De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Grasduinen in de fiscale procedure Leo De Broeck Advocaat De Broeck Van Laere & Partners Prof Fiscale Hogeschool HUBrussel

Verwante presentaties


Presentatie over: "Grasduinen in de fiscale procedure Leo De Broeck Advocaat De Broeck Van Laere & Partners Prof Fiscale Hogeschool HUBrussel"— Transcript van de presentatie:

1 Grasduinen in de fiscale procedure Leo De Broeck Advocaat De Broeck Van Laere & Partners Prof Fiscale Hogeschool HUBrussel

2 Doelstelling -In tegenstelling tot bijv. Ned. of Frankrijk, kennen wij in België geen algemeen fiscaal wetboek; onze fiscale wetgeving is verspreid over verschillende afzonderlijke fiscale wetboek (en uitvoeringsbesluiten). -De grote fiscale procedurewetten 1999 hebben er niet toe geleid dat er voor alle belastingtakken één uniforme procedure is. -De (adviseur van de) belastingplichtige zal dus wetboek per wetboek moeten nagaan welke de rechten en verplichtingen zijn inzake een welbepaalde belastingtak. -De laatste jaren groeien de procedureregels van de verschillende fiscale takken wel naar elkaar toe, en bovendien is de wetgever volop bezig met het opzetten van een “super databank”, waaruit elke ambtenaar haast ongelimiteerd gegevens kan putten.

3 Doelstelling -Tot op vandaag moet men dus (als adviseur) alle procedureregels van de diverse fiscale wetboeken eigen maken. -In de praktijk (vb. bij controles) is het evenwel geen schande van er eens een wetboek bij te nemen (wel altijd nagaan of het ‘à jour’ is, ook als het een versie op het net is, zelfs al gaat het om fisconetplus). -Hierna lopen we samen door de meest relevante regeltjes uit het WIB. De wetteksten zullen mondeling toegelicht worden, en in hun context worden geplaatst vanuit een praktische invalshoek. -Daarna volgen de andere fiscale wetboeken, met nadruk op gelijkenissen en verschillen met het WIB.

4 Doelstelling -Administratieve circulaire nr. Ci. RH.81/ (AOIF 21/2002) van 29 juli 2002 verstrekt een aantal nuttige inlichtingen omtrent het goede verloop bij de “klanten” van de fiscus (t.w. de belastingplichtigen). -Onderzoeks- en controlerecht moet steeds omzichtig worden gebruikt. -De controle moet in verhouding staan tot het nagestreefde doel en mag de belastingplichtige in de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten niet overmatig hinderen. -Het gros van de onderzoeksmaatregelen is “doelgebonden” van aard (vb. art. 319bis WIB: “…met het oog op het invorderen van belastingen…”).

5 Doelstelling Machtsafwending: Ambtenaren van de Administratie van de BBI die bijstand verlenen bij een sociale controle, kunnen tijdens die controle niet op een regelmatige manier inlichtingen verzamelen op grond van artikel 61 van het Wbtw en de resultaten van het onderzoek van de sociale inspectie dat mede op die informatie is gesteund, nadien aanwenden voor het vestigen van bijkomende aanslagen in de inkomstenbelastingen (Rb. Gent 21 oktober 2009 – Fisc. Koerier 2009/746 – Fisc. Act – 4/15).

6 Welk controlecentrum is bevoegd? 297 WIB Voor de bij artikel 27, 5°, bedoelde personen is één enkel, bij koninklijk besluit te bepalen, controlecentrum met de ontvangst en het onderzoek van de aangifte belast. Probleem: wat als exploitatiezetel zich in ander ambtsgebied situeert dan de maatschappelijke zetel? Fiscus opteert in de praktijk meestal voor exploitatie.

7 Welk controlecentrum is bevoegd? 297 WIB Welke diensten kunnen controleren? –Klassieke controle –AOIF –BBI –NOD of LOD Welke diensten kunnen nog tussenkomen? –Rulingdienst (Voorafgaande Beslissingen) –Bemiddelingsdienst

8 Kohier – titel WIB § 1. Voor de belasting en voor de voorheffingen, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, ten behoeve van het Vlaamse Gewest, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook voor de boeten, worden de kohieren opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting of door de door hem gedelegeerde ambtenaar. § 2. De dwangschriften worden uitgevaardigd door de ambtenaren belast met de invordering. Deze ambtenaren moeten een aangetekende herinneringsbrief sturen ten minste één maand voordat de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, behalve indien de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn. …

9 Kohier – titel WIB Kohier is een uitvoerbare titel (te vergelijken met een niet-betaalde factuur, waarvoor je naar de rechtbank moet stappen om er betaling van te krijgen). Typisch voor inkomstenbelastingen, niet gekend in BTW, Successierechten, … Aangezien het om een sterke titel gaat, moet fiscus een serieus dossier hebben alvorens tot taxatie over te gaan. Om dit te controleren, kan de belastingplichtige op grond van de Wet van 11 april 1994 (openbaarheid bestuur, overigens een grondwettelijk recht – art. 32 GW) inzage krijgen in zijn belastingdossier, en mag hij er kopie van nemen. De openbaarheid kan soms geweigerd worden indien andere fundamentele rechten essentiëler zijn (cf. art. 6 Wet 11 april 1994).

10 Kohier – titel WIB Inzagerecht (vervolg): De Raad stelt “dat het opgelegde beroepsgeheim de openbaarmaking van gegevens m.b.t. de fiscale toestand van de belastingplichtige aan derden beoogt te beletten, (…) niet geldt t.a.v. de belastingplichtige zelf wanneer het stukken van zijn eigen fiscaal dossier betreft; dat in beginsel aan de belastingplichtige op grond van artikel 6, § 2, 2° van de Wet van 11 april 1994 geen inzage kan worden geweigerd van een stuk met als inhoud een verklaring van een derde over de belastingsituatie van de belastingplichtige zelf” (arrest nr van 20 maart 2006, TBP 2007, afl. 8, 502; Raad van State, afdeling administratie, 29 januari 2010, arrest nr – Fisc. Koerier 2010/408 en Fisc. Act – 11/14-15).

11 Aangifteplicht en bewijslast WIB De fiscus moet bewijzen dat iemand belastbare inkomsten heeft genoten (cf. art. 170 GW, het zogenaamde grondwettelijk legaliteitsbeginsel) De belastingplichtige dient zijn kosten, fiscale aftrekken allerlei, … te bewijzen (cf. art. 172 GW) Hoewel grondwettelijk de fiscus dus eerst aan zet is, voorzien de diverse fiscale wetboeken veelal in een op de belastingplichtige rustende aangifteplicht, hetzij jaarlijks (inkomstenbelastingen), hetzij maandelijks, per kwartaal, per verrichting,.. Inzake inkomstenbelastingen wordt dit geregeld door art. 300 WIB.

12 Aangifteplicht WIB § 1. De Koning regelt : 1° de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving der kohieren, de betalingen, de kwijtschriften en de vervolgingen ; 2° het tarief van de vervolgingskosten. § 2. Wanneer een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot onderwerp heeft welke ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belasting, daarin begrepen alle opcentiemen, verhogingen en boeten, alsmede van de desbetreffende interesten en kosten, hebben de cassatietermijn zomede de voorziening in cassatie schorsende kracht.

13 Aangifte bij andere dienst WIB Ten name van de in artikel 227, 1° en 3°, vermelde belastingplichtigen wordt de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, vermelde meerwaarden die geen betrekking hebben op in artikel 44, § 2, vermelde ongebouwde onroerende goederen, gevestigd en ingevorderd door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en domeinen tegen de tarieven en volgens het onderscheid bepaald in artikel 171, 1°,b en 4°,d en e. De Koning regelt de uitvoering van dit artikel.

14 Welk (deel) belasting moet in kohier? WIB § 1. De onroerende voorheffing wordt opgenomen in kohieren. Aanslagen in de onroerende voorheffing die betrekking hebben op een kadastraal inkomen van minder dan 15 EUR per artikel van de kadastrale legger worden niet in een kohier opgenomen. Bij ontstentenis van betaling binnen de in artikel 412 gestelde termijn worden de aanslagen in de roerende voorheffing en in de bedrijfsvoorheffing altijd ten kohiere gebracht, ongeacht het bedrag ervan. Behoudens in de gevallen bepaald bij de artikelen 225, eerste lid, en 248, eerste lid, worden de aanslagen in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting, in de rechtspersonenbelasting en in de belasting van niet-inwoners altijd ten kohiere gebracht, onafgezien het bedrag ervan, maar dit bedrag wordt niet gevorderd of teruggegeven wanneer het na verrekening van de voorheffingen, voorafbetalingen en andere bestanddelen kleiner is dan 2,50 EUR. (…)

15 Wie moet “aangeven”? WIB “Belastingplichtigen die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, zomede belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 232 tot 234, en 248, § 2 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, zijn gehouden ieder jaar aan de administratie der directe belastingen een aangifte over te leggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311. Indien de belastingplichtige overleden of wettelijk onbekwaam is, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden, in het tweede geval op de wettelijke vertegenwoordiger.

16 Wie moet/mag “aangeven”? WIB Bij de zonder vereffening ontbonden vennootschapen in het kader van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing als bedoeld in de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht, rust de verplichting tot aangifte naargelang het geval op de overnemende vennootschap of op de verkrijgende vennootschappen. Bij de andere ontbonden vennootschappen rust deze verplichting op de vereffenaars. Belastingplichtigen die niet kunnen lezen, noch ondertekenen, mogen hun aangifte laten invullen door de personeelsleden van de aanslagdienst waaronder zij ressorteren, mits zij de vereiste inlichtingen verstrekken. In dat geval wordt van deze omstandigheid melding gemaakt in de aangifte en wordt deze ondertekend door het personeelslid die ze ingevuld heeft. De aangiften mogen ook worden overgelegd door een lasthebber, die alsdan van de algemene lastgeving krachtens welke hij optreedt moet doen blijken.

17 Let op bij niet-aangifte – 182 KB/WIB Bij niet neerlegging van een aangifte bepaalt artikel 182 KB/WIB de toepassing van de minimumbelastinggrondslagen (ook voor Belgische ingezetenen). 182 § 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, alsmede, bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, de minimumwinst die belastbaar is ten name van Belgische ondernemingen wordt bepaald als volgt : 1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belastingplichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen;

18 Let op bij niet-aangifte – 182 KB/WIB 2° ondernemingen behorend tot de : a) scheikundige nijverheid : EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); b) voedingsnijverheid : EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, ondernemingen die niet-energetische delfstoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b, hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en -ondernemingen : EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

19 Let op bij niet-aangifte – 182 KB/WIB 3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en electronica en andere diensten aan ondernemingen : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); b) tussenpersonen in handel en vervoer : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); c) banken, krediet- en wisselinstellingen : EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); d) verzekeringen : 2,50 EUR per 25 EUR geïnde premies; e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar).

20 Let op bij niet-aangifte – 182 KB/WIB 182 § 2. Het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan EUR. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte is het minimumbedrag vastgelegd in het eerste lid ook van toepassing op de belastbare baten van beoefenaars van een vrij beroep. § 3. De overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare inkomsten omvatten niet de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, van hetzelfde Wetboek vermelde meerwaarden.

21 Voorstel van aanslag – 306 WIB Een wettelijke mogelijkheid, maar in de praktijk niet toegepast “§ 1. Volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van belastingplichtigen vrijstellen van de in artikel 305 vermelde aangifteplicht in de personenbelasting. Die belastingplichtigen zijn niettemin verplicht een aangifte te doen wanneer hen dat uitdrukkelijk gevraagd wordt door een daartoe gemachtigd ambtenaar van de administratie der directe belastingen. § 2. Aan de belastingplichtigen die overeenkomstig § 1 van aangifteplicht zijn vrijgesteld wordt een voorstel van aanslag toegestuurd. Dit voorstel vermeldt de belastbare grondslag en de daarop verschuldigde belasting, zomede alle inlichtingen en gegevens die in aanmerking zijn genomen. In afwijking van het eerste lid en volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij vaststeld, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de gevallen bepalen waarin de administratie geen voorstel van aanslag moet toesturen. § 3. Indien de belastingplichtige niet akkoord gaat met het voorstel van aanslag, dient hij de administratie daarvan binnen de maand na de datum van de verzending van dat voorstel in kennis te stellen met vermelding van zijn motieven. Bovendien dient de belastingplichtige binnen dezelfde termijn iedere onjuistheid of onvolledigheid van het voorstel van aanslag aan de administratie mede te delen. § 4. Het voorstel van aanslag, aangevuld met de gegevens die de belastingplichtige binnen de in § 3 vermelde termijn heeft ter kennis gebracht, heeft dezelfde waarde als een in de voorgeschreven vormen en termijnen gedane aangifte. Indien de belastingplichtige evenwel de in § 3, tweede lid, vermelde verplichting niet heeft nageleefd wordt het voorstel van aanslag met een onvolledige of onjuiste aangifte gelijkgesteld. “

22 Aangifteformulier WIB “§ 1. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat wordt uitgereikt door de dienst die daartoe door de directeur-generaal van de directe belastingen werd aangewezen. De jaarlijkse aangifte in de personenbelasting moet het bestaan vermelden van rekeningen van elke aard waarvan de belastingplichtige, zijn echtgenoot, alsmede de kinderen waarvan, overeenkomstig artikel 126, § 4, de inkomsten bij die van de ouders worden gevoegd, op enigerlei ogenblik tijdens het belastbaar tijdperk, titularis zijn geweest bij een in het buitenland gelegen bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling en het land of de landen waar die rekeningen geopend zijn geweest. Het formulier van aangifte in de personenbelasting bevat de daartoe voorziene rubrieken.

23 Aangifteformulier WIB De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of, overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de belasting van niet-inwoners, zijn gehouden aangifte te doen van alle betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in een Staat die : a) ofwel gedurende het volledige belastbaar tijdperk waarin de betaling heeft plaatsgevonden, door het Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen, na een grondige beoordeling van de mate waarin de OESO-standaard op het gebied van uitwisseling van inlichtingen in deze Staat is toegepast, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel deze standaard toepast; b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting.

24 Aangifteformulier WIB Voor de toepassing van het derde lid wordt onder Staat zonder of met een lage belasting verstaan een Staat waarvan het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct. De lijst van Staten zonder of met een lage belasting wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Deze lijst wordt herzien bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De in het derde lid bedoelde aangifte moet slechts worden gedaan voor zover het totaal van de betalingen die tijdens het belastbaar tijdperk werden gedaan, een minimum bedrag van euro bereikt. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid, bedoelde aangifte. § 2. Het formulier wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend.

25 Aangifteformulier WIB § 3. De bescheiden, opgaven en inlichtingen waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, vormen een integrerend deel van de aangifte en moeten worden bijgevoegd. Afschriften moeten eensluidend met het oorspronkelijk stuk worden verklaard; andere bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend, behoudens indien zij uitgaan van derden. De nomenclatuur en het model van de in het eerste lid bedoelde bescheiden, opgaven en inlichtingen worden vastgesteld in overleg met de meest representatieve organisaties uit de nijverheid, de landbouw, de handel en het ambachtswezen en de meest representatieve werknemersorganisaties. § 4. De aangifte moet worden teruggezonden of afgegeven aan de dienst die op het formulier is vermeld. De aangifte in de personenbelasting moet worden teruggezonden aan de dienst die op het formulier is vermeld. § 5. De belastingplichtige kan onder de door de Koning bepaalde voorwaarden de in het aangifteformulier gevraagde gegevens eveneens verstrekken bij middel van computerafdrukken of van elektronische informatiedragers.

26 Aangifteformulier WIB Gevolgen van niet-melden van bestaan van buitenlande rekening op aangifteformulier Volgens het Hof van Cassatie verleent die wetsbepaling aan de Koning niet de bevoegdheid om de belastingplichtigen te verplichten om het niet-bestaan van een buitenlandse bankrekening te bevestigen door het aanbrengen van de vermelding “nihil” in de daartoe bestemde rubriek op het aangifteformulier. De wijze waarop de Koning de belastingplichtigen verplicht de betwiste rubriek in te vullen, is volgens het Hof van Cassatie “misleidend” en beantwoordt niet aan de wettelijke opdracht die aan de Koning werd gegeven. Belastingplichtigen die nalaten in de daartoe bestemde rubriek de vermelding “nihil” aan te brengen, dienen geen onregelmatige aangifte in (Cass. 8 mei Fisc. Koerier 2009/608).

27 Elektronische aangifte - 307bis WIB § 1. De elektronische aangifte, door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gesteld, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte bedoeld in artikel 307, § 2. § 2. De bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de aangifte zijn van toepassing op de elektronische aangifte voorzover deze bepalingen omwille van hun aard of hun modaliteiten er niet strijdig zouden mee zijn. Opm.: midden juli 2010 dienden maar liefst Belgen een aangifte in via taxonweb – probeer ook eens myminfin uit (fiscus als Big Brother)

28 Aangifteplicht - 308bis WIB § 1. De belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden van belastbaarheid, inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet- inwoners overeenkomstig de artikelen 243 tot 245 en 248, § 2, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending ervan. § 2. Indien de in § 1 gestelde termijn niet is verlopen op de datum van overlijden van de belastingplichtige die gehouden is aangifte te doen, bedraagt hij voor de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden vijf maanden vanaf die datum. § 3. De in § 1 bedoelde belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen, moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk op 1 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd een aangifteformulier aanvragen en, zo zulks nodig is, de termijn vermelden waarop zij in voorkomend geval ingevolge § 2 aanspraak kunnen maken. Deze verplichting geldt niet voor : - belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 306 van aangifteplicht zijn vrijgesteld; - belastingplichtigen die in de elektronische aangifte bedoeld in artikel 307bis voor het voorgaand aanslagjaar zich ertoe hebben verbonden om het daaropvolgend aanslagjaar eveneens gebruik te maken van de overlegging op elektronische wijze. - de belastingplichtigen die, voor het voorgaande aanslagjaar, een elektronische aangifte als bedoeld in artikel 307bis hebben ingediend door tussenkomst van een mandataris en die voor het lopende aanslagjaar dat mandaat niet hebben beëindigd;

29 Wegvallen grond belastbaarheid midden jaar WIB Belastingplichtigen waarvoor de gronden van belastbaarheid inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoner inzake belasting van niet- inwoners overeenkomstig de artikelen 243 tot 245 en 248, § 2, vóór 31 december zijn weggevallen, zijn eveneens gehouden aan de aanslagdienst waaronder zij ressorteren een aangifteformulier te vragen voor het gedeelte van het jaar waarvan die gronden aanwezig waren. Dezelfde verplichting rust op de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van overleden belastingplichtigen. In het geval van het eerste lid moet de aangifte bij de daarop vermelde dienst toekomen binnen drie maanden na de dag waarop de gronden van belastbaarheid zijn weggevallen; in het geval van het tweede lid is de termijn vijf maanden, te rekenen van de dag van het overlijden.

30 Aangiftetermijn WIB Voor binnenlandse vennootschappen of aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen, zomede voor belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 246 en 247 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, mag de termijn binnen welke de aangifte bij de op het formulier vermelde dienst moet toekomen, niet korter zijn dan een maand vanaf de datum waarop hetzij de jaarrekening hetzij de rekening der ontvangsten en uitgaven zijn of is goedgekeurd, noch langer zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop het boekjaar is afgesloten. Bij de zonder vereffening ontbonden vennootschappen ten gevolge van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing zoals bedoeld in de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht mag die termijn niet korter zijn dan één maand vanaf de datum van de goedkeuring van deze verrichting door de algemene vergaderingen van alle vennootschappen die beslist hebben tot de fusie, de aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing zoals bedoeld in de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht, noch langer zijn dan zes maanden vanaf de datum van deze verrichting. Bij de andere ontbonden vennootschappen mag die termijn niet korter zijn dan één maand vanaf de datum van de goedkeuring van de resultaten van de vereffening, noch langer zijn dan zes maanden vanaf de laatste dag van het tijdperk waarop de resultaten betrekking hebben.

31 Bevrijding van aangifte WIB De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn er niet toe gehouden in hun jaarlijkse aangifte in de voormelde belasting de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, noch de in artikel 90, 6°, vermelde loten, noch de vergoedingen vermeld in artikel 90, 11°, te vermelden waarvoor een roerende voorheffing is gekweten, noch die welke krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld, behalve indien het gaat om : 1° inkomsten uit hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitsluiting van inkomsten uit hypothecaire obligaties; 2° in artikel 17, § 1, 3°, vermelde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen; 3° in artikel 17, § 1, 4°, vermelde inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten; 4° in artikel 19, § 1, 2°, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend; 5° in artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde inkomsten in zoverre zij meer bedragen dan respectievelijk de in het 5°, 6° en 10°, van dat artikel bepaalde grenzen en voor zover de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere. De roerende voorheffing op de aldus niet aangegeven inkomsten wordt noch met de personenbelasting verrekend, noch terugbetaald.

32 Bevrijding van aangifte WIB Inhouding woonstaatheffing in Lux. of Oostenrijk, “bevrijdt” de belastingplichtige niet van de aangifte in België (cf. Spaarrichtlijn) Dit is evenmin het geval indien een andere Lidstaat een ‘lokale’ (voor)heffing inhoudt.

33 Boekencontrole WIB Eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet- inwoners is verplicht de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen. De verplichting tot voorlegging : 1° omvat, voor rijksinwoners, de boeken en bescheiden betreffende de in artikel 307, § 1, tweede lid, vermelde rekeningen; 2° strekt zich uit, voor vennootschappen, tot de registers van de aandelen en obligaties op naam, alsmede tot de presentielijsten van de algemene vergaderingen. Behoudens wanneer zij door het gerecht in beslag genomen zijn, of behoudens afwijking toegestaan door de administratie, moeten de boeken en bescheiden aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden vastgesteld, ter beschikking van de administratie worden bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps- of privélokaal van de belastingplichtige waar die boeken en bescheiden werden gehouden, opgesteld of toegezonden, tot het verstrijken van het zevende jaar of boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk.

34 Boekencontrole WIB Om fiscaal regelmatig te zijn, dient de boekhouding niet noodzakelijk overeen te stemmen met de voorschriften van de wet op de boekhouding, maar moet zij dezelfde betrouwbaarheid vertonen als een boekhouding gevoerd volgens de boekhoudvoorschriften (Cass. 10 maart 1964). Een naar boekhoudrecht correcte boekhouding kan fiscaal niet bewijskrachtig zijn. De boekhouding moet niet enkel regelmatig zijn, maar moet ook “een geheel van samenhangende en nauwkeurige elementen vertonen waaruit na controle blijkt dat ze oprecht zijn en bijgevolg de juistheid van de aangegeven inkomsten bevestigt” (Luik 25 februari 1981, F.J.F. 82/138).

35 Boekencontrole WIB Enkel indien de fiscus wil overgaan tot een taxatie bij vergelijking zoals voorzien onder artikel 342 WIB, dient de fiscus het niet- bewijskrachtig karakter van de boeken/boekhouding aan te tonen. De andere bewijsmiddelen kunnen door de fiscus worden ingeroepen zonder voorafgaande verwerping van de bewijskracht (vb. taxatie bij feitelijke vermoedens, indiciaire taxatie, …)

36 “Digitale” boeken(controle) – 315bis WIB De natuurlijke personen en rechtspersonen die een beroep doen op een computersysteem om de boeken en bescheiden waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 315, geheel of ten dele, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren, zijn eveneens verplicht, op verzoek van de administratie, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten, ter inzage voor te leggen.315 De op de informatiedragers geplaatste gegevens moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd. Wanneer de administratie hen erom verzoekt, zijn de in het eerste lid bedoelde personen verplicht op hun uitrusting en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie, kopies te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens, alsook de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen. De bepalingen van artikel 315, derde lid, zijn van toepassing op de bewaring van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook op de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten. In afwijking van deze bepalingen verstrijkt de bewaartermijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van computer-systemen, op het einde van het zevende jaar of boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk waarin het in die gegevens omschreven systeem werd gebruikt.

37 Vraag om inlichtingen WIB Onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners verplicht de administratie, op haar verzoek, binnen een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.

38 Onderzoek en beroepsgeheim – WIB Volgens de Brugse rechter geldt in fiscale zaken geen zwijgrecht maar daarentegen een spreekplicht en een plicht tot medewerking (art. 315, 315bis en 316 WIB 92). De fiscus heeft ook bij belastingplichtigen die door het beroepsgeheim gebonden zijn, het recht de identiteitsgegevens van hun cliënten op te vragen. De financiële transacties met het cliënteel zijn fiscale basisinformatie waarop de administratie recht heeft voor het controleren van de aangiften in de personenbelasting en het vaststellen van het juiste bedrag van de verschuldigde belasting. De fiscus moet kunnen controleren hoeveel de cliënten exact voor de tussenkomsten van hun advocaat hebben betaald. De Brugse rechter vindt wel dat de administratie bij het voeren van haar onderzoek geen vragen kan stellen over de aard van de zaak en/of vertrouwelijke informatie (tussen de cliënt en de advocaat) kan opvragen. Volgens de rechtbank dient het beroepsgeheim om cliënten te beschermen en niet om hun advocaten van een fiscaal onderzoek te vrijwaren (Rb. Brugge 27 april Fisc. Koerier 2009/529)

39 Gegevens mbt derden WIB De in de artikelen 315, eerste en tweede lid, 315bis, eerste tot derde lid en 316 bedoelde verificaties en vragen om inlichtingen mogen slaan op alle verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen en de aldus ingewonnen inlichtingen kunnen eveneens worden ingeroepen met het oog op het belasten van derden.

40 Fiscaal bankgeheim WIB In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie niet gemachtigd in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. Indien evenwel, het op basis van de artikelen 315, 315bis en 316 uitgevoerde onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, kan de ambtenaar die hiertoe wordt aangesteld door de Minister van Financiën een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en documenten van de instelling inlichtingen te putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde belastingen te bepalen.

41 Fiscaal bankgeheim WIB De financiële instellingen waarvoor het bankgeheim geldt (ex art. 318 WIB 92) omvatten, naar algemeen spraakgebruik, ook de ondernemingen die een werkzaamheid van financiële leasing uitoefenen (Cass. 15 oktober 2009, TFR 377, 243). Goed nieuws. Het bankgeheim geldt, zo vervolgt het Hoogste Gerechtshof in 2009, evenwel niet ten aanzien van de verkoop door een leasingmaatschappij van een geleasd voertuig, aan een andere persoon dan de leasingnemer, ook niet in geval de aankoopoptie door de leasingnemer, met instemming van de leasinggever aan deze persoon werd overgedragen. Slechts nieuws.

42 Visitatierecht WIB Natuurlijke of rechtspersonen zijn gehouden aan de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen, garages of tot hun terreinen welke als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doen, ten einde aan die ambtenaren enerzijds de mogelijkheid te verschaffen de aard en de belangrijkheid van de bedoelde werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen van alle aard welke die personen er bezitten of er uit enigen hoofde onder zich hebben, met inbegrip van de installaties en het rollend materieel en anderzijds de bovenbedoelde ambtenaren in staat te stellen om alle boeken en bescheiden die zich in de voornoemde lokalen bevinden, te onderzoeken.

43 Visitatierecht WIB De ambtenaren van de administratie der directe belastingen, voorzien van hun aanstellingsbrief, mogen, wanneer zij met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid en waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank. De voormelde ambtenaren, voorzien van hun aanstellingsbewijs, mogen door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de personen als vermeld in artikel 315bis, derde lid, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door inzonderheid de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.

44 Visitatierecht WIB Opmerking: Vóór de wijziging van artikel 319 WIB door de Wet van 19 mei 2010, oordeelde het Hof van Cassatie na het arrest van 16 december 2003 inzake BTW, dat ook inzake oud artikel 319 WIB 92 (controle ter plaatse) de controlerende ambtenaren alle stukken mogen onderzoeken die “ter beschikking” zijn in de beroepslokalen (Cass. 12 september 2008 – TFR 2009, 301). Opmerking 2: veelal wordt gesteld dat zeker sinds de wetswijziging de fiscus (ook inkomstenbelastingen) het recht heeft om kasten, bureaus, … van de belastingplichtige te onderzoeken. Het is evenwel niet zeker of de (aangepaste) wettekst dermate verre onderzoeksmogelijkheden biedt voor de fiscus.

45 Onderzoek door ontvangers - 319bis WIB De met de invordering belaste ambtenaren beschikken over alle onderzoeksbevoegdheden bepaald in dit Wetboek teneinde de vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op het invorderen van de belasting en de voorheffingen verschuldigd in hoofdsom en opcentiemen, van de belastingverhogingen en administratieve boeten, van de interesten en van de kosten. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen ten aanzien van de instellingen bedoeld in artikel 318.

46 Inlichting inwinnen omtrent bepaalde belastingplichtigen WIB De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren. Nochtans mag het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere graad dan die van controleur.

47 Meer algemene inlichtingen inwinnen WIB De administratie mag eveneens van natuurlijke of rechtspersonen alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, voor alle of een deel van hun verrichtingen of activiteiten de overlegging vorderen van inlichtingen slaande op elke persoon of groep van personen, zelfs niet met name aangeduid, met wie zij rechtstreeks of onrechtstreeks in betrekking zijn geweest uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten. Wat niet mag: aan private persoon vragen wie hij allemaal heeft ingehuurd voor zijn privéfeestje

48 Wanneer vragen om inlichtingen stellen? WIB Vragen om inlichtingen (art. 322 en 323 WIB 92) kunnen enkel aangewend worden om de belastingen te vestigen en in te vorderen en om de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren, maar niet om zich in rechte te verdedigen (Rb. Antwerpen 24 april 2009 – TFR 374, 80)

49 Theoretisch bewijsmiddel: de getuige WIB De belastingplichtige wordt bij ter post aangetekende brief opgeroepen om het getuigenverhoor bij te wonen. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten waarvan zij kennis hebben en waarvan de vaststelling nuttig kan zijn voor de toepassing der belastingwetten op de feiten waarover geschil is. Alvorens te getuigen leggen zij de bij artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven eed af. Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.

50 Samenwerking met andere besturen etc WIB § 1. De bestuursdiensten van het Vlaamse Gewest, met inbegrip van de parketten en de griffies der Hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten zomede de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de vestiging of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar voor de vestiging of de invordering van de door het Vlaamse Gewest geheven belastingen nodig acht. Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de federale procureur, procureur-generaal of de auditeur-generaal. De originelen echter van de ontvangstbewijzen-getuigschriften voor verstrekte hulp, uitgereikt door de geneesheren, de tandheelkundigen en de paramedische medewerkers mogen niet worden medegedeeld zonder dat de nationale raad van de Orde der geneesheren of de provinciale geneeskundige commissies de gelegenheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de Vlaamse Belastingdienst hierdoor geen inlichtingen krijgt betreffende de identiteit van de zieken en van de verzekerden. § 2. Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op het Nationaal Instituut voor de Statistiek en het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand wat de individueel verkregen inlichtingen betreft. § 3. Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op de openbare kredietinstellingen en -inrichtingen, noch op het Bestuur der postchecks wat de financiële verrichtingen binnen het kader van hun bedrijvigheid betreft. Het bepaalde in § 1 blijft evenwel van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 318, tweede lid. (…) § 6. De kansspelcommissie als bedoeld in artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de Vlaamse regering er onverwijld van in kennis stellen dat zij bij een orgaan dat zij controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude.

51 Controletermijnen WIB Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald. Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid [d.i. drie jaar] en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid. Zij mogen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

52 Wat bij beroepsgeheim? WIB Wanneer een krachtens de artikelen 315, eerste en tweede lid, 315bis, eerste tot derde lid, 316 en 322 tot 324 aangezochte persoon het beroepsgeheim doet gelden, verzoekt de administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim. Zie reeds commentaar bij artikel 316 inzake vragen gesteld aan een persoon met beroepsgeheim

53 “Super databank” WIB Doel van de vernieuwde maatregel: “Alle hinderpalen die een nauwere samenwerking tussen de diverse administraties van de FOD Financiën in de weg staan uit de weg ruimen en voorziet dat alle gegevens binnen de FOD Financiën deel uitmaken van een fiscale gegevensbank die gemeenschappelijk is aan alle administraties en die kan worden aangewend voor elke belasting waarvan de Federale Overheidsdienst Financiën de vestiging en/of de invordering garandeert” (MvT, Parl. St. Kamer , nr. 2278/001, 84). Het doel van deze maatregel is om de strijd tegen de fiscale fraude op te voeren door de fiscale ambtenaren de mogelijkheid te bieden in de uitoefening van hun specifieke fiscale controleopdracht die hen is toegewezen alle gegevens te raadplegen die beschikbaar zijn bij alle andere diensten en departementen van de FOD Financiën. De nieuwe wettekst van artikel 335 WIB 1992 moet tegelijk een antwoord bieden “op de problemen die zich kunnen stellen met betrekking tot de onderzoeksdaden die door de polyvalente controlecentra van de AOIF worden gesteld” (MvT, Parl. St. Kamer , nr. 2278/1, 86). Bij een fiscaal onderzoek door een polyvalente controledienst kan het onderzoek immers betrekking hebben op verscheidene belastingen “waardoor het vaak niet duidelijk is voor welke belasting de controledienst in eerste instantie regelmatig is belast met een controle of onderzoek” (cf. Antwerpen 14 maart 2006, FJF, No. 2006/841)

54 Vermoeden van juistheid aangifte WIB De aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de administratie der directe belastingen. Deze neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt. Wanneer de belastingplichtige ingevolge artikel 306 van aangifteplicht is vrijgesteld, wordt de aanslag gevestigd op de in het voorstel van aanslag vermelde gegevens, desgevallend verbeterd aan de hand van de opmerkingen van de belastingplichtige.

55 Bewijsmiddelen van de fiscus WIB Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed. De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. Opmerking: De bewijsmiddelen, andere dan de eed, door het gemeen recht aangenomen, zijn : het schriftelijk bewijs, de getuigenissen, de vermoedens, de bekentenis.

56 Bewijsmiddelen van de fiscus WIB Processen-verbaal dienen “voor het vaststellen van feiten en inbreuken met een vluchtig karakter, zoals het aantal personeelsleden, het transport van goederen, het laden of lossen van een goed, de weigering boeken of bescheiden voor te legen of inlichtingen te verstrekken”. Ook mondelinge verklaringen van de belastingplichtige of van getuigen kunnen in een proces-verbaal worden opgenomen (Parl. St. Kamer nr /1, 73)

57 Bewijsmiddelen van de fiscus WIB Een dergelijk proces-verbaal levert dan bewijs op van “de juistheid en de waarachtigheid van de erin opgenomen inlichtingen, zolang de belastingplichtige niet heeft aangetoond dat deze onjuist of onwaar zijn. De belastingplichtige moet het tegenbewijs leveren aan de hand van positieve en controleerbare gegevens; loutere beweringen of ontkenningen zijn niet voldoende”. Net zoals inzake btw strekt deze bijzondere bewijskracht zich uit “tot alle handelingen die de verbalisanten verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest en, meer algemeen, tot al wat zij gezien, gehoord af anders waargenomen hebben voor zover deze vaststellingen binnen het kader van hun opdracht blijven. De bewijskracht geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden; deze deducties en afleidingen blijven onderworpen aan de controle van de rechtbanken” (Parl. St. Kamer, nr /1, 73)

58 Indiciaire taxatie WIB Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Wanneer het tegenbewijs van de belastingplichtige betrekking heeft op verkopen van roerende waarden of andere financiële instrumenten die hij zich als belegging heeft aangeschaft, hebben de ingeroepen aankoop- of verkoopborderellen of - documenten tegenover de Administratie der directe belastingen slechts bewijskracht indien ze de vermelding "op naam" dragen en zijn opgesteld ten name van de belastingplichtige of van de personen van wie hij de rechthebbende is.

59 Indiciaire taxatie WIB De inkomsten automatisch als beroepsinkomsten betitelen, mag niet. Als er geen specifieke aanwijzing is van de oorsprong van het inkomen, moet het inkomen geacht worden een netto belastbaar inkomen te zijn waarvan de oorsprong onbepaald is (Brussel 4 februari 2010 – Fisc. Act – 11/15).

60 Taxatie bij vergelijking/forfait WIB § 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, § 1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen. De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen. De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren. De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren.

61 Taxatie bij vergelijking/forfait WIB § 2. De Koning bepaalt, met inachtneming van de in § 1, eerste lid vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn. § 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van § 2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep.

62 Antimisbruikbepaling § 1 WIB § 1. Aan de administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.

63 Antimisbruikbepaling § 1 WIB Cass. 4 november 2005, F.J.F. 2006, nr. 21: “gevolgen nieuwe kwalificatie en oorspronkelijke kwalificatie = “gelijksoortig” – vruchtgebruik niet herkwalificeerbaar in huur (zie ook Cass. 22 november 2007, F.J.F. 2008, nr. 140; Cass. 11 december 2008, (herkwalificatie huur- onderhuurconstructie in rechtstreekse huur)www.cass.be

64 Antimisbruikbepaling § 1 WIB Mag fiscus tussenstap (doorgeefluik) negeren?: Eerdere RS/RL: fiscus kan geen tussenvennootschap negeren of de volgorde van akten omdraaien – partijen moeten onaangeroerd blijven Cass. 10 juni 2010 (“managementfeearrest besproken in Fisc. Act. 2010, nr. 25, 1-2): “opeenvolgende overeenkomsten mogen worden geherkwalificeerd in een overeenkomst tussen partijen die niet rechtstreeks met elkaar hebben gecontracteerd, voor zover het vanuit economisch oogpunt om dezelfde verrichting gaat” (economisch niet nodig of substantie mist)

65 Simulatie Beweren dat de structuur van de Luxemburgse vennootschap (Holding 1929) slechts een “scherm” is en de belastingplichtigen de “echte economische begunstigden” zijn van de roerende inkomsten die door de vennootschap zijn genoten, volstaat volgens het Gentse Hof (15 december 2009, Fisc. Koerier 2010/349) niet om de aanslagen te verantwoorden en dus te spreken van simulatie. Om van simulatie te kunnen spreken, zou de fiscus in het voorliggende geval in concreto moeten aantonen dat het echtpaar en niet hun buitenlandse vennootschap de roerende inkomsten heeft genoten. De fiscus is er niet in geslaagd dat bewijs te leveren. De taxatiediensten tonen op basis van de door hen aangevoerde elementen geenszins aan dat de belaste inkomsten niet door de Luxemburgse holding (als eigenaar van de effectenportefeuille) maar door de belastingplichtigen werden genoten.

66 Simulatie De volgende elementen tonen volgens het Gentse Hof of nog niet aan dat er sprake zou zijn van simulatie: - het feit dat de buitenlandse holdingvennootschap door de belastingplichtigen zelf in het buitenland (Luxemburg) en naar buitenlands (Luxemburgs) recht werd opgericht en ze de aandelen in handen hielden; -het feit dat de financiële middelen van de vennootschap afkomstig waren van een verkoop van aandelen van een Belgische vennootschap; -het feit dat de Luxemburgse vennootschap bij een Belgische bank een deviezenrekening en een effectendepot aanhield; -het feit dat de rekeninguittreksels van de Luxemburgse vennootschap naar het Belgische adres van de aandeelhouders (en bestuurder) van de vennootschap werden verstuurd.

67 De “papieren tijger” § 2 WIB Aan de Administratie der directe belastingen kan evenmin worden tegengeworpen, de verkoop, de cessie of de inbreng van aandelen, obligaties, schuldvorderingen of andere titels tot vestiging van leningen, uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken, of alle andere soortgelijke rechten, of geldsommen, aan een in artikel 227 vermelde belastingplichtige die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar hij is gevestigd, niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen of ter zake van de inkomsten uit de vervreemde goederen en rechten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling is onderworpen dan die waaraan soortgelijke inkomsten in België zijn onderworpen, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, ofwel dat hij voor de verrichting een werkelijke tegenwaarde heeft ontvangen die een bedrag aan inkomsten opbrengt waarop in België een werkelijke belastingdruk weegt die, vergeleken met de belastingdruk welke zonder die verrichting zou bestaan, als normaal kan worden aangemerkt.

68 Bericht van wijziging WIB Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de administratie hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen. Wanneer de administratie gebruik maakt van het bewijsmiddel bedoeld in artikel 342, § 1, eerste lid, deelt zij op dezelfde wijze het bedrag mede van de winst of baten van drie soortgelijke belastingplichtigen, alsmede de gegevens die nodig zijn voor het verhoudingsgewijs bepalen van de winst of baten van de betrokken belastingplichtige.

69 Bericht van wijziging WIB Binnen de termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen; de aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn. De vorige leden zijn eveneens van toepassing op de inkomsten en andere gegevens die zijn vermeld in een in artikel 306 bedoeld voorstel van aanslag, wanneer hetzij dat voorstel van aanslag, aangevuld met de gegevens die de belastingplichtige binnen de in artikel 306, § 3, vermelde termijn heeft ter kennis gebracht, onjuist of onvolledig is, hetzij de administratie niet akkoord gaat met de haar binnen de termijn van artikel 306, § 3, ter kennis gebrachte opmerkingen van de belastingplichtige.

70 Bericht van wijziging WIB Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief in kennis van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.

71 Bericht van wijziging WIB De verwerping van kosten verwijzend naar artikel 49 WIB 92, zonder te specificeren aan welke van de daarin vermelde concreet afgelijnde voorwaarden niet is voldaan, is volgens de rechter allerminst afdoend. Ook de theoretische beschouwingen over de aard van de voor te leggen bewijsstukken en over de onderzoeksbevoegdheden van de fiscus zijn geen motivering. Evenmin kan het enkele verzoek om bewijsstukken voor te leggen op zich een reden uitmaken om de fiscale aftrek van managementvergoedingen als beroepskost te weigeren (Rb. Gent 4 mei 2009 – Fisc – 12).

72 Kennis aanslag van ambtswege WIB De administratie kan de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de belastingplichtige nagelaten heeft : - ofwel een aangifte te doen binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311 of in de bepalingen genomen ter uitvoering van artikel 312; - ofwel aan de vormgebreken waarmede de aangifte is aangetast binnen de daarvoor toegestane termijn, te verhelpen ; - ofwel de in artikel 315 vermelde boeken, bescheiden en registers of de in artikel 315bis bedoelde dossiers, dragers of gegevens over te leggen ; - ofwel de op grond van artikel 316 gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken ; - ofwel binnen de in artikel 346 gestelde termijn te antwoorden op het erin bedoelde bericht.

73 Kennis aanslag van ambtswege WIB Behalve in de laatste eventualiteit bedoeld in het eerste lid of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren ingevolge een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijnen of nog indien het gaat om roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, wordt aan de belastingplichtige een termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van die kennisgeving toegestaan om zijn opmerkingen schriftelijk in te brengen en mag de aanslag niet vóór het verstrijken van die termijn worden gevestigd.

74 Antwoord KAA WIB Indien hij ambtshalve is aangeslagen behoort het aan de belastingplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens. Het behoort evenwel aan de administratie dat bewijs te leveren indien : - de belastingplichtige aantoont dat wettige redenen hem hebben belet de in artikel 315, eerste en tweede lid, vermelde boeken, bescheiden en registers of de in artikel 315bis, eerste tot derde lid, vermelde dossiers, dragers of gegevens over te leggen of op de grond van artikel 316 gevraagde inlichtingen binnen de gestelde tijd te verstrekken of binnen de in artikel 346 gestelde termijn te antwoorden op het erin bedoelde bericht ; - de aanslag op de grondslag vermeld in het in artikel 346 bedoelde bericht werd gevestigd vóór het verstrijken van de in dat artikel vermelde termijn omdat de rechten van de Schatkist in gevaar verkeerden.

75 Niet-akkoord op niet-akkoord - 352bis WIB Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief in kennis van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig artikel 351, derde lid, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen.

76 Gewone aanslagtermijn WIB De belasting met betrekking tot de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311, wordt gevestigd binnen de in artikel 359 gestelde termijn, die evenwel niet korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de dienst die op het formulier is vermeld is toegekomen. In afwijking van het eerste lid mag de in artikel 359 gestelde termijn evenwel niet korter zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 306 bedoelde voorstel van aanslag aan de belastingplichtige is toegestuurd.

77 Buitengewone aanslagtermijnen WIB Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd. Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar.

78 Buitengewone aanslagtermijnen WIB Deze termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de twee vorige leden. Wanneer de belastingplichtige of de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de ambtenaar daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen.

79 Buitengewone aanslagtermijnen WIB Zodra blijkt dat de belastingplichtige met bedrieglijk opzet heeft gehandeld kan de aanslag betrekking hebben op de totaliteit van de uit hoofde van de belastbare inkomsten verschuldigde belasting (Cass. 3 september 2004).

80 Hertaxatie WIB Wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht. Wanneer de vernietigde aanslag tot een teruggave van een belastingkrediet, voorheffing of voorafbetaling aanleiding heeft gegeven, wordt bij de vestiging van de nieuwe vervangende aanslag rekening gehouden met deze teruggave.

81 Hertaxatie WIB Als oorspronkelijke aanslag vernietigd werd ten gevolge van willekeur : geen hertaxatie mogelijk want aanslag wordt niet gevestigd op grond van “dezelfde belastingelementen” (Cass. 12 februari 2004, Fisc.Koer. 2004, 411; Rb. Gent 17 maart 2005, Fisc. 982, p. 10)

82 Subsidiaire aanslag WIB Wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. Als de administratie een subsidiaire aanslag binnen de voornoemde termijn van zes maanden aan de rechter voorlegt, beginnen, in afwijking van het eerste lid, de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen te lopen vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing betreffende de subsidiaire aanslag.

83 Subsidiaire aanslag WIB Wanneer de aanslag waarvan de nietigheid door de rechter wordt uitgesproken, aanleiding heeft gegeven tot een teruggave van een voorheffing of voorafbetaling, wordt bij de berekening van de aan het oordeel van de rechter onderworpen subsidiaire aanslag rekening gehouden met die teruggave. De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing. Wanneer de subsidiaire aanslag gevestigd wordt in hoofde van een overeenkomstig artikel 357 gelijkgestelde belastingschuldige, wordt die aanslag aan de rechter onderworpen door een aan de gelijkgestelde belastingschuldige betekend verzoekschrift met dagvaarding om te verschijnen.

84 Subsidiaire aanslag WIB Krachtlijnen :  termijn van 6 maanden om subsidiaire aanslag voor te leggen  Middels een conclusie  Schorsing termijn voor instellen rechtsmiddel  onmiddellijk van toepassing ongeacht aanslagjaar – wel overgangsmaatregel voorzien

85 Hertaxatie/subsidiaire WIB Voor de toepassing van de artikelen 355 en 356 worden met dezelfde belastingschuldige gelijkgesteld : 1° de erfgenamen van de belastingschuldige ; 2° zijn echtgenoot ; 3° de overnemende of de verkrijgende vennootschappen, naar gelang het geval; 4° de leden van het gezin, de vennootschap, de vereniging of de gemeenschap waarvan het hoofd of de directeur oorspronkelijk werd aangeslagen en wederkerig.

86 Bijzondere aanslagtermijnen WIB § 1. De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval : 1° een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelastingen ten name van een welbepaalde belastingplichtige uitwijst, dat die belastingplichtige de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing heeft overtreden, in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar van de vaststelling van de inbreuk ; 2° een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land, waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de resultaten van die controle of dat onderzoek ter kennis van de Belgische administratie werd gebracht ; 3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld ; 4° bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de Administratie kennis krijgt van die gegevens.

87 Bijzondere aanslagtermijnen WIB § 2. In de gevallen bedoeld in § 1, 1°, 3° en 4°, moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum : 1° waarop de in § 1, 1°, bedoelde inbreuk werd vastgesteld; 2° waarop tegen de beslissing over de in § 1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend; 3° waarop de administratie kennis krijgt van de in § 1, 4°, vermelde bewijskrachtige gegevens. § 3. In het geval bedoeld in § 1, 2°, moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de vierentwintig maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Belgische administratie kennis draagt van de resultaten van de controle of het onderzoek bedoeld in § 1, 2°.

88 Bijzondere aanslagtermijnen WIB Artikel 358 §1 3° W.I.B laat de Administratie toe, binnen de verlengde termijn, ook de inkomsten te belasten die na het instellen van de rechtsvordering niet werden aangegeven en waarvan het bestaan door die vordering aan het licht is gebracht (Cass. 11 februari 2010).

89 Gewone aanslagtermijn WIB Het aanslagjaar begint op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31ste december. Evenwel kan de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting op geldige wijze gevestigd worden tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

90 Eenjarigheidsprincipe WIB De voor een aanslagjaar verschuldigde belasting wordt gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verkregen. De Koning bepaalt het belastbare tijdperk en de inkomsten die daartoe behoren.

91 Bijzondere taxatieperiode WIB Wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een bepaald belastbaar tijdperk onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva vermeld in artikel 24, eerste lid, 4°, worden vastgesteld, worden deze als winst van dat belastbare tijdperk aangemerkt, zelfs indien ze blijken uit de boekhouding betreffende vorige belastbare tijdperken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat ermee rekening is gehouden bij het bepalen van het resultaat van deze laatste tijdperken.

92 Exit-fictie - 364bis WIB Wanneer de in artikel 34 vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden worden betaald of toegekend aan een belastingplichtige die zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin vooraf naar een buiten de Europese Economische Ruimte gelegen Staat heeft overgebracht, wordt de betaling of toekenning geacht daags voor de overbrengst te hebben plaatsgehad. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt elke overdracht als vermeld in artikel 34, §2, 3°, met een toekenning gelijkgesteld.

93 Bezwaar WIB De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd. Het bezwaarschrift blijft evenwel geldig ingediend wanneer het gebracht wordt voor een andere directeur van de belastingen dan deze bedoeld in het eerste lid. Wanneer het bezwaarschrift gericht wordt aan een andere directeur van de belastingen, zendt deze het van ambtswege door aan de territoriaal bevoegde directeur en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.

94 Wie kan bezwaar indienen voor een vennootschap ? WIB “Het arrest dat beslist dat, gelet op de omvang van de activiteiten van een naamloze vennootschap, het indienen van het litigieuze bezwaarschrift maar een gering belang had, maar niet nagaat of die handeling een zo snelle oplossing vereiste dat niet op een vergadering van de raad van bestuur kon worden gewacht, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat het bezwaarschrift van die vennootschap rechtsgeldig is ingediend door twee personen die de afgevaardigd bestuurder daarmee belast had binnen het kader van zijn dagelijks bestuur ” (Cass. 26 februari 2009 –

95 Wie kan bezwaar indienen voor een vennootschap ? WIB Blijft dus over (voor de ‘CEO’) –Handelingen nodig voor dagelijkse werking –Handelingen van gering belang die dringend zijn, zodat niet kan worden gewacht tot de raad van bestuur de tijd vindt om er zich over te buigen (in rechtsleer wordt aangemaand om niet overhaast te reageren – Fisc. 1180, 6).

96 Uitbreiding bezwaar WIB Het bezwaarschrift gericht tegen een aanslag die gevestigd is op betwiste bestanddelen, geldt van ambtswege voor de andere aanslagen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement vóór de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, zelfs wanneer de termijnen tot bezwaar tegen die andere belastingen zouden zijn verstreken.

97 Bezwaartermijn WIB De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier. De rechter van Hasselt oordeelt dat een niet ondertekend bezwaarschrift toch ontvankelijk is (Hasselt 28 januari 2010, Fisc. Koerier 2010/353 en Fisc. 1199, 6)..

98 Aanvullende grieven in bezwaar WIB Zolang geen beslissing is gevallen mag de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, zijn bezwaarschrift aanvullen met nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren, zelfs als deze buiten de in artikel 371 gestelde termijn worden ingediend.

99 Correlatieve overbelasting WIB Wanneer een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt krachtens artikel 353 of 354 en de nieuwe aanslag ten name van dezelfde belastingschuldige voor één of meer aanslagjaren een correlatieve overbelasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift tegen bedoelde overbelasting indienen.

100 Behandeling bezwaar WIB Ten einde de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren beschikt een ambtenaar van de administratie der directe belastingen, met een hogere graad dan die van controleur, over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn bij de artikelen 315 tot 319, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346. Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen alle inlichtingen vorderen waarvan zij kennis hebben en welke nuttig kunnen zijn. Wanneer de bezwaarindiener zulks in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden gehoord. Te dien einde zal hij worden uitgenodigd zich binnen een termijn van dertig dagen aan te melden. Opm. inzagerecht op grond van Wet Openbaarheid Bestuur (W. 11 april 1994)

101 Fiscale Bemiddeling Wet houdende diverse bepalingen KB tot uitvoering van hoofdstuk 5 van titel VII van de Wet van houdende diverse bepalingen Circulaire (AFZ )

102 Fiscale Bemiddeling (voor alle belastingen) In administratieve fase (vóór inleiden rechtsgeding) Mogelijkheid bij –Taxatie Bij blijvend meningsverschil –Invordering Elke betwisting (ook kwijtschelding interesten) Voor alle federale belastingen –Ook voor vaststelling kadastraal inkomen Onafhankelijke dienst Doel: gerechtelijke geschillen vermijden en versnellen inning

103 Fiscale Bemiddeling Wie kan aanvraag indienen? –IB: belastingschuldige evenals zijn echtegenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd –BTW: schuldenaar van de belasting –RegR, SuccR enz.: belastingplichtige

104 Fiscale Bemiddeling Wanneer/hoe aanvraag indienen? –Per brief, fax of en zelfs mondeling FBD, Koning Albert II-laan 33, bus 46, North Galaxy - Toren B - 6de en 7de verdieping, 1030 Brussel. Tel: 02/ Mail: Web: –In administratieve fase Vóór zaak aanhangig wordt gemaakt bij rechtbank En voor uitspraak door administratie in kader van “bezwaar”- procedure –Inzake SuccR, RegR enz: na onderhandelingen –Niet als duidelijk ongegrond of als aanvrager geen stappen heeft ondernomen bij betrokken administratie om te verzoenen

105 Fiscale Bemiddeling Opdracht bemiddelingsdienst –Herziening adviseren in bemiddelingsverslag Ten gevolge van aanvragen tot bemiddeling Trachten standpunten partijen te verzoenen –Richten van aanbevelingen aan FOD Financiën –Elk jaar activiteitenverslag –(ontwerp) Protocol tussen FDB en administratie

106 Fiscale Bemiddeling Bevoegdheid bemiddelingsdienst –5 leden benoemd voor 5 jaar bijgestaan door 21 medewerkers –Doet geen afbreuk aan bevoegdheid federale ombudsmannen –Onderzoeksbevoegdheden: Elke vaststelling ter plaatse doen Alle bescheiden en inlichtingen laten meedelen Betrokken personen horen –Bemiddelaars ontvangen van geen enkele dienst instructies en kunnen niet ontheven worden van hun taak wegens handelingen in kader bemiddeling

107 Fiscale Bemiddeling Werkwijze: –Ontvangstbewijs (binnen 5d of onmiddellijk) –Binnen 15d melden of aanvraag zal behandeld worden (weigering motiveren) –Betrokken fiscale administratie inlichten als aanvraag zal behandeld worden

108 Fiscale Bemiddeling Bemiddelingsverslag : –Divergerende standpunten vaststellen Verslag niet dwingend voor administratie (laat toe standpunt beter te begrijpen en gemotiveerd op antwoorden) –Niet interpreteren wet of oordelen over de interpretatie gegeven door de administratie in haar circulaires en instructies –Vaststellen of de bestuurshandelingen of de bestuurlijke werking in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur of met de wetten en verordeningen –Aanbevelingen formuleren gericht aan de voorzitter van FOD Financiën

109 Fiscale Bemiddeling Gevolgen: –Aanvraag tot bemiddeling heeft geen schorsende of stuitende werking – Protocol in de maak die dit nuanceert –Geen mogelijkheid van beroep tegen bemiddelingsverslag.

110 Fiscale Bemiddeling Inwerkingtreding: –In principe vanaf –Aanvraag indienen vanaf Eerste dag van de zesde maand volgende op publicatie KB Voorlopige oplossing –Pas zeer recent operationeel geworden – 1juni 2010

111 Directoriale Beslissing WIB § 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet, als administratieve overheid, uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. De kennisgeving van de beslissing geschiedt bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385 undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn. § 2. Het is hem niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.

112 Ambtshalve ontheffing WIB § 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat : 1° die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd ; 2° de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond. § 2. Als nieuw gegeven wordt niet beschouwd een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van de jurisprudentie.

113 Ambtshalve ontheffing WIB § 3. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ook ambtshalve ontheffing : 1° van het overschot van de belastingkredieten, de voorheffingen en de voorafbetalingen bedoeld in artikel 304, § 2, voor zover dit overschot door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarmee die belastingkredieten, die voorheffingen en die voorafbetalingen zijn te verrekenen;304, § 2, 2° van de verminderingen voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 88, 131 tot 135, 138, 139, 146 tot 156 en 257 voor zover het tot die verminderingen aanleiding gevend feit door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen moeten worden verleend tot tot § 4. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de wijze waarop ambtshalve teruggave wordt verleend van de in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 genoemde voorafbetalingen die nog niet met de werkelijk verschuldigde belasting werden verrekend.157 tot tot 177

114 Collectieve beslissing - 376bis WIB De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan, met één enkele met redenen omklede beslissing, een geheel van administratieve beroepen afwijzen die uitsluitend steunen op een bezwaar voortvloeiend uit de ongrondwettelijkheid van een bepaling van dit Wetboek, wanneer het Grondwettelijk Hof, gevat door hetzelfde bezwaar, het vernietigingsberoep tegen de aangevochten bepaling heeft verworpen of een prejudicieel arrest heeft geveld die de geldigheid van deze bepaling heeft vastgesteld. De beslissing wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De publicatie geldt als betekening van de beslissing. Deze beslissing is onherroepelijk behalve tegenover hem die een rechtsvordering instelt voor de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn vastgesteld door artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

115 Ambtshalve ontheffing - 376TER WIB De directeur der belastingen of de door hem aangewezen ambtenaar doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak nopens het verzoek ingediend door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Hij kan evenwel, de ambtshalve ontheffing verlenen van de overbelastingen, het overschot van de voorheffingen of de voorafbetalingen en van andere verminderingen, bedoeld in artikel 376, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard. 376 In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing aan de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.

116 Ontvangstbewijs - 376Quater WIB Aan de verzoekers van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstbewijs uitgereikt dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt. Wanneer de ambtshalve ontheffing door de administratie zelf wordt verleend, stelt zij de belastingplichtige in kennis van de oorzaak en de datum van deze vaststelling.

117 376Quinquies WIB § 1. Ingeval een bezwaarschrift werd ingediend bij de directeur der belastingen, kan de belastingschuldige, evenals zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). § 2. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige vooraf een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over het bezwaar. Wanneer de belastingschuldige een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over het bezwaar, vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid.

118 1385DECIES GER.W. GER.W. Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak. Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034ter, 3°, en artikel 1034quater, is van toepassing. Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd door of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing heeft genomen, moet, in afwijking van het derde lid, een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep worden bijgevoegd. Titel Vbis van boek II artikel 1034terartikel 1034quater

119 1385UNDECIES WIB Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal. De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd.

120 379 WIB Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.

121 Wetsartikelen BEWIJSMIDDELEN EN CONTROLEMAATREGELEN Artikel 59 § 1. Iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. § 2. Onverminderd de in § 1 genoemde bewijsmiddelen, is de door de Koning aangewezen ambtenaar of de schuldenaar van de belasting bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen. Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, 1°, wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw. De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen. §

122 Artikel 60 § 1. De boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, op hun datum wat facturen of andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om stukken bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, vierde lid. Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid. § 2. In afwijking van § 1, begint de daar bedoelde termijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma's en de uitbating van geïnformatiseerde systemen, te lopen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op het laatste jaar waarin het in deze gegevens omschreven systeem werd gebruikt. Daarenboven kan de Koning de in § 1 bedoelde bewaringstermijn verlengen, teneinde de controle van de ter uitvoering van artikel 49, 2° en 3°, verrichte herzieningen van de aftrek te verzekeren. § 3. Alle door belastingplichtigen hetzij door henzelf, hetzij in hun naam en voor hun rekening door hun medecontractant of door een derde, uitgereikte facturen en alle door hen ontvangen facturen dienen op het Belgische grondgebied te worden bewaard. Facturen die worden bewaard langs elektronische weg die in België een volledige on-line toegang tot de betrokken gegevens waarborgt, mogen evenwel in een andere lidstaat van de Gemeenschap worden bewaard op voorwaarde dat de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft hiervan op voorhand wordt in kennis gesteld. De authenticiteit van de herkomst en integriteit van de inhoud van de facturen, alsmede de leesbaarheid ervan, moeten gedurende de volledige bewaringstermijn worden gewaarborgd. De facturen die elektronisch werden ontvangen worden in hun oorspronkelijke vorm bewaard, met inbegrip van de gegevens die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van elke factuur waarborgen. Onder het elektronisch bewaren van een factuur wordt verstaan de bewaring via elektronische apparatuur voor het bewaren van gegevens met inbegrip van digitale compressie. De facturen die in papieren vorm werden ontvangen worden ofwel in hun oorspronkelijke vorm ofwel digitaal bewaard. In geval van digitale bewaring moeten de gebruikte technologieën of procesmatige middelen de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van de facturen waarborgen. § 4. In de gevallen waarin het bewaren van boeken, facturen of andere stukken aanleiding geeft tot ernstige moeilijkheden, kan door of vanwege de Minister van Financiën, in afwijking van de §§ 1 en 3, aan door hem aan te duiden personen of groepen van personen, een kortere bewaringstermijn of een afwijking op de verplichting inzake het bewaren van de boeken, facturen of andere stukken worden toegestaan. 122

123 Artikel 61 § 1. Eenieder is gehouden de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan. Het ter inzage voorleggen van de boeken, facturen en andere stukken overeenkomstig het eerste lid, gebeurt, wat de BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2 betreft, door de vertegenwoordiger aangeduid door de andere leden om in hun naam en voor hun rekening de rechten en de verplichtingen van die BTW-eenheid uit te oefenen. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, kunnen echter eisen dat het lid van de BTW-eenheid zelf de in het eerste lid bedoelde voorlegging van de boeken, facturen en andere stukken die hem aanbelangen verricht. Wanneer de boeken, facturen en andere stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, hebben die ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens degene in het eerste lid bedoeld verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan. Elke belastingplichtige die de facturen die hij uitreikt of ontvangt bewaart langs elektronische weg die in België een on-line toegang tot de gegevens waarborgt, en waarvan de plaats van bewaring is gesitueerd in een andere lidstaat, is met het oog op de controle gehouden aan de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, voor deze facturen een recht van toegang, downloading en gebruikneming langs elektronische weg te waarborgen. 123

124 Artikel 61 (vervolg) Wanneer zulks uit het oogpunt van de controle nodig is, kan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft voor de facturen opgesteld in een andere taal dan één van de nationale talen, een vertaling eisen in één van deze nationale talen van de facturen betreffende de leveringen van goederen en dienstverrichtingen die overeenkomstig de artikelen 15, 21 en 21bis in België plaatsvinden, alsmede van de facturen die worden ontvangen door de in België gevestigde belastingplichtigen. De belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 3, moeten aan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft een adres in België kenbaar maken waar de boeken, facturen en andere stukken bedoeld in het eerste lid zullen worden medegedeeld op ieder verzoek van de ambtenaren van die administratie. Deze paragraaf is niet van toepassing op het Nationaal Instituut voor de Statistiek en op het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand ten aanzien van de in hun bezit zijnde individuele inlichtingen. § 2. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, hebben het recht om de boeken, facturen en andere stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen. Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm. 124

125 Artikel 62 § 1. Eenieder is gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan. § 2. Iedere belastingplichtige of lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, eigenaar of houder van een zakelijk recht op een voor hypotheek vatbaar goed, is gehouden, op verzoek van de notaris die belast is met het opmaken van de akte houdende vervreemding of hypotheekstelling betreffende dat goed, aan deze laatste zijn hoedanigheid van belastingplichtige of lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, kenbaar te maken. De Minister van Financiën regelt de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf. Artikel 62bis In afwijking van de artikelen 61, § 1, en 62, § 1, mogen de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, de voorlegging ter inzage van de andere dan in artikel 60, § 1, eerste lid, bedoelde boeken en stukken alsmede het verstrekken van inlichtingen door de Bank van De Post, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen slechts vorderen wanneer zij op grond van een machtiging verleend door de door de Minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar optreden. 125

126 Artikel 63 Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen : 1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de produktie- en vervoermiddelen. Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen. Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter. Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om in dit Wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken. 126

127 Artikel 63bis De met de invordering belaste ambtenaren beschikken met het oog op het opstellen van de vermogenstoestand van de schuldenaar over al de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 61, 62, § 1, 62bis en 63 om de invordering van de belasting, de interesten, de administratieve geldboeten en de kosten te verzekeren. De bevoegdheden waarover de ambtenaren bedoeld in de artikelen 61, 62, § 1, en 63, beschikken, kunnen worden toegekend aan ambtenaren van andere fiscale administraties. De Koning duidt deze administraties en, wanneer hij het nodig acht, de ambtenaren aan. Artikel 64 § 1. Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. § 2. Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. § 3.Wanneer iemand als bedoeld in de §§ 1 of 2, handelingen verricht met betrekking tot goederen of diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, dan worden die handelingen behoudens tegenbewijs geacht voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of de diensten waarvoor het hoogste tarief geldt. § 4. Behoudens tegenbewijs wordt ieder pas opgericht gebouw geacht door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat. De eigenaar van een gebouw waarvoor deze bepaling geldt, is verplicht de plans en bestekken van dat gebouw, alsmede de facturen betreffende de bouw ervan, te bewaren gedurende vijf jaar vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, en ze ter inzage voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde. Wanneer die voorlegging ter inzage niet plaatsvindt, wordt de belasting, behoudens tegenbewijs, geacht niet te zijn voldaan voor de dienstverrichtingen waarvoor geen facturen worden voorgelegd. De eigenaar moet daarenboven, uiterlijk binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, bij de ambtenaar aangewezen door de Minister van Financiën een aangifte indienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de belasting over de toegevoegde waarde in rekening werd gebracht. 127

128 Artikel 65 Op zicht gezonden of in consignatie gegeven goederen worden geacht door de geadresseerde of de consignataris te zijn gekocht, indien deze niet kan bewijzen dat hij ze onder zich houdt of ze aan de afzender of de consignant heeft teruggestuurd. Artikel 66 Wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of 4, schuldenaar is van de belasting, om welke reden ook, in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, of 53nonies, § 1,bedoelde aangifte niet heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door of ter uitvoering van dit Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen, of niet heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen bedoeld in artikel 62, § 1, kan hem door of vanwege de Minister van Financiën ambtshalve een aanslag worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft. Door of vanwege de Minister van Financiën kan ook ambtshalve een aanslag worden opgelegd aan de bovengenoemde persoon die belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe gehouden was, of een factuur heeft uitgereikt waarin de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag betrekking hebben op het gehele gecontroleerde tijdvak. Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve worden opgelegd wanneer de in het vorige lid bedoelde overtredingen als louter toevallig dienen te worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatige factuur is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatige factuur is uitgereikt. Wanneer de aangifte te laat is ingediend doch vóór de ambtshalve opgelegde aanslag, wordt de belasting vastgesteld op grond van de aangifte, voor zover de aangifte niet meer dan twaalf maanden te laat is ingediend. 128

129 Artikel 67 Wanneer de in artikel 66 bedoelde persoon de hem ambtshalve opgelegde aanslag betwist, moet hij bewijzen dat deze aanslag overdreven is. De administratie deelt vooraf aan de belastingschuldige, in de vorm en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, het bedrag en de verantwoording mede van de belasting die zij voornemens is te heffen. De belastingschuldige kan zijn opmerkingen doen kennen. Artikel 68 § 1. Alle goederen aanwezig binnen de tolkring, zoals deze wordt afgebakend, door de ter zake geldende douanereglementering worden behoudens tegenbewijs geacht in België te zijn ingevoerd. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de goederen die, wegens de aard of de hoeveelheid ervan, niet moeten geacht worden voor beroepsdoeleinden bestemd te zijn. § 2. Alle met een motor uitgeruste middelen van vervoer te land of te water, uitgezonderd zee- of binnenschepen bedoeld in de artikelen 1 en 271 van boek II van het Wetboek van Koophandel, alsook de aanhangwagens voor gebruik op de weg, worden, wanneer ze zich hier te lande bevinden, geacht te zijn ingevoerd, tenzij bewezen wordt dat ze in orde zijn ten aanzien van het invoerrecht en van de bij invoer geldende verbodsbepalingen, beperkingen en controlemaatregelen. § 3. Bij ontstentenis van het tegenbewijs toegelaten door de §§ 1 en 2, is de belasting opeisbaar volgens de ten aanzien van invoer geldende regelen. De belasting en de bij artikel 70, § 1, ingestelde geldboete zijn hoofdelijk verschuldigd door de importeur, de eigenaar, de houder en indien het om een voertuig gaat, de bestuurder ervan. Artikel 69 Ontvangers belast met de heffing van een belasting op vervoermiddelen of aanhangwagens daarvoor, kunnen vóór de uitreiking van het stuk dat de voldoening van die belasting vaststelt, van de eigenaar het bewijs vorderen dat de belasting over de toegevoegde waarde voldaan is of dat hij ervan vrijgesteld is. 129

130 VERJARING Artikel 81 De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat. Artikel 81bis § 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer : 1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is; 2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn; 3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn; 130

131 Artikel 81bis (vervolg) 4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. § 2. Indien de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure. Artikel 82 De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat. Artikel 82bis Er is verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. 131

132 Artikel 83 § 1. Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is. Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. § 2. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in õ 1, eerste lid, van dit artikel, bedoelde stuiting. 132

133 VERVOLGINGEN EN GEDINGEN RECHTEN EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Artikel 84 Moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden opgelost door de Minister van Financiën. De Minister van Financiën treft met de belastingschuldigen dadingen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting. Binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Artikel 84bis In bijzondere gevallen mag de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan. Artikel 84ter Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4°, toe te passen, moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode. 133

134 Artikel 84quater § 1. Ingeval een blijvend meningsverschil over de taxatie gebracht wordt voor de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar, kan de schuldenaar van de belasting een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). § 2. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk indien de schuldenaar van de belasting vooraf verzet heeft aangetekend tegen het dwangbevel, wanneer de deskundige schatting gevorderd werd met toepassing van artikel 59, § 2, of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over de betwisting. Wanneer de schuldenaar van de belasting verzet aantekent tegen het dwangbevel, wanneer de deskundige schatting gevorderd is met toepassing van artikel 59, § 2, of wanneer over de betwisting uitspraak werd gedaan, vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid. § 3. Ingevolge het bemiddelingsverslag kan de administratieve beslissing het bedrag van de fiscale schuld aanpassen, voor zover dit geen vrijstelling of vermindering van belasting inhoudt. Het is evenwel niet toegelaten een aanvullende belasting te vestigen. Artikel 84quinquies § 1. Op verzoek van elke belastingschuldige, natuurlijke persoon, die niet meer de hoedanigheid van belastingplichtige van de belasting over de toegevoegde waarde heeft, of van zijn echtgenoot op wiens goederen de belasting over de toegevoegde waarde wordt ingevorderd kan de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde onbeperkt uitstel van de invordering verlenen van de door de belastingschuldige verschuldigde belastingschuld, bestaande uit de belasting, de intresten, de belastingboeten.. 134

135 Artikel 84quinquies (vervolg) De gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde stelt de voorwaarden waaronder hij, geheel of gedeeltelijk, onbeperkt uitstel van de invordering verleent van een of meerdere belastingschulden. Hij verbindt zijn beslissing aan de voorwaarde dat de verzoeker onmiddellijk of gespreid een betaling doet van een som die bestemd is om te worden aangewend op de verschuldigde belastingen en waarvan het bedrag door hem wordt bepaald. Het onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld zal slechts uitwerking hebben na de betaling van de in het tweede lid vermelde som. § 2. Het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld is enkel ontvankelijk voor zover : 1° de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare schulden te betalen; 2° de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld heeft verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. § 3. Het onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld kan eveneens ambtshalve worden verleend aan de belastingschuldige, onder de voorwaarden bedoeld in de §§ 1 en 2, op voorstel van de ambtenaar belast met de invordering. § 4. De gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde kan geen onbeperkt uitstel verlenen van de invordering van de belastingschuld die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk geschil, noch van de belastingen of de belastingboeten gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude of ingeval van samenloop van schuldeisers. 135

136 Artikel 84sexies § 1. Het verzoek tot uitstel moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de toestand van de verzoeker. § 2. Het wordt bij ter post aangetekende brief ingediend bij de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde in wiens ambtsgebied de belastingschuldige zijn woonplaats heeft. § 3. Er wordt hiervan een ontvangstbewijs uitgereikt aan de verzoeker met vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek. Artikel 84septies De behandeling van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering wordt toevertrouwd aan de ambtenaar belast met de invordering. Teneinde de behandeling van het verzoek te verzekeren, beschikt deze ambtenaar over de onderzoeksbevoegdheden zoals bedoeld in artikel 63bis. In het kader van deze behandeling, kan hij met name van de kredietinstellingen, die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle hen gekende inlichtingen eisen die nuttig kunnen zijn teneinde de vermogenssituatie van de verzoeker te bepalen. 136

137 Artikel 84octies § 1. De gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de zes maanden na ontvangst van het verzoek. Zijn beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker bij ter post aangetekende brief. § 2. Ze kan, binnen de maand van de kennisgeving, het voorwerp uitmaken van een beroep bij een commissie samengesteld uit ten minste twee en ten hoogste vier gewestelijke directeurs van de belasting over de toegevoegde waarde aangewezen door de minister die de Financiën onder zijn bevoegdheden heeft, onder het voorzitterschap van de ambtenaar die de leiding heeft over de diensten belast met de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde, of zijn afgevaardigde. Er wordt een ontvangstbewijs van uitgereikt aan de eiser met vermelding van de datum van ontvangst van het beroep. De commissie doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de drie maanden na ontvangst van het beroep. De beslissing van de commissie is niet vatbaar voor beroep. Ze wordt ter kennis gebracht van de eiser per aangetekende brief. Artikel 84nonies De indiening van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld schorst alle middelen van tenuitvoerlegging tot op de dag dat de beslissing van de directeur definitief is geworden of, in het geval van beroep, tot op de dag van de kennisgeving van de beslissing van de commissie bedoeld in artikel 84octies. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking. Het indienen van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld doet echter geen afbreuk aan andere maatregelen welke ertoe strekken de invordering te waarborgen, noch aan de betekening of de kennisgeving van het dwangbevel bedoeld in artikel 85 teneinde de verjaring te stuiten. 137

138 Artikel 84decies De belastingschuldige verliest het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld wanneer hetzij : 1° hij onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen; 2° hij de door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde in zijn beslissing vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt; 3° hij onrechtmatig zijn passief heeft verhoogd of zijn actief heeft verminderd; 4° hij zijn onvermogen heeft bewerkt. Artikel 84undecies De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden voor de artikelen 84quinquies tot 84decies. Hij kan met name de objectieve voorwaarden bepalen voor het vaststellen van de som die moet worden betaald door de verzoeker, zoals bedoeld in artikel 84quinquies, § 1. Artikel 85 § 1. Bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de Administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag 138

139 Artikel 85 (vervolg) § 2. Die kennisgeving : 1° stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren; 2° maakt het mogelijk inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek als bedoeld in artikel 88; 3° stelt de belastingschuldige in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89; 4° doet, overeenkomstig artikel 91, § 4, de moratoire interesten lopen. § 3. Het dwangbevel mag eveneens worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling. Artikel 85bis § 1. Na de in artikel 85 genoemde kennisgeving of betekening kan de met de invordering belaste ambtenaar, bij een ter post aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de bedragen en zaken die de bewaarnemer of schuldenaar aan de belastingschuldige verschuldigd is of moet teruggeven. Het beslag wordt eveneens bij een ter post aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd. Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde. Het geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie. 139

140 Artikel 85bis (vervolg) § 2. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 1, zijn op dit beslag de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de met de invordering belaste ambtenaar. § 3. Het uitvoerend beslag onder derden moet geschieden door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt uit de verklaring waartoe de derde-beslagene gehouden is na het beslag gedaan bij een ter post aangetekende brief overeenkomstig § 1 : 1° dat de beslagen schuldenaar zich verzet tegen het uitvoerend beslag onder derden; 2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de beslagen schuldenaar betwist; 3° dat vóór het beslag door de rekenplichtige een andere schuldeiser zich heeft verzet tegen de afgifte door de derde- beslagene van de door deze verschuldigde sommen. In deze gevallen blijft het door de rekenplichtige bij een ter post aangetekende brief gelegd beslag zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na de afgifte ter post van de verklaring van de derde-beslagene. Artikel 85ter In geval van betwisting met de ontvanger die belast is met de invordering van zijn fiscale schuld, kan de belastingschuldige een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). 140

141 Artikel 86 Voor de invordering van de belasting, van de interesten en van de kosten heeft de Openbare Schatkist een algemeen voorrecht op alle inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van de schepen en vaartuigen, en een wettelijke hypotheek op alle daarvoor vatbare en in België gelegen goederen van de belastingschuldige. Artikel 87 Het voorrecht bedoeld in artikel 86, heeft dezelfde rang als dat bedoeld in artikel 19, 4°ter, van de wet van 16 december De volgorde van het verhaal bepaald in artikel 19 van voornoemde wet is van toepassing op de in dit Wetboek bepaalde belasting. Artikel 88 § 1. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitgevaardigde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel, waarvan overeenkomstig artikel 85 aan de belastingschuldige kennisgeving of betekening is gedaan. § 2. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de Minister van Financiën of van zijn afgevaardigde. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend werd verklaard door de ambtenaar aangewezen door de Minister van Financiën en dat melding maakt van de kennisgeving of betekening ervan. § 3. Artikel 19, tweede lid, van de faillissementswet, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde belasting waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd waarvan kennisgeving of betekening aan de belastingschuldige is gedaan vóór het vonnis van faillietverklaring. 141

142 Artikel 88bis § 1. Bij gemotiveerde beslissing van de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling worden geëist van elke persoon die schuldenaar is van de belasting, krachtens artikel 51, §§ 1, 2 en 4, wanneer de venale waarde van zijn in België gelegen goederen die het pand van de Schatkist vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor een periode van twaalf kalendermaanden zal verschuldigd zijn, krachtens dit Wetboek of ter uitvoering ervan. De Koning bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de modaliteiten van vaststelling. § 2. Binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing als vermeld in § 1, kan de schuldenaar van de belasting een verhaal inleiden voor de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor bevindt waar de inning moet worden uitgevoerd. De rechtspleging geschiedt zoals in kort geding. § 3. Het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg bedoeld in § 1, dient te geschieden binnen de twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van de directeur of na de datum waarop de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de betrokken schuldenaar van de belasting, vóór het verstrijken van deze termijn, elke economische activiteit staakt waaruit voortvloeit dat hij de schuldenaar van de belasting is krachtens artikel 51, §§ 1, 2 en

143 Artikel 89 Onder voorbehoud van wat bepaald is in de artikelen 85, §§ 1 en 2, en 85bis, geschiedt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel met inachtneming van de bepalingen van het vijfde deel, titel III, van het Gerechtelijk Wetboek inzake gedwongen tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte. Artikel 89bis Ingeval van een vordering in rechte, kan de betwiste belastingschuld, bestaande uit de belasting en de erop betrekking hebbende interesten, fiscale boeten en kosten, op grond van het uitgevaardigde dwangbevel, uitvoerbaar verklaard en ter kennis gebracht of betekend aan de schuldenaar van de belasting overeenkomstig artikel 85, voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen of van alle andere maatregelen, welke ertoe strekken de invordering te waarborgen. Artikel 90 Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.] 143

144 Artikel 91 § 1. Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is : 1° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, § 1, eerste lid, 3°, 53ter, 2° en 53octies, is gesteld; 2° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53nonies is gesteld; 3° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 is gesteld, voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend. De interest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 2,50 EUR bereikt. § 2. Wanneer de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een ontoereikende maatstaf, is van rechtswege een interest van 0,8 pct. per maand verschuldigd te rekenen vanaf de inleidende daad van de procedure; die interest wordt op de in § 1 bepaalde wijze berekend. § 3. Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven : 1° met toepassing van artikel 76, § 1, eerste en derde lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze bepaling bepaalde termijn. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend. De interest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 2,50 euro bereikt; 144

145 Artikel 91 (vervolg) 2° met toepassing van de bepalingen van de Richtlijn 2008/9/EG van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, vanaf het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 22, paragraaf 1, van deze richtlijn. Er is evenwel geen enkele interest verschuldigd wanneer de belastingplichtige zijn verplichting de op basis van de artikelen 10 en 20, paragraaf 1, van de voornoemde richtlijn geëiste aanvullende informatie te verstrekken niet voldaan heeft binnen de termijn bepaald bij artikel 20, paragraaf 2, van deze richtlijn. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend. De interest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 2,50 euro bereikt. § 4. De moratoire interesten over in te vorderen of terug te geven sommen die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, zijn verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de terzake geldende regelen. § 5. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, de in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde interestvoeten aanpassen. 145

146 Artikel 92 In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde. De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving. Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet- ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is. Artikel 92bis De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing. Artikel 93 Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd. 146


Download ppt "Grasduinen in de fiscale procedure Leo De Broeck Advocaat De Broeck Van Laere & Partners Prof Fiscale Hogeschool HUBrussel"

Verwante presentaties


Ads door Google