De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Hoofdstuk 8: Inleiding in de psychopathologie Deel 2: Psychopathologie Psychologie en Sociaal Werk II.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Hoofdstuk 8: Inleiding in de psychopathologie Deel 2: Psychopathologie Psychologie en Sociaal Werk II."— Transcript van de presentatie:

1 Hoofdstuk 8: Inleiding in de psychopathologie Deel 2: Psychopathologie Psychologie en Sociaal Werk II

2 Inleiding in de psychopathologie Woensdag 26 februari 2014, Samira Oizaz

3 Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Psychopathologie en wetenschap 2.1. Omschrijving en situering 2.2. Normaliteit en pathologie Normafwijking Aspecten van abnormaal gedrag Normaal en abnormaal: waar ligt de grens? Slotbeschouwing 3. Diagnostiek en classificatie 3.1. De betekenis van classificaties 3.2. De syndroombenadering: de DSM 3.3. Systematische diagnostiek 3.4. Epidemiologie en prognose 4. Principes van hulpverlening 4.1. Algemeen 4.2. Overzicht

4 Stelling 1 Bij het genezen van psychische problemen werkt het gebruik van medicijnen beter dan psychotherapie.

5 Stelling 2 Bezoek aan verschillende psychiaters brengt telkens zeer diverse diagnoses.

6 Stelling 3 De gedachten van een patiënt kunnen het verloop van zijn ziekte sterk beïnvloeden.

7 Stelling 4 We hebben allemaal wel een psychologische aandoening.

8 Stelling 5 De psychiatrie heeft emoties en gevoelens zoals emotionele of mentale stress herverpakt als een "ziekte" om medicatie te kunnen verkopen.

9 Stelling 6 Psychiatrische patiënten zijn gevaarlijk.

10 Stelling 7 Antidepressiva zijn bijna zo gewoon geworden als een pijnstiller.

11 2. Psychologie en wetenschap 2.1. Omschrijving en situering 1. Psychopathologie (psyche geest, pathos pijn)  Is de wetenschap van het psychisch lijden  Empirische wetenschap  Het algemeen geldende  Wetenschappelijke kennis  Psychologie van het pathologische: syndroombenadering  Pathologie van het psychologische: symptoombenadering 2. Psychiatrie (psyche geest, iatros arts)  Is medisch specialisme gericht op diagnostiek en behandeling van ziektebeelden  Klinische psychologie  De individuele patiënt  Intuïtief kennen

12 2. Psychologie en wetenschap Normafwijking 1. Abnormal Psychology (Angelsaksische literatuur)  Houdt zich bezig met gedrag dat afwijkt van een bepaalde norm  Afwijking van de norm in ongunstige zin  Kan verschillende aspecten van het menselijk functioneren betreffen 2. Normafwijking  Abnormale verklaard tegen achtergrond van normale processen  In sommige gevallen eensgezindheid, vaak grens minder duidelijk  Individuele persoon: afwijkend gedrag, belevingen en/of gedachten  Relaties met andere mensen: vaak repercussies voor individu  Videofragment: Leven met een dwangstoornisLeven met een dwangstoornis 1. Vertoont de persoon in dit filmpje normafwijkend gedrag? 2. Zijn de zeven aspecten van abnormaal gedrag hier van toepassing?

13 Bent u het eens of oneens met deze stelling? Artikel – Afwijkend gedrag bij pubers is (niet meer dan) normaalAfwijkend gedrag bij pubers is (niet meer dan) normaal

14 2. Psychologie en wetenschap Aspecten van abnormaal gedrag 1. Rosenhan & Seligman (1989)  Onderscheiden 7 factoren die gedrag als abnormaal beschouwen  Hoe meer aanwezige factoren, hoe meer eensgezindheid 2. Aspecten van abnormaal gedrag  Persoonlijk lijden  De (dis)functionaliteit van het gedrag  Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag  Onvoorspelbaarheid en controleverlies  Opvallend en onconventioneel gedrag  Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt  Het overtreden van morele normen

15 De definitie van mentale stoornissen zoals gepresenteerd in de DSM-IV. Definiërende kenmerken: Een gedrags- of psychologisch syndroom dat samengaat met:  actueel lijden of  onvermogen (te kort schieten op een of meer belangrijke gebieden van het functioneren), of met  een significant toegenomen risico om dood te gaan, pijn te lijden, of de persoonlijke vrijheid te verliezen. Uitsluitende omstandigheden: Het syndroom moet niet louter:  een te verwachten en cultureel aanvaarde reactie zijn op een bepaalde gebeurtenis (bvb. rouw na de dood van een familielid)  bestaan uit ‘deviant’ gedrag (zoals acties van politieke, religieuze of seksuele minderheden)  uitvloeisel zijn van conflicten tussen het individu en de maatschappij (zoals pogingen om uitdrukking te geven aan de eigen individualiteit)

16 2. Psychologie en wetenschap Normaal en abnormaal: waar ligt de grens? 1. Het statistisch model Uitgangspunt: Menselijke eigenschappen zijn min of meer normaal verdeeld.  Er is abnormaliteit bij extreem lage of extreem hoge scores  Abnormaal heeft hier een uitsluitend statistische betekenis  Er zijn echter enkele problemen:  1) Waar wordt de grens precies getrokken?  2) De ene stoornis is statistisch abnormaler dan de andere  3) Geen onderscheid tussen afwijkingen met en zonder lijden

17 2. Psychologie en wetenschap Normaal en abnormaal: waar ligt de grens? 2. Het medisch of ziektemodel Uitgangspunt: De oorzaken worden gezocht in onderliggende mechanismen.  Mechanismen kunnen somatogeen of psychogeen zijn  Psychische ziekten vergelijkbaar met somatische ziekten  Worden verholpen door onderliggende mechanismen te bestrijden  De kritieken op dit model zijn:  Voor veel stoornissen geen eenduidig onderliggend mechanisme  Gebruik van begrippen als ziekte en therapie werken stigmatiserend  De twee partijen zijn: therapeut en patiënt  Therapeut spoort oorzaak op en stelt de diagnose  Patiënt enkel nodig om informatie over klachten te geven  Op grond van diagnose stelt therapeut een therapieplan op  Patiënt is daarbij de afhankelijke, hij wordt genezen

18 Rosenhan: On being sane in insane places Krantenartikel – Vrouw belandt per vergissing in psychiatrieVrouw belandt per vergissing in psychiatrie

19 2. Psychologie en wetenschap Normaal en abnormaal: waar ligt de grens? 2. Het leer- of onderwijsmodel Uitgangspunt: Stoornissen ontstaan door verkeerd verlopen leerprocessen.  Geldt m.n. voor stoornissen zonder duidelijke organische oorzaak  Criterium voor grens met ziekte is verantwoordelijkheid  De voordelen van dit model zijn:  Nadelige bijbetekenissen van het medisch model worden vermeden  Doet meer recht aan eigen verantwoordelijkheid van leerling  Beschrijft beter wat er feitelijk gebeurt bij psychische hulpverlening  De twee partijen zijn: leraar en leerling  Uitgangspunt wordt beschreven als persoonlijk probleem  Een leerdoel wordt bepaald in plaats van een diagnose  Het gaat om een uitvoering van een onderwijsprogramma  De leraar reikt daarbij kennis en vaardigheden aan

20 3. Diagnostiek en classificatie 3.1. De betekenis van diagnose en classificaties 1. Diagnose heeft een dubbele betekenis  Het proces van de vaststelling en omschrijving  Het eindresultaat of conclusie van dit proces  Andere hedendaagse termen zijn assessment of taxatie 2. Classificatie is orde scheppen in chaos  Classificatie is geen doel maar middel tot wetenschapsbeoefening  Onderzoeksinstrumenten voor het beter leren kennen van:  Epidemiologie (voorkomen)  Etiologie (ontstaan)  Pathogenese ontwikkeling)  Prognose (beloop)  Preventie, therapie (mogelijke beïnvloedbaarheid)

21 3. Diagnostiek en classificatie 3.2. De betekenis van classificaties Categoriale classificatie Dimensionale classificatie Prototypische classificatie Uitgangspunt Er is een kwalitatief onderscheid (alles of niets) tussen ziek en gezond, normaal en abnormaal. Er is een kwantitatief onderscheid (meer of minder) tussen ziek en gezond, normaal en abnormaal. Er is een grote variabiliteit bij individuen, die anderzijds ook veel kenmerken gemeen hebben. Werkwijze Psychiatrische stoornissen worden onderverdeeld in duidelijk afgebakende klassen die elkaar niet overlappen. Personen of psychiatrische stoornissen worden gesitueerd op een dimensie of continuüm. Psychiatrische stoornissen worden onderverdeeld naar de mate waarin ze gelijken op een prototypisch beeld. Systeem Hiërarchische classificatiesysteem Dimensies of continuüm waarvan de polen tegengestelde posities innemen Meerassig systeem

22 Diagnostische criteria voor sociale fobie a)Blootstelling aan de gevreesde sociale situatie leidt tot een onmiddellijke angstreactie; dit kan de vorm aannemen van een situatiegebonden paniekaanval. b)Een fobische situatie wordt vermeden of alleen met intense angst worden doorstaan. c)Vermijding of spanning interfereert met het functioneren in een beroep of in sociale relaties of betrokkene lijdt ernstig onder de angst.

23 3. Diagnostiek en classificatie 3.3. Systematische diagnostiek 1. Een goede diagnose begint met  Nauwkeurige verkenning van problemen zonder direct te verklaren  Via systematische en deskundige beoordeling van psychische toestand  Door het verzamelen, ordenen en selecteren van gegevens  De gangbare onderzoeksmethoden zijn te herleiden tot:  Het psychologisch onderzoek  Het lichamelijke onderzoek  Het diagnostisch interview 2. Het psychologisch onderzoek (psychopathometrie)  Geheel van psychometrische instrumenten in psychopathologie  Psychodiagnostische tests, vragenlijsten of beoordelingsschalen  Betrouwbaarheid, validiteit en bruikbaarheid

24 3. Diagnostiek en classificatie 3.3. Systematische diagnostiek 3. Het lichamelijk (of somatisch) onderzoek  Eerst organische verklaring gezocht worden (uitsluitingsdiagnose)  Indien daarvoor geen aanwijzingen zijn, moet het ‘psychisch’ zijn  Veel psychiatrische stoornissen hebben echter somatische oorzaak  Etiologische verklaringen en therapeutische toepassingen 4. Het diagnostisch interview  Belangrijkste middel om belevingswereld van patiënt te verkennen  Interview heeft zeer persoonlijk karakter (specifieke vaardigheden)  Allereerst moet vertrouwelijk contact in stand worden gebracht  Inhoudelijk onderscheid maken tussen:  1) De anamnese (verzamelen van gegevens)  2) De beoordeling van de psychische toestand

25 3. Diagnostiek en classificatie 3.3. Systematische diagnostiek Schema van het diagnostisch interview Identificatie: - Naam, leeftijd, adres, huidige gezinssituatie - Studie, beroep en andere relevante sociale informatie Probleemanamnese: Huidige toestand: Wat is de directe aanleiding tot dit interview? Wat zijn de belangrijkste klachten of problemen, de verwachtingen hieromtrent en de mogelijke verklaringen? Bestaan er nog andere problemen? Voorgeschiedenis: Wanneer en hoe zijn de huidige problemen ontstaan? Welke pogingen werden genomen om problemen te verhelpen? Biografische anamnese: Belangrijke aspecten in de levensloop: gezin van herkomst, vroege ontwikkeling, opvoeding, schoolopleiding, beroepsleven, vrije tijd, relationele en seksuele ervaringen. Familie-anamnese: Informatie over het voorkomen van bijzondere problemen en stoornissen bij verwanten. Beoordeling van de psychische toestand: Gedrag en voorkomen, bewustzijn, waarnemen, denken en geheugen, stemming en beleving.

26 4. Principes van hulpverlening 4.1. Algemene principes 1. Relatie hulpverlener - patiënt:  Is een combinatie van kunst (houding) en kunde (methodiek)  Geen vriendschapsrelatie maar een functionele relatie  Voldoende zelfkennis, de juiste opleiding en regelmatige bijscholing Kunst is therapeutische houding:  Kwaliteiten van de hulpverlener als persoon in de omgang  Sfeer van vertrouwen en veiligheid scheppen  Te sterke betrokkenheid (aantrekking, afstoting) kan negatief zijn Kunde is therapeutische methodiek:  De kunde is van doorslaggevende rol  Op grond van deskundigheid en ervaring toegepaste methode

27 4. Principes van hulpverlening 4.1. Algemene principes 2. Fasen in hulpverlening:  Proces moet herhaaldelijk worden geëvalueerd 1) Probleemverkenning:  Positief gespreksklimaat  Verheldering van de klacht of hulpvraag  Via anamnese en aanvullend onderzoek  Diagnose gesteld en voorlopige hulpverleningsplan  Afronden met beschrijvende diagnose (vermoedelijke probleem) 2) Probleemontleding:  Informatie systematisch uitgewerkt  Veronderstellingen over oorzaak, betekenis of functie  Bepaalde aspecten eventueel overlaten aan andere deskundigen  Leidraad vormen bij kiezen van verdere interventies

28 4. Principes van hulpverlening 4.1. Algemene principes 2. Fasen in hulpverlening: 3) Probleemoplossing:  Geplande verandering bij patiënt of andere betrokkenen  Kan gericht zijn op voorkomen van nieuwe problemen of terugval  Bepaald door de vooropgestelde verklaringen van het probleem  Biologische, psychotherapeutische of sociaal-ecologische interventie  Vaak te maken met multidisciplinaire benaderingen  Videofragment: Psychiatric Interviews for TeachingPsychiatric Interviews for Teaching 1. Vertoont de persoon in dit filmpje normafwijkend gedrag? 2. Beschrijf de aspecten uit het diagnostisch interview in dit fragment. 3. Geef een kritische analyse van de houding van de therapeut.

29 Wat is jouw standpunt? Zembla: Etiketkinderen – Waar komt de groei van psychiatrie vandaan?Etiketkinderen – Waar komt de groei van psychiatrie vandaan?

30 Wat is jouw standpunt? Krantenartikel - Extreme vorm van PMS vanaf nu officieel mentale stoornisExtreme vorm van PMS vanaf nu officieel mentale stoornis

31 Wat is jouw standpunt? Krantenartikel - Koffieverslaving officieel erkend als mentale stoornisKoffieverslaving officieel erkend als mentale stoornis

32 3. Diagnostiek en classificatie 3.2. De syndroombenadering: de DSM 1. Syndromen en symptomen  Syndroom is een groep van tezamen optredende symptomen  Symptoom is kleinste onderzoekseenheid in geneeskunde 1) Hoofdsymptomen (basis-, sleutel-, of kernsymptomen)  Symptomen van de eerste orde  Hebben voor diagnose directe oriënterende functie  Gekoppeld aan specifieke stoornis 2. 2) Bijsymptomen (bijkomstige symptomen)  Symptomen van de tweede orde  Maken het beeld van stoornis volledig  Zonder uit zichzelf richtinggevend te zijn

33 De definitie van depressieve episode zoals gepresenteerd in de DSM-IV. Eén of twee van de volgende elementen moeten aanwezig zijn: A. Gedeprimeerde stemming (1) of verlies van belangstelling of genoegen (2). Bij deze twee criteria moet worden uitgesloten dat ze zijn veroorzaakt door een lichamelijke aandoening of stemmingsincongruente wanen of hallucinaties. Het volstaat om één van deze symptomen te hebben indien het gepaard gaat met minstens vier van de volgende symptomen:  Gedeprimeerde stemming gedurende het grootste deel van de dag.  Duidelijke daling van belangstelling in aangename activiteiten.  Veranderende eetlust en duidelijke gewichtstoename of gewichtsverlies.  Verstoord slaappatroon of slapeloosheid of meer slapen dan normaal.  Veranderingen in activiteitenniveaus, rusteloosheid of langzamer bewegen.  Vrijwel alle dagen vermoeidheid of energieverlies.  Gevoel van schuld, hulpeloosheid, bezorgdheid, en/of vrees.  Verminderde capaciteit om zich te concentreren of besluiten te nemen.  Suïcidale gedachten. (…)

34 3. Diagnostiek en classificatie 3.2. De syndroombenadering: de DSM 2. Een diagnostisch systeem  Talrijke, naast elkaar bestaande classificatiesystemen  Gekleurd door opvattingen over ontstaan van stoornissen  Behoefte aan internationaal aanvaardbare diagnostisch systeem  Moest beantwoorden aan twee essentiële principes: 1) Ordening diende atheoretisch te zijn (geen etiologische verklaring); 2) Indeling moest steunen op heldere, ondubbelzinnige criteria (die te toetsen zijn in diagnostische praktijk en te hanteren voor onderzoek). 3. DSM of Diagnostic and Statistical Manual (1980)  Louter beschrijvende (descriptieve) aanpak  Ontwikkeling van een meerassig (multi-axaal) systeem  Niet enkel psychiatrische stoornissen staan centraal  Ook rekening houden met lichamelijk en psychosociaal functioneren

35 3. Diagnostiek en classificatie 3.2. De syndroombenadering: de DSM As I: Klinische syndromen  Classificatie van de meest bekende psychiatrische stoornissen As II: Persoonlijkheidsstoornissen  Stoornissen in de persoonlijkheid As III: Lichamelijke toestand  Lichamelijke stoornis (ziekte, aandoening, handicap) vermelden  Soms met etiologische betekenis, soms vanwege therapeutisch belang As IV: Psychosociale problemen  Alle problemen die diagnose, behandeling of prognose beïnvloeden As V: Globale beoordeling van het functioneren

36 3. Diagnostiek en classificatie 3.2. De syndroombenadering: de DSM 4. De S van Statistiek  DSM is geen catalogus waarbij patiënt gecodeerd kan worden  Classificeren kan ook uiting zijn van vooroordelen of discriminaties  Meeste categorieën ontstaan binnen geselecteerde groep van experts  Om 6 jaar een nieuwe DSM-editie met correcties en aanvullingen  Dagelijkse praktijk van diagnostiek meer dan een eng DSM-perspectief 5. De nieuwe DSM-5 (2013)  Algemene criteria volledig geherformuleerd  Nieuwe dimensie: niveau van persoonlijkheidsfunctioneren  Specifieke persoonlijkheidsstoornissen drastisch gereduceerd  Nog steeds wachten op de officiële Nederlandstalige vertaling  De DSM-5 wordt nog uitgebreider (van 121 naar 374 stoornissen)

37 4. Principes van hulpverlening 4.2. Overzicht van theoretische benaderingen 1. Theoretische benaderingen of paradigma’s  Met elk een visie op het ontstaan van psychische stoornissen  Ontwikkelen psychotherapie gebaseerd op deze vooronderstellingen  Hulpverlener beperkt zich beter niet tot één benadering  Eclectische benadering maakt meest geschikte selectie mogelijk  Enkele voorbeelden van benaderingen: 1. De biologische benadering 2. De behavioristische benadering 3. De cognitieve (gedrags)therapie 4. De psychodynamische benadering 5. De humanistische, existentiële en Gestalbenadering 6. De groeps- en gezinstherapie

38 Los deze casus op in groep. Lees de casus en los deze vragen op m.b.v. de cursus. 1. Leg uit waarom dit abnormaal of normafwijkend gedrag is. 2. Vul alle vijf assen van de DSM in voor Linda op basis van de gekregen informatie. 3. Welke therapievorm(en) krijgt Linda? Welke therapievorm(en) zou jij voorstellen en waarom? 4. Waarop zou jij letten in jouw professionele houding als Linda jouw cliënt zou zijn? 5. Geef jouw kritische bedenkin- gen bij deze casus.

39 Lesmateriaal Verplichte leerstof Maes, D. (2014). Hoofdstuk 8: Inleiding in de psychopathologie. Niet gepubliceerde cursustekst, Hogeschool-Universiteit Brussel, Brussel. Hand-outs Achtergrondleerstof Van Deth, R. & Vandereycken, W. (2004). Psychiatrie: Van diagnose tot behandeling. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Emmelkamp, P., Hoogduin, C. & Vandereycken, W. (2008). Handboek psychopathologie: Basisbegrippen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.


Download ppt "Hoofdstuk 8: Inleiding in de psychopathologie Deel 2: Psychopathologie Psychologie en Sociaal Werk II."

Verwante presentaties


Ads door Google