De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Poëzie Een stuk of wat gedichten.... JE TRUITJES Herman de Coninck 1944-1977 Je truitjes en je witte en rode sjaals en je kousen en je slipjes (met liefde.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Poëzie Een stuk of wat gedichten.... JE TRUITJES Herman de Coninck 1944-1977 Je truitjes en je witte en rode sjaals en je kousen en je slipjes (met liefde."— Transcript van de presentatie:

1 Poëzie Een stuk of wat gedichten...

2 JE TRUITJES Herman de Coninck Je truitjes en je witte en rode sjaals en je kousen en je slipjes (met liefde gemaakt, zei de reclame) en je brassières (er steekt poëzie in die dingen, vooral als jij ze draagt) – ze slingeren rond in dit gedicht als op je kamer. Kom er maar in, lezer, maak het je gemakkelijk, struikel niet over de zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, gaat u zitten. (Intussen zoenen wij even in deze zin tussen haakjes, zo ziet de lezer ons niet.) Hoe vindt u het, dit is een raam om naar de werkelijkheid te kijken, alles wat u daar ziet bestaat. Is het niet helemaal als in een gedicht?

3 DE BEDELAAR Omer Karel de Laey Voor de kerke, met een lange paternoster in zijn hand, is een blinde bedelaar ge- zeten, op een hoopje zand. Zijn gekrulde grijze lokken vlotten, lijk gezwingeld vlas, uit zijn mutse neder, op de krage van zijn winterjas. Langs hem ligt een waterhond te slapen, die, van tijd tot tijd, wakker schiet, en met zijn witte tanden naar de vlooien bijt. De ogen van de blinde, in hun diepe holten, hangen stil en verdoofd, gelijk de glazen van een natbedoomde bril. Halve dagen blijft hij daar, ge- zeten lijk een wassen beeld, en hij luistert naar de wind, die met zijn grijze lokken speelt. En de winter, die de koude grimmig uit het oosten zendt, rimpelt 't grauwe vel van zijn ver- droogde kop, lijk perkament.

4 STANDBEELD Gerrit Achterberg Een lichaam, blind van slaap staat in mijn armen op. Ik voel hoe zwaar het gaat. Dodepop. Ik ben een eeuwigheid te laat. Waar is je harteklop? De dikke nacht houdt ons bijeen en maakt ons met elkaar compact. 'Om Godswil laat mij niet meer los; mijn benen zijn geknakt,' fluister je aan mijn borst. Het is of ik de aarde tors. En langzaam kruipt het mos over ons standbeeld heen.

5 OP SCHOOL STONDEN ZE... Ed. Hoornik Op school stonden ze op het bord geschreven, het werkwoord hebben en het werkwoord zijn; hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven, de ene werklijkheid, de andre schijn. Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven. Is van de wereld en haar goden zijn. Zijn is, boven die dingen uitgeheven, vervuld worden van goddelijke pijn. Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten. Is naar aarde hongeren en dorsten. Is enkel zinnen, enkel botte plicht. Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken, is kind worden en naar de sterren kijken, en daarheen langzaam worden opgelicht.

6 DIEN AVOND EN DIE ROZE (Guido Gezelle ) Aan Eugeen van Oye 'k Heb menig uur bij u. gesleten en genoten en nooit en heeft een uur met u. me een enkle stond verdroten. 'k Heb menig menig blom voor u. gelezen en geschonken, en, lijk een bie, met u, met u,. er honing uit gedronken; maar nooit een uur zo lief met u,. zo lang zij duren koste, maar nooit een uur zo droef om u,. wanneer ik scheiden moste, als 't uur wanneer ik dicht bij u,. dien avond, neergezeten, u spreken hoorde en sprak tot u. wat onze zielen weten. Noch nooit een blom zo schoon, van u. gezocht, geplukt, gelezen, als die dien avond blonk op u,. en mocht de mijne wezen! Ofschoon, zo wel voor mij als u,. - wie zal dit kwaad genezen ? – een uur bij mij, een uur bij u. niet lang een uur mag wezen; ofschoon voor mij, ofschoon voor u,. zo lief en uitgelezen, die roos, al was 't een roos van u,. niet lang een roos mocht wezen, toch lang bewaart, dit zeg ik u,. 't en ware ik 't al verloze, mijn hert drie dierbre beelden: u,. dien avond - en - die roze!

7 GLUREN IN AMSTERDAM WEST Max Dendermonde Ik moet je - zwijgend - iets biechten, kleine Yolande: ik zag, verstolen door mijn venster, 's avonds laat jou langzaam lopen met lachebek Agaath, en hoorde jullie fluisteren, zag jullie handen tederheid doen, je streek het haar weg van haar wangen, ze weerde zich, zoals dat in de aanvang gaat - een schuchter Lesbos in onze arbeiderstraat – en bood daarop haar lippen, al voluit verlangend. Verraad? Ach nee. Er heerst bij ons een sterke wet: had Agaath 's nachts zo graag thuis gehouden bij mij, maar dat brengt bittere heibel in onze buurt. Ik stond daar. Door je zachte vrijen daagde het dat jij haar meer verdient dan ik. Want besef jij dat ik een les kreeg in jullie meisjesnatuur?

8 AVONDLIEDEKE Alice Nahon 't Is goed in 't eigen hart te kijken Nog even voor het slapen gaan Of ik van dageraad tot avond Geen enkel hart heb zeer gedaan; Of ik geen ogen heb doen schreien, Geen weemoed op een wezen lei; Of ik aan liefdeloze mensen Een woordeke van liefde zei. En vind ik in het huis mijns harten, Dat ik één droefenis genas, Dat ik mijn armen heb gewonden Rondom één hoofd, dat eenzaam was. Dan voel ik, op mijn jonge lippen, Die goedheid lijk een avond-zoen. 't Is goed in 't eigen hart te kijken En zo z'n ogen toe te doen.

9 IK ZIE JE NOG ALTIJD LIGGEN… Herman de Coninck Ik zie je nog altijd liggen, je vingers smal en paars als asperges, deze hele bleke stille vorm van jezelf-zijn die je altijd al wel had, een streepje gestold bloed uit je mond. niks-zeggen was ook vroeger jouw manier van gekwetst zijn, ik denk : sluit nu maar je ogen, kom, ik zal je helpen - dit is al wat ik nog kan doen: dit niet-meer-weten-wat-zeggen en het zeggen.

10 PARNASSUS Clem Schouwenaars Ik schrijf voor jou, niet voor anthologieën. Jouw rug is zoveel zachter. Ik denk aan jou in wegwerpverzen zonder maat of rijm. Jouw voet is zoveel lichter. Ik speel maar wat op mijn papier, tot in het akwarel van woorden ik een lijn ontdek die bijna soms van jou is. Ik denk aan jou, niet aan een dichterkroon van lauweren of goud. Jouw haar is zoveel warmer. Ik schrijf voor jou, niet voor Soestdijk of Laken. Jouw lichaam is mijn troon.

11 Geert de Kockere schrijft sms-gedichtjes Soms kijk ik Lichtjes in je ogen En als ik vurig kijk, Komt er wel eens Vuurwerk van We lagen samen in bed. En jij zei iets. En ik zei iets. En alles wat we zeiden, zeiden we tussen haakjes.

12 Liefde Joost Zwagerman Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi Jij, jij was weel meer dan dat zodat ik van meer naar minder kon. Jij was zo jij dat je werd: mij, aan mij was het genot om in je op te gaan, geluk zo groot dat ik steeds minder hoefde te bestaan. Wat meer dan liefde is en minder dan de dood is de warme dood waar ik niet bang voor ben, dat is het doodgaan door te leven met een vrouw Dat ik micht niet-bestaan dat kwam door jou In mij is die dood verdreven door de onmogelijkheid opnieuw met jou te leven. Hoogstens ben ik ziek en schrijf ik om de ziekte naam te geven. Hoe hopeloos dit is, het brengt je niet terug naar mij. Wat blijft is de ziekte, de ziekte die heet jij.

13 Avond aan het strand Han G. Hoekstra Ik lag in het warme zand met naast me mijn eerste bruid, verliefd op haar meisjeshand en de geur van de eigen huid. Wij lagen samen in een kuil door kleiner dan wij gegraven en hielden ons uren schuil in die ongekende enclave Het was een verschrikkelijk gevoel De wereld begon te bestaan, verwarrend licht en koel. De boulevard stak zijn lichten aan. Haar naam ben ik vergeten, maar niet haar meisjeshand. De plek zou ik niet meer weten ik zie elke korrel zand.

14 Ik geef nu aan jou... Adriaan Roland Holst ‘k Geef nu aan jou mijn vreugd, mijn leed en mijn schemergouden dromenschat, opdat je later nog zal weten hoe ik je eens heb liefgehad. Later als al dit schoon voorbij is, want tijd neemt liefde, vreugde, smart - als elk van ons weer droef en blij is dicht aan een nieuwgevonden hart, dan zal ineens alles vervagen bij ‘t zien van dit vergeten blad: je zal weer dromen van de dagen toen we in elkanders ogen zagen, toen ik je zo heb liefgehad.

15 Huwelijksreis Jules Deelder ‘Ken jij dat stel daar?’ ‘Jazeker. Die zijn op huwelijksreis.’ ‘Op huwelijksreis? Ze zien er anders helemaal niet zo happy uit.’ ‘Ze zijn ook al op de terugreis.’

16 Wij komen nooit meer saam... J. Slauerhoff Wij komen nooit meer saam! De wereld drong zich tussenbeide. Soms staan wij beiden ‘s nachts aan ‘t raam, Maar andre sterren zien we in andre tijden. Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd Van licht tot verste duisternis - dat ik Op vleuglen van verlangen rustloos reizend, U zou begroeten met mijn stervenssnik Maar als het waar is dat door groote dromen Het zwaarst verlangen over wordt gebracht Tot op de verste ster: dan zal ik komen, Dan zal ik komen, iedren nacht.

17 Ik moest... Anton Korteweg Ik moest de Hema in. Voor vruchtentaart. Goed en goedkoop. Want junior verjaart. Als je nou kijkt wat daar los loopt aan vrouw dan wil je wel naar huis. Naar die van jou.

18 Op verzoek Anton Korteweg Dat ik vanje hou, dat wil ik dan ook wel eens schrijven, nu je dat zo vraagt. Want ik hou van je en niet eens zo zelden, gezien de vierduizend dagen en nachten Dat het lijkt of je nauwelijks ouder geworden bent, dat je soms nog ver weg kijkt als was je verliefd, dat je handen nog mooi zijn, verder zou ik toch niet willen gaan Dat ikje wang soms zoek en niet je mond

19 Liefde Lucebert Ik droom dus ik ben niet ik droom dat iemand de deur intrapt niet voor de grap maar voor een politieke moord ik droom dat ik niet ben ik droom dat ik dood ga niet voor de grap maar voor niets ik droom dat er een ik is ik droom dat ik eet en drink voor de grap maar ook voor jou

20 Een vrouw beminnen Ed Hoornik Een vrouw beminnen is de dood ontkomen, weggerukt worden uit dit aards bestaan, als bliksems in elkanders zielen slaan, te zamen liggen, luisteren en dromen, meewiegen met de nachtelijke bomen, elkander kussen en elkander slaan, elkaar een oogwenk naar het leven staan, ondergaan en verwonderd bovenkomen. ‘Slaap je al?’ vraag ik, maar zij antwoordt niet; woordeloos liggen we aan elkaar te denken: twee zielen tot de rand toe vol verdriet. Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken, vlakbij de sterren, die betoovrend wenken. ‘t Is of ik dood ben en haar achterliet.

21 Canzone 4711 Lennaert Nijgh Er viel een hete schaduw over het strand, die depressie had de zon dus toch gevangen. De wind bleef onder het wolkendeksel hangen. De dag bleef stilstaan tussen een en twee. Vanille ijs smolt in haar bruine hand, ze likte langzaam met een koel verlangen. Ze had nog zilte parels op haar wangen, ze bracht de golven in haar haren mee. En in haar ogen de sterren van de zee In haar schelp van stilte zocht ik gaten, probeerde mij met haar te laten praten. Ik keek naar boven en had geen idee. Vier cijfers vormden een reclamevlucht. Toen hing er eau-de-cologne in de lucht. Ze zei iets dat ik moeilijk kon verstaan, een man zat met een radio te spelen die mij daarop vierstemmig mee kon delen dat liefde alles was wat ik nodig had. >>>

22 Ze keek me een tijd later peinzend aan en net toen ik haar schouder wilde strelen, begon het haar klaarblijkelijkte vervelen dat ik alleen maar zwijgend naast haar zat. En ze verdween half achter het ochtendblad, tot haar navel toe was wereldnieuws te lezen. Ze zei dat eau-de-cologne fijn zou wezen. Het speet me dat ik dat niet bij me had. Ze leek me onder haar bikini bruin, ze had een hoge schutting om haar tuin. De eerste druppels vielen op mijn hand, tijd voor thee en om zich aan te kleden. Opeens leek alles jarenlang geleden, ze deed haar kleren aan en groette mij. Een regensluier daalde over het strand en kinderen huilden hard en ontevreden. De natte vlaggen zakten naar beneden en iets dat nooit begon was al voorbij. Haar kleinde wrede hand liet mij niet vrij. De regen deed me weer naar zee verlangen, haar golven hielden mij opnieuw gevangen. Het ochtendblad nam ik mee, het was van mij. Steeds verder werd ik weggesleurd van het strand, de geur van eau-de-cologne woei van het land.

23 Een vrouw Hugo Claus Met schaterend haar, Met meeuwenogen, met een buidel op de buik, Een moeder of een goede verrader, Wie kent deze laaiende vrouw? Haar nagels naderen mijn hout, Haar klauwzeer wekt mijn jachtige huid, Als een jachthoorn hangt zij in mijn haar te tuiten. Zij nadert in vouwen en in schicht, In hitte, in hars, in klatering, Terwijl in staat van begeerte, Gestrekt als een geweer en onherroepelijk In staat van aanval en van moord ik Omvat, doorploeg en vel, Gebogen, geknield, het geurend dier Tussen de lederzachte knieën. Zij splijt mijn kegel In de bekende warmte.

24 Over het uittrekken van een broek Gerrit Krol In het algemeen zijn er twee broeken, (a) de eigen broek, (b) de broek van een ander Trekt men zijn eigen broek uit dan heeft men het voordeel dat men daarbij alleen kan zijn. Trekt men evenwel de broek van een ander uit, dan is men daartoe op z’n minst met zijn tweeën. Men kan in zo’n geval ook de broek van elkaar uittrekken (dualisme) Een belangrijke factoris het geslacht van de deelnemers. Behoren die tot een verschillend geslachte, dan kunnen zij elkaars broek verwisselen aangezien elk geslacht zijn eigen broek heeft. >>>

25 Ofschoon dus doorgaans het geslacht aan de broek herkenbaar is is het ook zonder broek herkenbaar. Men blijft echter, met of zonder broek, tot hetzelfde geslacht behoren. In het algemeen zijn er twee geslachten, het manlijke en het vrouwelijke, waarvan de vertegenwoordigers herkenbaar zijn doordat, eenmaal zonder broek, de manlijke ingaat tot de vrouwelijke. Men zegt dan dat zij zich met elkaar versmelten. Dit versmelten is tijdelijk. Daarna worden de broeken weer aangetrokken. Tot elkaar ingaan, ook al is men van een verschillend geslacht, met een broek aan is niet mogelijk.

26 ... Zag jij misschien Joost Zwagerman... Zag jij misschien dat ik naar jou, dat ik je zag en dat ik zag hoe jij naar mij te kijken zat zoals iknaar jou en dat ik hoe dat heet zo steels, zo en passant en ook zo zijdelings - dat ik je net zolang bekeek tot ik naar je staarde en dat ik staren bleef. Ik zag je toen en ik wist in te zien dat in mijn leven zoveel is gezien zonder dat ik het ooit eerder zag: dat kijken zoveel liefs vermag.

27 Dubbel Leonard Nolens Zij is het bed dat mij geen dromen laat, Het morgenbrood dat ik niet mag verteren. Zij is de ochtendzoen die mij zo lief mismaakt En aan een doodgaan raakt dat ik moet leren. Ik ben haar man die zijn alleenzijn kwijt is En vereenzaamd in zijn dubbelhartig wezen Met zichzelve dweept, tweeslachtig, ongewis. Zij is de wonde die mij bloedt en kan genezen. Zij is het licht dat mij het licht beneemt. Zij is de weg en ligt mij in de weg. Zij is het huis dat mij van thuis vervreemdt En sluit mij op in het adres dat ik haar zeg.

28 Het ademloze Gerrit Achterberg Nu gij bij mij ontbreekt met stem en hand en ogen, en al het andere ongelogen, hoor hoe dit zingen smeekt te worden naar u neergebogen, om deel te hebben, als voorheen, aan uw bestaan, het ademloze uit de verrukkingen van eens.

29 Blank vers K. Schippers je je en je

30 Zomerzot Miguel Declercq ‘Oortje bijten,’ zegt ze soms tegen haar zusje. Saskia d’r zusje lacht dan infantiel. ‘s Avonds ligt ze naast me. Winterkoude voeten. ‘Oortje bijten?’ vraagt ze. Is zij zot misschien?

31 Zie ik hou van je Herman Gorter Zie ik hou van je, ik vind je zo lief en zo licht - je ogen zijn zo vol licht, ik hou van je, ik hou vanje. En je neus en je mond en je haar en je ogen en je hals waar je kraagje zit en je oor met je haar er voor. Zie je ik wou graag zijn jou, maar het kan niet zijn, het licht is om je, je bent nu toch wat je eenmaal bent.

32 Vers per 7 juni 1951 Jan Hanlo ( ) Bedoel je Josje met de kleine ogen? Nee, met de grote. Bedoel je Josje met de schelle stem? Nee, met de mooie. Bedoel je Josje met het haar dat naar niets ruikt? Nee, met dat fijn ruikt. Bedoel je Josje aan wie je nooit denkt? Nee, aan wie ik altijd denk. Bedoel je Josje, die nooit Engelse woorden wil opschrijven? Nee, die dat juist wel graag doet. Maar die dan met schrijfletters schrijft? Nee, die met grote druktletters schrijft. Maar die de woorden van een zin altijd van elkaar schrijft? Nee, die veel woorden van de zin aan elkaar schrijft. Bedoel je Josje, die voor een scheepje spaart? Nee, die voor een zaklantaarn spaart. Bedoel je Josje, die niets om je geeft? Nee, ik bedoel Josje die graag bij mij is.

33 Sonnet P.C. Hooft Mijn lief, mijn lief, mijn lief; zo sprak mijn lief mij toe, Dewijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden. De woordjes alle drie, wel klaar en wel bescheiden, Vloeiden mijn oren in, en roerden (‘k weet niet hoe) Al mijn gedachten om staag malend nemmer moe, Die’t oor mistrouwden en de woordjes wederleiden. Dies ik mijn vrouwe bad mij klaarder te verbreiden Haar onverwachten reên; en zij verhaalde het doe. O rijkdom van mijn hart dat overliep van vreugden! Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden. Maar doe de morgenstar nam voor den dag haar wijk, is, met de klare zon, de waarheid droe verrezen. Hemelsche Goön, hoe komt de Schijn zo na aan ‘t Wezen, Het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

34 Voor wie ik liefheb Neeltje Maria Min Mijn moeder is mijn naam vergeten, mijn kind weet nog niet hoe ik heet hoe moet ik mij geborgen weten? Noem mij, bevestig mijn bestaan, Laat mijn naam zijn als een keten. Noem mij, noem mij, spreek mij aan, o noem mij bij mijn diepste naam. Voor wie ik liefheb, wil ik heten.


Download ppt "Poëzie Een stuk of wat gedichten.... JE TRUITJES Herman de Coninck 1944-1977 Je truitjes en je witte en rode sjaals en je kousen en je slipjes (met liefde."

Verwante presentaties


Ads door Google