De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Cambrian explosion Burgess Shale. Het Cambrium Sponzen en kwallen EonEraPeriodeOuderdom Ma PhanerozoïcumPaleozoïcum Perm251,0 – 299,0 Carboon299,0 – 359,2.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Cambrian explosion Burgess Shale. Het Cambrium Sponzen en kwallen EonEraPeriodeOuderdom Ma PhanerozoïcumPaleozoïcum Perm251,0 – 299,0 Carboon299,0 – 359,2."— Transcript van de presentatie:

1 Cambrian explosion Burgess Shale

2 Het Cambrium Sponzen en kwallen EonEraPeriodeOuderdom Ma PhanerozoïcumPaleozoïcum Perm251,0 – 299,0 Carboon299,0 – 359,2 Devoon359,2 – 416,0 Siluur416,0 – 443,7 Ordovicium443,7 – 488,3 Cambrium488, ,0 ProterozoïcumNeoproterozoïcum Ediacarium630 – 542 Cryogenium850 – 630 Tonium1000 – 850 Cambrian explosion

3 Avalonia supercontinent Pannotia

4 Het Cambrium 1835 door Adam Sedgwick  Wales: Cambria 1 e keer  goede fossielen (verharde schaal) het eerst sporenfossielen: –trilobiet Trichophycus pedum ?

5 Reden Cambrian explosion ? simpele organismen in Ediacarium  grote verschillen in bouwplannen in Cambrium –voor Ediacarium: geen skelet  lage kans fossiliseren –Ontstaan van harde lichaamsdelen  snel ontstaan –periodes van massaal uitsterven grote diversiteit aan habitat vrij

6 Reden Cambrian explosion ? Cambrische fauna –Trilobieten –Brachiopoden –echinodermen (stekelhuidigen) (ossicula) –sponzen (spicula)  bevatten elk delen die gemakkelijk kunnen fossiliseren.

7 Burgess Shale Canada –Rocky Mountains Yoho National Park

8 Burgess Shale Halverwege Mount Field in de Stephenson formatie

9 Burgess Shale Toevallig door Charles Doolittle Walcott ( ) ontdekt in 1909  struikelde over een stuk schalie met perfect geconserveerde trilobiet Het volgend veldseizoen gaat Walcott met zijn twee zoons en een aantal helpers terug.  ontdekken de 1 m dikke laag waar het fossiel uit afkomstig is  tussen 1910 en stuks verzameld  150 species, die tot 119 genera behoren

10 Burgess Shale Uitzonderlijk goed bewaarde fossiele laag  zelfs de zachte delen  hierdoor vele verschillende bouwplannen te herkennen. Bewaard omwille van:  reeks aardverschuivingen.  voornamelijk de bodembewonende organismen  bedolven onder een fijne modder laag  meegesleept naar een grotere diepte  geen zuurstof  geen aaseters  uitstekende omstandigheden voor fossilisatie

11 Burgess Shale Type voorbeeld: verzameling van ongeveer exemplaren uit een Phyllopoden bed uit de Stephen Formatie in Brits Columbia. - fauna  120 genera,  12 grote groepen: - flora  rode en groene algen, cyanobacteriën en acritarchen

12 Burgess Shale

13 Predatoren speelden in deze periode ook een grote rol. 13% van de genera 7% van de individuen 30% van de biomassa In het algemeen worden predatoren niet of zeer slecht bewaard hun aanwezigheid in de Burgess Shale is een bevestiging dat het afwezig zijn van roofdieren in andere lagen een artifact is. Burgess Shale

14 ????

15 Naraoia 2 a 4 cm Burgess Shale Maotianshan shale (China) Schild –twee regio’s –niet uit calciumcarbonaat (trilobieten)

16 Naraoia blind Bij crustacea –verschil trilobieten groot Toch trilobieten (schild doorsnijden) –poten en kieuwen

17 Amiskwia Invertebraat 5 specimens –Zeldzaam –“bewaarbaarheid” –gedrag

18 Amiskwia 25mm groot twee tentakels 4 hersenganglions Mond morfologie  vrij zwemmende, energetische 3 buccal spines (mondstekels)  chaetognatha (pijlwormen) geen rasp-stekels en tanden  nemertea (snoerwormen) 2 tentakels ipv 1 (zoals nemertea)  enkele soort, unknown phylum

19 Wiwaxia 7cm soort schelp –sclerites (schaal-achtige platen) –Chitine –bescherming. grazers

20 Wiwaxia taxonomie  ??? in moderne lijnen of niet Ofwel Annelida –Maar: sclerites niet homoloog met cuticula van annelida ofwel Molluscen.

21 Marella exemparen eerste fossiel  Charles Walcott lace crab ("veterkrab")  vreemde trilobiet Blackmore Whittington  niet in bekende klassen van geleedpotigen primitieve geleedpotige  gemeenschappelijke voorouder met de moderne geleedpotigen

22 Marella 2 tot 25 millimeter kopschild twee paar achterwaarts gerichte stekels twee paar antennes lichaam segmenten –twee paar aanhangsels Onderste: lopen Bovenste: kieuw

23 Opabinia Burgess shale + Maotianshan shales (China) goed bestudeerd past niet in de bekende phyla 4 a 7 cm gepaarde kieuwen Exoskelet

24 5 ogen  zicht 360° proboscis-achtige buis + grijpklauw –prooi naar mond –zand opwoelen  wormen jagen: zeebodem + zwemmen

25 Opabinia Crustacea Blackmore Whittington  geen poten  niet bij Arthropoden Voorouder van – Annalida –Arthropoda Andere  trilobieten.

26 Anomalocaris garnaal Laggania spons/zeekomkommer Peytoia kwal

27 De echte Anomalocaris

28 Odontogriphus voorouder mollusken?

29 Pikaia voorouder chordata?

30 Hallucigenia

31

32 Aysheaia

33 Morfologische dispariteit –grote variaties in bouwplan

34 Morfologische diversiteit –kleine variaties binnenin een basis bouwplan of biologische vorm

35 Het debat Derek Briggs Ik zeg dat er in het Cambrium geen grotere dispariteit was in vergelijking met nu. Stephen J. Gould En ik zeg dat er wel een grotere dispariteit was.

36 Het debat focus bij Arthropoda –belangrijkste groep in de Burgess Shale aantal genera en individuen –complex genoeg –voldoende kenmerken voor vergelijking met levende

37 Oersegment Arthropoda –2 paar ledematen –Bovenste:kieuw –Onderste: lopen –Soms 1 paar afwezig –functie veranderd  antennes, vleugels of monddelen Extra bouwplannen?

38 Vele Cambrische arthropoda kunnen niet binnen de 4 hedendaags erkende groepen: –Trilobieten –Crustacea –Helicerata –Uniramia ????

39 Extra bouwplannen?  4 bouwplannen nog twintigtal extra ???  Dit is fout

40 Studie –25 Cambrische –21 recente Bewijs 1

41 Zwart = Cambrisch Wit = recent dispariteit nu = dispariteit Cambrium

42 Morfospace ? Ik Mijn kloon Tweelingsbroer Tweelingszus Broer Neefje

43 Bewijs 2 Rood = recent

44 Stephen Jay Gould De analyse van de 25 cambrische en 21 hedendaagse taxa is fout. enkel de goed bewaarde vertegenwoordigers genomen  bias: niet alle vreemde groepen genomen hedendaagse groep enkel 1 individu per klasse of subklasse  bias: reeks samenhangende morfologische designs. Random staalname zou niet 1 individu per (sub)klasse bevatten maar meerdere/geen vertegenwoordigers per klasse. Bias geeft een lagere dispariteit voor de cambrische en hogere dispariteit voor de hedendaagse Arthropoda Aantal veranderingen van de voorouder tot Cambrische en hedendaagse taxa  Cambrische 32.4 veranderingen in paar miljoen jaar  hedendaagse 27.2 veranderingen in 500 miljoen jaar ?

45 Stephen Jay Gould We kunnen de meeste niet samen groeperen  zo vreemd dat ze wel een nieuwe hoge taxonomische rang moeten krijgen. Fout te zeggen dat cladistische analyse een even grote dispariteit ondersteund  Cladisme om evolutie te beschrijven (aftakkingsvolgorde) ≠ dispariteit  enkel te gebruiken om verwantschap aan te tonen Lage consistentie index (0,384)  vele kenmerken stellen homoplasie of omkeringen voor  groepen die men wilt samentrekken horen niet samen

46 Stephen Jay Gould Wel juist om de kenmerken waarvan het belang geweten is te gebruiken.  zou niet zo zijn als labiliteit was blijven bestaan  deze kenmerken waren bij alle Cambrische Arthropoda even labiel De grote variatie aan bouwplannen in het Cambrium  allemaal oplossingen voor de problemen van patroon formatie, differentiatie, morfogenese  dus elk even goed  meeste oplossingen zijn echter verloren gegaan. De wereld zag dus een snelle explosie in diversiteit  later verloren gegaan  overlevende vormen zijn gestabiliseerd

47 Stephen Jay Gould - Architecturale diepte van eigenschappen: aanhangsels en segmentatie zijn fundamentele eigenschappen kleur is van weinig belang  dus juist om de belangrijke eigenschappen te kiezen - Insiders en outsiders verder terug in de tijd = meer overgangen  verwacht stijgende dispariteit maar er is stabilisatie insiders/outsiders  enkel stijgings als perifere groepen overleven  kan alles als tussenvorm worden beschouwd?

48 Stephen Jay Gould

49

50 Waarom geen random sample? Stel toch random –Moderne arthropoda  90% hexapoda niks zeggen over dispariteit  diversiteit van hexapoda –Cambrische arthropoda  < trilobieten goed bewaren

51 Te lage CI ? Is niet waar consistentie index –= –= te verwachten (ander onderzoek met 28 taxa) Gould  lage CI = onstabiele ontwikkeling  veel bouwplannen MAAR: kan ook –weerspiegeling van grote variabiliteit van natuurlijke selectie in Cambrium –Door verlies en terug krijgen van kenmerken

52 Zijn er nog vragen?


Download ppt "Cambrian explosion Burgess Shale. Het Cambrium Sponzen en kwallen EonEraPeriodeOuderdom Ma PhanerozoïcumPaleozoïcum Perm251,0 – 299,0 Carboon299,0 – 359,2."

Verwante presentaties


Ads door Google