De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Enquête : met voeding verbonden gedragingen en levensstijlen

Verwante presentaties


Presentatie over: "Enquête : met voeding verbonden gedragingen en levensstijlen"— Transcript van de presentatie:

1 Enquête : met voeding verbonden gedragingen en levensstijlen
Brutoresultaten (geanalyseerd uit het oogpunt van de BMI) (DRAFT) Juni 2005 1 CPSO - Centre de Psychosociologie de l’Opinion 1

2 Methodologie Populatie : alle Belgen van 18 tot 55 jaar
Steekproef : 610 personen Methode waarop de steekproef werd genomen : door quota’s (op basis NIS « Samenstelling van de gezinnen en familiale kernen op 1 januari 2004 ») Hoofdquota’s: leeftijd, geslacht, gezinsgrootte, taal (Gewest), Secundaire quota’s: beroepsactiviteit, grootte van de gemeenten. Interviewmethode: persoonlijk interview door beroepsenquêteurs (14 Nederlandstalige, 9 Franstalige). Gemiddelde duur van het interview : 50 minuten (tussen 35 en 70 minuten) Periode van de enquête : van 27 april tot 29 mei 2005 Foutenmarge: statistische betrouwbaarheid met zekerheidscoëfficiënt van 95,45% Marge in % op percentages van de antwoorden: 50%/50% = 4,05 % (maximale marge) 25%/75% = 3,51% 10%/90% = 2,43% Gegevensverwerking: SPSS versie 11.0 2

3 Waarschuwing Wat deze enquête niet is > een studie van de oorzaken van overgewicht en obesitas. Wat ze wel is > een studie: van de standpunten van het publiek over overgewicht, obesitas en voeding; een onderzoek van de levensstijl (foto) in samenhang met de voeding, vergelijkend volgens een klassering van het gewicht van de personen (BMI). Dit voorlopig en voorbereidend rapport bevat de brutoresultaten volgens de BMI (zonder verbetering)

4 Structuur van de steekproef (leeftijd)

5 Structuur van de steekproef (geslacht)

6 Samenstelling van de enquête en van de vragenlijst
Wetenschappelijke literatuur over de problematiek Onderzoek van recente enquêtes: gezondheidsenquêtes (België, Frankrijk, Nederland, Canada, Engeland,…) WGO-enquêtes Uitwerking van de vragenlijst 6 herhalingen 74 hoofdvragen uitgesplitst in 269 subvragen (325 gecodeerde of variabele gegevenseenheden per vragenlijst) Pretest op 8 personen Vertaling en controe van de vertaling Terrein Berekening van de quota’s Routebladen Briefing enquêteurs Kaarten, instructies, steekkaarten Inzameling van de vragenlijsten Controles en coderingen Analyse van de gegevens

7 Principes van de vragenlijst
Onderscheid tussen psychosociologische enquête en epidemiologische studie Behandelde thema’s: Voedingsgewoonten en –stijlen, waaronder Verbruikte voeding Vorm, tijdstip, duur en plaats waar de maaltijden in de loop van de dag worden genomen Bereiding van de maaltijden Andere vormen van voedingsverbruik (knabbeltjes, fastfood,…) Context van het nemen van de maaltijden Gegevens (overgewicht, …) Vormen van aankoop van de voeding (boodschappen, bereide schotels, take-home, -away, …) Bereiding van de maaltijden (tijd,…) Toestand en kenmerken van de persoon, waaronder Lengte, gewicht Slaap, gezondheid, stress, gewichtstoename, dieet Verslaving (tabak, alcohol, …) Zelfperceptie en algemene perceptie van het gewicht van de persoon Levensstijlen Sport Lopen, wandelen en andere dagelijkse lichaamsactiviteiten Vrijetijdsbesteding en hobby’s Televisie, internet, spelconsoles en daarmee verbonden voedingsgedrag Standpunten Over voeding en de daarmee samenhangende ideeën Over verdeelautomaten Over de oorzaken van overgewicht en obesitas Over de remedies voor overgewicht en obesitas Sociaal-cultureel, demografisch, economisch,… profiel van de persoon

8 BMI (Quetelet-index - 1835).
Lichaamsmassa-index of Body Mass Index : overgenomen door de WGO De BMI is de verhouding van het gewicht (kg) over de lengte in het kwadraat (m2) BMI = gewicht (kg) / lengte2 (m) Maar ook: Formule van Lorenz : ideaal gewicht = (lengte in cm -100) - (lengte - 150/2 (vrouw) of 150/4 (man) WHR « waist-hip ratio » Gewichtsstatus Classificatie BMI Ondervoeding Graad V < 10 Graad IV 10,0-12,9 Graad III 13,0-15,9 Graad II 16-16,9 Graad I of te laag gewicht 17,0-18,5 Referentiewaarden 18,5-24,9 Overgewicht 25,0-29,9 Obesitas ≥ 30 Graad I 30,0-34,9 35,0-39,9 Graad iii 40,0

9 BMI - steekproef – in aanmerking genomen categorieën

10 BMI - steekproef - vergelijking FEVIA-ULB / ISP 2001
Enquête ISP : < 18 jaar Enquête FEVIA-ULB : jaar Gedeeld gevoel bij de enquêteurs dat sommige personen hun gewicht (bewust?) onderschatten

11 Referentiemodel dat het gewicht bepaalt op een tijdstip « t »
Potentiële mogelijkheid van veranderingen Levensstijl, sedentariteit, lichaamsbeweging, vrijetijdsbesteding,… Gedrag Voeding hoog Voedingskeuzes, middelen, gewoonten, smaken,.. Context Problemen met familie, beroep, … Gewicht gemiddeld Houdingen Onderwijs, familiecultuur, … Tegenover voeding (hedonisme,…) Tegenover gewichtstoename,… Le poids dépend de 5 facteurs principaux. Ces facteurs interagissent. L’obésité et le surpoids ne s’expliquent pas par des causes uniques mais par des effets « favorables » ou « défavorables » des facteurs présents. Une personne peur prendre du poids si une des causes est présente et favorable, quelles que soient les autres valeurs prises par les autres facteurs. Aspect systémique : Aucun facteur n’est suffisant par lui-même pour expliquer le surpoids ou l’obésité indépendamment des autres. Mais d’autres facteurs sont nécessaires. Par exemple : il y a des personnes « sédentaires » qui restent maigres ou de poids normal. La sédentarité n’est donc pas une condition nécessaire, ni suffisante du surpoids. Terrein laag Genetica, erfelijkheid, ziekten, leeftijd, ….

12 Voornaamste resultaten van de enquête
1) Volgens de geïnterviewden zijn overgewicht en obesitas gevolgen van persoonlijk gedrag, zowel op gebied van voeding als van levensstijl. Personen met overgewicht en zwaarlijvige personen zijn zich daarvan bewust en geven toe dat ze te veel eten. 2) Volgens de geïnterviewden liggen de voornaamste oorzaken van overgewicht en obesitas in onze maatschappij (volgens de enquête) ook voornamelijk in een « slechte voeding », te veel eten en sedentair leven. 3) In het algemeen wordt vastgesteld dat vele voedingsgedragingen en levensstijlen volgens het gewicht van de personen op dezelfde wijze verspreid zijn. Andere zouden specifiek kunnen zijn. 4) Volgens onderzoek van de levensstijlen zou overgewicht niet de wachtkamer van obesitas zijn. Er zou geen lineaire evolutie zijn van de gedragingen en houdingen die een toename van de BMI met zich meebrengen: personen met overgewicht onderscheiden zich duidelijk van zwaarlijvige personen.

13 over overgewicht, obesitas
Resultaat (pt1) Algemene standpunten over overgewicht, obesitas en voeding

14 Oorzaken toegekend aan obesitas en overgewicht : open vraag = top of mind (Q62)
De voornaamste redenen die door 50% van de ondervraagden spontaan worden opgegeven als oorzaken van overgewicht en obesitas zijn: 1) Slechte voedingsgewoontes, ongezonde voeding (gebrek aan afwisseling) en onevenwichtige voeding, voeding die te rijk is aan vetten of suikers (overmatig gebruik van…), te veel (hoeveelheid). 2) Het gebrek aan beweging, sedentariteit, gebrek aan sport, te veel televisie kijken 3) Verkeerde « opvoeding » mbt voeding, gebrek aan informatie en gebrek aan kennis over de gevaren van obesitas, gebrek aan respect voor het eigen lichaam. 4) Levensstijl, problemen en stress (met inbegrip van de gezondheidstoestand, erfelijkheid en ziekte).

15 Oorzaken waaraan obesitas en overgewicht worden toegeschreven (Q63)

16 Algemene standpunten betreffende voeding (Q60) : % akkoord
1p sur 2 pense que les aliments qui ne font pas grossir coûtent plus cher Or plat préparé coute + cher que se préparer un plat > taille du ménage

17 « Voedingslevensstijlen »
volgens de BMI

18 Aantal maaltijden per dag (Q2)
Différencessignificatives selon le BMI. Les personnes « plus maigres » mangent plus souvent. Plus de personnes moins « enveloppées » auraient une tendance à prendre un plus grand nombre de repas. Cela appuierait l’hypothèse selon laquelle les « obèses » sautent des repas. Chi2 sign. P=.02

19 Ontbijt (Q1) Ce résultat montre que des personnes obèses « sautent » plus souvent le petit déjeune (effet légèrement significatif). L’enquête santé montrait que : 78% des belges prennent « régulièrement » un petit déjeuner. Nos chiffres sont de 79,6 %. 20,4% restent généralement à jeun. Ces résultats se confirment avec les comportements associés au dîner (du midi). Chi2 total NS Sign. P=.08 (BMI>30 / Rest)

20 Verbruikte voedingsproducten (Q1)

21 Voedingsproducten (Q1) - kenmerken BMI ≥ 30
Minder  Meer  fruit fijne vleeswaren volwaardige voedingsmiddelen light dranken groenten iedere dag light producten gefrituurde voedingsmiddelen iedere dag kunstmatige zoetstoffen chips alcoholhoudende dranken koekjes, wafeltjes,.. chocolade dranken met toegevoegde suiker snoepgoed vlees zout

22 Knabbelen (Q9) 8 belges sur 10 déclarent ne pas grignoter ou rarement de telle sorte que cela n’affecte pas leurs repas. On ne constate pas d’effet significatif. Les personnes en surpoids et obèses ne grignoteraient pas plus ou moins que les autres, quelques soient les circonstances. Hypothèses sur les comportements associés. 1°) grignotent mais n’en ont pas conscience 2°) grignotent mais en ont honte et mentent 3°) la quantité grignotée en une fois (sentiment de ne pas grignoter tout le temps) est importante et constitue un repas supplémentaire (exemple de la boîte de saucisses ZWAN). CHI2 non sign.

23 Tijd besteed aan de bereiding van de maaltijden in het gezin (Q50)
H°: Manger vite fait grossir - les personnes en surpoids passent moins de temps à préparer et consomment plus d’aliments tout-faits. L’hypothèse ne se vérifie pas. Dans plus de ménages de personnes en surpoids et obèses on passe plus de temps en cuisine, plus d’une heure. Problématique du plaisir ? Surpoids et obésité : plaisir à manger et à cuisiner. Maigre : s’alimenter sans se faire plaisir ? CHI2 sign. P=.05

24 Ongeduld bij hongergevoel voor de maaltijden (Q10)
On trouve une même proportion de personnes déclarant ne pas attendre le repas pour manger chez les personnes maigres et chez les obèses. Par contre une plus petite proportion de personnes obèses déclarent attendre les repas si elles ont faim et développent plus souvent des stratégies de contournement (parfois n’attend pas, autre cas,…). Plus de personnes en surpoids semblent attendre ce qui peut être interprété comme une forme d’ »attention » ou de vigilance vis-à-vis de leur poids. CHI2 niet sign.

25 Gevoelens met betrekking tot de opgenomen hoeveelheden voedsel (Q11)
Plus de la moitié des belges estime manger en suffisance. Près de 2/10 mangeraient trop. Ce sont surtout les personnes en sur-poids et obèses qui estiment manger trop (près de 5 sur 10 pour les obèses). Ce sont les personnes maigres qui estiment ne pas assez manger. Cela traduit la conscience qu’à chacun de la quantité de nourriture absorbée (et non cachée) en relation avec son poids. Ce résultat conforterait l’hypothèse du caractère compulsif de l’absorption de nourriture chez les personnes obèses ou en sur-poids : « on se remplit ». CHI2 sign. P < 001

26 Persoonlijke en sociale controle van de opname van voedsel (H° Birch) : vragen

27 Persoonlijke en sociale controle (Q17)
L’hypothèse est vérifiée au seuil de P (X2=) = 0,039. Les personnes en surpoids et obèses auraient une tendance plus forte à moins bien se contrôler lors des repas, lorsqu’ils sont en compagnie. De même terminer leur assiette, ne jamais refuser un dessert même après un repas copieux, manger ce que l’on aime et que l’on a sous la main, manger quand c’est l’heure du repas, même si on n’a pas faim. Idem hypothèse du plaisir : à manger avec les autres, à partager un repas,…. CHI2 sign. P = 002

28 ‘s Avonds laat of na televisie-uitzending eten (Q16)
Un peu plus d’un belge sur dix prendrait encore un repas tard le soir, après une émission de TV par exemple. Il s’agit le plus souvent de plats préparés au moment même ou de restes et plats déjà préparés (congelés) réchauffés. Des personnes en surpoids seraient plus attentives et éviteraient plus souvent cette prise d’un repas supplémentaire. CHI2 sign. P = .07 BMI 25/30 sign.P=.008

29 Toevlucht tot « take home » of « take away » (Q15)
3 belges sur 10 recourent au take home ou au take away. Cette proportion semble un peu moindre chez les personnes obèses ou en insuffisance pondérale. CHI2 Non sign.

30 Aankoop van kant-en-klare gerechten voor thuis (Q48)
CHI2 Niet sign.

31 Bezoek aan fastfoodrestaurants (Q14)
6 belges sur 10 déclarent fréquenter les fast-food. Contrairement aux idées reçues, se seraient les personnes en sous-poids qui seraient les plus adaptes de ce type de restaurant. Plus de personnes obèses les éviteraient. CHI2 Niet sign.

32 Met de levensstijlen verbonden contexten
(geanalyseerd volgens de BMI)

33 Slaap, gezondheid en stress (Q22, Q23 en Q24)
Belangrijke effecten: Slaap: Zwaarlijvige personen hebben de neiging minder te slapen dan anderen, vooral minder vaak meer dan 8 uur per nacht. Dit resultaat toont en bevestigt het verband tussen zwaarlijvigheid en het gebrek aan slaap, alsook tussen het « goede gewicht » en de evenwichtige slaap (CHI2 sign p=.03). Gezondheid: Personen met een te laag gewicht of met overgewicht en vooral zwaarlijvige personen vinden dat ze in minder goede (uitstekende of zeer goede) gezondheid zijn dan de anderen (BMI 18,5-24,9) (CHI2 sign < .001). Stress : Personen met een te laag lichaamsgewicht zijn het meest gestresseerd. Daarna die met overgewicht. De zwaarlijvige personen zijn het minst gestresseerd (CHI2 sign. P= .10) Stress associé à la prise de poids, ce qui n’est plus le cas des « obèses ».

34 Actueel gebruik van tabak (Q27)
1 belge (18-59 ans) sur 3 est fumeur aujourd’hui. La proportion de fumeurs est plus importante chez les personnes en déficit pondéral et décroît avec l’augmentation du BMI. L’effet tabac/déficit pondéral est très significatif. Par contre de nombreuses personnes en surpoids et obèses signalent avoir pris du poids après l’arrêt du tabac. CHI2 sign. P=.05

35 Alcoholverbruik (Q28) Près de 3 belges sur 4 consomment modérément ou régulièrement des boissons alcoolisées. Moins de personnes obèses en consomment mais quand elles en consomment la quantité est importante. 28,4% des obèses consommateurs d’alcool en consomment en moyenne près de 3 verres par jour. Cette tendance se retrouve chez les personnes en surpoids qui en moyenne consomment plus d’alcool (quantité) que les personnes au BMI normal. CHI2 Niet sign.

36 Alcoholverbruik – gemiddeld aantal glazen per week bij de verbruikers
ANOVA F. Sign P=.002

37 Zelfperceptie en algemene perceptie van het gewicht van de persoon (Q37, Q38)
Zelfperceptie (CHI2 sign. P= < .001) « Zwaarlijvige personen » : slechte perceptie van eigen gewicht 5,4 % van de zwaarlijvigen denken dat ze een normaal gewicht hebben 69,6 % dat ze « enkel » overgewicht hebben 21,4 % dat ze zwaarlijvig zijn 3,6 % weten het niet en maken er zich geen zorgen over « Magere » personen of personen met een te laag gewicht: slechte perceptie 60,5 % denken dat ze een normaal gewicht hebben (ongetwijfeld effect van de reclame) 2,3 % dat ze « overgewicht hebben » 32,6% dat ze een gewicht onder het normale hebben 4,7% maken er zich geen zorgen over Personen met « overgewicht » : goede perceptie van eigen gewicht 30,8 % denken dat ze een normaal gewicht hebben 62,7 % dat ze overgewicht hebben 1,8 % dat ze zwaarlijvig zijn 3,6 % maken er zich geen zorgen over Obèses pensent seulement « surpoids » Maigres pensent « poids normal » Surpoids pensent surpoids

38 Zelfperceptie en algemene perceptie van het gewicht van de persoon (Q37, Q38)
Zwaarlijvige personen (CHI2 sign. P= < .001) : 25% denken dat de anderen hen dik vinden. 66,1% denken dat de anderen hen een beetje dik, een beetje struis vinden.  Magere personen of personen met een te laag lichaamsgewicht (CHI2 sign. P= < .001) : 30,2 % denken dat de anderen hen dik noch mager vinden 46,5 % een beetje mager 11,6 % zeer mager Personen met « overgewicht » (CHI2 sign. P= < .001) : 55,0 % denken dat de anderen hen een beetje dik, een beetje struis vinden 39,2 % denken dat de anderen hen dik noch mager vinden

39 Gebeurtenissen die een invloed hebben op het gewicht (Q25)
Près de la moitié des personnes ont vécu un événement qui a perturbé leur poids. 4 personnes sur 10 en insuffisance pondérale ont vécu un événement qui les a fait maigrir. Près de 4 sur 10 en surpoids ont vécu un événement les ayant fait grossir. De même (plus de 4 sur 10) pour les personnes obèses. L’impact d’événements vécus et « difficiles » est donc très important sur les problèmes de poids. CHI2 sign. P < .001

40 Voedingsdieet om gewicht te verliezen (Q35)
3 belges sur 10 de 18 à 60 ans ont déjà suivi un régime alimentaire pour perdre du poids. Plus le BMI est élevé plus on trouve de personnes dans ce cas. Plus d’1 personne obèse sur 2 a suivi un régime. Ce sont les personnes en surpoids et obèses qui suivent actuellement un régime, proportionnellement plus chez celles en surpoids. On constate également des effets « ménages » : quand la personne interrogée suit un régime, dans 1 cas sur 3, une autre personne du ménage suit aussi un régime alors que cette proportion tombe à 1 sur 10 lorsque (la personne interrogée) ne suit pas de régime. CHI2 sign. P<.001

41 Activiteiten, vrijetijdsbesteding, lichamelijke inspanningen
(geanalyseerd volgens de BMI)

42 Sportbeoefening (Q39) Près d’un belge sur deux (de 18 à 60 ans) pratiquerait un sport. Ce sont surtout les personnes ayant un poids normal (il faut se montrer) qui pratiqueraient un sport. En rapport à la moyenne moins de personnes en insuffisance pondérale pratiquent un sport. Moins de personnes en surpoids et surtout obèses pratiqueraient un sport. On peut suspecter une corrélation. Ce qui confirme la justesse des recommandations « OMS » : faire de l’exercice, bouger, … à côté de recommandations sur l’alimentation (moins pertinentes ?) BMI >30 vs anderen : CHI2 sign. P=.05

43 Wandelen (Q41) CHI2 sign. P=.03

44 Zoveel mogelijk de trap gebruiken (Q42)
CHI2 sign. P=.05

45 Hobby’s (Q44) CHI2 sign. P=.02

46 Vrijetijdsbesteding buitenshuis (Q45)
Les personnes en sur-poids et obèses ont en moyenne moins souvent un ou plusieurs loisirs hors domicile. CHI2 sign. P < .001

47 Tijd doorgebracht voor de televisie (uitzendingen, DVD, enz.) (Q52)
La corrélation entre le temps passé devant la TV et le surpoids et l’obésité est significative. On passe plus de temps devant TV et donc moins de temps à loisirs, sports, activités hors-domicile (vases communiquants) CHI2 sign. P = .01

48 Andere resultaten in verband met het gebruik van de televisie²
Een steeds groter aandeel van mensen die televisie kijken in de slaapkamer of in bed vertoont minder problemen van overgewicht en zwaarlijvigheid (CHI2 sign. P= .02). De nabijheid van de koelkast of het gemak om te consumeren, speelt hier ongetwijfeld een rol. De maaltijden genomen op een dienblad in de woonkamer of in de slaapkamer vertonen geen correlatie met het overgewicht of de zwaarlijvigheid (CHI2 niet sign). Even veel « magere » mensen als mensen met een normaal gewicht of zwaarlijvige personen doen dit. De praktijk lijkt wat minder verspreid bij zwaarlijvige personen. De snacks en tussendoortjes die voor de televisie worden verbruikt, worden vooral verbruikt door de « magere personen » (75,6%) en de zwaarlijvige personen (67,9%) (CHI2 sign. P= .09). De personen met een normaal gewicht (63,9%) en vooral met overgewicht (56,4%) (CHI2 sign. P= .02) gaan er minder vlug toe over. De waarnemingen zijn dezelfde voor wat de dranken betreft, maar de verschillen (%) zijn kleiner. Betreffende de spelconsoles: te klein aantal om geldige conclusies te trekken. Ongetwijfeld verbonden met de geïnterviewde leeftijdsgroepen.

49 Internet (Q59) 64,7% hebben thuis toegang tot het internet.
74,9 % besteden er minder dan een uur per dag aan. 9,5% nemen een of meer maaltijden terwijl ze « op het internet » zijn. Minder zwaarlijvige personen nemen in dit geval een maaltijd (5,9%). Meestal zijn het personen met een normaal gewicht (11,7%). Tussen de twee, de « magere personen» (8,0%) en de «personen met overgewicht » (6,8%). 23,0% eten snacks als ze «op het internet» zijn. Volgens de BMI geen belangrijke verschillen (CHI2 non sign) : 30,0 % van de magere mensen 24,0% van de mensen met een normaal gewicht 19,4% van de mensen met overgewicht 23,3% van de zwaarlijvigen. De helft van de personen nemen dranken, zonder opvallend verschil volgens de BMI.

50 Maatregelen om overgewicht en obesitas te vermijden (Q65)
Les mesures préconisées sont celles qui touchent directement et d’une manière « active » les individus. C’est logique dans la mesure où l’enquête montre que la responsabilité du surpoids et de l’obésité incombe aux individus. C’est donc directement à leur niveau qu’il faut agir. Le développement des activités sportives et la promotion du sport à l’école. L’éducation et de l’information que des mesures sont attendues. Les mesures de contrôle, intervention de la sécurité sociale, réduction ou augmentation des taxes, pénalisation, etc., autant de mesures négatives ou passives sont reléguées en queue du peloton des mesures proposées. Le bon sens l’emporte ici : les personnes pensent que quelles que soient les mesures de contrôle, taxes et autre restrictions, elle n’empêcheront jamais « l’absorption » de nourriture de celui qui en veut. Des mesures favorisant les produits allégés n’entraîneront jamais celui qui n’en veut pas à en consommer. Donc c’est avant tout l’éduction ,l’information, le sport, la lutte contre la sédentarité qui est vue comme les mesures actives pour combattre l’obésité. Contrairement au tabac où il n’y a qu’un seul (type) de produit pour fumer, en alimentation il y en a une diversité importante et qui est incontrôlable.

51 Eerste conclusies (DRAFT)
De oorzaken van obesitas zijn individueel: behalve genetische en gezondheidsproblemen, zijn volgens de respondenten, individuen zelf verantwoordelijk voor hun overgewicht en hun zwaarlijvigheid. Als er maatregelen moeten worden genomen, gaan die in de zin van voorlichting, opvoeding en responsabilisering van de mensen. Vervolgens en in laatste instantie komen politieke of reglementaire maatregelen. Geen enkel reglement zal iemand verhinderen te veel voeding te verbruiken. Er worden verschillende gedragingen waargenomen tussen personen met overgewicht en zwaarlijvige personen (niet noodzakelijk samenhangend met de BMI). Personen met overgewicht zouden « oplettender » zijn dan berustende « zwaarlijvige personen ». Eerstgenoemden ontwikkelen strategieën om te vermijden dat ze de grens naderen, laatstgenoemden zijn niet meer « in de buurt van de grens ». Bijvoorbeeld, wachten tot de maaltijd om te eten; niet ‘s avonds laat eten. Zwaarlijvigheid = « stabiele » toestand; overgewicht = « onstabiele» toestand. Zwaarlijvigen zouden minder verschillen in hun voedingsgedrag van personen zonder problemen dan de personen met overgewicht. Overgewicht is niet noodzakelijk de wachtkamer van zwaarlijvigheid. Voor sommige mensen « wel », voor anderen « niet », omdat het voor deze laatsten een « alarm » is. Voor anderen tenslotte, is overgewicht een indicator van (sociaal) welzijn, obesitas « niet ».

52 Eerste conclusies (DRAFT)
Dezelfde kritieke gedragingen die in het algemeen worden toegeschreven aan zwaarlijvige personen en personen met overgewicht zijn met dezelfde (of een hogere) frequentie terug te vinden bij de anderen. Deze gedragingen kunnen dan versterkende factoren zijn, maar geen uitlokkende of causale factoren. Knabbelen is niet noodzakelijk een zwaarlijvigheidsfactor. In sommige gevallen hebben magere personen of personen met een te laag gewicht de neiging de hele tijd te knabbelen, wat hun voeding bij de maaltijden kan beperken. Zwaarlijvige personen knabbelen niet de hele tijd. De personen zijn zich bewust van de hoeveelheid voedsel die wordt opgenomen volgens hun gewicht. Dat gewicht zou dus niet hoofdzakelijk een gevolg zijn van « verborgen calorieën », maar wel van een totale opgenomen hoeveelheid voedsel. Het effect van beleefde en « moeilijke » gebeurtenissen is zeer belangrijk in termen van de gevolgen voor het gewicht, en zou door de personen geassocieerd worden met een groot gedeelte van het « overgewicht » of het « te laag gewicht » (ongetwijfeld volgens de somatische natuur van de persoon).

53 Eerste conclusies (DRAFT)
Factoren van overgewicht en zwaarlijvigheid volgens de enquête De regelmaat in het tijdstip waarop de hoofdmaaltijden worden genomen en de tijd die eraan besteed wordt, vormen factoren die een aangepast gewicht bevorderen. Het gebrek aan « persoonlijke en/of sociale controle van de personen met overgewicht en de zwaarlijvige personen, en de ermee verbonden gedragingen (bord leeg eten, een voedingsmiddel of een dessert niet weigeren, eten wanneer het etenstijd is ongeacht de eetlust, meer eten of zich niet kunnen controleren als men in gezelschap is,…) De verbruikte hoeveelheid alcohol is een zeer belangrijke factor van zwaarlijvigheid. Daarentegen is het verbruik van tabak groter bij de personen met een te laag gewicht en/of met een normaal gewicht. Bewegen: lichaamsbeweging (waaronder wandelen, gebruik van trappen, gebruik van de fiets voor bepaalde verplaatsingen…) en sportbeoefening zijn sterk verbonden met een normaal gewicht. Zwaarlijvige personen hebben een beperkte activiteit op dit gebied. Zich ontspannen: vrijetijdsbesteding buitenshuis draagt ook bij tot een beter aangepast gewicht. Met andere woorden, personen met overgewicht en zwaarlijvige personen leiden een meer « sedentair leven » wat het aspect vrijetijdsbesteding buitenshuis betreft. De televisie is een factor die het gewicht negatief beïnvloedt. Televisiekijken vanuit het bed daarentegen zou minder kritiek zijn, omdat het minder gemakkelijk is om in bed te knabbelen of omdat de situatie minder aangepast is.

54 Eerste conclusies (DRAFT)
Het feit van voor de televisie te eten (dienblad, snacks,…) en te drinken volstaat niet om overgewicht en obesitas te verklaren. Deze praktijken zijn verspreid onder alle categorieën van BMI, iets minder bij personen met overgewicht, die beter zouden opletten. Internet is geen factor die overgewicht bevordert. De voedingspraktijken (snacks, maaltijden,…) verbonden met het gebruik van internet zouden een tegengesteld effect aantonen: het zouden de personen zijn met de laagste BMI die meer zouden verbruiken. Met andere woorden, het internet zou gunstig kunnen zijn voor het lager verbruik van snacks en tussendoortjes bij personen met overgewicht en obesitas. De vereiste concentratie en de motivatie zouden een gunstig effect bij deze personen verklaren.


Download ppt "Enquête : met voeding verbonden gedragingen en levensstijlen"

Verwante presentaties


Ads door Google