De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Opbouw van de roetdeeltjes : micro sphérisch koolstofdeeltje Koolwaterstoffen zwaveldioxyde waterdamp.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Opbouw van de roetdeeltjes : micro sphérisch koolstofdeeltje Koolwaterstoffen zwaveldioxyde waterdamp."— Transcript van de presentatie:

1

2 Opbouw van de roetdeeltjes : micro sphérisch koolstofdeeltje Koolwaterstoffen zwaveldioxyde waterdamp

3 Het effect van deze stoffen Een bronchitis irritatie Het diep binnendringen in onze luchtwegen van deze roetdeeltjes kan volgende dingen veroorzaken : Kankerverwekking Schadelijk voor een foetus

4 De hoeveelheid en opbouw van het roet Het roethoeveelheid wijzigt in functie van : Het verbrandingsproces Brandstof post-behandeling (Variabele swirl) (cétaan en zwavelgehalte) (catalysator, FAP)

5 Hun afmetingen Eenmaal vastgehouden (agregraten) dan wordt hun afmeting tussen 0,1 en 1 microns en niet meer 0,09 micron.

6 HET FILTEREN LAAT DUS TOE EN DIT OP EEN ZEER EFFICIËNTE MANIER EEN VERMINDERING VAN DE UITSTOOT AAN ROET TE BEKOMEN. Oplossing (in de limieten van de meting)

7 HDi Systeem + FAP

8 Veiligheidsvoorschriften QUA Brandstofcircuit De voorschriften voor de brandstof De combinatie Hdi systeem + roetfilter heeft behoefte aan een dieselbrandstof die weinig zwavel bezit. (‹ 350 ppm norm EURO 3). Het gebruik van additieven zoals reinigers en hermetal- liserende middelen zijn strikt verboden.

9 De aanvoering van de brandstof

10 De additieffunctie van de brandstof

11 De additiveringsrekeneenheid beheert de hoeveelheid additief die toegevoegd wordt wanneer men gaat tanken ( met of zonder draaiende motor). vlotterelement, Aanwezigheid van de afsluitdop op de tank, toerental, voertuigsnelheid, Informatie +cc De additieffunctie van de brandstof

12 De hoeveelheid in te spuiten additief berekenen, De additiveringspomp aansturen, De additiveringsverstuiver aansturen De additieffunctie van de brandstof In functie van de verschillende binnengekregen gegevens, gaat de additiveringseenheid :

13 Het additief Het additief heeft dus als doel, de roetdeeltjes te impregneren tijdens de verbranding in de verbrandingskamer, om zodanig : De verbranding te vergemakkelijken tussen de roetdeeltjes zelf. De verbrandingstemperatuur van de roetdeeltjes met ongeveer 100 C° te laten dalen, Tijdens de verbranding van de roetdeeltjes, zal het additief =de catalysator = cerine niet mee opbranden, maar zal achterblijven in de roetfilter. De additieffunctie van de brandstof

14 Het additief "EOLYS" is een samenstelling met cérine (ceriumoxyde), geleverd in wisselstukken en is reeds verdund in een solvent. Het additief bevat dus : Een oplosmiddel voor de cérine, de cérine : 4,2% van de massa (op 607,307), Een solvent (koolwaterstoffen). De additieffunctie van de brandstof

15 De additieftank Zijn inhoud bedraagt 5L op de 607 Dit laat toe in normale omstandigheden, gemakkelijk meer dan km te rijden zonder enige toevoeging. De tank vormt een geheel met : - de opvoerpomp, - een sonde voor de niveaumeting. De additieffunctie van de brandstof

16 De additieftank Bezit 4 openingen : Ontluchting (veiligheidsklep druk-onderdruk) Overloop Uitgang naar verstuiver (snelkoppeling) retour verstuiver (snelkoppeling) Aanvulkoppeling De additieffunctie van de brandstof

17 De additiefopvoerpomp (1283) Uitgang naar verstuiver Retour van verstuiver De pomp is ondergedompeld in de additieftank. Zij is onlosmaakbaar van de tank. Het is een rollenpomp.(80 L/H bij 3 bar) De additieffunctie van de brandstof

18 De additiefopvoerpomp (1283) Uitgang naar verstuiver retour verstuiver De anti-terugloopkleppen verhinderen dat er additief wegloopt tijdens het openen van de 2 snelkoppelingen. De additieffunctie van de brandstof

19 De sonde voor het minimumpeil van het additief (1283) De sonde zit ingewerkt in de additiefopvoerpomp. De sonde is een weerstandselement. Op de 607, verzekerd dit minimum nog altijd additief voor een zestal volledige tankbeurten De additieffunctie van de brandstof

20 Veiligheidsklep Inplanting in de 607 De additieffunctie van de brandstof

21 Clapet de sécurité De rol van de veiligheidsklep : Afdichting In het geval van het overkop gaan Ontluchting van de tank De additieffunctie van de brandstof

22 Additiefverstuiver (1284) De verstuiver laat toe het berekende hoeveelheid additief in te spuiten in de brandstoftank. Bediend door de additiveringsrekeneenheid, het is een elektro- magnetische verstuiver vergelijkbaar met diegene van de benzine- motor. Hij is ingewerkt bovenin de brandstoftank. Ingang verstuiver retour verstuiverdrukregelaar verstuiver De additieffunctie van de brandstof

23 Connector additiveringspomp + sonde minimumpeil Additiefverstuiver (1284) Ingang verstuiver retour verstuiverConnector sensor aanwezigheid tankdop connector verstuiver Inplanting op de 607 De additieffunctie van de brandstof

24 Sensor aanwezigheid van de tankdop (4320) De sensor aanwezigheid van de tankdop informeert de rekeneenheid over het openen en sluiten van de brandstoftank. Hij bestaat uit een soupel lamelletje die aangetrokken wordt door een magneet die in de zijkant van de brandstofdop is aangebracht. magneet De additieffunctie van de brandstof

25 Tankdop magneet (2 à 180°) Sensor aanw. dop De additieffunctie van de brandstof Sensor aanwezigheid van de tankdop (4320)

26 Brandstofniveauvlotter (4315) Zijn werking is identiek als andere vlotters (DW10). De informatie van deze vlotter laat toe aan de additiverings- rekeneenheid te weten wat het niveauverschil is. De informatie brandstofniveau wordt geleverd door de ISC langs het VAN multiplex netwerk. Brandstofniveau- vlotter De additieffunctie van de brandstof

27 Het beheer van de additivering Bij elke additivering wordt de motorrekeneenheid op de hoogte gebracht, dan zet hij zijn ingewerkte kilometerteller op nul. De filtering van vlotterbewegingen legt een bereik op van 7 liter brandstof. Het openen en daarna weer sluiten van de tankdop, noemen we vanaf nu een tankdopcyclus. Het interval tussen het openen en het sluiten hoeft wel meer dan 5 seconden te bedragen voordat men te maken kan hebben met een gevalideerde cyclus. Deze cyclus laat toe aan de rekeneenheid te weten dat er brand- stof bij gedaan geweest is. De additieffunctie van de brandstof

28 De roetfilterfunctie De roetfilter De roetfilter is ingewerkt in de uitlaatlijn vóór de catalysator. Bevestiging van de temperatuursonde Beschermingsschild RoetfilterOxidatie catalysator Aansluitingen naar de verschildruksensor

29 Le filtre à particules est une structure poreuse comprenant des canaux organisés de façon à forcer les gaz d’échappement à traverser les parois. Siliciumcarbure, met volgende karakteristieken : - een heel grote efficiëntie qua filtering (tot 0,1 micron), - weinig prestatieverlies, - kan tegen thermische schokken, - een grote capaciteit voor de roetdeeltjes. De roetfilterfunctie De roetfilter

30 Deeltjes die in de filter tegen gehouden werden Koolstofdeeltjes. Cérine. Overblijfselen van de slijtage van de motor en de olie. L’accumulation de composants au cours du fonctionnement moteur entraîne un colmatage progressif du filtre. Gefilterde uitlaatgassen De roetfilterfunctie De roetfilter

31 De catalysator De oxidatie-catalysator is dezelfde als diegene dat op een DW10 gemonteerd staat. De roetfilterfunctie

32 De omzettingspercentage van de catalysator hangt af van de uitlaatgastemperatuur. De temperatuur van de uitlaatgassen is gebonden met de catalytieke verbranding (omzetting van de HC + CO). Omzettings- percentage T° voor de cat. De roetfilterfunctie De catalysator

33 Het is belangrijk aan te halen dat er zich een witte en niet schadelijke rookontwikkeling kan voordoen na een lange periode op stationair toerental gestaan te hebben. Deze rookontwikkeling is het gevolg van de chemische combinatie van de koolwaterstoffen, de waterdampen en de stikdstofmonoxyde in de catalysator, als deze van een koude toestand overgaat naar een warme toestand. De roetfilterfunctie De catalysator

34 De temperatuursensor vóór de catalysator (1344) De temperatuursensor na de catalysator (1343) Deze meet de uitlaatgastemeratuur na de doorgang in de turbocompressor. Deze sensor zit aan de ingang van de catalysator. Deze laat toe te weten wat de temperatuurstoename geweest is van de catalytieke omzetting. Deze sensor zit tussen de catalysator en de roetfilter. De twee sensoren zijn identiek, en bevatten elk een NTC weerstand. De vergelijking van deze twee waarden met wat er in de cartografie staat, laat toe te weten of de catalysator zijn omzetting optimaal uitvoerd. De roetfilterfunctie

35 De verschildruksensor (1341) De verschildruksensor meet constant het drukverschil op tussen de ingang en uitgang van het cat/filtergeheel. Deze meeting laat toe : Eventuele extra vervuilingen of destructies te kunnen detecteren. De staat van de roetfilter te kennen (opstoppingsgraad). Een piëzo element meet de verplaatsing op van een membraan waar aan de beide zijden de verschillende drukken aanwezig zijn. Dus aan een kant de ingang van de roetfilter en aan de andere kant de uitgang. (  p = P.voor - P.na). De roetfilterfunctie

36 Druk na de filter Druk vóór de filter (referentiedruk). De roetfilterfunctie De verschildruksensor (1341)

37 Opstoppingsgraad van de filter De deeltjes die door de wanden van de roetfilter tegengehouden werden, gaan natuurlijk en langzaam gedurende het gebruik van de filter, deze laatste verstoppen. Men weet dat : De motorrekeneenheid moet dus permanent zaken beheren : De staat van de filter te kennen en dit door een « watch filter » functie, De hulp van de regeneratie en dit door een « hulp » functie te gebruiken.

38 De « watch de filter » functie Wat is zijn rol ??? déterminer l’état de charge du filtre (niveau d’encrassement), demander l’activation de la fonction aide, si nécessaire, s’assurer de l’efficacité de la fonction aide. De belangrijkste informaties die hij daarvoor gebruikt zijn : -aantal gereden kilometers, -verschildruk, -uitlaatgastemperatuur vóór de catalysator, - uitlaatgastemperatuur na de catalysator, -hoeveelheid ‘ ingespoten ’ brandstof, -inlaatluchtdebiet. Opstoppingsgraad van de filter

39 De opgemeten verschildruk meet constant de opstoppingsgraad van de roetfilter. De rekeneenheid heeft 6 werkingsniveaus afgelijnd door bepaalde krommes, en berekend met het volumetrisch debiet van de uitlaatgassen. Het volumetrisch debiet van de uitlaatgassen wordt berekend door gebruik te maken van volgende parameters : -verschildruk, -Temperatuur vóór de catalysator, -inlaatluchtdebiet, -Atmosferische druk. Opstoppingsgraad van de filter

40 Werkingsniveaus beheert door de rekeneenheid a b c d e f Volumetrisch debiet van de uitlaatgassen(l/h) Verschildruk Traagloop 50 mbar Het doel van de regeneratie is de filter tussen toestand « b » of « c » te houden. Opstoppingsgraad van de filter

41 Normale werkingsgebieden Volumetrisch debiet van de uitlaatgassen(l/h) Verschildruk b c dd Wanneer men de zone "c" verlaat om over te gaan naar "d", dan vraagt de eenheid een hulp om te kunnen regeneren, opdat de filter eventueel weer in toestand "b" of eventueel weer in toestand "c » geraakt. Opstoppingsgraad van de filter

42 e Volumetrisch debiet van de uitlaatgassen(l/h) Verschildruk Bijzonder werkingsgebied De regeneratie heeft plaats in heel slechte condities. De roetdeeltjes worden maar gedeeltelijk vernietigt, dus zal de filter weer vlug verstopt geraken. Geladen filter Opstoppingsgraad van de filter

43 Binnen de 100 kilometers volgend op het oplichten van een pictogram, moet de wagen minimum gedurende 3 minuten boven de 50 Km/h rijden om een regeneratie op te kunnen starten. Opstoppingsgraad van de filter

44 Volumetrisch debiet van de uitlaatgassen(l/h) Verschildruk Abnormale werkingsgebieden a f Lekke filterVerstopte filter Opstoppingsgraad van de filter

45 Het additief die in de filter terechtkomt, helpt de verbranding maar blijft achter in de roetfilter, dit heeft als gevolg dat de uitlaatgassen het steeds moeilijker krijgen om door de filter te geraken. Men weet nu dat : Dus, evolueert de verschildruk tijdens het gebruik van de filter en dit door de cérine die zich accumuleert, en deze accumulatie is in functie met het aantal kilometers dat de wagen gereden heeft. Volumetrisch debiet van de uitlaatgassen(l/h) Verschildruk km 0 km Qv1 Opstoppingsgraad van de filter

46 De motorrekeneenheid kan de manier niet weten waarop het cerine zich afgezet heeft in de filter. Nochtans : Deze afzetting is functie van : - de rijomstandigheden, - Uitlaatgassnelheden, - Uitlaatgastemperatuur, - Brandstofverbruik. Opstoppingsgraad van de filter

47 Voorbeelden van de afzetting van de cerine in functie met de rij-omstandigheden. Rijden in stadsverkeer Continu rijden op autoweg aan hoge snelheden De cerine zet volldedig achteraan af. Opgewarmd door het klein debiet aan uitlaatgassen die erdoor gaat. De cerine zet zich in het begin af. Afgekoeld door het groot debiet van de uitlaatgassen. Opstoppingsgraad van de filter

48 Het is dus totaal mogelijk dat twee filters met eenzelfde hoeveelheid cerine, twee verschillende verschildrukken vertonen. Dus, De rekeneenheid gebruikt een cartographie die steeds overeenkomt met de zwaarste accumulatiegeval. Opstoppingsgraad van de filter

49 De hulp bij regeneratie functie De filterregeneratie hangt af van de temperatuur van de uitlaat, deze moet zich boven de verbrandingstemperatuur van de roetdeeltjes bevinden ( met additief ongev.450 °C) Het beheren van de aanvraag « watch » functie, De regeneratie bestaat uit het verbranden van roetdeeltjes die opgehouden werden in de filter en dit allemaal om de filter in het gebied b en c te kunnen behouden( geregenereerde of tussengebied). De rol van de hulp bij de regeneratie : Het activeren van de nodige functies om te kunnen regeneren en dit in functie van de info van de « watch » functie, Het controleren van de impact die de na-inspuiting heeft op de werking van de motor. Bepalen welke hulp er nodig zal zijn,

50 De natuurlijke regeneratie Er bestaan 2 mogelijke regeneratietypes : Een natuurlijke regeneratie, Een opgewekte regeneratie, ‘ hulp bij regeneratie genaamd". Geen enkele ingreep wordt uitgevoerd op het beheer om een verbranding op te starten. De deeltjes verbranden vanzelf als de temperatuur in de uitlaat zo circa 450 c° bereikt. De hulp bij regeneratie functie

51 De opgewekte regeneratie Een van buitenaf komende ingreep om de verbranding op te starten. De hulp bij regeneratie zijn een reeks aan ingrepen die beheert worden door de rekeneenheid en dit met het doel de uitlaatgas- temperatuur te laten toenemen om zodanig een verbranding op te starten van de roetdeeltjes. De hulp bij regeneratie functie

52 Uitlaatgastemperatuur De opgewekte regeneratie Natuurlijke verbrandingstemp. Van de deeltjes Temp. Verlaging door het cerine Temp. Na een catalytieke na-verbranding in de catalysator Temp. Na een na-inspuiting Temp. Van de gassen zonder hulp 150°C 350°C 450°C 550°C + 200°C + 100°C - 100°C Alle ingrepen De hulp bij regeneratie functie

53 Hulp bij de regeneratie De hulp van de regeneratie is opgesplitst in 2 fazen : niveau 1, niveau 2. Activering van de na-inspuiting, Bij elke aanvraag komende van de rekeneenheid gebeurt er : Verhindering van de uitlaatgasrecirculatie (EGR), Het opzetten van enkele grote elektrische verbruikers, Bediening indien nodig de klep opwarming van de inlaatlucht. De hulp bij regeneratie functie

54 Hulp bij de regeneratie « niveau 1 » of « eerste faze » Wanneer men het maximum omzetting bekomt dan pas gaat men over naar « niveau 2 ». Dit niveau verzekerd een temp. Toename van de catalysator om hem zodaning op een max. efficiëntiegraad te. Voor- inspuitin Hoofd- inspuiting Na-inspuiting Defazering van de na- inspuiting De hulp bij regeneratie functie

55 Hulp bij de regeneratie « niveau 1 » of « eerste faze » Dit niveau genruikt een zwaardere kaartografie om zodanig op een hogere uitlaatgastemp. Te komen. Voor- inspuiting Hoofd- inspuiting Na-inspuiting Defazering van de na- inspuiting Vermeerderd de catalytieke na- verbranding Het hoog houden van de temp. Van de gassen De hulp bij regeneratie functie

56 Het beheer van de hulp De parameters die de hulp bij een regeneratie laten opstarten Het niveau van opstopping wordt beheert door 2 parameters of tellers. Het aantal gereden kilometers tussen twee regeneraties (N). Verschildruk (  Pn).

57 Voorwaarden waarbij de hulp opgestart zal worden Motortemperatuur boven de 60°C. Voor een « hulp van regeneratie » checkt de rekeneenheid eerst volgenden dingen: Toerental hoger dan traagloop. De wagen meer dan een bepaalde afstand gereden heeft (280 km). Het beheer van de hulp

58 Wat zijn de effecten van de « hulp bij regeneratie ». Omwenteling Gemiddelde cilinderdruk Vermindering van de hoofdinspuiting Deze verminderd dus een koppeltoename (f) Het motorkoppel Het beheer van de hulp

59 De insp.rekeneenheid vraagt aan de ISC, het opzetten van grote el.verbruikers. Wat zijn de effecten van de « hulp bij regeneratie ». Het opzetten van elektrische verbruikers Als men de alternator meer belast, dan belast men ook meer de motor dus gaat de temp. In de uitmlaat toenemen. Voorbeeld van volgorde van activatie De BSI bediend de gloeibougies. De BSI bediend motorventilator in middelsnelheid De BSI bediend achterruitverwarming Het beheer van de hulp

60 Wat zijn de effecten van de « hulp bij regeneratie ». Uitlaatgasrecirculatie Bij elke activering van hulp, verhindert men de recirculatie van de uitlaatgassen (EGR). Klep EGR is gesloten. Laat dus toe voorrang te geven op het beheer van de turbo. Het beheer van de hulp

61 Dank voor uw interesse.

62


Download ppt "Opbouw van de roetdeeltjes : micro sphérisch koolstofdeeltje Koolwaterstoffen zwaveldioxyde waterdamp."

Verwante presentaties


Ads door Google