De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

1 Immanuel Kant 1724 - 1804 Theorie van het kennen T.b.v. de Kennisdelengroep op 4 april 2007.

Verwante presentaties


Presentatie over: "1 Immanuel Kant 1724 - 1804 Theorie van het kennen T.b.v. de Kennisdelengroep op 4 april 2007."— Transcript van de presentatie:

1 1 Immanuel Kant Theorie van het kennen T.b.v. de Kennisdelengroep op 4 april 2007

2 2 Waar gaat het eigenlijk allemaal om?

3 3 Kant niet te verstaan zonder kort historisch kader THEMA’s: WAT IS KENNIS? WAT ZIJN DE VOORWAARDEN OM TE KENNEN? DE GRONDEN VAN HET KENNEN: –HET UNVERSELE VERSUS HET INDIVIDUELE –HET UNIVERSELE EN HET INDIVIDUELE –HET INDIVIDUELE IN HET UNIVERSELE

4 4 Kort historisch uitstapje 1.Socrates – Plato 2.Aristoteles 3.Augustinus 4.Thomas van Aquino 5.Descartes 6.Locke 7.Hume 8.Kant Grote denkers over de vraag naar de aard van de kennis en het kennen (als kenproces) en de voorwaarden van het kennen zijn: 9.Hegel 10.Nietzsche 11.Marx 12.Descartes 13.Wittgenstein 14.Popper 15.Toulmin 16.Foucault

5 5 De geschiedenis van het doorlopende debat over het denken over het kennen – beter: over de zekerheid van het kennen - kent drie 1 verhaallijnen: De uiterlijke verklaring door essenties: –Essentialisme Theorieën als instrumenten: –Instrumentalisme Gissingen over waarheid en werkelijkheid: –Probalisme 1: Indeling ontleend aan Karl Popper, The Growth of Scientific Knowledge. Londen, Vertaling: De groei van de wetenschappelijke kennis. Boom – Meppel, 1978

6 6 De verklaring door essenties Popper omschrijft het essentialisme als: “De beste, de echte wetenschappelijke theorieën beschrijven de ‘essentie’ of de ‘essentiële aard’ van de dingen, de werkelijkheid die achter de verschijnselen ligt” (blz. 107). Anders gezegd: In het algemene – dat achter de dingen zit - ligt de garantie van de waarheid en van het ware Zijn. Voorbeeld: Plato’s grotparabel.

7 7 Plato’s grotparabel: een verklaring door essenties BOODSCHAP 1: Achter de waarneembare ‘werkelijkheid’ steekt de echte werkelijkheid. BOODSCHAP 2: Kennis is pas echt op grond van de gelijkenis met het OERBEELD, omdat de aardse kennis daarvan een AFBEELDING (afschaduwing) is. BOODSCHAP 3: Het Algemene kan niet toevallig zijn, het individuele in – zekere zin – wel.

8 8 Nog een keer Plato’s visie De echte / of zuivere ‘dingen’ De afschaduwingen

9 9 Grondtrek van het Westerse denken In de westerse metafysica overheerst een sterke voorkeur voor het algemene, voor het typische of het essentiële boven het afzonderlijke. Deze voorkeur kenmerkt het z.g. Europese denken. Kant is (ook) een representant van deze voorkeur, maar neemt toch een bijzondere plaats in het Europese metafysische verhaal over deze voorkeur in. –Kant staat op de drempel van de moderne tijd (ong. 1781): afscheid van het essentialisme.

10 10 Waarover gaat het in de kennisleer, of de kennistheorie? 1.Wat is kennis? Bestaat er aangeboren kennis? Is alle kennis altijd ervaringskennis? Is alle kennis alleen maar ervaringskennis? 2.Is de waarheid kenbaar? Hoe zien we ‘waarheid’ dan? Wie of wat garandeert de waarheid dan? God, de rede, de realiteit? 3.Wat is dan de bron van de waarheid? –Aangeboren kennis / ideeën? –De empirische of ervaringskennis als meetlat voor ons kennen. Of: onze kennis is een (letterlijke) afspiegeling van de ervaringskennis? –Dat wat de deskundigen menen / weten / zeggen?

11 11 De overgangspositie van Kant binnen het doorlopende verhaal over de vraag naar de kennis John LockeDavid Hume Immanuel Kant Vragen naar de oorsprong en de zekerheid van de kennis. Alle kennis begint met ervaring (oorsprong). De zekerheid van De kennis ligt in de intuïtie, of – minder zeker - in de bewijsvoering daarvan. Kennis begint met ervaring (oorsprong). Er is geen zekere kennis (waarheid). Wetenschappelijke kennis heeft slechts de status van 'gewoontekennis', of van 'common sense‘ kennis. Kant vraagt naar de grondvoorwaarden van het kennen. Hij wil weten op welke voorwaarden menselijke kennis mogelijk is?. Het gaat bij Kant dus niet om de inhoud of de oorsprong van de kennis, maar om de structuur daarvan.

12 12 John Locke ( ) Hoe ontstaat kennis in het menselijk bewustzijn? 1.Alle kennis ontspringt aan de uiterlijke ervaring (sensations); Er zijn ‘no innate ideas’. 2.De uiterlijke ervaring laat afdrukken in het menselijk bewustzijn achter; 3.Dat bewustzijn doet wat met die uiterlijke ervaring. Wat dan? Ze verwerkt ze tot innerlijke ervaring (reflections), tot ‘ideas’. 4.EMPIRISME: 4.EMPIRISME: het verstand van de mens is als een ‘white paper’ waarop door de ervaring wordt geschreven.

13 13 Locke's drie-momenten, of zij empirisch- representationalistische theorie van de indirecte visuele perceptie Locke's drie-momenten (Empirisch-Representationalistische) theorie van de indirecte visuele perceptie: 1= licht van een object; 2= het passieve ‘oppikken’ van primaire en secondaire kwaliteiten; 3= actieve associatie van ideeën en van reflecties in de geest. "Whatsoever the mind perceives in itself,... I call idea; and the power to produce any idea in our mind, I call quality...[and] if I speak of [ideas] sometimes as in the things themselves, I would be understood to mean those qualities in the objects which produce them in us" (Locke, 1690, Book. 2, Chap. 8, Sect. 8). "Let us then suppose the mind to be, as we say, white paper, void of all characters, without any ideas: - How comes it to be furnished? Whence comes it by that vast store which the busy and boundless fancy of man has painted on it with an almost endless variety? Whence has it all the materials of reason and knowledge? To this I answer, in one word, from EXPERIENCE. In that all our knowledge is founded; and from that it ultimately derives itself" (Locke, 1690, Bk. 2, Chap. 1, Sect. 2).

14 14 John Locke (2) Toch hebben mensen kennis die niet van specifieke uiterlijke ervaringen of indrukken daarvan afstammen. Hoe kan dat? –De innerlijke ervaringen (reflections) voeren tot enkelvoudige ideeën (bijv. vorm, uitgebreidheid en beweging); –De combinaties van enkelvoudige ideeën voeren tot complexe ideeën (bijv. ruimte, tijd, oorzaak en gevolg). Ruimte, tijd, causaliteit,Ruimte, tijd, causaliteit, geestelijke substantie (God, de ziel), lichamelijke substantie (wezens, dingen) zijn daarvan voorbeelden.

15 15 Locke’s ‘Representatie’ Theorie van de Waarneming (perceptie).

16 16 John Locke (3) Lichamelijke en geestelijke substanties kun je nooit uit ervaringsgegevens (empirisch) waarnemen. Consequentie: Ruimte, tijd en causaliteit zijn niet echt waarneembaar. Het zijn combinaties van de geest. Daarom zijn ze niet objectief te aanvaarden.

17 17 a prioriWe kunnen niet a priori weten dat onze sensaties worden veroorzaakt door dingen uit de buitenwereld. We hebben niet het flauwste benul waarvan onze ideeën van ‘dingen’ of van de oorzaak van ‘dingen’ een afspiegeling (“a copy”) zijn. We lijden de begrippen van de ‘dingen’ of van de oorzaak van de ‘dingen’ af van onze gewoonte van denken. David Hume (1711 – 1776)

18 18 Het kennisscepticisme van David Hume (2) Er zit geen noodzakelijkheid in de dingen zelf. De enige noodzakelijkheid is louter het bestaan van onze geest. Dit is de orde van de natuur omkeren, en dit maakt secondair, wat in werkelijkheid primair is. (Treatise I,iii,14, p. 167)

19 19 Hume: nemen we causaliteit waar? “De eerste keer dat iemand de overdracht van de beweging door een stoot waarnam, zoals bij de botsing van twee biljartballen, kon hij niet zeggen dat die éne gebeurtenis met de ander was verbonden. Maar slechts dat ze tezamen voorkwamen. Nadat zo iemand verschillende gevallen van de zelfde soort heeft waar- genomen, verklaart hij dat ze verbonden zijn”. Hume zegt dan, dat de waarnemer “innerlijk ervaart dat deze gebeurtenissen in zijn verbeelding verbonden zijn en dat hij gemakkelijk het bestaan van de ene kan voorspellen uit de aanwezigheid van de ander. (…)”. DUS: Slechts in ons gedachtenleven hebben die zaken een verbinding gekregen.

20 20 Eenvoudiger gezeg: Causaliteit, zegt Hume, betekent een noodzakelijk verband tussen twee dingen of gebeurtenissen waarvan de ene de oorzaak, de andere het gevolg is. Welnu, als we naar de dingen kijken, zien we weliswaar dat er tussen bepaalde gebeurtenissen een regelmatige opeenvolging bestaat, van enige noodzaak zien we echter niets. Noodzaak betekent een niet anders kunnen. Welnu, waarom zouden de dingen niet anders kunnen dan zij in feite nu zijn?

21 21 Neemt zij causaliteit waar? Hume zei dus, dat de waarnemer “innerlijk ervaart dat deze gebeurtenissen in zijn verbeelding verbonden zijn en dat hij gemakkelijk het bestaan van de ene kan voorspellen uit de aanwezigheid van de ander. (…)”. DUS: Slechts in ons gedachtenleven hebben die zaken een verbinding gekregen. Noodzaak betekent een niet anders kunnen. Welnu, waarom zouden de dingen niet anders kunnen dan zij in feite doen? dus We mogen dus niet zeggen dat het causaliteitsbeginsel aan onze ervaring van de natuur is ontleend. Dit betekent dat causaliteit geen kracht is die werkzaam is in de dingen, maar slechts de naam van een verwachtingspatroon onzerzijds.

22 22 En nu Kant dan.

23 23 Waar gaat het eigenlijk om? Kant had door dat de aanval van Hume op de objectieve status van het causaliteitsbeginsel in feite de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de newtoniaanse natuurweten- schap onderuit gehaald. Die had toch bewezen in ieder opzicht te werken en betrouwbaar te zijn? De natuurwetten formuleren immers – dachten we - een objectieve stand van zaken in de natuur en ze kunnen niet slechts een verwachtingspatroon van onze geest zijn! Maar deze wetten kunnen, zoals Hume had aangetoond, blijkbaar niet gelegitimeerd worden door te verwijzen naar onze waarnemingen. Met welk recht houden we dan echter nog vast aan de objectieve waarheid van de natuurwetenschap?

24 24 Het grandioze van Kant (volgens K. J. Schuhmann Universiteit van Utrecht Het grandioze van Kant (volgens K. J. Schuhmann Universiteit van Utrecht ) Het grandioze van Kant zit hem nu daarin dat hij niet zomaar naar een oplossing van de vraag van de objectieve geldigheid van de natuurwetenschappen gaat zoeken, maar het probleem van de legitieme mogelijkheid van de natuurwetenschap verbindt met het vraagstuk van de mogelijkheid van een eenduidige metafysica. Ook neemt Kant bovendien nog de wiskunde in zijn vraagstelling op. Hij ziet immers dat voor alle drie de wetenschappen oordelen van eenzelfde soort constitutief zijn: de zogenaamde synthetische oordelen a priori.

25 25 Het revolutionaire van Kant’s positie Het kon Kant dus niet meer gaan om de inhoud of de oorsprong van de kennis; het ging hem nu om de structuur daarvan. Dat is een logische stap geweest. Als de bron niet de garant van de kennis is, dan moet die garantie in de kennis zelf liggen! U moet begrijpen, dat de vraag die Kant stelde eigenlijk nooit eerder zo is gesteld. Men ging steeds op zoek naar de gronden, d.w.z. de evidente of onbetwijfelbare gronden van de kennis maar men stelde de aard van de kennis zélf niet aan de orde. Kant kon niet met Locke’s en Hume’s positie meer uit de voeten. Hij kon alleen Hume serieus nemen en zijn uitdaging aangaan om het bestaansrecht en de –mogelijkheid van natuurkunde, wiskunde en metafysica aan te tonen.

26 26 Kant’s aanval op Hume en Locke Onze kennis begint met de ervaring en niet uit de ervaring (contra Locke). Want de ervaring bestaat - als dat al gezegd mag worden - uit een chaotisch geheel ("Mannigfaltigkeiten"). Ervaring zegt ons wat is, maar niet wat noodzakelijkerwijs moet zijn wat het is en ook niet waarom het niet anders is (zei Hume dus al). Daarom biedt de ervaring ons nooit algemene waarheden. Algemene waarheden die tegelijkertijd het karakter dragen van een innerlijke noodzaak moeten onafhankelijk van de ervaring zijn helder en zeker in zichzelf. Derhalve: waarlijk a-priori!

27 27 A-priori oordelen Wiskunde, natuurkunde en metafysica zouden niet mogelijk zijn, indien we niet gerechtigd waren bepaalde oordelen die niet aan de ervaring zijn ontleend, als waar aan te nemen, maar juist daaraan voorafgaan. Indien een bepaald getal, gevoegd bij een ander bepaald getal als som niet een welbepaald getal oplevert, is wiskunde onmogelijk. Maar de waarheid van een oordeel als ‘twee en twee is vier’ stoelt niet op de ervaring maar op afspraak. Wiskunde, fysica en metafysica zijn dus slechts mogelijk indien bepaalde oordelen a priori waar zijn. De kernvraag is nu: hoe men kan rechtvaardigen dat een bepaald predicaat met bepaalde subjecten wordt verbonden? Wie of wat verbindt predicaat en subject dan? De vraag van Kant luidt daarom: Wat is de rechtsgrond van de synthetische oordelen a priori, die op zich vereist zijn zodat wiskunde, natuurkunde en metafysica überhaupt mogelijk zijn?

28 28 Synthetische oordelen Als je het subject van een oordeel ontleedt (‘2 + 2 = 4’), ontdek je daar niet het predicaat in. In ‘twee en twee is vier’ is ‘twee en twee’ het subject en ‘is vier’ het predicaat. Een analyse van het subject levert echter slechts twee tweeën op en verder in het ‘en’ de taak die bij elkaar op te tellen, niet echter het resultaat ‘is vier’. Eveneens levert een analyse van het begrip oorzaak niet het begrip gevolg op. Het gevolg ligt juist buiten de oorzaak en is iets anders dan de oorzaak. In deze (en dergelijke) gevallen is er sprake van synthetische oordelen, dat wil zeggen het predicaat wordt aan het subject toegevoegd. Voorbeelden van synthetische oordelen zijn: ‘twee en twee is vijf’, ‘er bestaat een oorzaak zonder gevolg’ en ‘God bestaat niet’. Het lijken misschien onjuiste uitspraken, maar het zijn geen begripsmatige contradicties.

29 29 Waaraan ontleent de waarheid a-priori deze noodzakelijkheid? Wel, aan het innerlijke wezen van onze geest, aan de natuurlijke wijze waarop onze geest moet werken. Dus niet aan de buitenwereld! –Want de geest van de mens is geen passief stuk "white paper" (zoals Locke zei), waarin de ervaringen en gewaarwordingen hun absolute maar toch o zo grillige wil schrijven. De geest is geen abstracte naam voor een reeks van geestestoestanden. –Contra Hume’s typering van de geest van de mens als een "bundle perceptions". De geest is, zegt Kant, een spontaan en actief orgaan dat de voorstellingen tot ideeën vormt en ordent, een instrument dat het chaotische ervaringsmateriaal herschept tot een geordende denkeenheid.

30 30 Kentheoretische uitgangspunten van Kant: Kennis geen afspiegeling van de werkelijkheid: Hoe zit dat dan met de wiskunde, de natuurkunde en de metafysica? Kennis geen afspiegeling van de waarheid Hoe zit dat dan met de wiskunde, de natuurkunde en de metafysica? –Mensen construeren de werkelijkheid in de poffertjespan van het menselijk kenvermogen. Die poffertjespan of Kant’s tabel van het oordeelsvermogen is: Kwantiteit, kwaliteit, relatie en modaliteit. Tijd en ruimte, oorzaak en gevolg. –Kennistheorie (epistemologie) gaat vooraf aan de zijnsleer (ontologie).

31 31 Ruimte en tijd als subjectieve mogelijkheidsvoorwaarden voor de wiskunde De wiskunde is enerzijds getallenleer en berust op ons vermogen om te tellen. Nu is volgens Kant het tellen slechts mogelijk dankzij een opeenvolging van de tellende handelingen in de tijd. –De aritmetica stoelt dus in laatste instantie op de tijd. De meetkunde houdt zich - tenminste als euclidische meetkunde (en een andere bestaat er in Kants tijd nog niet) - bezig met figuren van één tot drie dimensies. –De meetkunde veronderstelt dus de ruimte. Kant toont aan dat ruimte en tijd niet op zich bestaan, maar slechts de vormen zijn van onze waarneming van de dingen. Inderdaad nemen we niet ruimte en tijd waar, maar slechts ruimtelijke en tijdelijke dingen. Die dingen zijn de inhoud van ons waarnemen, en ruimte en tijd zijn de noodzakelijke vormen waarin dingen opgenomen moeten zijn om te kunnen worden waargenomen.

32 32 Ruimte en tijd Ruimte en tijd zijn dus de vormen van ons waarnemen. Verder zijn zij voor wat hun verhouding tot de dingen betreft, a priori. Want we kunnen ons een ruimte en tijd voorstellen zonder dingen daarin, maar nooit dingen die niet in tijd en ruimte zouden zijn. Ruimte en tijd gaan dus vooraf aan de dingen, en wel zo, dat zij onze waarneming van dingen mogelijk maken.

33 33 Ruimte en tijd Ruimte en tijd als de ordeningsvormen zijn zelf niet datgene wat geordend wordt. Zij worden over het te ordenen materiaal heen gelegd. Zij zijn niet afkomstig uit het gewaarwordingsmateriaal, maar worden er door ons – al waarnemende - aan toegevoegd.

34 34 Kennistheoretische definities van Kant over reflecteren: ReflektierenReflektieren aber ist: gegebene Vorstellungen entweder mit andern, oder mit seinem Erkenntnisvermögen, in Beziehung auf einen dadurch möglichen Begriff, zu vergleichen und zusammen zu halten (KdU, 1 ste Einleitung, V). 1.Niet alleen de buitenwereld, maar ook iemands cognitieve (impliciete) vooronderstellingen spelen een rol. 2.De begrippen fungeren zowel als bron van inspiratie als ook als een mogelijke uitkomst van het reflecteren. Als het reflecteren en de werkelijkheid op elkaar passen dan is er pas het EUREKA!

35 35 Kant’s “Urteilskraft” in schema gebracht: Concept/gezichtspunt Reflectieve ruimte Ervaringen Model voor het reflecteren in het onderwijs

36 36 Kant’s “Urteilskraft” in schema gebracht: Concept/gezichtspuntReflectieve ruimte Ervaringen formeel onderwijs / kennisvergaring Denken /denk- ontwikkeling

37 37 Drie belangrijke consequenties Ten eerste is hiermee verduidelijkt hoe wiskunde als a priori wetenschap mogelijk is: ruimte en tijd zijn de rechtsgrond van de wiskundige oordelen, en zij gaan vooraf aan de waarneming van dingen. Daarom kunnen we wiskunde bedrijven zonder eerst alle waargenomen dingen te hoeven meten en tellen. Ten tweede hebben ruimte en tijd, in Kants terminologie, een transcendentale functie. Daarmee wordt bedoeld dat zij, niettegenstaande hun verankering in het zintuiglijke kenvermogen van het subject, toch constitutief zijn voor onze waarneming van dingen buiten ons. Zij helpen de gewaarwordingen tot waarnemingen verheffen. Ten derde wordt daarmee het statuut van de waargenomen dingen bepaald. Een ding is niet een op zich gesloten entiteit die is zoals ze is. De dingen waarmee wij van doen hebben zijn geen ‘dingen op zichzelf’, maar het resultaat van de opname van gewaarwordingen in de subjectieve vormen van onze zintuiglijkheid. Wat zich aan ons als een ding voordoet, is niet het ding zoals het op zich en los van ons waarnemen bestaat, maar slechts het ding als fenomeen, het ding zoals dat aan ons verschijnt dankzij onze ordeningsvormen ruimte en tijd.

38 38 De categorieën van het verstand als mogelijkheidsvoorwaarden voor de fysica Ook deze wetenschap wordt door hem gelegitimeerd door aan te tonen dat de basisbegrippen die constitutief zijn voor de fysica, niet uit de ervaring afkomstig zijn, maar in het subject wortelen. Echter niet in de zintuiglijkheid van het kennende subject, maar in het verstand. Het verstand is immers ons vermogen tot conceptie van begrippen.

39 39 De categorieën van het verstand als mogelijkheidsvoorwaarden voor de fysica De basisbegrippen die de fysica pas mogelijk maken, noemt Kant categorieën. Begrippen als huis, kraai of mens zijn afhankelijk van onze waarneming en geven aan wat aan een bepaalde klasse van waargenomen dingen gemeenschappelijk is. De categorieën daarentegen gaan aan iedere wetenschappelijke kennis van dingen vooraf en zijn in die zin zuivere verstandsbegrippen.

40 40 Kant twaalf verstandscategorieën Een aantal daarvan zijn: Noodzakelijkheid, oorzaak en gevolg, substantie, en bestaan. Zij zijn alle niet ontleend aan de waarneming. –Voor de categorie van oorzaak en gevolg had Hume dit al aangetoond. –Maar ook substantie kunnen we niet waarnemen in de zin van absoluut in zichzelf berustende entiteiten, maar slechts als dingen die een betrekkelijke stabiliteit vertonen. –Ook het bestaan van dingen wordt niet waargenomen; immers, bestaan is geen eigenschap zoals hardheid, kleur of vorm van het ding. Vandaar trouwens dat er telkens weer twijfels mogelijk zijn aan het al dan niet bestaan van waargenomen dingen.

41 41 Epistemologie (kennisleer) gaat vooraf aan de (zijnsleer) : Bij de activiteit van het begrijpen ontdekken we dat de werkelijkheid bestaat uit entiteiten, d.w.z. uit personen, organen, elektronen, enz. Entiteiten hebben eigenschappen (= een oordeelsvorm van de relatie); Uit die eigenschappen leiden we ‘gedrag’ af. We ontdekken dan dat de ontologie regelmatig aan de epistemologie voldoet.

42 42 De onmogelijkheid van de metafysica De verstandscategorieën zorgen ervoor dat de dingen die we om ons heen waarnemen, objecten worden van natuurwetenschappelijke kennis. Natuurwetenschap strekt zich uit over al wat we tegenkomen op het vlak van de waarneming, maar dan ook geen millimeter verder. Waar geen vooraf gegeven waarnemingsmateriaal aanwezig is, waar zich niets aan ons voordoet, kunnen we ook niets tot object van natuurwetenschappelijk onderzoek maken. Dit betekent dat de natuurkunde zonder enige uitzondering geldig is voor de hele fenomenale wereld van de tijd-ruimtelijke dingen, maar niet voor enige andere wereld. Een fysica van fictieve werelden zoals bijvoorbeeld die van de Griekse mythologie, van Doornroosje of van Reintje de Vos, is onmogelijk. Daarmee hebben wij zowel de mogelijkheid alsook de grenzen van de objectieve kennis aangeduid. We kunnen weliswaar meer verzinnen dan reëel – dat wil zeggen in tijd en ruimte – gegeven is, maar we kunnen niet meer kennen.

43 43 Metafysica is niet mogelijk De metafysica en de theologie maken zich schuldig aan de toepassing van categorieën die alleen met betrekking tot waarnemingsgevens kennis kunnen produceren, op entiteiten waarvan men van meet af aan toegeeft dat ze op geen enkele manier in de waarneming gegeven kunnen zijn. Om een uitdrukking van Kant te gebruiken: in de metafysica en de theologie geldt: “de een melkt de bok, de ander houdt de zeef eronder.”

44 44 Is Kant toch nog essentialist? Plato revived, maar wel gereviseerd. Waar zit die revisie dan? Wie weet het? NOUMENALE WERELD FENOMENALE WERELD Verstands- en aanschouwingsvormen ‘maken’ de noumenale wereld tot een fenomenale ervaring. ……………………. ?

45 45 Wat is de revisie? Het verstand ‘kent’ niet op passieve wijze de buitenwereld; Het verstand herinnert zich niets; Het verstand bewerkt – door toevoeging over door er overheen leggen – de noumenale wereld tot onze /mijn wereld.


Download ppt "1 Immanuel Kant 1724 - 1804 Theorie van het kennen T.b.v. de Kennisdelengroep op 4 april 2007."

Verwante presentaties


Ads door Google