De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Individuele verschillen. Advance organizer In welke mate denk je dat leerkrachten de volgende bedenkingen maken bij het slecht functioneren van Piet.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Individuele verschillen. Advance organizer In welke mate denk je dat leerkrachten de volgende bedenkingen maken bij het slecht functioneren van Piet."— Transcript van de presentatie:

1 Individuele verschillen

2

3 Advance organizer In welke mate denk je dat leerkrachten de volgende bedenkingen maken bij het slecht functioneren van Piet op school? Piet kan niet zo goed functioneren op school. Hij heeft het niet in zich Piet functioneert niet zo goed op school omdat hij thuis weinig heeft meegekregen Piet functioneert niet goed op school omdat we hem op school niet goed opvolgen

4 Advance organizer Elk van deze assumpties over “Piet” verwijst naar een denkstroming m.b.t. verschillen tussen lerenden en vooral over sociale ongelijkheid: –Genetische deficiethypothese –Cultuurdeficiethypothese –Onderwijsdeficiethypothese

5 Individuele verschillen Verschillen ten aanzien van heel wat variabelen in lerende en/of zijn /haar context. Focus op geslacht en SES Onderwijs kan proberen om te gaan met verschillen: « Schools make a difference »

6 Doel van dit thema Via instructie kunnen we impact van individuele verschillen ombuigen. Bewustzijn noodzakelijk!! Twee delen in thema: –Geslacht, SES –Aanpakken via instructie

7 Let op met verschillen! Verschillen tussen lerenden kunnen veranderen over de tijd heen: vergroten, verkleinen of veranderen. Variatie tussen groepen (geslacht, etnische afkomst, sociaal-economische status, …) en binnen groepen. Wanneer twee groepen gemiddeld verschillen van elkaar, betekent dit niet dat er geen grote overlap en dus gelijkenissen kan bestaan tussen beide groepen. Leerprestaties worden positief beïnvloed wanneer rekening wordt gehouden met verschillen tussen groepen en individuen.

8 Verschillen tussen ♀ en ♂

9 Empirische basis voor geslachtsverschillen (internationaal) Jongens krijgen meer vrijheid dan meisjes. Op een voorschoolse leeftijd hebben lerenden stereotiepe opvatting over geslachtsrollen. Oudere lerenden volgen snel een rigide opvatting over rolpatronen en ouders bekrachtigen stereotiep gedrag. De media bekrachtigen stereotiepe opvatting over rolpatronen. Peers reageren positiever op gedrag dat past in bij een klassieke rolverdeling.

10 Empirische basis voor geslachtsverschillen (internationaal) Impact geslacht op prestaties wiskunde en wetenschappen verminderd tot zelfs verdwenen is. Proportioneel meer jongens bijlessen voor talen en voor wiskunde, sneller overzitten en 2-3 x meer doorverwezen naar BO. Meisjes zijn actiever en leerprestaties zijn hoger in niet- gemengde klassen dan in gemengde klassen. Meisjes presteren minder goed in gemengde klassen. Instructieverantwoordelijken gedragen zich verschillend tegenover jongens dan tegenover meisjes.

11 Verschillen in opvattingen over jongens en meisjes bij het leren van wiskunde MeisjesTotaal 145JongensTotaal 105 nf%n % Zorgzaam3524 %Lui1716 % Hard werkend3423 %Redeneren, slim1312 % Uit het hoofd leren128 %Minder zorgzaam 1110 % Minder zelfvertrouwen128 %Inzicht, creatief99 % Routine107 %Zelfvertrouwen88 % Kopiëren van regels86 %Avontuurlijk77 % Veel oefenen53 %Problem-solver55 % Doorzetten43 %Zetten niet door55 % Soro (2002).

12 Empirische basis voor geslachtsverschillen (internationaal) Jongens en meisjes verschillen nauwelijks in intelligentie (bijv. IQ) en andere aangeboren mogelijkheden. De fysische en motorische mogelijkheden van jongens zijn – na de puberteit – groter dan die van meisjes. Meisjes hebben wel een betere fijn-motoriek. Motivatie voor schooltaken blijkt grondig te verschillen bij meisjes en jongens. Jongens blijken capaciteiten te overschatten. Jongen groter zelfvertrouwen in probleemoplossingssituaties; meisjes meer in interpersoonlijke thema’s. Jongens en meisjes geven andere verklaringen voor hun succes of hun falen. Meisjes gaan anders met elkaar om dan jongens.

13 Empirische basis voor geslachtsverschillen (nationaal) PISA-onderzoek bij 15-jarigen (2003) Jongens scoren significant beter voor wiskunde dan meisjes. Verschil tussen jongens en meisjes groter geworden dan in PISA2000. Geen verschillen in probleemoplossingsvaardigheden. Wat betreft leesvaardigheid presteren meisjes beter dan jongens.

14 Empirische basis voor geslachtsverschillen (nationaal) Dit wordt niet bevestigd bij onderzoek in het basisonderwijs. Verschillen ebben weg?

15 Leerling

16 SES Lagere SES hangt direct samen met lagere leerprestaties. Sociale ongelijkheid. Onderwijsbeleid: creëren van gelijke kansen een prioriteit. September 2002: Gelijke Onderwijs Kansen decreet (GOK-decreet) (http://www.ond.vlaanderen.be/GOK/).http://www.ond.vlaanderen.be/GOK/ Juli 2012: SES decreet (KO en LO)

17 SES Theoretische basis: (1) Genetisch deficitmodel (2) Onderwijsdeficitmodel (3) Cultureel deficitmodel. In elk van deze modellen worden andere variabelen en processen benadrukt die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van sociale ongelijkheid.

18 Genetisch deficitmodel Genetische factoren verantwoordelijk voor sociale ongelijkheid. Jaren ’60 een ‘revival’ (Jensen, 1969): erfelijkheid aan de basis van verschillen tussen lerenden. Door bijv. een erfelijk bepaalde lagere intelligentie behaalt men lagere schoolprestaties die op hun beurt de sociaal-economische positie beïnvloeden. Fel debat. Defaitistische assumpties en een genetische inferioriteitshypothese. Onderzoek: intelligentie tot op bepaalde hoogte genetisch bepaald, maar uiteindelijk bereikte onderwijsniveau van lerenden vooral bepaald door familiale omgeving.

19 Genetisch deficitmodel Vlaamse LOSO-project (Longitudinaal Onderzoek Secundair Onderwijs): elementen van genetische deficitmodel. Intelligentie als determinant van studiesucces. Onderzoek KULeuven: longitudinaal onderzoek vanaf 1990, 6000 leerlingen volgen gedurende schoolloopbaan in het secundair onderwijs. Verklaringsvariabelen voor verschillen in leerprestaties : –een groot percentage van de variantie in schoolvorderingen wordt verklaard door intelligentie (IQ) –lerenden van gezinnen met een hogere SES ook hoger scoren op een IQ-test en vice versa

20 USA: Black and Intelligent?

21 Controversieel onderzoek naar relatie tussen ras en intelligentie:

22 J MacNamara - The Irish Review (1986-)

23

24 Onderwijsdeficitmodel Onderwijs reproduceert maatschappelijke ongelijkheid door de manier waarop instructie op micro-, meso- en macroniveau is georganiseerd. Onderwijs (re)produceert ongelijkheid van scholingskansen voor lerenden en negeert hun persoonlijke kwaliteiten (Doornbos, 1982). Oorzaken in bijv. de keuze voor onderwijsdoelstellingen (het curriculum) en in de manier waarop wordt geëvalueerd. Discriminatie van bepaalde sociaal-economische groepen.

25 Onderwijsdeficitmodel Bowles & Gintis Onderwijs geen hefboom om sociale ongelijkheid op te heffen, maar eerder een slagboom om lerenden met een lage SES de toegang tot jobs en posities te ontzeggen. Het onderwijssysteem wil lerenden op maat snijden van de arbeidswereld. Er is dus een structurele overeenkomst tussen de sociale verhoudingen in het onderwijs en die in de productiesfeer Arbeiderskinderen terechtkomen worden doorgesluisd naar ‘lagere’ opties van het secundair onderwijs. Hogere SES volgen ‘hogere’ studierichtingen. Onderwijsopties reflecteren dus sterk de hiërarchische arbeidsdeling.

26 Onderwijsdeficitmodel Illich:‘hidden curriculum’. “Schools tend to incalculate passive consumption – an uncritical acceptance of the existing social order – by the nature of the discipline and regimentation they involve. These lessons are not consciously taught; they are implicit in school procedures and organization. The hidden curriculum teaches children that their role in life is ‘to know their place’ and to sit still in it.” (ibid, p.54).

27 Onderwijsdeficitmodel Vlaanderen: Oorzaken in selectieve karakter van Vlaamse onderwijssysteem. Vele inspanningen van overheid teniet gedaan omdat ideologische basis van het onderwijs niet verandert. De dominante ideologie is gebaseerd op meritocratie in plaats van democratie. Lerenden waarvan de ouders niet-actief zijn (lage SES, migranten) blijken in mindere mate naar de kleuterschool te gaan. Dit werkt verder door in het secundair onderwijs: grotere kans op vertraging in schoolloopbaan. Einde secundair onderwijs: lerenden met lagere SES meer in BSO en TSO. Lagere participatie aan hoger onderwijs.

28 Cultureel deficitmodel. Sociale ongelijkheid gereproduceerd door culturele factoren. Twee belangrijkste auteurs –Bourdieu & Passeron (1970): cultureel kapitaal. –Bernstein (1971): taalcode

29 Bourdieu & Passeron (1970): cultureel kapitaal Kinderen krijgen cultureel kapitaal mee op basis van hun opvoeding: o.a. taalgebruik, taalvaardigheid, sociale vaardigheden, consumptiepatronen, vrijetijdsbesteding, waardensysteem, de levensstijl, opvattingen en aspiraties (Verhoeven et al., 2000; Lerenden hebben meest succes op school wanneer thuiscultuur overeenkomt met de schoolcultuur. Schoolcultuur is gedefinieerd door een bepaalde sociale klasse. Kinderen uit gezinnen met een lage SES halen zwakkere resultaten omdat thuiscultuur niet aansluit bij de dominante schoolcultuur. Onderzoek: Vlaamse onderwijs weerspiegelt cultuurkapitaal van de middenklasse.

30 Bernstein (1971): taalcode Linguïstische vaardigheden van de lerenden bepalend. Lerenden uit lagere sociale milieus hanteren een andere taalcode: contextgebonden. Taalcode van gezinnen met hoge SES taal: minder contextgebonden. Daardoor beter functioneren op school. Van Houtte (2002): lerenden uit gezinnen met lage SES begrijpen minder goed wat de instructieverantwoordelijke zegt en hebben meer last met abstracties en generalisaties.

31 Bernstein (1971): taalcode Verhoeven en Kochuyt (1995): studiebegeleiding verschilt; aanmoedigen versus concrete hulp. Derks, Elchardus, Glorieux & Pelleriaux (1998): lerenden uit kansarme gezinnen ontwikkelen een smaak die niet past bij de schoolcultuur. Dit Vranken, Geldorf & Van Menxel (1997): allochtone leerlingen duidelijk verschil tussen thuis- en schoolcultuur. Geluykens & Van Damme (2003): onderwijsgerichtheid van de ouders (opvolging van het leerproces, positieve instelling ten opzichte van de school en bereikbaarheid) verschillen. Lerenden in het ASO (algemeen secundair onderwijs) vooral uit gezinnen met hoogste onderwijsgerichtheid. Laagste onderwijs- gerichtheid bij voltijds en deeltijds BSO.

32 SES: Complexe variabele

33 Vlaanderen en SES SES in PISA: beroep ouders; onderwijsniveau ouders; educatieve media thuis; aantal boeken thuis. Wiskundige geletterdheid

34 Vlaanderen thuistaal en schooltaal Performance verschillen voor de verschillende geletterdheidsgebieden wanneer we ons toespitsen op thuistaal en schooltaal in PISA2006 (De Meyer, 2007, p.44).

35 Individuele verschillen en instructie Jonassen en Grabowski (1993, p.19): drie assumpties bij het omgaan met individuele verschillen: –Leereffecten kunnen bevorderd worden via strategieën op micro- en mesoniveau. –Instructiestrategieën verschillen in effect, afhankelijk van intelligentie, leerstijlen en andere mogelijkheden van lerenden. Met andere woorden, individuele lerenden kunnen anders reageren op een bepaalde instructieaanpak. –Leereffecten worden beïnvloed door de vormgeving van de instructie (‘instructional design’). ATI: minder positief effect “One size does not fit it all”

36 Geslacht en instructie Het ontwikkelen van het zelfbewustzijn van de instructieverantwoordelijke Trainingsprogramma’s en ondersteuning voor instructieverantwoordelijke Macroniveau initiatieven voor het aanpakken van de ‘gender gap’

37 Geslacht en instructie Bewust worden over eigen ‘gender bias’. Meer aandacht voor participatie van meisjes in instructie.

38 Geslacht en instructie Bewust worden over eigen ‘gender bias’. vooral jongens aan het woord laten; gemakkelijke vragen stellen aan meisjes en moeilijke aan jongens; eerst naar jongens kijken; enkel verwijzen naar mannen met bijdrage hebben aan wiskunde en wetenschappen; teveel klassikaal onderwijs i.p.v. groepsgebaseerde strategieën; teveel competitie ~voorkeur voor jongens; teveel nadruk op abstracte leerstof, te weinig aandacht voor praktische toepassingen (bijv. maatschappelijke relevantie) Oogcontact …

39 Geslacht en instructie –Meer aandacht voor participatie van meisjes in instructie: stel vragen die beroep doen op hogere orde denkvaardigheden aan meisjes en jongens; wacht wat langer na het stellen van een vraag; gebruik consequent de voornamen of de familienamen bij jongens en meisjes; versterk het gevoel dat de klasgroep als geheel meewerkt; vermijd het gebruik van ‘hij’ als generieke aanduiding; vermijd seksistisch taalgebruik en humor; nieuwe kennis in relevante contexten aanbieden; instructiestrategieën die voortbouwen op samenwerkend leren; let op communicatiestructuur; bouw structuur in de discussies zodat elk groepslid aan bod kan komen …

40 Geslacht en instructie Macroniveau aanpakken nauwelijks geëvalueerd. Succesvolle initiatieven: –programma’s OPZETTEN voor de adolescentie, vóór het moment dat ze zelf negatieve houdingen ontwikkelen m.b.t. hun eigen capaciteiten. –programma’s die inspelen op affectieve elementen en op het concrete prestatieniveau van lerenden; op cognitie gerichte interventie vergroot het bewustzijn over ‘gender bias’, maar verandert nauwelijks hun gedrag. Geslacht van de instructieverantwoordelijke zelf. –Onderzoek Siongers (2002)/ feminisering lerarenberoep in Vlaanderen geen negatieve invloed Lokaal karakter waarbij scholen of scholengemeenschappen samenwerken van initiatieven. Bijv. Technopolis in samenwerking met Technische school uit Turnhout (STC Turnhout) om techniek onder de aandacht te brengen van meisjes.

41 SES en instructie GOK-decreet (Gelijke OnderwijsKansen) Omzetting naar SES-decreet voor kleuter en basisonderwijs (commissie onderwijs 7 juni 2012) GOK beleid maakt plaats voor nieuw SES beleid. Mechanisme schoolautonomie en responsabilisering. Scholen extra financiering om bikj alle lerenden eindtermen te bereiken en ontwikkelingsdoelen na te streven. Criterium: aantal risico-lerenden (minstens 10% in het lager onderwijs en minstens 25% in het secundair onderwijs) ~ extra financiering om problemen gerichter aan te pakken.

42 Opleiding zorgcoördinator

43 SES en instructie GOK-decreet benadrukt: –instructiestrategieën –recht op onderwijs voor alle lerenden: Rechtsbescherming Recht op inschrijven

44 Individuele verschillen en het referentiekader Lerende Lerende centraal. Zijn/haar leeractiviteiten beïnvloed door een interactie-effect tussen de kenmerken van de lerende en de instructie. Kenmerken van de lerende Let op: slechts beperkt aantal besproken (geslacht en SES). Ook andere hebben invloed. Kernmerken lerende interageren met kenmerken instructieverantwoordelijke en inrichting leeromgeving. Begeleiding van de lerende Ouders, ‘peers’, leerkrachten, CLB, … kunnen lerenden begeleiden bij het omgaan met individuele verschillen.

45 Individuele verschillen en het referentiekader Instructieverantwoordelijke Let op: eigen opvattingen, ‘beliefs’, houdingen (attitudes) ten opzichte van de lerenden bepalend. Kenmerken van de Instructieverantwoordelijke De instructieverantwoordelijke heeft kenmerken die instructie bepalen: houdingen, opvattingen, attitudes, … voor geslacht en SES. Instructieverantwoordelijken: repertorium aan instructiestrategieën, aanpak instructieorganisatie en houdingen veranderen. Zelfbewustzijn is belangrijk.

46 Individuele verschillen en het referentiekader Begeleiding van instructieverantwoordelijke Professionalisering: zelfbewustzijn instructiestijl en benadering verschillen in SES en geslacht. Professionalisering: repertorium instructiestrategieën, organisatie en houdingen, attitudes, opvattingen. Collega’s en de directie: beïnvloedende rol.

47 Individuele verschillen en het referentiekader Leerprocessen Leerprocessen van lerenden weerspiegelen culturele achtergrond, genen of manier waarop instructie sociale positie reproduceert. Instructieactiviteiten Instructieactiviteiten variëren in functie van leerstijlen lerenden. Organisatie Organisatie van instructie interactie met SES en/of geslacht : duur van lessen, bereikbaarheid van instructieverantwoordelijken, … Nieuwe actoren : taakleerkrachten, zorgcoördinator, brugfiguur, …

48 Individuele verschillen en het referentiekader Context De sociaal-maatschappelijke context duidelijke invloed op instructie. Het thuismilieu bepalende rol. Mesoniveau Schoolautonomie en responsabilisering bij uitvoeren beleidsmaatregelen. Macroniveau Speelt zeer grote rol: decretale kaders.

49 Individuele verschillen


Download ppt "Individuele verschillen. Advance organizer In welke mate denk je dat leerkrachten de volgende bedenkingen maken bij het slecht functioneren van Piet."

Verwante presentaties


Ads door Google