De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

INLEIDING: GEDRAGSWETENSCHAPPEN Stellingenopdracht Nature / Nurture  Waarom kunnen we over deze onderwerpen eindeloos discussie voeren?  TOCH : streven.

Verwante presentaties


Presentatie over: "INLEIDING: GEDRAGSWETENSCHAPPEN Stellingenopdracht Nature / Nurture  Waarom kunnen we over deze onderwerpen eindeloos discussie voeren?  TOCH : streven."— Transcript van de presentatie:

1 INLEIDING: GEDRAGSWETENSCHAPPEN Stellingenopdracht Nature / Nurture  Waarom kunnen we over deze onderwerpen eindeloos discussie voeren?  TOCH : streven naar funderingen op basis van empirisch onderzoek en statistiek  blijft een wetenschap (i.t.t. astrologie) Verschillen:  Soms lachen we met gedrag dat voor ons vreemd is, soms schrikken de verschillen ons af.  Verschillen tussen individuen / groepen = SOCIOLOGIE Van waar komen deze verschillen?  Wat is bepaald door aanleg? Wat is bepaald door omgeving? Dit is de nature / nurture discussie

2 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU NATURE / NURTURE

3 NATURE OF NURTURE Nature / Nurture is eerste thema in 6 GEW = op zoek gaan naar oorsprong van verschillen tussen mensen Later dit jaar: conflicten, conflicthantering en ook de gevolgen van verschillen voor maatschappij en wereldbeeld ( globalisering)  Op elk niveau (micro / meso / macro) sprake van ‘diversiteit’. Waar hoort de N/N discussie thuis? Welke voorbeelden kan je geven van diversiteit op de andere niveaus?

4 NATURE OF NURTURE Persoonlijkheid = omgang met anderen, idealen, mogelijkheden, beperkingen, waarden en normen Is onze persoonlijkheid, dat wat ons uniek maakt, aangeboren? Of is ze veeleer aangeleerd?  Complex! Deelaspecten analyseren  Intelligentie  Motorische vaardigheden  Agressief gedrag  …

5 NATURE OF NURTURE Implicaties van antwoord: Als nature veelal doorslaggevend is, wat blijft er dan nog over van ideaal van maatschappelijke gelijkheid en verantwoordelijkheid ?  Niet louter theorie: Vb. ontoerekeningsvatbaarheid als juridisch middel Opvoeding en onderwijs Leerkrachten en politici

6 NATURE OF NURTURE Fundamenteel filosofische vraag die uit dit debat volgt: “Is de mens van nature goed of slecht” In algemen termen: drie actuele standpunten Persoonlijkheid niet aangeboren Persoonlijkheid bevat zowel elementen die zich ontwikkelen op aangeboren mogelijkheden zoals intelligentie, bepaalde emoties, als specifieke aangeboren mogelijkheden als lenigheid muzikaliteit, temperament. Persoonlijkheid ontwikkelt zich in de loop van ons leven.

7 NATURE OF NURTURE Filosofische discussie die voorafging aan nature / nurture standpunten = discussie tussen Empirisme en Nativisme over 3 vragen: 1.Individuele verschillen veroorzaakt door erfelijke factoren? 2.Individuele verschillen veroorzaakt door opvoeding? 3.Is persoon zelf verantwoordelijk voor eigen ontwikkeling? Empirisme en nativisme (rationalisme) bekend van discussie in 5 CUW over waarneming en kennis. (Hume vs. Descartes) Hoe vrij is onze ‘vrije wil’?

8 NATURE OF NURTURE Nativisme vs. Empirisme

9 NATURE OF NURTURE Opdracht : lees p.9 + bijlage 1 en probeer een gestructureerde vergelijking te maken tussen de twee extreme standpunten in de N / N vraag.

10 NATURE OF NURTURE Evoluties in 20 ste eeuw:  Lees artikels bijlage 2: Wetenschappelijk racisme 1.Welke argumenten werden er gegeven pro-nature? 1.Hoe werden deze argumenten gepareerd? Bijlage 3: ABBA-zangeres als ideale Ariër

11 NATURE OF NURTURE 20 ste eeuwe idologieën: NAZISME: veronderstelling dat verschillen tussen rassen biologisch gedetermineerd zijn (basis van eugenetica)  Sterilisatiewetten MARXISME: klassenloze maatschappij door omgeving te hervormen  geen intelligentietests  Extreme standpunten hebben geleid tot veel leed

12 NATURE OF NURTURE Na WOII:  Onderzoek naar genen als verklaring voor gedrag niet aanvaardbaar  Onderzoek naar omgevingsfactoren is politiek correst  Grote ontwikkeling in psychiatrie en gelijkheidsideologie  De mens is bij geboorte een onbeschreven blad (Lees paragraaf 3 p.10)  Andere kijk op autisme: ‘koelkastmoeders’ als verklaring gesuggereerd. Later aangetoond dat het alsnog genetisch was  hele generatie moeders met schuldgevoel

13 NATURE OF NURTURE Einde 20 ste eeuw: revolutie in genetica  Humaan genoom ontcijferd (menselijke DNA sequentie)  Stimulans onderzoek genetische factoren vb. Psychologische eigenschappen: intelligentie, seksuele voorkeur, temperament, impulsief gedrag. vb. Psychische stoornissen: alhoholisme, alzheimer, schizofrenie, depressie, paniekstoornissen, diabetes.  A linkage between DNA markers on the X chromosome and male sexual orientation’, ‘Koppeling tussen DNA merkers op het X-chromosoom en mannelijke sexuele oriëntatie” als biologische basis voor homoseksualiteit. Is ‘nature’ opnieuw de primerende verklaringsgrond? Mogen we met die ‘nature’ ‘knoeien’? …

14 NATURE OF NURTURE Johan Braeckman (bioethicus, Universiteit Gent) over klonen  Ethische vragen over klonen en stamcelonderzoek

15 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Polariserend debat tussen Nature en Nurture lijkt zinloos  naast elkaar praten en extremen leiden tot maatschappelijke problemen Intuitief : interactie tussen genen en omgeving  Samengang van NATURE en NURTURE = CONVERGENTIETHEORIE

16 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Verschillende standpunten voor convergentie: NATURE EN NURTURE Vb. zwaarlijvigheid: Obesitas komt vaak in de familie voor  denken spontaan aan voedingsgewoonten (omgeving) Geen erfelijke factoren die meespelen?  Jawel, synthese van genen EN omgeving

17 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU “ Erfelijkheid is een grote factor in obesitas Er wordt steeds meer bekend over obesitas en de oorzaken ervan. Sommige mensen kunnen eten wat ze willen zonder aan te komen, terwijl anderen worstelen om hun gewicht in controle te houden. Onderzoekers hebben al tientallen genen ontdekt die coderen voor hormonen die een rol spelen in de regulatie van het gewicht. Het allereerste waarnaar gekeken wordt, is teveel eten. Waarom hebben sommige mensen genoeg aan 1 bord, terwijl anderen niet verzadigd lijken te raken?” -

18 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU “Is overgewicht nu iets puur erfelijks of ligt de schuld bij de persoon zelf? Het is niet te ontkennen dat het al dan niet ontwikkelen van overgewicht voor een deel erfelijk is bepaald. Deze genetische factor wordt nog steeds onderzocht en hierover bestaan meerdere standpunten. De invloed van erfelijkheid kan een rol spelen bij de vorming en distributie van lichaamsvet, de activiteit van het basaal rust metabolisme, de voedselvoorkeuren, de mate van fysieke activiteit, de veranderingen in het energieverbruik als reactie op overeten of diëten en ten slotte op de regulatie van het honger- en verzadigingsgevoel.” - Jolien Vandenbosch is voedings-en dieetdeskundige, Knack

19 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Twee types studies die dit onderzoeken:  Tweelingenonderzoek  Adoptiestudies Adoptie: genen zijn vast, omgeving is variabel  vaststelling dat lichaamsgewicht vooral correleert met gewicht van biologische ouders veeleer dan met gewicht van adoptieouders  Erfelijke factoren!(?)

20 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Tweelingstudies: Verschillen onderzoeken tussen eeneiige tweelingen (volledig identieke genen) en twee-eiige tweelingen (genetisch op elkaar lijkend) Verschillen tussen de twee leden van een monozygote tweeling kunnen enkel bepaald worden door een verschil in omgeving, aangezien ze identieke genen bezitten. Verschillen tussen dizygote tweelingen daarentegen worden ook bepaald door verschillen in omgeving, maar bovendien ook door verschillen in genetische samenstelling.

21 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU  Concordantie (overeenkomsten tussen kenmerken) bij monozygote tweelingen steeds groter dan bij dizygote tweelingen.  Het verschil in concordantie tussen monozygote endizygote tweelingen is dus een maat voor de bijdrage van genetische factoren in de variabiliteit in het optreden van een kenmerk.  Op deze manier wordt heritabiliteit van kenmerk berekend. Bvb. Heritabiliteit lichaamsgewicht 80% (iemands lichaamsgewicht wordt voor 80% bepaald door genetische factoren)

22 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU 2 de standpunt: NATURE VIA NURTURE ‘Heritabiliteit‘ meestal niet helemaal correct geinterpreteerd =/= maat voor erfelijkheid In vb. van Obesitas: 80% bepaald door genetische factoren. Dit is niet juist! Heritabiliteit geeft aan in welke mate genen bijdragen tot de variatie van een bepaald kenmerk MAAR er is een nuance.

23 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Vraag: Hoe verklaren we dat over een beperkt aantal generaties heen, de lichaamslengte van West- Europeanen sterk is toegenomen als lengtegroei genetisch bepaald is? Hoe verklaren we toename van de hoeveelheid obesitas door genetische omstandigheden?

24 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Heritabiliteit = een maat voor variatie (in welke mate de genen bijdragen), maar in welbepaalde omstandigheden. (nurture) Als deze omstandigheden veranderen, dan verandert ook de heritabiliteit. Genen en omgeving kunnen dus niet los van elkaar gezien worden. Vb. Voedselschaarste Vb. intelligentie en schoolprestaties

25 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU NATURE manifesteert zich pas ten volle als NURTURE geen criterium voor differentiatie is  of m.a.w. nature VIA nurture. Genen zijn niet deterministisch maar probabilistisch.  Onze genen zijn dus geëvolueerd om op een soepele manier in te spelen op de omgeving en dit verklaart waarom het genetisch programma onderhevig is aan omgevingsinvloeden. Vb. immunologisch systeem : afweercellen herschikken hun genen om zich voor te bereiden en te beschermen tegen lichaamsvreemde kiemen. We kunnen dus niet van determinisme spreken want dan zouden de cellen er niet toe in staat zijn zich aan te passen aan invloeden van buitenaf.

26 INERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU “Paradoxaal zou je kunnen stellen dat de enige echte determinisme aanwezig in de genen, hun adaptatievermogen is. Maar hollen we zo het principe van ‘nature’ niet helemaal uit?” Ook taal is aangeboren capaciteit maar kinderen die niet met taal in aanraking komen, komen nooit tot normale taalontwikkeling. (zicht is gelijkaardig voorbeeld) De omgeving schakelt met andere woorden bepaalde genen aan en uit.

27 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN MILIEU Genetica Vooruitgang in genetica heeft nieuwe mogelijkheden geopend voor onderzoek naar wisselwerking tussen genen en omgeving. Het ‘Normale’ DNA bestaat niet  miljoenen varianten (geen fouten) waardoor een gen soms iets minder of beter functioneert.  Grote variatie in lengte, gewicht, haarkleur, intelligentie, temperament, enz. Maar ook in aanwezig zijn van ziekten en aangeboren aandoeningen.

28 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING Genetica Voorbeelden: MTHFR- gen: belangrijke functie in stofwisseling. Embryo’s die drager zijn van genetische variant met verminderde werking (te weinig foliumzuur) hebben kans op verstoorde vorming van centraal zenuwstelsel.  Daarom zwangere vrouwen foliumzuur laten innemen. FTO-gen: Een bepaalde variatie gaat gepaard met een toename in lichaamsgewicht met 3-4kg. Dit zien we enkel bij personen met te weinig lichaamsbeweging.

29 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING DAT1-gen: geassocieerd met risico op ontstaan van ADHD. Dit gen is een belangrijke regulator van prikkelgeleiding tussen hersencellen. Andere studies wijzen op een verhoogd risico wanneer moeder tijdens zwangerschap rookt. MAAR het effect van roken treedt enkel op wanneer die specifieke variant van het gen aanwezig is en omgekeerd. MAO-A: Variant hiervan is risicofactor voor delinquent gedrag (dient voor afbraak van o.a. adrenaline). Als omgevingsfactor is de negatieve invloed van verwaarlozing op kinderleeftijd gekend. MAAR kinderverwaarlozing zal vooral leiden tot delinquent gedrag wanneer het kind drager is van dit type van MAO-A gen.

30 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING 3 de standpunt: NATURE BEPAALT NURTURE Gen-omgeving correlaties: Onze genen bepalen op verschillende wijzen de omgeving waaraan we blootgesteld worden.  Nurture is dus gedeeltelijk genetisch bepaald. Maar deze omgeving heeft dan weer invloed op onze eigenschappen en kenmerken dus de omgeving versterkt de genetische effecten.  Correlatie, onlosmakelijk met elkaar verweven.

31 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING Verschillende manieren waarop de genen onze omgeving bepalen. Lees voorbeeld p  Wat is passieve gen-omgeving correlatie?  Wat is reactieve gen-omgeving correlatie?  Wat is actieve gen-omgeving correlatie?  Wat is niche-picking?

32 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING 4 de standpunt: NURTURE BEPAALT NATURE  Onderzoek naar invloed van omgevingsfactoren op overerfbare kenmerken belangrijker dan vermoed.  Klassieke evolutietheorie: Omgevingsfactoren zijn scheidsrechter voor ‘struggle for life’. Toevallige genetische mutaties zorgen voor variatie waaruit de omgeving de meest aangepaste kan kiezen.  Zo treden genetische veranderingen op.  Effect van omgeving komt op tweede plaats.  Evolutie traag want is afhankelijk van toevallige veranderingen die uitzonderlijk ontstaan.

33 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING Dit i.t.t. evolutietheorie volgens Lamarck  overerving van verworven kenmerken die efficiënter zijn in omgeving (vb. giraf)  Druist in tegen grondslagen van genetica: alle erfelijke info zit in DNA-sequentie en informatiestroom loopt van DNA naar eiwitten, naar kenmerken en niet omgekeerd.  Verworven wijzigingen in kenmerken kunnen niet leiden tot wijziging in DNA-sequentie.

34 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING TOCH: grond van waarheid in overerving van verworven kenmerken.  Functie van gen niet enkel afhankelijk van DNA maar ook van andere factoren. Epigenetische factoren zijn modificaties van het DNA die de DNA-sequentie ongemoeid laten maar toegankelijkheid van dit gen in een celkern regelen.  Welbepalde genen worden in welbepaalde cellen aan- of uitgeschakeld door epigenetische mechanismen (Zie nature via Nurture)

35 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING Deze epigenetische veranderingen kunnen tijdens de groei van het orgaan doorgegeven worden van moeder- op dochtercel. Doorgeven van genetische informatie gebeurt via de geslachtscellen. Normaal bevinden die zich in hun startpositie (voor normale functionering) Er zijn echter observaties die erop wijzen dat bepaalde omgevingsfactoren epigenetische wijzigingen kunnen aanbrengen in specifieke geslachtscellen  Het overerven van wijzigingen alsnog mogelijk? Denk: DNA sequentie ongewijzigd maar een bepaald gen in geslachtscellen heeft door omgeving een dimmer gekregen in plaats van een gewone schakelaar om geactiveerd te worden. (Zie vb. p.22)

36 INTERACTIE TUSSEN ERFELIJKHEID EN OMGEVING Waarom bestaat dat mechanisme? Hypothese: maakt snellere aanpassing aan levensomstandigheden mogelijk  voorprogrammatie van de volgende generatie  Optimalisering van de overlevingskansen maar anderzijds ook aanwijzing dat effect van ongunstige omgevingsfactoren effect kunnen hebben over generaties heen Zo staat sociale ongelijkheid en honger in de wereld in een totaal nieuw daglicht! Bijkomende perspectieven p. 22 ev.  probeer zelf samen te vatten.


Download ppt "INLEIDING: GEDRAGSWETENSCHAPPEN Stellingenopdracht Nature / Nurture  Waarom kunnen we over deze onderwerpen eindeloos discussie voeren?  TOCH : streven."

Verwante presentaties


Ads door Google