De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Infinitief – Imperfectum - Perfectum Regelmatige werkwoorden Imperfectum Regel: Singularis: STAM + -TE ofSTAM + -DE Pluralis:STAM + - TEN ofSTAM + -DEN.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Infinitief – Imperfectum - Perfectum Regelmatige werkwoorden Imperfectum Regel: Singularis: STAM + -TE ofSTAM + -DE Pluralis:STAM + - TEN ofSTAM + -DEN."— Transcript van de presentatie:

1

2 Infinitief – Imperfectum - Perfectum

3 Regelmatige werkwoorden Imperfectum Regel: Singularis: STAM + -TE ofSTAM + -DE Pluralis:STAM + - TEN ofSTAM + -DEN Wanneer T of D?  Voorbeelden: Dansen  danste Blaffen  blafte Praten  praatte Werken  werkte Kuchen  kuchte Knippen  knipte Bellen  belde Antwoorden  antwoordde SoFTKeTCHuP Als de STAM van het werkwoord eindigt op een consonant van SoFTKeTCHuP  + -TE(N) Andere consonant  -DE(N)

4 Regelmatige werkwoorden Perfectum Regel: hebben / zijn + participium  Hoe maak je het participium?  Ge + STAM + T ofGe + STAM + D Wanneer T of D?  Voorbeelden: Dansen  Ik heb gedanst Blaffen  De hond heeft geblaft Praten  Hij heeft luid gepraat Werken  Hij heeft hard gewerkt Kuchen  Hij heeft gekucht Knippen  Hij heeft zijn haar geknipt Bellen  Hij heeft gebeld Antwoorden  Hij heeft de telefoon beantwoord SoFTKeTCHuP Als de STAM van het werkwoord eindigt op een consonant van SoFTKeTCHuP  Ge + Stam + T Andere consonant  Ge + Stam + D

5 Onregelmatige werkwoorden Imperfectum Heel veel werkwoorden zijn ONREGELMATIG. De vocaal verandert bij deze werkwoorden. Voorbeeld: Lopen – liep Gaan – ging Doen – deed Alle onregelmatige werkwoorden: zie boek blz en slides. Het stuk in purper is het woordaccent.

6 Onregelmatige werkwoorden Perfectum De werkwoorden met een onregelmatig IMPERFECTUM hebben ook een onregelmatig PERFECTUM. Heel vaak verandert de vocaal. Voorbeeld: Lopen – liep - gelopen Gaan – ging - gegaan Doen – deed – gedaan Alle onregelmatige werkwoorden: zie boek blz en slides. Het stuk in purper is het woordaccent.

7 Aandoen  Zie ‘doen’ Imperfectum: deed aan(S) -deden aan (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeft aangedaan Perfectum (Pl)hebben aangedaan

8 Aankomen  Zie ‘komen’ Imperfectum: kwam aan(S) - kwamen aan (Pl) Kort Lang Perfectum (S) ben – bent – isaangekomen Perfectum (Pl)zijnaangekomen

9 Bakken  Onregelmatig participium Imperfectum: bakte (S) -bakten (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeft gebakken Perfectum (Pl)hebben gebakken

10 Beginnen Imperfectum: begon (S) -begonnen (Pl) Perfectum (S) ben– bent– is begonnen Perfectum (Pl)zijnbegonnen

11 Begrijpen Imperfectum: begreep (S) -begrepen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftbegrepen Perfectum (Pl)hebbenbegrepen

12 Behangen Imperfectum: behing(S) -behingen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftbehangen Perfectum (Pl)hebbenbehangen

13 Bewegen Imperfectum: bewoog (S) -bewogen (Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeftbewogen Perfectum (Pl)hebbenbewogen

14 Bezoeken  zie ‘zoeken’ Imperfectum: bezocht (S) -bezochten (Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeftbezocht Perfectum (Pl)hebbenbezocht

15 Bijten Imperfectum: beet(S) -beten(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeftgebeten Perfectum (Pl)hebbengebeten

16 Blazen Imperfectum: blies (S) -bliezen(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft geblazen Perfectum (Pl)hebben geblazen

17 Blijven Imperfectum: bleef(S) -bleven(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gebleven Perfectum (Pl)hebben gebleven

18 Breken Imperfectum: brak(S) -braken(Pl) kortlang Perfectum (S) heb– hebt– heeft gebroken Perfectum (Pl)hebben gebroken

19 Brengen Imperfectum: bracht(S) -brachten(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gebracht Perfectum (Pl)hebben gebracht

20 Denken Imperfectum: dacht(S) -dachten(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gedacht Perfectum (Pl)hebben gedacht

21 Doen Imperfectum: deed(S) -deden(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gedaan Perfectum (Pl)hebben gedaan

22 Dragen Imperfectum: droeg(S) -droegen(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gedragen Perfectum (Pl)hebben gedragen

23 Drinken Imperfectum: dronk(S) -dronken(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gedronken Perfectum (Pl)hebben gedronken

24 Eten Imperfectum: at(S) -aten(Pl) KortLang Perfectum (S) heb– hebt– heeft gegeten Perfectum (Pl)hebben gegeten

25 Gaan Imperfectum: ging(S) -gingen(Pl) Perfectum (S) ben– bent– is gegaan Perfectum (Pl)zijn gegaan

26 Genezen Imperfectum: genas(S) -genazen(Pl) KortLang Perfectum (S) heb– hebt– heeft genezen Perfectum (Pl)hebben genezen

27 Geven Imperfectum: gaf(S) -gaven(Pl) KortLang Perfectum (S) heb– hebt– heeft gegeven Perfectum (Pl)hebben gegeven

28 Gieten Imperfectum: goot(S) -gegoten(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gegoten Perfectum (Pl)hebbengegoten

29 Hangen  zie ‘behangen’ Imperfectum: hing(S) -hingen(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gehangen Perfectum (Pl)hebbengehangen

30 Hebben Imperfectum: had(S) -hadden(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gehad Perfectum (Pl)hebbengehad

31 Helpen Imperfectum: hielp(S) -hielpen(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft geholpen Perfectum (Pl)hebbengeholpen

32 Houden (van) Imperfectum: hield(S) -hielden(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeft gehouden Perfectum (Pl)hebbengehouden

33 Inbreken  zie ‘Breken’ Imperfectum: brak in(S) -braken in(Pl) kortlang Perfectum (S) heb– hebt– heeft ingebroken Perfectum (Pl)hebbeningebroken

34 Innemen  zie ‘Nemen’ Imperfectum: nam in(S) -namen in(Pl) KortLang Perfectum (S) heb– hebt– heeft ingenomen Perfectum (Pl)hebbeningenomen

35 Kiezen Imperfectum: koos(S) -kozen(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeftgekozen Perfectum (Pl)hebbengekozen

36 Kijken Imperfectum: keek(S) -keken(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeftgekeken Perfectum (Pl)hebbengekeken

37 Klimmen Imperfectum: klom(S) -klommen(Pl) Perfectum (S) heb– hebt– heeftgeklommen Ook met zijnben – bent – isgeklommen Perfectum (Pl)hebbengeklommen

38 Komen Imperfectum: kwam(S) -kwamen(Pl) kortlang Perfectum (S) ben-bent-isgekomen Perfectum (Pl)zijngekomen

39 Krijgen Imperfectum: kreeg(S) -kregen(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgekregen Perfectum (Pl)hebbengekregen

40 Kunnen Imperfectum: kon(S) -konden(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgekund Perfectum (Pl)hebbengekund

41 Lachen  Onregelmatig Perfectum Imperfectum: lachte(S) -lachten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgelachen Perfectum (Pl)hebbengelachen

42 Laten Imperfectum: liet (S) -lieten (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgelaten Perfectum (Pl)hebbengelaten

43 Lezen Imperfectum: las (S) -lazen (Pl) kortlang Perfectum (S) heb – hebt - heeftgelezen Perfectum (Pl)hebbengelezen

44 Liggen Imperfectum: lag (S) -lagen (Pl) Kortlang Perfectum (S) heb – hebt - heeftgelegen Perfectum (Pl)hebbengelegen

45 Lopen Imperfectum: liep (S) -liepen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgelopen Ook met zijn:ben – bent – isgelopen Perfectum (Pl)hebbengelopen

46 Meegaan  Zie ‘gaan’ Imperfectum: ging mee(S) - gingen mee(Pl) Perfectum (S) ben– bent- ismeegegaan Perfectum (Pl)zijnmeegegaan

47 Meenemen  Zie ‘nemen’ Imperfectum: nam mee(S) -namen mee(Pl) kortlang Perfectum (S) heb – hebt - heeftmeegenomen Perfectum (Pl)hebbenmeegenomen

48 Moeten Imperfectum: moest(S) -moesten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeft gemoeten Perfectum (Pl)hebbengemoeten

49 Mogen Imperfectum: mocht(S) -mochten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeft gemogen Perfectum (Pl)hebbengemogen

50 Nakijken  Zie ‘kijken’ Imperfectum: keek na(S) -keken na(Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeft nagekeken Perfectum (Pl)hebbennagekeken

51 Nemen Imperfectum: nam(S) -namen(Pl) kortlang Perfectum (S) heb – hebt – heeft genomen Perfectum (Pl)hebbengenomen

52 Onderzoeken  Zie ‘Zoeken’ Imperfectum: onderzocht(S) - onderzochten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeft onderzocht Perfectum (Pl)hebbenonderzocht

53 Ontbijten  Zie ‘bijten’ Imperfectum: ontbeet(S) – ontbeten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftontbeten Perfectum (Pl)hebbenontbeten

54 Opstaan  Zie ‘staan’ Imperfectum: stond op(S) – stonden op(Pl) Perfectum (S) ben – bent – isopgestaan Perfectum (Pl)zijnopgestaan

55 Oversteken  Zie ‘steken’ Imperfectum: stak over(S) – staken over(Pl) kortlang Perfectum (S) ben – bent – isovergestoken Perfectum (Pl)zijnovergestoken

56 Overvallen  Zie ‘vallen’ Imperfectum: overviel(S) – overvielen(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftovervallen Perfectum (Pl)hebbenovervallen

57 Rijden Imperfectum: reed(S) – reden(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgereden Perfectum (Pl)hebbengereden

58 Roepen Imperfectum: riep(S) – riepen(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgeroepen Perfectum (Pl)hebbengeroepen

59 Scheiden  onregelmatig perfectum Imperfectum: scheidde(S) – scheidden(Pl) Perfectum (S) ben– bent- isgescheiden Perfectum (Pl)hebbengescheiden

60 Schijnen Imperfectum: De zon scheen Perfectum (S) De zon heeft geschenen

61 Schrijven Imperfectum: schreef(S) – schreven (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgeschreven Perfectum (Pl)hebbengeschreven

62 Slapen Imperfectum: sliep(S) – sliepen(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgeslapen Perfectum (Pl)hebbengeslapen

63 Sluiten Imperfectum: sloot(S) – sloten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgesloten Perfectum (Pl)hebbengesloten

64 Snijden Imperfectum: sneed(S) – sneden(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgesneden Perfectum (Pl)hebbengesneden

65 Spreken Imperfectum: sprak (S) – spraken(Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt - heeftgesproken Perfectum (Pl)hebbengesproken

66 Springen Imperfectum: sprong (S) – sprongen(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgesprongen ben – bent – isgesprongen Perfectum (Pl)hebbengesprongen

67 Staan Imperfectum: stond (S) – stonden (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgestaan Perfectum (Pl)hebbengestaan

68 Steken Imperfectum: stak (S) – staken (Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt - heeftgestoken Perfectum (Pl)hebbengestoken

69 Stelen Imperfectum: stal (S) – stalen (Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt - heeftgestolen Perfectum (Pl)hebbengestolen

70 Sterven Imperfectum: stierf (S) – stierven (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgestorven Perfectum (Pl)hebbengestorven

71 Stijgen Imperfectum: steeg (S) – stegen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgestegen Perfectum (Pl)hebbengestegen

72 Strijken Imperfectum: streek (S) – streken (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgestreken Perfectum (Pl)hebbengestreken

73 Treffen Imperfectum: trof(S) – troffen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgetroffen Perfectum (Pl)hebbengetroffen

74 Trekken Imperfectum: trok (S) – trokken (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgetrokken Perfectum (Pl)hebbengetrokken

75 Uitdoen  Zie ‘doen’ Imperfectum: deed uit (S) – deden uit (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftuitgedaan Perfectum (Pl)hebbenuitgedaan

76 Uitgaan  Zie ‘gaan’ Imperfectum: ging uit (S) – gingen uit (Pl) Perfectum (S) ben – bent – isuitgegaan Perfectum (Pl)zijnuitgegaan

77 Uitsteken  Zie ‘steken’ Imperfectum: stak uit (S) – staken uit (Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt – heeftuitgestoken Perfectum (Pl)hebbenuitgestoken

78 Uittrekken  Zie ‘trekken’ Imperfectum: trok uit (S) – trokken uit (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftuitgetrokken Perfectum (Pl)hebbenuitgetrokken

79 Vallen Imperfectum: viel (S) – vielen (Pl) Perfectum (S) ben – bent – isgevallen Perfectum (Pl)hebbengevallen

80 Varen Imperfectum: voer (S) – voeren (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgevaren Perfectum (Pl)hebbengevaren

81 Verbieden Imperfectum: verbood (S) – verboden (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftverboden Perfectum (Pl)hebbenverboden

82 Vergeten Imperfectum: vergat (S) – vergaten (Pl) kortlang Perfectum (S) heb – hebt - heeftvergeten ben – bent – is vergeten Perfectum (Pl)hebbenvergeten zijnvergeten

83 Verkopen  Zie ‘kopen’ Imperfectum: verkocht (S) – verkochten (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftverkocht Perfectum (Pl)hebbenverkocht

84 Verliezen Imperfectum: verloor (S) – verloren (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftverloren Perfectum (Pl)hebbenverloren

85 Verstaan  zie ‘staan’ Imperfectum: verstond (S) – verstonden (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftverstaan Perfectum (Pl)hebbenverstaan

86 Vertrekken  zie ‘trekken’ Imperfectum: vertrok (S) – vertrokken (Pl) Perfectum (S) ben – bent - isvertrokken Perfectum (Pl)zijnvertrokken

87 Vervangen Imperfectum: verving (S) – vervingen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftvervangen Perfectum (Pl)hebbenvervangen

88 Vinden Imperfectum: vond (S) – vonden (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgevonden Perfectum (Pl)hebbengevonden

89 Vliegen Imperfectum: vloog (S) – vlogen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgevlogen Perfectum (Pl)hebbengevlogen

90 Voorkomen  Zie ‘komen’ Imperfectum: voorkwam (S) – voorkwamen (Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt - heeftvoorkomen Perfectum (Pl)hebbenvoorkomen

91 Vragen Imperfectum: vroeg (S) – vroegen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgevraagd Perfectum (Pl)hebbengevraagd

92 Vriezen Imperfectum: het vroor Perfectum: het heeft gevroren

93 Wassen  Onregelmatig perfectum Imperfectum: waste (S) – wasten (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgewassen Perfectum (Pl)hebbengewassen

94 Wegen Imperfectum: woog (S) – wogen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgewogen Perfectum (Pl)hebbengewogen

95 Weten Imperfectum: wist (S) – wisten(Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgeweten Perfectum (Pl)hebbengeweten

96 Wijzen Imperfectum: wees (S) – wezen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgewezen Perfectum (Pl)hebbengewezen

97 Willen Imperfectum: wilde (S) – wilden (Pl) OF wou (S) - wouden (Pl) Perfectum (S) heb – hebt - heeftgewild Perfectum (Pl)hebbengewild

98 Worden Imperfectum: werd (S) – werden (Pl) Perfectum (S) ben – bent - isgeworden Perfectum (Pl)zijngeworden

99 Zeggen Imperfectum: zei (S) – zeiden (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftgezegd Perfectum (Pl)hebbengezegd

100 Zien Imperfectum: zag (S) – zagen (Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt – heeftgezien Perfectum (Pl)hebbengezien

101 Zijn Imperfectum: was (S) – waren (Pl) KortLang Perfectum (S) ben – bent – is geweest Perfectum (Pl)zijngeweest

102 Zingen Imperfectum: zong (S) – zongen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftgezongen Perfectum (Pl)hebbengezongen

103 Zitten Imperfectum: zat (S) – zaten (Pl) KortLang Perfectum (S) heb – hebt – heeftgezeten Perfectum (Pl)hebbengezeten

104 Zoeken Imperfectum: zocht (S) – zochten (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftgezocht Perfectum (Pl)hebbengezocht

105 Zullen  !!! Geen participium Imperfectum: zou (S) – zouden (Pl)

106 Zwemmen Imperfectum: zwom (S) – zwommen (Pl) Perfectum (S) heb – hebt – heeftgezwommen Perfectum (Pl)hebbengezwommen

107 Let op: uitspraak Regel: 1 consonant na vocaal = LANG 2 consonanten na vocaal = KORT

108 Let op Probleem met de klinker a in het imperfectum In Singularis: kort In Pluralis: lang Voorbeelden: zie volgende slide

109 Imperfectum: kort of lang Aankomenkwam aankwamen aan BrekenbrakbrakenKLIK op ICOON om Etenatatenalle woorden te horen. Genezengenasgenazen Gevengafgaven Inbrekenbrak inbraken in Innemennam innamen in Komenkwamkwamen Lezenlaslazen Liggenlaglagen Meenemennam meenamen mee Nemennamnamen Overstekenstak overstaken over Sprekensprakspraken Stekenstakstaken Stelenstalstalen Uitstekenstak uitstaken uit Vergetenvergatvergaten Voorkomenvoorkwamvoorkwamen Zienzagzagen Zijnwas waren Zittenzatzaten


Download ppt "Infinitief – Imperfectum - Perfectum Regelmatige werkwoorden Imperfectum Regel: Singularis: STAM + -TE ofSTAM + -DE Pluralis:STAM + - TEN ofSTAM + -DEN."

Verwante presentaties


Ads door Google