De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Gemeenschappen. Gemeenschapsstructuur Onder natuurlijke omstandigheden maken soorten deel uit van complexe gemeenschappen, d.w.z. populaties van verschillende.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Gemeenschappen. Gemeenschapsstructuur Onder natuurlijke omstandigheden maken soorten deel uit van complexe gemeenschappen, d.w.z. populaties van verschillende."— Transcript van de presentatie:

1 Gemeenschappen

2 Gemeenschapsstructuur

3 Onder natuurlijke omstandigheden maken soorten deel uit van complexe gemeenschappen, d.w.z. populaties van verschillende soorten die met elkaar interageren tijdens dezelfde periode en op dezelfde plaats.

4 Gemeenschapsstructuur Onder natuurlijke omstandigheden maken soorten deel uit van complexe gemeenschappen, d.w.z. populaties van verschillende soorten die met elkaar interageren tijdens dezelfde periode en op dezelfde plaats. Gemeenschappen vertonen kenmerken die we niet aan- treffen bij de afzonderlijke soorten waaruit ze zijn samen- gesteld.

5 Gemeenschapsstructuur Onder natuurlijke omstandigheden maken soorten deel uit van complexe gemeenschappen, d.w.z. populaties van verschillende soorten die met elkaar interageren tijdens dezelfde periode en op dezelfde plaats. Gemeenschappen vertonen kenmerken die we niet aan- treffen bij de afzonderlijke soorten waaruit ze zijn samen- gesteld. Hun structuur en functioneren wordt bepaald door abio- tische en biotische factoren.

6 Patronen van diversiteit

7

8

9 Gemeenschapsecologen hanteren verschillende concepten om diversiteit te beschrijven en kwantificeren:

10 Patronen van diversiteit Gemeenschapsecologen hanteren verschillende concepten om diversiteit te beschrijven en kwantificeren: α-diversiteit: diversiteit binnen een welbepaalde gemeen- schap, uitgedrukt als aantal soorten.

11 Patronen van diversiteit Gemeenschapsecologen hanteren verschillende concepten om diversiteit te beschrijven en kwantificeren: α-diversiteit: diversiteit binnen een welbepaalde gemeen- schap, uitgedrukt als aantal soorten. β-diversiteit: verandering in diversiteit tussen gemeen- schappen, uitgedrukt als aantal unieke soorten.

12 Patronen van diversiteit Gemeenschapsecologen hanteren verschillende concepten om diversiteit te beschrijven en kwantificeren: α-diversiteit: diversiteit binnen een welbepaalde gemeen- schap, uitgedrukt als aantal soorten. β-diversiteit: verandering in diversiteit tussen gemeen- schappen, uitgedrukt als aantal unieke soorten. γ-diversiteit: diversiteit over alle gemeenschappen in een regio, uitgedrukt als totaal aantal soorten.

13 Patronen van diversiteit Strikt genomen houdt de term diversiteit tevens rekening met het relatieve ‘belang’ van elke soort in een gemeen- schap uitgedrukt als abundantie, productiviteit, grootte, etc.

14 Patronen van diversiteit Strikt genomen houdt de term diversiteit tevens rekening met het relatieve ‘belang’ van elke soort in een gemeen- schap uitgedrukt als abundantie, productiviteit, grootte, etc. Mathematisch vertaald omvat diversiteit een combinatie van soortenrijkdom en eveness, het relatieve aandeel van elke soort in een gemeenschap.

15 Patronen van diversiteit Strikt genomen houdt de term diversiteit tevens rekening met het relatieve ‘belang’ van elke soort in een gemeen- schap uitgedrukt als abundantie, productiviteit, grootte, etc. Mathematisch vertaald omvat diversiteit een combinatie van soortenrijkdom en eveness, het relatieve aandeel van elke soort in een gemeenschap.

16 Patronen van diversiteit

17 Eilandbiogeografie

18 The ‘Equilibrium Theory of Island Biogeography’ (Robert MacArthur & Edward Wilson, 1967).

19 Eilandbiogeografie The ‘Equilibrium Theory of Island Biogeography’ (Robert MacArthur & Edward Wilson, 1967). Gemiddeld lagere soortenrijkdom op eilanden t.o.v. ver- gelijkbare gebieden op het vasteland.

20 Eilandbiogeografie vogels Azoren reptielen West-Indies planten Azoren vogels Solomon species-area verbanden

21 Eilandbiogeografie zoogdieren bergketens invertebraten mosselbanken broedvogels bosfragmenten vissen woestijnbronnen species-area verbanden

22 Eilandbiogeografie

23 The ‘Equilibrium Theory of Island Biogeography’ (Robert MacArthur & Edward Wilson, 1967). Gemiddeld lagere soortenrijkdom op eilanden t.o.v. ver- gelijkbare gebieden op het vasteland. Soortenrijkdom op oceanische eilanden vertoont een dyna- misch evenwicht tussen ratios van immigratie en emigratie.

24 Eilandbiogeografie

25

26

27 Functioneren van gemeenschappen

28 Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten).

29 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Dominante soorten

30 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Dominante soorten hoge abundantie of biomassa

31 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Dominante soorten hoge abundantie of biomassa hoge impact op voorkomen of verspreiding van andere soorten en op abiotische variabelen

32 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Dominante soorten hoge abundantie of biomassa hoge impact op voorkomen of verspreiding van andere soorten en op abiotische variabelen hoog competitief vermogen

33 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Keystone soorten

34 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Keystone soorten niet noodzakelijk hoge abundantie of biomassa

35 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Keystone soorten niet noodzakelijk hoge abundantie of biomassa hoge impact via ecologische rol of niche

36 Functioneren van gemeenschappen Sommige soorten hebben een grote invloed op structuur of functioneren van gemeenschappen wegens hun aantal (dominante soorten) of sleutelrol (keystone soorten). Keystone soorten niet noodzakelijk hoge abundantie of biomassa hoge impact via ecologische rol of niche belang blijkt vooral na het verdwijnen

37 Functioneren van gemeenschappen

38

39 Voedselketens en voedselwebben

40 Voedselrelaties vormen een zeer belangrijke component in de structuur en dynamiek van gemeenschappen.

41 Voedselketens en voedselwebben Voedselrelaties vormen een zeer belangrijke component in de structuur en dynamiek van gemeenschappen. Het complexe geheel van voedselrelaties wordt trofische gemeenschapsstructuur genoemd.

42 Voedselketens en voedselwebben Voedselrelaties vormen een zeer belangrijke component in de structuur en dynamiek van gemeenschappen. Het complexe geheel van voedselrelaties wordt trofische gemeenschapsstructuur genoemd. Primaire producenten (autotrofen) capteren zonlicht en vormen via fotosynthese complexe organische moleculen uit H 2 O en CO 2.

43 Voedselketens en voedselwebben Voedselrelaties vormen een zeer belangrijke component in de structuur en dynamiek van gemeenschappen. Het complexe geheel van voedselrelaties wordt trofische gemeenschapsstructuur genoemd. Primaire producenten (autotrofen) capteren zonlicht en vormen via fotosynthese complexe organische moleculen uit H 2 O en CO 2. Primaire consumenten (heterotrofen) prederen op auto- trofen, secundaire heterotrofen op primaire heterotrofen, etc. Naargelang het dieet onderscheiden we herbivoren, carnivoren, omnivoren, detrivoren en saprofieten.

44 Voedselketens en voedselwebben Voedselketen: Lineaire energiestroom waarbij energie als voedsel meerdere trofische niveaus doorloopt.

45 Voedselketens en voedselwebben

46 Voedselketen: Lineaire energiestroom waarbij energie als voedsel meerdere trofische niveaus doorloopt. Voedselweb: Naast directe interacties tussen trofische niveaus worden trofische gemeenschappen ook geken- merkt door indirecte interacties binnen trofische niveaus.

47 Voedselketens en voedselwebben

48 Voedselketen: Lineaire energiestroom waarbij energie als voedsel meerdere trofische niveaus doorloopt. Voedselweb: Naast directe interacties tussen trofische niveaus worden trofische gemeenschappen ook geken- merkt door indirecte interacties binnen trofische niveaus. Bij elke overgang tussen trofische niveaus gaat ca. 90% van de energie opgeslagen in organische componenten verloren.

49 Voedselketens en voedselwebben

50 Het aantal trofische niveaus in voedselketens is beperkt.

51 Voedselketens en voedselwebben Het aantal trofische niveaus in voedselketens is beperkt. energetische hypothese

52 Voedselketens en voedselwebben Het aantal trofische niveaus in voedselketens is beperkt. energetische hypothese dynamische stabiliteit hypothese

53 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld:

54 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld: Bottom-up model

55 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld: Bottom-up model verandering in biomassa van lagere tropische niveaus indiceert veranderingen op hogere niveaus

56 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld: Bottom-up model verandering in biomassa van lagere trofische niveaus indiceert veranderingen op hogere niveaus weergegeven als N  V  H  P

57 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld: Top-down model (trofisch cascade model)

58 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld: Top-down model (trofisch cascade model) structuur van een gemeenschap wordt in hoofdzaak ge- reguleerd door predatie

59 Gemeenschapsregulatie Op basis van potentiële trofische interacties worden twee modellen van gemeenschapsregulatie voorgesteld: Top-down model (trofisch cascade model) structuur van een gemeenschap wordt in hoofdzaak ge- reguleerd door predatie weergegeven als N  V  H  P

60 Gemeenschapsregulatie Traditioneel bestond de visie dat gemeenschappen zich in afwezigheid van verstoring in evenwicht bevinden, d.w.z. een tendens vertonen tot constante soortensamenstelling.

61 Gemeenschapsregulatie Traditioneel bestond de visie dat gemeenschappen zich in afwezigheid van verstoring in evenwicht bevinden, d.w.z. een tendens vertonen tot constante soortensamenstelling. Momenteel primeert de visie van een niet-evenwichts- model (non-equilibrium model).

62 Gemeenschapsregulatie Traditioneel bestond de visie dat gemeenschappen zich in afwezigheid van verstoring in evenwicht bevinden, d.w.z. een tendens vertonen tot constante soortensamenstelling. Momenteel primeert de visie van een niet-evenwichts- model (non-equilibrium model). Sommige gemeenschappen zijn voor hun voortbestaan (gedeeltelijk) afhankelijk van verstoringen.

63

64 Gemeenschapsregulatie Traditioneel bestond de visie dat gemeenschappen zich in afwezigheid van verstoring in evenwicht bevinden, d.w.z. een tendens vertonen tot constante soortensamenstelling. Momenteel primeert de visie van een niet-evenwichts- model (non-equilibrium model). Sommige gemeenschappen zijn voor hun voortbestaan (gedeeltelijk) afhankelijk van verstoringen. Intermediate disturbance hypothesis: middelmatige verstoring leidt tot de hoogste soortenrijkdom (Joseph Connell, 1978).

65 Gemeenschapsregulatie Joseph Connell Research Professor University of California, Santa Barbara

66 Gemeenschapsregulatie Na grootschalige verstoring zullen nieuwe gemeenschap- pen zich geleidelijk en via opeenvolgende stadia (elk gekarakteriseerd door dominante soorten) ontwikkelen (ecologische successie).

67 Gemeenschapsregulatie Na grootschalige verstoring zullen nieuwe gemeenschap- pen zich geleidelijk en via opeenvolgende stadia (elk gekarakteriseerd door dominante soorten) ontwikkelen (ecologische successie). Speelt zich af op ecologische (niet evolutionaire) tijd- schalen en leidt tot dynamische climax gemeenschap.

68 Gemeenschapsregulatie Na grootschalige verstoring zullen nieuwe gemeenschap- pen zich geleidelijk en via opeenvolgende stadia (elk gekarakteriseerd door dominante soorten) ontwikkelen (ecologische successie). Speelt zich af op ecologische (niet evolutionaire) tijd- schalen en leidt tot dynamische climax gemeenschap. Successie wordt gestuurd door drie ecologische processen:

69 Gemeenschapsregulatie Na grootschalige verstoring zullen nieuwe gemeenschap- pen zich geleidelijk en via opeenvolgende stadia (elk gekarakteriseerd door dominante soorten) ontwikkelen (ecologische successie). Speelt zich af op ecologische (niet evolutionaire) tijd- schalen en leidt tot dynamische climax gemeenschap. Successie wordt gestuurd door drie ecologische processen: Facilitatie: vroege soorten bespoedigen vestiging

70 Gemeenschapsregulatie Na grootschalige verstoring zullen nieuwe gemeenschap- pen zich geleidelijk en via opeenvolgende stadia (elk gekarakteriseerd door dominante soorten) ontwikkelen (ecologische successie). Speelt zich af op ecologische (niet evolutionaire) tijd- schalen en leidt tot dynamische climax gemeenschap. Successie wordt gestuurd door drie ecologische processen: Facilitatie: vroege soorten bespoedigen vestiging Inhibering: vroege soorten bemoeilijken vestiging

71 Gemeenschapsregulatie Na grootschalige verstoring zullen nieuwe gemeenschap- pen zich geleidelijk en via opeenvolgende stadia (elk gekarakteriseerd door dominante soorten) ontwikkelen (ecologische successie). Speelt zich af op ecologische (niet evolutionaire) tijd- schalen en leidt tot dynamische climax gemeenschap. Successie wordt gestuurd door drie ecologische processen: Facilitatie: vroege soorten bespoedigen vestiging Inhibering: vroege soorten bemoeilijken vestiging Tolerantie: vroege soorten hebben een neutrale invloed

72 Gemeenschapsregulatie Primaire successie

73 Gemeenschapsregulatie Primaire successie temporele verandering in soortensamenstelling in voor- heen onbewoond gebied

74 Gemeenschapsregulatie

75 Primaire successie temporele verandering in soortensamenstelling in voor- heen onbewoond gebied windverbreide varens en mossen vormen de eerste fotosynthetische kolonisten

76 Gemeenschapsregulatie Primaire successie temporele verandering in soortensamenstelling in voor- heen onbewoond gebied windverbreide varens en mossen vormen de eerste fotosynthetische kolonisten decompositie leidt tot de vorming van een initiële organische bodemlaag

77 Gemeenschapsregulatie Secundaire successie

78 Gemeenschapsregulatie Secundaire successie temporele verandering in soortensamenstelling nadat originele vegetatie verdween (maar intacte bodem)

79 Gemeenschapsregulatie

80 Secundaire successie temporele verandering in soortensamenstelling nadat originele vegetatie verdween (maar intacte bodem) via successie ontstaat een vegetatie die sterk gelijkt op de oorspronkelijke

81 Gemeenschapsregulatie

82 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen.

83 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Interactief gemeenschapsmodel

84 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Interactief gemeenschapsmodel gemeenschappen gedragen zich als ‘superorganisme’

85 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Interactief gemeenschapsmodel gemeenschappen gedragen zich als ‘superorganisme’ vertonen ‘ontwikkeling’ tot ‘volwassen’ staat

86 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Interactief gemeenschapsmodel gemeenschappen gedragen zich als ‘superorganisme’ vertonen ‘ontwikkeling’ tot ‘volwassen’ staat nadruk op interactie tussen soorten

87 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Individualistisch gemeenschapsmodel

88 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Individualistisch gemeenschapsmodel omgevingsgradiënten belangrijker dan interacties

89 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Individualistisch gemeenschapsmodel omgevingsgradiënten belangrijker dan interacties samen voorkomen duidt op gelijkaardige vereisten

90 Gemeenschapsmodellen Vraag of gemeenschappen op een ‘voorspelbare’ manier gestructureerd zijn, blijft bron van discussie onder ge- meenschapsecologen. Individualistisch gemeenschapsmodel omgevingsgradiënten belangrijker dan interacties samen voorkomen duidt op gelijkaardige vereisten nadruk op individualiteit van soorten

91 Gemeenschapsmodellen Interactief

92 Gemeenschapsmodellen Structuur en dynamiek Interactief Individua- listisch

93 Ecologische nicheconcept

94 Ecologische niche omvat alle biotische en abiotische aspecten die deel uitmaken van de levensbehoefte van een organisme.

95 Ecologische nicheconcept

96 Ecologische niche omvat alle biotische en abiotische aspecten die deel uitmaken van de levensbehoefte van een organisme. In evolutionaire termen weerspiegelt het de totaliteit aan adaptaties van een organisme aan zijn leefomgeving.

97 Ecologische nicheconcept Ecologische niche omvat alle biotische en abiotische aspecten die deel uitmaken van de levensbehoefte van een organisme. In evolutionaire termen weerspiegelt het de totaliteit aan adaptaties van een organisme aan zijn leefomgeving. Limiterende hulpbron (critical resource): elke omgevings- component die de ecologische niche van een organisme beperkt.

98 Ecologische nicheconcept Ecologische niche omvat alle biotische en abiotische aspecten die deel uitmaken van de levensbehoefte van een organisme. In evolutionaire termen weerspiegelt het de totaliteit aan adaptaties van een organisme aan zijn leefomgeving. Limiterende hulpbron (critical resource): elke omgevings- component die de ecologische niche van een organisme beperkt. Gerealiseerde niche is het deel van de fundamentele (potentiële) niche dat effectief wordt ingenomen gegeven competitie voor limiterende hulpbronnen.

99 Chthamalus Balanus Ecologische nicheconcept

100

101 Het nicheconcept is nauw verweven met het verschijnsel competitie (interactie die optreedt wanneer twee of meer individuen gebruik willen maken van dezelfde kritische hulpbron).

102 Ecologische nicheconcept Het nicheconcept is nauw verweven met het verschijnsel competitie (interactie die optreedt wanneer twee of meer individuen gebruik willen maken van dezelfde kritische hulpbron). contest competition: impliceert actieve interferentie

103 Ecologische nicheconcept Het nicheconcept is nauw verweven met het verschijnsel competitie (interactie die optreedt wanneer twee of meer individuen gebruik willen maken van dezelfde kritische hulpbron). contest competition: impliceert actieve interferentie scramble competition: exploitatie van eenzelfde hulpbron

104 Ecologische nicheconcept Het nicheconcept is nauw verweven met het verschijnsel competitie (interactie die optreedt wanneer twee of meer individuen gebruik willen maken van dezelfde kritische hulpbron). contest competition: impliceert actieve interferentie scramble competition: exploitatie van eenzelfde hulpbron Competitie voor limiterende hulpbronnen kan aanleiding geven tot competitieve uitsluiting (G.F. Gause, 1934).

105 Ecologische nicheconcept G.F. Gause Moscow University

106

107

108 Ecologische nicheconcept Twee soorten van eenzelfde gemeenschap kunnen niet exact dezelfde ecologische niche bezetten.

109 Ecologische nicheconcept Twee soorten van eenzelfde gemeenschap kunnen niet exact dezelfde ecologische niche bezetten. Over een evolutionaire tijdschaal zal natuurlijke selectie individuen bevoordelen die competitie voor kritische hulp- bonnen reduceren.

110

111

112 Niche dimensie Gebruik hulpbron

113 Niche dimensie Gebruik hulpbron Niche dimensie Gebruik hulpbron

114 Ecologische nicheconcept Twee soorten van eenzelfde gemeenschap kunnen niet exact dezelfde ecologische niche bezetten. Over een evolutionaire tijdschaal zal natuurlijke selectie individuen bevoordelen die competitie voor kritische hulp- bonnen reduceren. Resource partitioning: reductie in competitie tussen co- existerende soorten door reductie van overlap in één of meerdere niche dimensies. Dit proces kan leiden tot character displacement.

115 Ecologische nicheconcept

116 Andere biotische interacties

117 Predatie verwijst naar het proces waarbij een prooi geconsumeerd wordt door een predator. Dit slaat zowel op carnivoren áls herbivoren.

118

119

120 Andere biotische interacties Predatie verwijst naar het proces waarbij een prooi geconsumeerd wordt door een predator. Dit slaat zowel op carnivoren áls herbivoren. Natuurlijke selectie leidt tot verfijning van adaptaties bij predatoren en prooien. Evolutie van strategieën bij de ene groep vormt de selectieve kracht voor co-evolutie van strategieën bij de tegenpartij (evolutionaire wapenwedloop).

121 Andere biotische interacties Predatie verwijst naar het proces waarbij een prooi geconsumeerd wordt door een predator. Dit slaat zowel op carnivoren áls herbivoren. Natuurlijke selectie leidt tot verfijning van adaptaties bij predatoren en prooien. Evolutie van strategieën bij de ene groep vormt de selectieve kracht voor co-evolutie van strategieën bij de tegenpartij (evolutionaire wapenwedloop). Adaptaties kunnen zowel morfologisch (bv. kleurpatronen), fysiologisch (bv. alkaloïden) als gedragsmatig (bv. groeps- gedrag) zijn.

122 aposematisme

123 Mülleriaanse mimicry

124 Batesiaanse mimicry

125 Andere biotische interacties Symbiose verwijst naar een nauwe associatie tussen indi- viduen van twee of meer soorten als gevolg van co-evolutie. Afhankelijk van het type van symbiose kunnen symbionten voordeel, nadeel of neutraliteit ondervinden.

126 InteractieEffect op 1Effect op 2 Predatie van 2 door 1positiefnegatief Mutualisme van 1 en 2 positief neutraal Parasitisme van 1 op 2 positiefnegatief Competitie van 1 en 2 negatief Commensalisme van 1 & 2 Andere biotische interacties

127 Mutualisme

128 InteractieEffect op 1Effect op 2 Predatie van 2 door 1positiefnegatief Mutualisme van 1 en 2 positief neutraal Parasitisme van 1 op 2 positiefnegatief Competitie van 1 en 2 negatief Commensalisme van 1 & 2 Andere biotische interacties

129 Commensalisme

130 InteractieEffect op 1Effect op 2 Predatie van 2 door 1positiefnegatief Mutualisme van 1 en 2 positief neutraal Parasitisme van 1 op 2 positiefnegatief Competitie van 1 en 2 negatief Commensalisme van 1 & 2 Andere biotische interacties

131 Parasitisme


Download ppt "Gemeenschappen. Gemeenschapsstructuur Onder natuurlijke omstandigheden maken soorten deel uit van complexe gemeenschappen, d.w.z. populaties van verschillende."

Verwante presentaties


Ads door Google