in individuele capaciteiten) zie later: Davis& Moore!

8 P. Bracke – Academiejaar Anomietheorie: bijdrage van MERTON  Doelstelling: meer algemeen toepasbare anomietheorie Afwijkend gedrag is het gevolg van de discrepantie tussen de doelstellingen van een gemeenschap en de middelen die de gemeenschap aanbiedt om de doelstellingen te verwezenlijken Culturele doelstellingen (waarden): de behoeften en aspiraties die via socialisatie worden verworven of opgebouwd worden via het culturele systeem Middelen: faciliteiten waarlangs culturele doelstellingen op een legitieme wijze kunnen worden verwezenlijkt

9 P. Bracke – Academiejaar Middelen Aspiraties Breuk: verbondenheid met de waarden of verbondenheid met geïnstitutionaliseerde middelen neemt af = ANOMIE

10 P. Bracke – Academiejaar  Merton past dit algemene denkkader toe op de Amerikaanse samenleving Culturele doelstellingen: materieel en sociaal succes (rijkdom en aanzien) Geïnstitutionaliseerde middelen: hard werken en vlijt Aanpassingsvormen Culturele doelstellingen Geïnstitutionaliseerde middelen Conformity ++ Innovation +- Ritualism -+ Retreatism -- Rebellion ±±  Aanpassing aan toestand van anomie is functie van sociale klasse: Laaggeschoolde arbeiders: innovation lagere middenklasse: ritualisme

11 P. Bracke – Academiejaar Kritiek:  Tekorten: te abstract: vat onvoldoende de complexiteit van de sociale realiteit Mertons visie op afwijkend gedrag strookt niet met culturele definitie van afwijkend gedrag Niet-geïnstitutionaliseerde middelen zijn niet vrij beschikbaar, maar vergen een sociaal leerproces Bestaan er universele doelstellingen?  Mogelijkheden: Bruikbaar model: leidt tot toetsbare hypotheses Correctie op biologische en psychologische modellen: de (normale) organisatie van de samenleving kan bron van afwijkend gedrag zijn Theoretisch onderbouwde omschrijving van afwijkend gedrag (niet louter en alleen gebaseerd op culturele omschrijving)

12 P. Bracke – Academiejaar Differentiële associatietheorie van SUTHERLAND  Uitgangsveronderstelling (zie kritiek (c) op Merton): crimineel gedrag wordt aangeleerd via interactie met anderen, m.n. via informele contacten in subculturen die wetsovertredingen als positief beoordelen dus: delinquent gedrag wordt aangeleerd via een communicatieproces waarin de technieken en de motieven of rationalisaties nodig voor het plegen van misdrijven worden aangeboden (cf. symbolisch interactionisme, cf. Becker)  Principe van de differentiële associatie: ratio van de contacten met situaties pro- en anti-wettelijke autoriteiten bepaalt het voorkomen van crimineel gedrag

13 P. Bracke – Academiejaar Differentiële associatietheorie van SUTHERLAND  Kritiek: Positief: afwijkend gedrag wordt voorgesteld als een volledig normale, rationele manier van handelen gezien de sociale context waarin iemand zich bevindt. Negatief: Sutherland vertrekt van de veronderstelling dat delinquente subculturen reeds aanwezig zijn.

14 P. Bracke – Academiejaar Delinquente subcultuurtheorie van COHEN. 1. Aanvulling op Sutherland: tracht te verklaren hoe delinquente subculturen ontstaan (beperkt tot jeugddelinquentie). 2. Basisstelling: alle menselijke handelen zijn pogingen tot het oplossen van problemen (= pragmatisme, Symbolisch Interactionisme) Situatie Referentiekader Probleem: toestand van spanning/onbehagen Situatie aanpakken Referentiekader wijzigen oorzaken oplossingen

15 P. Bracke – Academiejaar Onderwijs als kanaal van Situatie Democratisering onderwijs: Onderwijs als kanaal van sociale mobiliteit en als socialisatiemilieu, met middenklassencultuur Referentiekader: Normen en waarden van sociale klasse van herkomst (arbeiders) in samenleving met democratisering van het onderwijs) Probleem: Algemeen: hoe volwaardig en succesvol lid worden van de maatschappij? Jongeren uit arbeidersmilieu: Hoe slagen en succesvol zijn in competitieve schoolomgeving, gezien sociaalculturele handicap Situatie aanpakken: hard werken, middenklassenwaarden overnemen en afstand nemen van sociale klasse van herkomst Referentiekader wijzigen: verwerpen van d e schoolse middenklassenwaarden en aannemen van een antischool- referentiekader oorzaken oplossingen Vorming van subgroepen met een antischoolreferentiekader of een delinquente subcultuur: Vormen een bron van status en waardering Lossen het probleem van de discrepantie tussen referentiekader en situatie op

16 P. Bracke – Academiejaar Sociale controletheorie van HIRSCHI.  Onderzoeksvraag: “Hoe komt het dat mensen conform gedrag vertonen?”  Antwoord: Hirschi stelt dat teveel nadruk wordt gelegd op primaire socialisatieprocessen die een zin voor conformiteit, een mechanisme van zelfcontrole en beheersing bijbrengen De kenmerken van de actuele sociale relaties zijn belangrijk! Mensen handelen in overeenstemming met normen en wetten omdat er een directe band bestaat tussen individu en samenleving, als deze band verzwakt, stijgt de kans dat het individu overgaat tot afwijkend gedrag

17 P. Bracke – Academiejaar  De band tussen individu en samenleving bestaat uit 4 strengen: Attachment: internalisatie van normen via affectieve banden bvb. relaties met gezinsleden, romantische relaties Commitment: kosten-baten analyse, rationele dimensie bvb. Investeren in studies Involvement: tijds- en energiecomponent bvb. Sport+jeugdbeweging+muziekschool+studies+lief Belief: aanvaarden van morele geldigheid van centrale maatschappelijke waarden bvb. overtuiging dat we moeten bijdragen tot de vorming van een betere wereld  Elke dimensie oefent invloed uit, bovendien versterken ze elkaar  Implicatie: de motivatie om zich afwijkend te gedragen is bij iedereen even groot, enkel de sterkte van de vier strengen varieert van persoon tot persoon

18 P. Bracke – Academiejaar  Empirisch onderzoek cross-sectioneel onderzoek bevestigt theorie van Hirschi; longitudinaal onderzoek wijst op wederzijdse beïnvloeding tussen afwijkend gedrag en de aanwezigheid van de 4 strengen van binding.  Kritiek totale afwezigheid van enige notie van delinquente subcultuur, enkel individu versus samenleving

19 P. Bracke – Academiejaar Brent B. Bendaa, Nancy J. Toombs (2000), Religiosity and violence. Are they related after considering the strongest predictors? Journal of Criminal Justice 28:


Download ppt "Afwijkend gedrag. P. Bracke – Academiejaar 2004-2005  Afwijkend gedrag = gedrag dat de normatieve regels van een gegeven groep of samenleving overtreedt."

Verwante presentaties


Ads door Google