De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Cursus Onderwijseconomie

Verwante presentaties


Presentatie over: "Cursus Onderwijseconomie"— Transcript van de presentatie:

1 Cursus Onderwijseconomie
Docent: Hessel Oosterbeek FEE; Roetersstraat 11; 1018 WB Amsterdam Tel: Sheets staan als .ppt files op: onder sommige sheets staan extra aantekeningen (klik op View en dan Notes Page)

2 Onderwerpen in Cursus Onderwijseconomie
Onderwijs als investering. Human capital model. De opbrengsten van onderwijs. Overscholing? (Kosten-)effectiviteit van onderwijsmaatregelen. Financiering van onderwijs. Het artikel van Alan Krueger hoort niet bij de stof van week 3 maar bij die van week 4

3 Economie Wetenschap die zich bezighoudt met het menselijk handelen voor zover dat betrekking heeft op het omgaan met schaarse en alternatief aanwendbare middelen. Wetenschap van het kiezen. Drie kernbegrippen: Optimalisatie, Evenwicht, Efficiency

4 Onderwijs en Economie Onderwijs is een belangrijke sector:
groot deel van publieke uitgaven gaan naar onderwijs mensen besteden een groot deel van hun tijd in het onderwijs onderwijs is belangrijk voor economische groei (?) onderwijs is belangrijk voor individuele productiviteit en daarmee voor inkomen(sverdeling)

5 Economie en Onderwijskunde
Methoden van economen kunnen gebruikt worden bij analyses van (keuzen in het) onderwijs. Enkele voorbeelden: verder studeren of niet doelmatige inrichting van onderwijsproces financiering van onderwijs keuze voor het leraarschap

6 Kernbegrip: Human Capital
Deelname aan onderwijs wordt gezien als een investeringsbeslissing: nu middelen opofferen om er later iets (meer) voor terug te krijgen. Kosten: directe kosten (boeken, schoolgeld, etc) + indirecte kosten (gederfd inkomen) Opbrengsten: meer kennis en vaardigheden (hoger loon, meer plezier van boeken, etc)

7 Toepassingen Onderwijsdeelname Rendement van onderwijs
niveau richting Rendement van onderwijs individueel sociaal (overheidsbeleid) Inkomensverdeling

8 Kosten en baten van investering in scholing, zonder discontering
geld WS W0 tijd Deze figuur heeft betrekking op de situatie van iemand die net het eind van de leerplicht heeft bereikt, en moet kiezen tussen geen vervolgonderwijs en s jaar vervolgonderwijs. We nemen (voor het gemak) aan dat er geen andere mogelijkheden zijn. Ws staat voor het inkomen per jaar met s jaar onderwijs W0 staat voor het inkomen per jaar met 0 jaar onderwijs K staat voor de jaarlijkse directe kosten van onderwijs Iemand die kiest voor s jaar onderwijs heeft ten opzichte van 0 jaar onderwijs, kosten ter grootte van de twee blauwe oppervlakten. Donkerblauw zijn de directe kosten, lichtblauw de indirecte kosten (het inkomen dat verdiend had kunnen worden). De opbrengsten worden weergegeven door de rode oppervlakte; het extra inkomen dat wordt verdiend met s in plaats van 0 jaar onderwijs. Indien de rode oppervlakte groter is dan de twee blauwe oppervlakten samen, dan is het voordelig om s jaar onderwijs te volgen in plaats van geen vervolgonderwijs. Als de rode oppervlakte daarentegen kleiner is, geldt het omgekeerde. (Er is hierbij vanuit gegaan dat geen discontering plaatsvindt; maar zie verderop). T K

9 Optimale scholingsduur
MB, MK MK=K+w Hoewel dat misschien niet zo lijkt is deze figuur iets ingewikkelder; vooral conceptueel. Het gaat nu niet meer om de keuze tussen 0 en s jaar onderwijs, maar om de vaststelling van de optimale scholingsduur. MB staat voor de marginale baten en MK staat voor de marginale kosten. Met het begrip marginaal wordt verwezen naar de baten resp. kosten die worden veroorzaakt door de laatste eenheid. Dus de marginale kosten van scholing gelijk aan 4, zijn de extra kosten die worden veroorzaakt door het 4de jaar onderwijs. Om de totale kosten van 4 jaar onderwijs te bepalen, moeten de marginale kosten van het 1ste, 2de, 3de en 4de jaar bij elkaar worden opgeteld (die kun je dus niet zomaar uit de figuur aflezen). De marginale kosten zijn gelijk aan de directe kosten van het extra jaar + het loon dat verdiend had kunnen worden wanneer gewerkt zou zijn. Omdat dat gederfde inkomen toeneemt met het aantal jaar onderwijs dat reeds is gevolgd, neemt MK toe als scholing toeneemt. De marginale baten zijn gelijk aan de toename van het inkomen (delta w) als gevolg van de extra hoeveelheid onderwijs (delta s). Ieder extra jaar onderwijs levert wel iets positiefs op, maar steeds minder dan het voorgaande jaar. Vandaar dat de marginale baten dalend verlopen. Het snijpunt van MK en MB bepaalt de optimale scholingsduur. Links van dat punt geldt MB>MK (een extra jaar levert meer op dan het kost), rechts ervan geldt MB<MK (het laatste jaar heeft meer gekost dan het heeft opleverd). MB=w/s scholing S*

10 Resultaten optimale scholingsduur
Hogere marginale kosten leiden tot kortere optimale duur variatie op basis van sociale achtergrond effecten collegegeld, studiefinanciering effecten aanleg Hogere marginale opbrengsten leiden tot langere optimale duur effecten sociale achtergond (netwerk) We kunnen deze figuur op twee manieren gebruiken. Ten eerste kunnen we ermee nagaan hoe de optimale scholingsduur verandert, als er iets veandert aan de MK lijn, of aan de MB lijn. Een verhoging van de marginale kosten leidt tot een verschuiving van de MK lijn naar links. Een verhoging van de marginale baten leidt tot een verschuiving van de MB lijn naar rechts. MK kan veranderen a.g.v verandering van het collegegeld of van de studiefinanciering, of van de loonhoogte (bij voorbeeld als gevolg van een herziening van het beasltingstelsel). MB kan veranderen door een verandering van de loonstructuur (wat ook weer een gevolg kan zijn van een herziening van het belastingstelsel). Ten tweede kan de figuur gebruikt worden op verschillen tussen personen te analyseren. De sociale achtergrond kan(zal) invloed hebben op ligging en/of verloop van MK (en MB). Aanleg en motivatie zullen invloed hebben op ligging en/of verloop van MB. Deze verschillen uiten zich dan in een andere optimale scholingsduur.

11 Empirische analyse 1982: 80% deelname aan HO 1991: 93% deelname aan HO
Twee datasets met informatie van eindexamenkandidaten VWO en HAVO Wie gingen verder, en wie niet? En waar hangt dat van af? Wat nu volgt is een korte samenvatting van het artikel van Oosterbeek en Webbink dat in de reader staat.

12 Resultaten

13 1982 en 1991 vergeleken In deze tabel is voor vier combinaties van kenmerken en “gedrag” uitgerekend hoe hoog de doorstroom naar hoger onderwijs geweest zou zijn. Linksboven en rechtsonder corresponderen met de werkelijkheid. Gedrag van 1982 gecombineerd met kenmerken uit 1982 geeft de werkelijke doorstroom van 80,2% uit En gedrag van 1991 gecombineerd met kenmerken uit 1991 geeft de werkelijke doorstroom van 93,1% uit 1991. Interessanter zijn de getallen linksonder en rechtsboven. Linksonder is uitgerekend hoe hoog de deelname zou zijn als de eindexamenkandidaten uit 1991 zich zouden hebben gedragen zoals de eindexamenkandidaten uit De deekname is dan 92,2%. En rechtsboven is uitgerekend hoe hoog de deelname zou zijn als de eindexamenkandidaten uit 1982 zich zouden hebben gedragen zoals de eindexamenkandidaten uit De deekname is dan 82,8%. De conclusie is daarom dat de toename van de doorstroom tussen 1982 en 1991 vooral is veroorzaakt door een verandering van de kenmerken van de leerlingenpopulatie en niet doordat leerlingen zich anders zijn gaan gedragen.

14 Simulatie: vervangen beurs door lening
In deze tabel is uitgerekend hoe hoog de doorstroom voor verschillende groepen leerlingen (ingedeeld naar inkomen van de ouders) is bij verschillende vormen van studiefinanciering. In de eerste rij staat de werkelijke situatie voor In die situatie is sprake van een basisbeurs voor iedereen. In de tweede en derde rij is de basisbeurs vervangen door een lening. In de tweede rij is uitgegaan van een maandelijkse aflossing van 200 gulden. In de derde rij is de maandelijkse aflossing gelijk aan 400 gulden. De omzetting van basisbeurs naar lening heeft nauwelijks effect op de deelname. Alleen voor leerlingen waarvan de ouders een laag inkomen hebben is de afname van de deelname (van 91,3% naar 87,1% of 85,6%) enigszins substantieel en statistisch significant.

15 Rendement van een investering
Netto (contante) waarde: verschil tussen (contante) waarde opbrengsten en (contante) waarde kosten terugverdientijd: tijd nodig om de kosten terug te verdienen (internal) “rate of return”. Er zijn verschillende maatstaven voor het rendement (“de winstgevendheid”) van een investering. Veel gebruikt (maar niet in de onderwijseconomie) wordt de netto contante waarde (NCW). Als we (nog) even afzien van disconteren (zievolgende sheet) dan zou in de eerste figuur die we hebben gezien de NCW gelijk zijn aan het verschil tussen de rode oppervlakte en de twee blauwe oppervlakten). Een andere maat is de terugverdientijd (die wordt overigens niet vaak gebruikt). Als we weer naar de eerste figuur kijken, dan is de terugverdientijd gelijk aan de tijd die nodig is om de rode oppervlakte net zo groot te laten zijn als de twee blauwe oppervlakten. Alle opbrengsten rechts van dat punt spelen geen rol. Verreweg het populairst in de onderwijseconomie is de zgn. internal rate of return. Als onderwijseconomen spreken over het rendement van onderwijs dan verwijzen ze meestal naar deze maatstaf.

16 (Internal) rate of return
Belangrijk begrip: discontering. Een gulden nu is niet hetzelfde als een gulden over 1 jaar. Tijdsvoorkeur. Daarom moeten toekomstige opbrengsten worden gewogen (verdisconteerd). (Internal) rate of return: discontovoet waarbij netto contante waarde gelijk is aan 0. Hoe hoger de discontovoet is, des te kleiner is het gewicht dat aan toekomstige geldstromen wordt toegekend. En hoe verder een jaar in de toekomst ligt des te meer invloed een verhoging van de discontovoet heeft. In de eerste figuur hebben we - door niet te disconteren - gewerkt met een discontovoet van 0. De internal rate of return is gedefinieerd als die discontovoet waarbij de NCW gelijk is aan 0. Omdat de NCW gemeten is als het verschil van de geldstroom met s jaar onderwijs en de geldstroom met 0 jaar onderwijs, komt het erop neer dat de NCW gelijk is aan 0 als de geldstroom bij s jaar onderwijs gelijk is aan de geldstroom bij 0 jaar onderwijs.

17 Kosten en baten van investering in scholing, met discontering
geld WS W0 tijd Hier isin beeld gebracht wat er met de kosten en baten gebeurt als er gedisconteerd wordt. Bedragen die in de toekomst worden uitgegeven of verdiend wegen minder zwaar dan bedragen die nu worden uitgegeven of verdiend. En hoe verder een bedrag in de toekomst wordt uitgegeven of verdiend des te lichter het gewicht. T K

18 Kosten en baten van investering in scholing, met discontering
geld WS W0 tijd In deze figuur is gerekend met een discontovoet groter dan 0, zeg 5%. Zouden we in plaats van 5% gerekend hebben met 10%, dan zouden de bedragen die in de toekomst liggen een nog kleiner gewicht hebben gekregen. Omdat de opbrengsten gerealiseerd worden nadat de kosten al gemaakt zijn, liggen de opbrengsten noodzakelijkerwijs verder in de toekomst dan de kosten. Daardoor heeft een verhoging van de discontovoet ook een grotere invloed op de opbrengsten dan op de kosten. Zolang deCW van de opbrengsten hoger is dan de CW van de kosten leidt een verhoging van de discontovoet ertoe dat deze twee CW’s dichter bij elkaar komen te liggen. Uiteindelijk is er een discontoevoet te vinden waarbij de CW van de opbrengsten gelijk is aan de CW van de kosten (de NCW is dan gelijk aan 0). Deze discontovoet is de interne rate of return! T K

19 Mincer’s loonvergelijking
Jacob Mincer heeft een elegante en eenvoudige manier bedacht om het rendement van scholing uit te rekenen. Regressie van (natuurlijke logaritme van) loon (w) op jaren scholing (s): ln w = A + r s, met A een constante en r het rendement (de internal rate of return).

20 Intermezzo: natuurlijke logaritme
42 = 16 log4 16 = 2 4 noemen we het grondtal gebruikelijke grondtallen zijn 10 en e (ongeveer 2,718) e = limm ( 1 + 1/m)m log = 3; log = 2; log10 10 = 1; etc

21 Voorbeeld Ln w * * r * * * * * * * * A * * * s
In het empirisch onderzoek dat wordt gedaan wordt gebruik gemaakt van multipele regressie-analyse. Ln w is dan de afhankelijke variabele, en jaren onderwijs is een van de onafhankelijke variabelen (predictoren). Verder worden als onafhankelijke variabelen vaak nog opgenomen: leeftijd, leeftijd in het kwadraat, geslacht, en soms ook: bedrijfstak, bedrijfsgrootte, en als dat beschikbaar is een maat voor aanleg (zoals IQ). (Lang niet altijd gaat de eerste aandacht in deze onderzoeken overigens uit naar het rendement van onderwijs.) A * * * s


Download ppt "Cursus Onderwijseconomie"

Verwante presentaties


Ads door Google