De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

COMMUNICATIE- ASSERTIVITEIT bron ‘Hoe zeg ik je het ? Innige communicatie- verkenningen voor een eigen communicatie- cultuur’.

Verwante presentaties


Presentatie over: "COMMUNICATIE- ASSERTIVITEIT bron ‘Hoe zeg ik je het ? Innige communicatie- verkenningen voor een eigen communicatie- cultuur’."— Transcript van de presentatie:

1

2 COMMUNICATIE- ASSERTIVITEIT

3 bron ‘Hoe zeg ik je het ? Innige communicatie- verkenningen voor een eigen communicatie- cultuur’.

4 Een uitgave van Psychcom-research vzw, Hove.

5 In dit werk worden een zestigtal kanten van communicatie van heel nabij belicht.

6 Deze presentatie is een montage van een deel van het facet communicatie- assertiviteit uit dit werk.

7 Deze presentaties zijn afzonderlijk verkrijgbaar. Ze kunnen gepersonaliseerd en aangepast worden voor specifieke doelgroepen.

8 Communicatie- assertiviteit is een aspect van communicatie- positionering.

9 Het betreft de mate van zelfvertrouwen en sterkte waarmee men een gesprek voert,

10 zodat mogelijke beïnvloeding of vasthoudendheid het gevolg is van wat wordt besproken en niet van de ervaren onzekerheid en zwakheid. zodat mogelijke beïnvloeding of vasthoudendheid het gevolg is van wat wordt besproken en niet van de ervaren onzekerheid en zwakheid.

11 Aandacht kan besteed aan het geloof in zichzelf, in zijn eigen opvattingen en in zijn vaardigheden als gesprekspartner.

12 Aandacht kan gegeven aan assertiviteit uit te stralen in wat en in hoe iets wordt uitgedrukt via zowel spreek- als lichaamstaal.

13 Er kan gelet op de eigen basis, de persoonlijke ondersteuning en de zelf opgenomen verantwoordelijkheid voor zijn expressies.

14 Er kan aandacht besteed aan hoe druk van de andere te weerstaan of te voorkomen.

15 Hoe ruimte te creëren voor een kwetsbare opstelling binnen een veilige en vertrouwensvolle relatie.

16 Communicatie- assertiviteit wordt getypeerd door :

17 Ik weet mijn opvattingen, houdingen, gevoelens en verlangens kenbaar te maken.

18 Ik zeg duidelijk wat ík belangrijk, wenselijk of noodzakelijk vind.

19 Ik kan gemakkelijk duidelijk maken wat ik van de ander verwacht.

20 Ik weet gemakkelijk mijn mening op zo'n wijze naar voor te brengen dat ze in overweging wordt genomen.

21 Ik acht het mijn verantwoordelijkheid mijn gevoelens, mijn ervaren, mijn behoeften en verlangens te laten kennen.

22 Het oké vinden te vragen wat je wil zonder je schuldig te voelen en zonder het te ervaren alsof de ander je er op aan zal kijken.

23 Er in gesprek attent op zijn zelf wel een eigen (en mogelijk andere) visie, opinie, voorkeur of verlangen te hebben, te herkennen, toe te laten en te aanvaarden.

24 Het idee loslaten niet naar jezelf te moeten luisteren wat je gevoelens, gedachten en behoeften zijn, omdat je er toch geen rekening mee kan houden en het alleen maar teleurstelling en innerlijk conflict oplevert.

25 Niet vanuit het idee niet naar jezelf te moeten luisteren, anderen laten uitmaken wat te voelen, denken en willen.

26 Ik durf te zeggen en te vragen wat ik wil.

27 Mijn aanvoelen en verlangen in een expressie weten omzetten (ja-, nee-, nog niet-, dit niet-, zo niet-, wil-, wil-niet-, op- die-manier-, onder-die- voorwaarde,...-aan- voelen).

28 Ik weet mij oorspronkelijk gevoelen op een directe en spontane manier niet opgespaard of ingehouden naar buiten te brengen.

29 Ik voel me om mijn gemak bij mijn persoonlijk ervaren waarop ik meen zoals ieder recht te hebben, zodat ik het op een open niet kwetsende manier kan uiten.

30 Ik weet de ander zonder contacthinderende terughoudendheid voldoende aan te spreken voor mezelf en bij me aanwezige verwachtingen.

31 In gesprek weet ik voor me aandacht en een 'rekening-houden-met' te vragen.

32 Wat je te zeggen hebt met overtuiging vertolken.

33 Ik durf in gesprek stil te staan bij mezelf en over mezelf te praten.

34 In gesprek contact maken en onderhouden met jezelf en met de ander.

35 In gesprek geen te grote terughoudendheid vertonen over jezelf en je gevoelens.

36 Naar de ander toe in gesprek gaan met een positief en goed zelfgevoel.

37 Afwegen of je je eigen kijk, gevoelens, behoeften, plannen of verwachtingen afhankelijk van of ondergeschikt wil maken aan de ander, of tot zijn recht wil laten komen samen met de ander.

38 Je voor de bevrediging van je behoeften zo verkieslijk minder afhankelijk maken van de ander door ze in (gespreks)interactie beter te leren kennen en te verkiezen er zelf voor in te staan.

39 Jezelf beter leren kennen en de werkelijkheid om je heen om met meer (zelf)vertrouwen tot een optimale keuze voor je te komen.

40 Ik weet voldoende in de 'ik'-vorm te spreken.

41 Zo tijdig, specifiek en gericht mogelijk weten (re)ageren, zo voorkom je weerstand en hoef je minder kracht te gebruiken.

42 Je waardering of ergernis over de ander kunnen uitspreken.

43 Je de ander sprekende of weerhoudende opstelling en gevoelens duidelijk(er) laten zien.

44 Je in gesprek niet laten hinderen of verstoren door zelf opgeroepen en onderhouden lichamelijke (onrust, zweten,...), psychische (zelftwijfel, angst,...) en sociale spanningen (aanvaarding, minderwaardigheid,...)

45 door je er niet op te fixeren, geen bevestiging voor te zoeken, ze voor jezelf niet taboe te verklaren en niet te willen onderdrukken.

46 Je eigen gevoelens, voorstellingen, gedachten, herinneringen, verlangens en handelen met je aandacht volgen en déze gebruiken die je helpen iets te bereiken.

47 De manier waarop je met jezelf praat en omgaat, wat je van jezelf vindt en wat je voor jezelf voelt, afstralen naar buiten.

48 Zo jezelf positief benaderen en bejegenen dat het afstraalt op de ander.

49 In gesprek jezelf en de ander ervaren als heel bijzonder, persoonlijk, eigen en ongewoon.

50 In gesprek er van uitgaan dat het niet alleen is wat je geeft aan de ander of krijgt van de ander (o.m. aandacht) dat je waardevol maakt.

51 Het onevenwichtig idee loslaten dat je maar iets betekent in de mate je het de ander(en) naar hun zin maakt.

52 Niet het tegengestelde zeggen van wat ik bedoel uit zelftwijfel of om aanvaard te worden of positief over te komen.

53 Bij het tot je recht willen komen niet vastzitten in niet-helpende expressiewijzen maar het weten koppelen aan meer doeltreffende uitingen :

54 (van vriendelijk zijn is steeds akkoord gaan, naar aangeven hoe tot op welke hoogte iets kan; van behulpzaam zijn als jezelf vergeten, naar voor wat je wil helpen; van kritiek uiten als het negatieve aangeven, naar wat je graag anders wil;...).

55 Jezelf geen negatieve gedachten aanmeten die negatieve gevoelens (angst, onzekerheid, boosheid,...) opwekken met toeklappend of uitklappend gedrag tot gevolg.

56 Een gevoelen of een eigenschap in jezelf loslaten en inschakelen dat je behulpzaam kan zijn of je bescherming kan bieden.

57 Door koppeling je expressie als proces(sor) via een aspect van jezelf als coproces(sor) laten passeren.

58 Door koppeling een aspect van jezelf als proces(sor) via je expressie als coproces(sor) laten passeren

59 Ik vergelijk mezelf in gesprek niet op een negatieve wijze met de ander (meer, beter, sneller,...).

60 Ik maak vanuit de ogen van de ander niet op een negatieve wijze de vergelijking van mezelf met de ander (minder, slechter, trager,...).

61 Een gevoel van veiligheid in jezelf weten terugvinden.

62 Ik stá op mezelf, wat voor me inhoudt een voldoende mate van onafhankelijkheid, eigenheid, steun, respect en toekomstobjectief.

63 Je verantwoordelijk voelen voor jezelf.

64 Jezelf motiveren om je leven zelf te organiseren.

65 Jezelf een plaats toewijzen in de relatie tot de andere(n) (gelijke, partner, vriend,... boeiend, aansprekend, interessant,...).

66 Niet zo erg begaan zijn met de negatieve reactie van of voor de ander dat je nauwelijks nog durft te zeggen wat je denkt, voelt en wil.

67 Nagaan of je in gesprek hinder ondervindt van een teveel aan angst (te verliezen) of een tekort aan durf (te winnen).

68 In gesprek let ik er op mij niet te gemakkelijk, te veel of te vaak te laten doen, beïnvloeden of overtuigen.

69 Pogingen doen de ander te overreden en niet bij voorbaat of te snel opgeven.

70 Contact maken met verwaarloosde of verborgen delen van jezelf en deze naar buiten brengen.

71 Onjuiste ideeën over jezelf loslaten die je jezelf hebt aangepraat als verontschuldiging om vervelende en moeilijke situaties te ontlopen.

72 Onjuiste ideeën over jezelf loslaten die anderen je hebben aangepraat om je te stimuleren of je weerbaarheid te verminderen.

73 Mentale ruimte voor jezelf en je handelen creëren (iets weten, kunnen, durven, mogen, willen, zijn... niet alles moeten weten, kunnen, durven, mogen, willen, zijn,...).

74 In gesprek geen te grote afstand veronderstellen of ervaren tussen jezelf en de ander

75 om je in gesprek te kunnen verduidelijken, de ander te kunnen overtuigen, jezelf teveel te moeten prijsgeven en niet de gewenste veilige afstand te kunnen behouden,

76 maar jezelf een valabele kans geven om minstens te komen tot zelfexpressie, een zeker begrip of een toenadering. maar jezelf een valabele kans geven om minstens te komen tot zelfexpressie, een zeker begrip of een toenadering.

77 Als ik van mening veranderd ben kan ik dit de ander zeggen.

78 Je kennen, willen, voelen, kunnen en doen eenzelfde tred laten volgen.

79 Ik hang mijn expressieve uitdrukking op aan wat ik er mee wil bereiken.

80 Niet al bij voorbaat je inschikkelijkheid, toegeeflijkheid, volgzaamheid, onderdanigheid, onderworpenheid, lijdzaamheid (sub- assertiviteit) tot expressie brengen.

81 Je eigen domein weten te onderkennen en de ander helpen het ook te onderkennen.

82 Het oké vinden vanuit je domein ongeremd een situatie te kunnen in je opnemen en volgen.

83 Ik stel in gesprek de verwachtingen van de ander tegenover mij scherp.

84 Ik stel in gesprek mijn bereidheid tegenover de ander scherp.

85 Ik geef duidelijk en expressief mijn grenzen naar de ander toe aan.

86 Ik geef zelf expressief de manier aan waarop ik wens dat de anderen met me omgaan.

87 Ik kan in een gesprek de ander weerstaan.

88 Zo de ander me iets vraagt weet ik, zo ik het wens, uitleg te vragen om mijn antwoord te bepalen.

89 Voor jezelf uitzoeken wat op de voorgrond te brengen en op de achtergrond te plaatsen in jezelf en in je (gespreks)interactie.

90 Er rekening mee houden je niet méér te weren tegen jezelf (weet, kan, mag, durf, wil niet) dan tegen de ander.

91 Eerder dan jezelf achterna te lopen met steeds weer tegenvallende beoordelingen, verkiezen jezelf voorop te lopen met positieve verwachtingen.

92 Ik weet zelf initiatief tot expressie te nemen eerder dan een passieve of afwachtende houding aan te nemen.

93 In jezelf ruimte voorzien om te genieten van de (gespreks)situatie en om te denken hoe en wat je kan bijdragen tot een prettige interactie.

94 Ik vraag de ander zelf wat die prettig vindt om over te praten of te doen en op welke manier,

95 ik kies vervolgens hieruit iets wat ik ook prettig vind en stel de ander levendig en concreet voor wat hoe samen te kunnen doen en vraag de ander tenslotte om mee te doen.

96 Ik kan in een gesprek klachten uiten en een confrontatie met de ander aangaan.

97 Ik laat me tijdens een gesprek niet uit mijn lood slaan.

98 Ik breng zelf iets naar de ander over.

99 Ik stel niet uit, maar ageer en reageer tijdig.

100 In een gesprek blijf ik zeer zeker.

101 Zo verkieslijk het aan de ander overlaten om geëmotioneerd te zijn (angstig, opgewonden, geërgerd, verveeld, boos,...).

102 In gesprek laat ik mezelf niet in de steek of keer ik me niet tegen mezelf.

103 Voldoende zelfwaardegevoel hebben om steeds op jezelf te kunnen terugvallen in moeilijke (gespreks)- omstandigheden.

104 Zo je waarneming, ervaring, denken, voelen, behoeften, voorstelling, lichaamsgevoelen dezelfde richting uitgaan (veiligheid behouden, zich uiten, zich laten kennen, zich verdedigen, standhouden,...)...

105 dan zal dat ook zo hoorbaar, zichtbaar en voelbaar bij de ander aankomen. dan zal dat ook zo hoorbaar, zichtbaar en voelbaar bij de ander aankomen.

106 Met zelfvertrouwen bewoon ik tenvolle mijn lichaam en druk ik me vlot verstaanbaar en helder uit.

107 Met mijn lichaamsexpressie bevestig en ondersteun ik krachtdadig wat ik met woorden uitdruk.

108 In gesprek niet enkel bezig zijn met jezelf en hoe je overkomt bij de ander maar ook voldoende aandacht weten richten op de ander en hoe die op je overkomt.

109 In gesprek niet te weinig naar de ander luisteren en tegen de ander praten en teveel naar jezelf luisteren en tegen jezelf praten.

110 Zo verkieslijk je eigen aandacht- en denkfocus verplaatsen van jezelf naar je handeling of naar de handeling van de ander of de ander zonder tot vergelijken over te gaan.

111 Ik kijk de ander aan en laat mezelf aankijken in gesprek.

112 Zo verkieslijk bewust langzaam en goed hoorbaar je verwoorden om je stemzekerheid op je te laten afstralen.

113 Zo behulpzaam opduikende onzekerheid, twijfel, angst, opwinding naar binnen houden en je naar buiten voordoen met zelfzekere kalmte.

114 Ik nodig door mijn vertrouwvolle, glasheldere uitdrukking de ander uit tot eenzelfde expressie.

115 De manier waarop ik mij in de ruimte opstel, weerspiegelt mijn plaats die ik weet in te nemen ten opzichte van mijn omgeving.

116 Het positief voor je ervaren en jezelf waardevol genoeg vinden dat je de ander tot iets brengt wat die spontaan uit zichzelf niet overwoog of verkoos.

117 Iets moeten vragen niet vastknopen aan wie je maar bent en wat je relatie maar is, maar aan wie je wil zijn en welke relatie je wil.

118 Ik durf voldoende krachtig uit de hoek te komen.

119 In hoe je je laat horen, zien of voelen geen overdreven onzekerheid, aarzeling, zwakte, zich afsluiten, verbergen, gevoelloosheid, inhoudsloosheid, behoefteloosheid stoppen.

120 Attent op zijn dat een te extreme presentatie in de een of andere richting de erin verborgen kracht, kwaliteit en eigenheid kan doen afnemen.

121 Ik druk me beknopt terzake uit.

122 Door te doen alsof reeds zeggen en handelen waar je nog moet ingroeien, zoals met respect voor de ander en jezelf iets uitdrukken en voor iets opkomen.

123 Bij het me uiten en voor mezelf opkomen laat ik me zo verkieslijk niet afhouden zo :

124 de ander niet wil luisteren, me vijandig gezind is, me bekritiseert, me onredelijk of belachelijk vindt, me voortdurend ontmoedigt of me onderbreekt, geïrriteerd of uit evenwicht raakt.

125 Ik geef duidelijk de belemmeringen en onderbrekingen aan die de ander tijdens een gesprek teweegbrengt.

126 Ik herbevestig op een positieve wijze mijn verhouding tot de andere en deel vervolgens mee met welk concreet iets ik welk specifiek probleem heb.

127 Als ik in een gesprek momenteel op iets niet nader wil ingaan, geef ik dit aan.

128 Voldoende zelfvertrouwen tonen door te durven uitkomen voor en verwoorden van merkelijke onzekerheid, twijfel, angst, opwinding.

129 Wat je uitdrukt niet onder een vorm van zwakte vertolken maar als een manier om sterker te worden (ik weet, durf, kan,... niet, maar ik wil of zou graag weten, durven, kunnen...).

130 Er attent op zijn dat angst om iets te zeggen of te doen wegebt door het te zeggen of te doen.

131 Vóór, tijdens of onmiddellijk na een gesprek voel ik me niet misselijk of ziek. Ik durf in gesprek mijn territorium te verlaten.

132 Door de inhoud van de communicatie kan ik mijn handelen in vraag stellen en veranderen zonder aan mezelf te twijfelen.

133 Praten is voor mij niet gelijk aan verliezen.

134 Praten is voor mij gelijk aan erbij winnen.

135 Ik weet in gesprek positieve waardering te geven en te ontvangen.

136 Ik pas mijn boodschap niet aan aan de reactie die ik van de ander verwacht.

137 Ik ontken niet of herroep niet zonder meer wat ik zojuist uitdrukte.

138 Ik laat zien dat ik het meen.

139 Ik kan zowel tegen als op bedenkingen en kritiek van de andere ingaan.

140 In een gesprek kan ik op basis van realiteiten mijn ongelijk toegeven.

141 In een gesprek heb ik niet het gevoel het onderspit te delven.

142 Als het tot conflict dreigt te komen, ga ik dit niet uit de weg.

143 Ik zeg in een gesprek enkel toe wat ik werkelijk zal kunnen waarmaken.

144 Als de ander me aanspreekt op een manier die mij niet ligt, reageer ik hierop.

145 Als ik me aangevallen of gekwetst voel, kan ik de andere dit zeggen.

146 Als ik in een gesprek de ander wil overtuigen, zet ik voldoende kracht achter wat ik zeg.

147 Niet onmiddellijk opgeven of toegeven bij enige weerstand.

148 In een gesprek geef ik niet toe omwille van druk.

149 Ik geef niet toe aan de onredelijkheid van de andere.

150 Ik ga een gesprek met veel zelfvertrouwen aan.

151 Mij goed, veilig en waardig voelen in (gespreks)contact helpt me uit te komen voor mezelf.

152 In (gespreks)contact streef ik een grotere zelfbewustheid en zelfredzaamheid na.

153 Het opkomen voor mezelf niet gelijkstellen met het willen domineren.

154 In een vertrouwvolle situatie kan ik me kwetsbaar opstellen.


Download ppt "COMMUNICATIE- ASSERTIVITEIT bron ‘Hoe zeg ik je het ? Innige communicatie- verkenningen voor een eigen communicatie- cultuur’."

Verwante presentaties


Ads door Google