De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

1 Zenuwstelsel / Hersenen Voeding / endocrinologie dia’s 23 t/m 46.

Verwante presentaties


Presentatie over: "1 Zenuwstelsel / Hersenen Voeding / endocrinologie dia’s 23 t/m 46."— Transcript van de presentatie:

1 1 Zenuwstelsel / Hersenen Voeding / endocrinologie dia’s 23 t/m 46

2 2 Voeding Leptin PYY Insulin Ghrelin Verzadigingscentrum (hypothalamus) hormonen betrokken bij hongergevoel Leptine door vetweefsel geproduceerd onderdrukt eetlust lich.vet ↓, leptine ↓, eetlust ↑ PYYdoor dunne darm (na maaltijd) onderdrukt eetlust Ghrelinedoor maagwand triggert hongergevoel Insulinedoor pancreas bij stijging bloedglucose onderdrukt eetlust Voeding / endocrinologie

3 3 Endocriene systeem Hormoon  chemische signaalstof  uitgescheiden in extracellulaire vloeistof  bereikt het hele lichaam via circulatie (bloed of lymfe)  alleen targetcellen reageren (hebben receptoren) communicatie over langere afstanden langzamer en langduriger dan zenuwimpuls endocrinologie electrisch signaal

4 4 Endocriene systeem Hormoon  polypeptide (eiwitten en peptides, bv insuline, LH, FSH)  amine (uit 1 aminozuur gemaakt, bv epinephrine)  steroidhormoon (lipide met 4 ringen, uit cholesterol gemaakt bv oestradiol, testosteron, cortisol) endocrinologie oplosbaarheid ? plaats receptor: celoppervlak, of in de cel?

5 5 Regulatie bloedsuikergehalte Mens bloedglucose ca 90 mg/100 ml Glucose Belangrijke brandstof Belangrijke bron voor biosynthese endocrinologie Regulatie bloedsuikergehalte eenvoudig endocrien pad, geregeld door negatieve feedback “Opslag” glucose  glycogeen (polymeer van glucose)  vet zie dia 26

6 6  Exocriene cellen: verteringsenzymen bicarbonaat-ionen via pancreasbuis naar dunne darm Regulatie bloedsuikergehalte Mens bloedglucose ca 90 mg/100 ml Pancreas (alvleesklier) Bloedglucose ↑ Bloedglucose ↓ insuline ↑ glucagon ↑ gluc opname uit bloed gluc afgifte aan bloed Glucose Belangrijke brandstof Belangrijke bron voor biosynthese endocrinologie antagonisten  α cellen:glucagon  β cellen:insuline  Endocriene cellen: Eilandjes van Langerhans:

7 Homeostase: Bloed glucose (ca 90 mg/100 mL) Glucagon STIMULUS: concentratie glucose bloed daalt Alpha cellen pancreas geven glucagon af Lever breekt glycogeen af en produceert glucose. Bloed glucose concentratie ↑ STIMULUS: concentratie glucose bloed stijgt. Beta cellen pancreas geven insuline af aan bloed Lever neemt glucose op en slaat het op als glycogeen Bloed glucose concentratie ↓ Lich cellen nemen meer glucose op Insulin endocrinologie Regulatie bloedsuikergehalte Eenvoudig endocrien pad

8 8 Regulatie bloedsuikergehalte Insuline Targetcellen  bijna alle lich. cellen muv hersenen  nemen glucose op uit bloed  lever  glycogeen-afbraak ↓ ↓  productie glucose uit aa en glycerol ↓ ↓ Glucagon  leverglycogeen-hydrolyse ↑ ↑ aa + glycerol glucose ↑ ↑ Voor beide hormonen is de lever een kritisch target voedingsstoffen gaan vanuit dunne darm direct naar lever! endocrinologie

9 9 Diabetes mellitus Type 1Insuline-afhankelijke diabetes Cellen vernietigd door autoimmune reactie: geen insuline Insuline-injecties Type 2Targetcellen verminderde respons op insuline Ouderdom, overgewicht  Insuline-deficiëntie  Verminderde respons targetcellen op insuline Cellen kunnen glucose niet opnemen Vet: belangrijk substraat voor cel-respiratie:Zure metabolieten Regulatie bloedsuikergehalte endocrinologie

10 10 Endocriene systeem Twee systemen voor communicatie en regulatie Endocriene systeem Zenuwstelsel Neurohormonen; hormonen door neuronen geproduceerd (bv) Epinephrine; werkt als neurotransmitter & hormoon endocrinologie via circulatie (bloed, lymfe) door hele lichaam naar specifieke targets (receptoren) chemisch signalen langs gerichte paden (zenuwen) locaal; regelen andere cellen (neuronen, spiercellen, endocriene cellen) electrisch

11 11 Endocriene systeem Neurohormonen speciale neuronen produceren hormonen die van de zenuwcellen naar de bloedbaan diffunderen van daaruit targetcellen beïnvloeden Neurendocrien signaal Integratie endocriene systeem en zenuwstelsel Hypothalamus Hypofyse endocrinologie

12 12 Achterkwab Neurohypofyse Voorkwab Adenohypofyse Hypothalamus Hypofyse Hypothalamus uitgroei hypothalamus uitgroei monddak Neurohormonen oxytocine, ADH gereguleerd door hormonen hypothalamus opslag & afgifte endocrinologie geproduceerd in hypothalamus pijnappelklier

13 Fig Achterkwab (neurohypofyse) Voorkwab (adenohypofyse) Neurosecretorische cellen van hypothalamus Hypothalamus Axon HORMOON Oxytocin ADH NiertubuliTARGETMelkklieren, baarmoederspieren endocrinologie

14 Pad Stimulus Hypothalamus/ neurohypofyse Positieve feedback Sensorisch neuron Neurosecretory cell Bloed vat Neurohypofyse scheidt oxytocine ( ) uit Target cellen Response gladde spieren in borst Laten schieten van melk + Eenvoudig neurohormoon- pad Zogen

15 15 Endocriene systeem Neurohypofyse (achterkwab)  ontstaat uit verlenging hypothalamus  neurohormonen oxytocine en ADH Oxytocine melkafgifte, partus, stemming, sexuele opwinding ADHantidiuretish hormoon (vasopressine) regulatie osmolariteit waterterugname in nieren: volume urine ↓ endocrinologie

16 Fig Hypothalamus hormonen: stimulerende (releasing) en remmende (inhibiting) hormonen Neurosecretory cellen hypothalamus HORMONE TARGET Achterkwab Poortvaten Endocrine cells of the anterior pituitary Pituitary hormones alleen “trofe” effecten: FSH LH TSH ACTH niet-”trofe” effecten: Prolactin MSH Zowel “trofe” als niet-”trofe” effecten: GH Testes or ovaries Thyroid FSH and LHTSH Adrenal cortex Mammary glands ACTHProlactinMSHGH MelanocytesLiver, bones, other tissues Adenohypofyse (voorkwab) schildklierbijnierschors

17 17 Endocriene systeem Adenohypofyse (voorkwab)  uit uitstulping monddak  synthese en secretie vele hormonen TRHthyrotropine releasing hormoon:  wordt gereguleerd door hormonen van hypothalamus  releasing hormonen  inhibiting hormonen afgegeven aan capillairen basis hypothalamus van daaruit via poortvaten naar hypofyse bv. adenohypofyse: TSH (thyroid stimulerend hormoon) endocrinologie

18 18 Endocriene systeem Adenohypofyse (voorkwab)  “Tropic effects”: “~ trofe” hormonen reguleren functies van endocriene klieren TSHthyroid stimulerend hormoon FSHfollikel stimulerend hormoon LHluteïniserend hormoon ACTHadenocotricotroop hormoon gonadotrofe hormonen  “non-tropic effects” target: niet-endocriene klieren prolactine, melanocyt stimulerend hormoon (MSH)  GH (groeihormoon); zowel tropic als non-tropic endocrinologie

19 19 PathwayExample Stimulus Low blood glucose Receptor protein Pancreas secretes glucagon ( ) Endocrine cell Blood vessel Liver Target effectors Response Pathway Example Stimulus Suckling Sensory neuron Hypothalamus/ posterior pituitary Neurosecretory cell Blood vessel Posterior pituitary secretes oxytocin ( ) Target effectors Smooth muscle in breast Response Milk release Pathway Example Stimulus Hypothalamic neurohormone released in response to neural and hormonal signals Sensory neuron Hypothalamus secretes prolactin- releasing hormone ( ) Neurosecretory cell Blood vessel Voorkwab Anterior pituitary secretes prolactin ( ) Endocrine cell Blood vessel Target effectors Response Mammary glands Milk production (c) Simple neuroendocrine pathway (b) Simple neurohormone pathway (a) Simple endocrine pathway Hypothalamus Glycogen breakdown, glucose release into blood hormoon neurohormoon Fig (hormoon) (neurohormoon) (hormoon en neurohormoon)

20 20 Fig Hypothalamus GnRH FSH Voorkwab (adenohypofyse) Sertoli cellen Leydig cellen Inhibine Spermatogenese Testosteron Testis LH Negatieve feedback – – – endocrinologie Voortplanting spermatogenese Complexer endocrien pad

21 21 endocrinologie Fig (a) Control by hypothalamus Hypothalamus GnRH adenohypofyse 1 Geremd door combinatie van oestradiol en progesteron Gestimuleerd door hoge concentraties oestradiol Geremd door lage concentraties oestradiol 2 FSH LH gonadotrofe hormonen van de hypofyse in bloed (b) 6 FSH LH FSH and LH stimuleren follikelgroei LH piek triggert ovulatie 3 Ovarian cycle 8 (c) 7 Groeiende follikel Maturerend follikel Corpus luteum Degenererend corpus luteum Folliculaire fase Ovulatie Luteale fase toename afgifte oestradiol door groeiend follikel Progesteron en oestradiol uitgescheiden door corpus luteum 4 Ovarium hormonen in bloed Piek veroorzaakt LH piek (d) 5 Oestradiol Progesteron 9 10 Zeer lage oestradiol concentratie Progesteron en oestra- diol bevorderen dikker worden van endometrium Uterine (menstrual) cycle Endometrium (e) Menstrual flow phase Proliferative phase Secretory phase Days | | | 15 | | || | – – + Voortplanting Pil: bijvoorbeeld een mengsel van oestrogeen en progestine (een synthetisch progesteron) Complexer endocrien pad ouwcycluseenvoudig.html

22 22 endocrinologie Fig Oestradiol Oxytocine door ovaria meer oxytocin receptoren in uterus door neuro- hypofyse van foetus en moeder Stimuleert baarmoeder contractie Stimuleert placenta tot prod. Prostaglandines Stimuleert nog meer contractie baarmoeder Positieve feedback + +

23 23 Voeding

24 24 Voeding waarom  Bouwstoffen (biosynthese, groei, herstel)  Brandstoffen (energie)  Essentiële voedingsstoffen stoffen die het lichaam niet zelf kan maken vitaminen, mineralen, essentiële aminozuren essentiële vetzuren Carbohydraten (koolhydraten), Lipiden (vetten), Proteïnen (eiwitten) Brandstoffen verbranden (oxideren) koolhydraten, vetten en eiwitten ‘laatste redmiddel’ vet 2x zoveel energie als carbohydraten of eiwitten ATP (‘chemische energie’) & warmte (vegetariërs)

25 25 Als inname caloriën > verbruik caloriën: 1) opslag glycogeen (glucose polymeer) in lever spieren 2) glycogeen-depots vol, dan opslag in vetcellen Als inname caloriën < verbruik caloriën: 1) eerst glycogeen lever opgebruiken 2) dan glycogeen spieren en vet opgebruiken Voeding Energie uitgedrukt in caloriën 3) zeer langdurig, dan eiwitten opgebruiken

26 26 Kwantitatieve ondervoeding (undernourishment) chronisch tekort aan caloriën → afbraak lichaamseiwitten Kwantitatieve overvoeding (overnourishment) chronisch teveel aan caloriën → overgewicht, obesitas (extreme accumulatie vet) Voeding Kwalitatieve ondervoeding (malnourishment) tekort aan een of meer essentiële voedingsstoffen

27 27 Stadia van voedselverwerking Voeding IngestionDigestion AbsorptionElimination Undigested material Chemische vertering (enzymatische hydrolyse) Moleculen komen lichaams cellen binnen Kleine moleculen Mechanische vertering Voedsel Stukjes Voedsel innameverteringopnameverwijdering mechanischchemisch (enzymatisch)

28 28 Voeding Vetten Eiwitten Koolhydratenmonosacchariden (b.v. glucose, fructose, glycerol en vetzuren aminozuren Enzymatische, chemische vertering

29 29 Voeding Spijsverteringsstelsel Anus Lever Pancreas Dunne darm Dikke darm Rectum Maag Gal- blaas Slokdarm Speekselklieren Mond  spijsverterings-kanaal  assessoire klieren: speekselklieren lever pancreas galblaas Route:mond farynx (keelholte) slokdarm maag (12v darm) dunne darm dikke darm rectum anus Voeding

30 30 Mond mechanische verteringkauwen chemische verteringamylase zetmeel en glycogeen polysacchariden  speeksel amylase bevochtingen voedsel, glijden, makkelijk slikken buffer pH anitbacteriëel (lysozyme)  tong smaak, selectie vormen, verplaatsen voedselbrij hulp slikken Farynx (keelholte) slikkenepiglottis (strottenklepje) sluit luchtpijp af Voeding  tanden Spijsverteringsstelsel; mond

31 31 Ontspannen spieren Epiglottis naar boven sphincter oesophagus gecontraheerd Sphincter ontspannen gecontraheerde spieren Ontspannen spieren maag Glottis naar beneden en open Oesophagus (slokdarm) dwarsgestreepte en gladde spieren peristaltiek: voedsel mondmaag Sphincters afsluiten verschillende compartimenten maagdarmsysteem Voeding Spijsverteringsstelsel; slokdarm

32 32 Maag  Voedselopslag (elastisch)  Kneden (gespierd) Maagsap: Antibacteriëel Chemische vertering HCl (pH=2)denaturatie eiwitten uiteenvallen extracellulaire matrix Pepsineproteïnenpolpeptiden  Mucus glycoproteinen, cellen, zouten, water: bescherming epitheel  Elke 3 dgn nieuwe epitheellaag HCl zet pepsinogeen om in pepsine; pepsine activeert nog meer pepsinogeen  Secretie HCl en pepsinogeen Voeding Spijsverteringsstelsel; maag

33 33 Pepsin (active enzyme) HCl Parietal cell Chief cell Stomach Folds of epithelial tissue Esophagus Pyloric sphincter Epithelium Pepsinogen Interior surface of stomach. The interior surface of the stomach wall is highly folded and dotted with pits leading into tubular gastric glands. Gastric gland. The gastric glands have three types of cells that secrete different components of the gastric juice: mucus cells, chief cells, and parietal cells. Mucus cells secrete mucus, which lubricates and protects the cells lining the stomach. Chief cells secrete pepsino- gen, an inactive form of the digestive enzyme pepsin. Parietal cells secrete hydrochloric acid (HCl). 1 Pepsinogen and HCI are secreted into the lumen of the stomach. 2 HCl converts pepsinogen to pepsin. 3 Pepsin then activates more pepsinogen, starting a chain reaction. Pepsin begins the chemical digestion of proteins. 5 µm Small intestine

34 34 Dunne darm  Duodenum  Ileum  Jejenum  > 6 meter lang 1) Chemische vertering (enzymen) vnl in duodenum 2) Absorptie Pancreas, Lever, Galblaas Voeding = 12 v darm Spijsverteringsstelsel; dunne darm

35 35 Dunne darm1) Vertering  Alvleesklier-sap  bicarbonaat: pH↑ HCO H +  H 2 CO 3  H 2 O + CO 2  proteases, carboxypeptidase, amylases, nucleases, lipase  Galdoor lever gemaakt, opgeslagen in galblaas emulgeren vetten  Enzymen in darmwand Voeding Spijsverteringsstelsel; dunne darm

36 36 LeverGal Acid chyme Maag Pancreassap Pancreas Intestinal juice Duodenum of small intestine Gal- blaas

37 37 villi kring- en lengtespieren plooien naar leverpoortader Dunne darm 2) Absorptie water, nutriënten oppervlak 300 m 2 plooien, villi, microvilli (borstelzoom) Transport passief (diffusie) actief (pompen) meeste nutriënten via leverpoortader naar lever lever: distributie en detoxificatie Voeding Spijsverteringsstelsel; dunne darm

38 Microvilli (borstel- zone) aan apicaal celoppervlak Key Nutrient absorption Bloed capillairen Epitheel cellen Villi Lymfe vat Basal surface Lacteal; lymfevaten Epitheel cel Lumen Dunne darm Voeding

39 39 Lumen dunne darm Lacteal Chylomicron Phospholipiden, cholesterol, en eiwitten Triglyceriden Monoglyceriden Triglycerides Vetzuren Epitheel cell uitzondering: vetzuren en monoglyceriden via lymfesysteem naar bloeds- omloop Voeding figuur 41.11

40 40 Voeding Dikke darm  1.5 meter lang Blinde darm (cecum) fermentatie plantenmateriaal  water resorptie tegengaan waterverlies indikken feces osmose (ionenpompen)  feces: 1/3 van het drooggewicht: bacteriën sommigen: biotine, vit K, verscheidene B vit (bv foliumzuur) onverteerd materiaal (vezels) Rectumopslag feces Anus Voeding

41 41 Hormonale regeling van spijsvertering Amino acids or fatty acids in the duodenum trigger the release of cholecystokinin (CCK), which stimulates the release of digestive enzymes from the pancreas and bile from the gallbladder. Liver Gall- bladder CCK Entero- gastrone Gastrin Stomach Pancreas Secretin CCK Duodenum Key Stimulation Inhibition Enterogastrone secreted by the duodenum inhibits peristalsis and acid secretion by the stomach, thereby slowing digestion when acid chyme rich in fats enters the duodenum. Secreted by the duodenum, secretin stimulates the pancreas to release sodium bicarbonate, which neutralizes acid chyme from the stomach. Gastrin from the stomach recirculates via the bloodstream back to the stomach, where it stimulates the production of gastric juices.

42 Mondholte, farynx slokdarm Maag Lumen dunne darm Epitheel dunne darm (borstel zone) Koolhydraten Polysaccharides Kleinere polysaccharides, maltose Polysaccharides Maltose en andere disaccharides Disaccharides eiwittenNucleinezurenVetten Proteins Small polypeptides Pepsin Pancreatic amylases Salivary amylase Disaccharidases Monosaccharides Kleine peptiden Amino zuren Polypeptides Kleindere polypeptides Pancreatic trypsin and chymotrypsin Pancreatic carboxypeptidase Dipeptidases, carboxypeptidase, and aminopeptidase DNA, RNA Pancreatic nucleases Fat globules Nucleotides Vet druppels Nucleosides Nitrogenous bases, suikers, phosphates Nucleotidases Nucleosidases and phosphatases Glycerol, fatty acids, monoglycerides Bile salts Pancreatic lipase (starch, glycogen)(sucrose, lactose)

43 Mondholte, farynx slokdarm Maag Lumen dunne darm Epitheel dunne darm (borstel zone) Koolhydraten Polysaccharides Kleinere polysaccharides, maltose Polysaccharides Maltose en andere disaccharides Disaccharides eiwittenNucleinezurenVetten Proteins Small polypeptides Pepsin Pancreatic amylases Salivary amylase Disaccharidases Monosaccharides Kleine peptiden Amino zuren Polypeptides Kleindere polypeptides Pancreatic trypsin and chymotrypsin Pancreatic carboxypeptidase Dipeptidases, carboxypeptidase, and aminopeptidase DNA, RNA Pancreatic nucleases Fat globules Nucleotides Vet druppels Nucleosides Nitrogenous bases, suikers, phosphates Nucleotidases Nucleosidases and phosphatases Glycerol, fatty acids, monoglycerides Bile salts Pancreatic lipase (starch, glycogen)(sucrose, lactose)

44 Mondholte, farynx slokdarm Maag Lumen dunne darm Epitheel dunne darm (borstel zone) Koolhydraten Polysaccharides Kleinere polysaccharides, maltose Polysaccharides Maltose en andere disaccharides Disaccharides eiwittenNucleinezurenVetten Proteins Small polypeptides Pepsin Pancreatic amylases Salivary amylase Disaccharidases Monosaccharides Kleine peptiden Amino zuren Polypeptides Kleindere polypeptides Pancreatic trypsin and chymotrypsin Pancreatic carboxypeptidase Dipeptidases, carboxypeptidase, and aminopeptidase DNA, RNA Pancreatic nucleases Fat globules Nucleotides Vet druppels Nucleosides Nitrogenous bases, suikers, phosphates Nucleotidases Nucleosidases and phosphatases Glycerol, fatty acids, monoglycerides Bile salts Pancreatic lipase (starch, glycogen)(sucrose, lactose)

45 45 Homeostase beschrijft een individu’s ‘steady state’, interne balans tussen externe veranderingen en interne regulatiemechanismen die deze veranderingen tegengaan zorgt voor een relatieve constante interne omgeving zelfs wanneer buitenomgeving fluctueert dynamisch evenwicht: Mens homeostase voor vele fysische en chemische eigenschappen bv lichaamstemperatuur, pH, glucose-concentratie bloed negatieve feedback: respons die een stimulus ‘dempt’ positieve feedback: respons die een stimulus versterkt (meestal geen bijdrage aan homeostase) Voeding Homeostase

46 46 Voeding STIMULUS: Veel glucose in het bloed Homeostase: 90 mg glucose/ 100 mL blood STIMULUS: Weinig glucose In het bloed Alvleesklier produceert insuline (β-cellen) 1 Opname van Glucose door Lichaamscellen Insuline stimuleert de opslag van glucose als glycogeen 2 Alvleesklier produceert glucagon (α cellen) 3 Glucagon stimuleert het vrijkomen van glucose uit glycogeen 4 Voeding


Download ppt "1 Zenuwstelsel / Hersenen Voeding / endocrinologie dia’s 23 t/m 46."

Verwante presentaties


Ads door Google