De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Schuld ongecorrigeerd materiaal ongecorrigeerd materiaal.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Schuld ongecorrigeerd materiaal ongecorrigeerd materiaal."— Transcript van de presentatie:

1 schuld ongecorrigeerd materiaal ongecorrigeerd materiaal

2

3 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. procreatrie x belofte 1. b ergrede 2. on- schuld 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

4

5 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. 1 ste menskinderen: kaïn en abel; kabiel en habiel 1. b ergrede 2. on- schuld 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

6 procreatie x belofte: sura [5] de tafel joods: 1 ste mensenkinderen (tweeling) adam en eva> 1 = kain 2= (h)abel (gen.5) naar gods evenbeeld (gen.1) landbouwer (gen.3) schaapsherder plantenoffer vleesoffer (lam) niet-aanvaardaanvaard door jhwh 'zonde aan de deur' verhoging weldoen jhwh moordsterven v/door 'eerste' non du père op-de-wereld/verbannen 7voudige vergelding niet-moord door teken (matt. ?) islam: 2 zonen van adam (zonder naam/inwisselbaar) a a aanvaard offerniet-aanvaard offer dreiging (kant & god/en: goede wil x dood) kwade neiging :> moord non du père begraven?/in-de-wereld goede neiging :> berouw goddelijke straf/vergelding is groter danmenselijke straf (kruisdood/afhakken/etc.)

7 procreatie x belofte: ot, genesis 4 1 En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen! 2 En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; Habel werd een schaapherder & Kaïn werd een landbouwer. 3 En het geschiedde ten einde van enige dagen dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht. 4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan. zonde-offer; brandoffer 5 Maar Kaïn en zijn [vegetarisch; gen.1] offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.6 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? 7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen. 8 En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood. 9 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? 10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem. 11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen. [herhaling gen 3:17> En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.] 12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde. 13 En Kaïn zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worden.14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan. 15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken [T?] aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.

8 procreatie x belofte: sura [5] de tafel [5:27][5:27] En vertel naar waarheid het verhaal van de twee zonen [1Kain en 2Abel; 1Kabiel en 2Habiel] van Adam, toen zij een offer brachten en het van één hunner werd aangenomen en van de ander niet. De laatstgenoemde zeide: "Ik zal u zeker doden." De eerste zeide: "God neemt alleen iets van de rechtvaardigen aan." [5:28] [2Habiel] "Als gij uw hand naar mij uitstrekt om mij te doden, zal ik mijn hand niet naar u uitstrekken, om u te doden. Ik vrees God, de Heer der Werelden. [5:29] Ik wens, dat gij zowel met de zonde tegen mij, als met uw zonde terugkeert, zodat gij tot de bewoners van het Vuur zult behoren, dat is de beloning [salaris] der misdadigers."[5:28][5:29] [5:30][5:30] Maar zijn kwade neiging [neiging is groter dan vrees, wil en vermogen] dreef hem er toe zijn broeder te doden, dus doodde hij hem en werd een der verliezers. [5:31][5:31] Toen zond God een raaf, die in de grond krabde, om hem te beduiden, hoe het lijk van zijn broeder te verbergen. Hij zeide: "Ware ik maar de raaf gelijk, zodat ik het lijk van mijn broeder kon verbergen [begraven]." En toen kreeg hij berouw. [5:32] Deswegen schreven Wij de kinderen Israëls voor, dat wie ook een mens doodt, behalve wegens het doden van anderen of het scheppen van wanorde in het land, het ware alsof hij het gehele mensdom had gedood, en voor hem, die iemand het leven schenkt, alsof hij aan het gehele mensdom het leven heeft geschonken. En voorzeker Onze boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen en toch - werden daarna -velen hunner op aarde tot overtreders.[5:32] [5:33][5:33] De vergelding dergenen die oorlog tegen God en Zijn boodschappers voeren en er naar streven wanorde in het land te scheppen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten de ene rechts en de andere links, worden afgesneden, of dat zij het land worden uitgezet. Dat zal voor hen een schande in deze wereld zijn en in het Hiernamaals zullen zij een grote straf ontvangen. [vs “in de hemel zoals op aarde”] [5:34][5:34] Dit, met uitzondering van hen die berouw tonen, voordat gij hen in uw macht hebt. Weet derhalve, dat God Vergevensgezind, Genadevol is. [5:35] O gij die gelooft, vreest God en zoekt de weg tot toenadering tot Hem en strijdt voor Zijn zaak, opdat gij moogt slagen. [5:36] Voorzeker, al hadden de ongelovigen al hetgeen op aarde is en nog eens zoveel, om zich daarmee van de straf op de Dag der Opstanding vrij te kopen, dan zou het van hen toch niet worden aanvaard; er wacht hen een pijnlijke straf. [5:37] Zij zullen uit het vuur willen komen, maar zij zullen er niet kunnen uitgaan en dit zal voor hen een blijvende straf zijn.[5:35][5:36][5:37]

9 procreatie x belofte: genesis 4 x sura 5; mensenkinderen tegenbeelden: Gen. 22:12> Toen zeide Hij: Strek uw [abraham] hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. Mat.28:6> En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar den berg, waar Jezus hen bescheiden had.17 En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 19 Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. 20 En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. tintoretto, kain en abel, 1553 william blake, kain en abel, 1825

10 schuld/zonde/erfzonde/straf: Zo verzond hem de HEERE God uit de hof van Eden, om de aardbodem te bouwen, waaruit hij was genomen [gen.3-23 > aarde bewerken] uitwijzing: voldoende voorwaarde? noodzakelijke voorwaarde?...want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan. 22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, [1] kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en [2] ook neme van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens [vs. gen 1-26: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis> heerschappij over aardse goederen] eeuwige schuld aan sterfelijkheid//erfzonde (h.augustinus); schuld= naar binnengekeerde woede niet-goddelijk kunnen zijn mens/zoon [van] god= herstel mogelijkheid goddelijkheid mens

11 procreatie x belofte: gen.3> schuld exodus 29; leviticus 4 4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen [lam], en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan. zondoffer/reinigingsoffer en brandoffer = met geur; meeloffer= zonder geur 5 Maar Kaïn en zijn [vegetarisch; gen.1] offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.6 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? 7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte [gehoorzaamheid] is toch tot u [eerstgeborene], en gij zult over hem heersen. Het zondoffer heeft te maken met het probleem zonde ontstaan door de ongehoorzaamheid van Adam en Eva (Gen. 3), m.n. voor zonden/ schulden onopzettelijk begaan. Wij begaan licht zonden zonder opzet. oorzaak is onze zondige natuur, die we hebben geërfd. Wij zijn van nature [ergo leiding/geest nodig hebbende] niet in staat om aan Gods eis van heiligheid, reinheid en gerechtigheid te voldoen. Het zondoffer spreekt van de grondslag voor verlossing van de zonde, een grondslag van plaatsvervangend sterven. Wij mensen hebben deze verlossing nodig, anders zouden wij voor eeuwig verloren zijn. Wanneer was een zondoffer nodig? na gedane zonde verplicht (Lev. 4:2; 5:15). De Israëliet die gezondigd had móest dergelijk offer komen brengen. Het zond- of reinigingsoffer werd bovendien gebracht op de Grote Verzoendag (Lev. 16), en bij de priesterwijding waar eerst een stier als zondoffer werd gebracht (Ex. 29). De offeraar moest zijn hand op kop offerdier leggen. Zodoende maakte hij zich daarmee één, en gaf daardoor als het ware te kennen, dat het dier als zijn plaatsvervanger zou worden gedood. Daarna slacht op plaats brandoffer (Lev. 4:33). zondoffer= bloedig offer. priester deed met zijn vinger bloed zondoffer op hoornen van het brandofferaltaar (Lev. 4:34) al (overig) bloed goot hij uit voet altaar; vet offerdier op altaar aangestoken vuuroffers Jahweh > tot een liefelijke reuk voor God geurig offer van rammen (Psalm 66,15); Homerus offergeur van lammeren en ongevlekte geiten (Ilias I, 66.)

12 schuld over waar-heid voor x door schepping der schuld 0. procreatrie x belofte 1. b ergrede: evangelie volgens matteüs (mat. 5-7) 2. on- schuld 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

13 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (nalatenschap nieuwe testament; 16 de eeuw) evangelie volgens matteüs (marcus, lucas, johannes) -of magdalena, petrus 9 Toen Jezus van daar verderging, zag hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Hij stond op en volgde hem. 10 Toen hij thuis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. 11 De farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars? 12 Hij hoorde dit en gaf als antwoord: 'Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.' Mat. 9: Als een van je broeders of zusters tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken. Als ze luisteren, dan heb je ze voor de gemeente behouden. 16 Luisteren ze niet, neem dan een of twee anderen mee, zodat de zaak zijn beslag krijgt dankzij de verklaring van ten minste twee getuigen. 17 Als ze naar hen niet luisteren, leg het dan voor aan de gemeente. Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt. Mat. 18:15-17 tollenaar : heult met de vijand; komt met onreinen in aanraking; verrijkt farizeeërs > < deemoedigheid schuld hebben >< schuld vergeven 1621, hendrick ter brugghen, roeping van matteus de tollenaar

14 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (wanneer prediking) matteüs evangelie: 1=genealogie; maagd maria, geboorte emmanuel, god zij met ons; 2=vlucht naar egypte; 3=johannes/elia; 4=verzoeking duivel; vergaren mensenvissers; > galilea> hulp johannes o

15 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (waar prediking) 4:16 het volk/de heidenen [van galileia], dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan [> grotallegorie plato]. 4:17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

16 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (context prediking x bijbelse oorlogen)

17 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (motief prediking) offer van isaak; stad van david; tempel salomo (584vc); tempel (70nc); helena's kerk der h.wijsheid; rotstempel (630); nachtreis mohammed & burak; kruistochten; tempeliers

18 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (motief prediking) casper david friedrich, monnik bij de zee, 1808 „Warum, die Frag’ ist oft zu mir ergangen, wählst du zum Gegenstand der Malerei so oft den Tod, Vergänglichkeit und Grab? Um ewig einst zu leben, muss man sich oft dem Tod ergeben.“ „Also nur was man mit leiblichen Augen gesehen und […] nachgeäfft, sei Aufgabe und Forderung unserer Zeit […]. Ich gestehe, dass ich nimmer und nie dieser Meinung beistimmen werde. Allerdings gestehe ich gerne, dass diese Bilder, so allen diesen Forderungen dieser Zeit entsprechen sollen, viele und große Verdienste haben und mich der treuen Nachahmung des Einzelnen erfreut. Aber das Ganze hat für mich wenig Anziehung, eben weil ich das innige geistige Durchdrungensein des Künstlers von der Natur vermisse.“

19 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (motief prediking) offer van isaak; stad van david; tempel salomo (584vc); tempel (70nc); helena's kerk der h.wijsheid; rotstempel (630); nachtreis mohammed & burak; kruistochten; tempeliers

20 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 begin (einde prediking) alexander savko, mickey mouse' adventures through history, 2008 logo afbeelding waaraan je een merk of een bedrijfsnaam herkent symbool1858 symbole, Fr., symbolum, Lat., het teeken of kenteeken, waardoor men de eene zaak van de andere onderscheidt; ook zinnebeeld, zinspreuk; geloofsbelijdenis, b.v. Symbolum apostolicum, de (zoogenoemde) geloofsbelijdenis der Apostelen. Symbolisch, zinnebeeldig; de kerkelijke geloof symbool beeldspraak waarbij verband tussen beeld en object niet gebaseerd is op enig logisch of inhoudelijk verband, maar bijv. op traditie

21 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. 1 ste kinderen: kaïn en abel; kabiel en habiel 1. b ergrede au nom du père, geboden : schuld ver/geven 2. on- schuld 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

22 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5 nom x non du papa nom x oui> du fils de papa

23 cossimo rosselini, joodse leefregels, [mozes x braambos] 1480/98 cossimo rosselini, christelijke leefregels, [bergrede] 1480/98

24 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5 nom x oui> fils de papa vader/moord methode nom/non du père 3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven. 6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden. 8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. 9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. 10Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 11Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

25 b ergrede jhwh, sinaï, mozes, ex.20: 3-17, 'tien woorden' nom x non du père: 10 geboden/dekaloog/“er is geschreven” 2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. joodse traditie spreekt niet van geboden, maar van (10) woorden: op 2 stenen tafelen met digit/vinger adonai geschreven 1. Ik ben de eeuwige uw God die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft. 2.Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. ex.20:5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, ['eeuwige' vergelding] Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; ex.20:6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 3.Gij zult de naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken. 4.Gedenk de Sjabbat, dat gij die heiligt. ex.20:9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen >< bergrede ; 10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven. 5.Eer uw vader en uw moeder (ex. 20:12, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft). 6.Gij zult niet doodslaan/moorden. 7.Gij zult niet echtbreken. 8.Gij zult niet stelen. 9.Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 10. Gij zult niets begeren dat van uw naaste is ex.20:17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd [ david en uriels batseba], noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.

26 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 5-7 nom x non du père: sura [136] het vee [6:148][6:148] Zij die afgoderij bedrijven, zullen zeggen: "Als God het had gewild hadden wij noch onze vaderen afgoderij bedreven, noch hadden wij iets onwettig verklaard." Op dezelfde wijze loochenden ook zij die vóór hen waren, totdat zij Onze straf ondergingen. Zeg: "Heb je enige kennis? Toont het ons dan. Gij volgt niets dan vermoedens en gij doet niets dan liegen." [6:149] Zeg: "Van God is het afdoende bewijs. Als Hij had gewild zou Hij u zeker allen hebben geleid." [6:149] [6:150][6:150] Zeg: "Brengt uw getuigen die getuigenis willen afleggen, dat God dit heeft verboden.’’ Als zij getuigen, getuig niet met hen, noch volg de boze neigingen van degenen die Onze tekenen verloochenen en van degenen, die niet in het Hiernamaals geloven en die medegoden aan hun Heer toeschrijven. [6:151][6:151] Zeg: "Komt, ik zal u verkondigen, wat uw Heer heeft verboden;" n.l. dat gij iets met Hem vereenzelvigt en dat gij uw ouders niet goed behandelt en dat gij uw kinderen uit armoede doodt. - Wij zijn het, Die voor u en voor hen zorgen - en dat gij onbetamelijke daden hetzij openlijk of in het geheim begaat en dat gij een ziel ten onrechte doodt die God heilig heeft verklaard. Dit is, hetgeen Hij u heeft bevolen, opdat gij moogt begrijpen. [6:152][6:152] Beheert het eigendom van de wees, voordat hij volwassen is, niet anders dan op de beste wijze. En geeft de volle maat en het volle gewicht met rechtvaardigheid. Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. En leeft, wanneer gij spreekt, rechtvaardigheid na, zelfs wanneer het een bloedverwant betreft en vervult het verbond van God. Dit is, hetgeen Hij u vermaant, opdat gij er lering uit moogt trekken. [6:153][6:153] En dit is het rechte pad dat tot Mij leidt. Volgt het daarom en volgt geen andere wegen opdat zij u niet van Mijn weg afleiden. Hiertoe vermaant Hij u, opdat gij vroom moogt zijn. [6:154][6:154] En Wij gaven Mozes het Boek, als voltooiing van de gunst aan hem die goed wilde doen en een uitleg van alle dingen en een leidraad en een barmhartigheid, opdat zij in de ontmoeting van hun Heer mochten geloven. [6:155] En dit is een Boek dat Wij hebben neergezonden, vol van zegeningen. Volgt het daarom en hoedt u, opdat u barmhartigheid mag worden betoond.[6:156] Opdat gij niet zoudt zeggen: "Het Boek was alleen geopenbaard voor twee volkeren die vóór ons leefden, en wij waren inderdaad met de inhoud er van onbekend." [6:157] Of ingeval gij zoudt zeggen: "Voorzeker, als ons het Boek was neergezonden, zouden wij beter zijn geleid dan zij." Er is nu een duidelijk bewijs, leiding en barmhartigheid van uw Heer tot u gekomen. Wie is onrechtvaardiger dan hij die de tekenen van God verwerpt en er zich van afkeert? Wij zullen degenen, die zich van Onze tekenen afwenden met een vreselijke straf vergelden omdat zij zich hebben afgewend.[6:155][6:156][6:157]

27 b eegrede jhwh, sinaï, mozes, ex.20:3-17 en deut.5:6-21 nom x non du père: 10 woorden/dekaloog/“er is geschreven” 10 geboden/woorden webteksten 1 Praat nooit in algemeenheden. 2 Men kan lezers het best persoonlijk aanspreken. 3 Stellig zijn is misschien wel het krachtigst. 4 Troebleer uw content niet met extraordinaire termen en vakjargon. 5 Wees, als het enigszins kan, altijd eenduidig. 6 Voor uw bezoekers zijn, hoe interessant uw argument ook is, zinnen die maar door en door gaan (of zinnen die onderbroken worden) lastig om te lezen en moeilijk om te duiden).. 7 De lijdende vorm kan het best vermeden worden. 8 Doe overbodige werkwoorden maar schrappen. 9 Verwerk trefwoorden voor de webteksten tijdens het schrijven van de webteksten op vanzelfsprekende wijze in de webteksten. 10Laat je inspireren, maar geef dit nooit toe. inspireren

28 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. 1 ste kinderen: kaïn en abel; kabiel en habiel 1. b ergrede: au nom du père> schuld vergeven, zo/als 2. on- schuld 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

29 ot, tenach, hebreeuwse bijbel Genesis 26Genesis 26 [..] gij een schuld over ons [..] Exodus 5Exodus 5 [..] doch de schuld is uws [..] Leviticus 4Leviticus 4 [..] hebben, tot schuld des volks, [..] Leviticus 5Leviticus 5 [..] voor de schuld, die hij [..] Leviticus 6Leviticus 6 [..] dag zijner schuld. En hij [..] waar hij schuld aan heeft. Leviticus 22Leviticus 22 [..] ongerechtigheid der schuld, als zij [..] Numeri 5Numeri 5 [..] hij zijn schuld weder uitkeren, [..] om de schuld aan hem [..] zal die schuld, welken den [..] 1 Kronieken 211 Kronieken 21 [..] Israël tot schuld worden? Doch [..] 2 Kronieken 242 Kronieken 24 [..] deze hun schuld. Doch Hij [..] 2 Kronieken 282 Kronieken 28 [..] tot een schuld over ons [..] 2 Kronieken 332 Kronieken 33 [..] vermenigvuldigde de schuld. En zijn [..] Ezra 9Ezra 9 [..] en onze schuld is groot [..] in grote schuld tot op [..] onze grote schuld, omdat Gij, [..] in onze schuld; want er [..] Ezra 10Ezra 10 [..] om Israëls schuld te vermeerderen. [..] voor hun schuld. En van [..] Spreuken 14Spreuken 14 [..] zal de schuld verbloemen; maar [..] Jeremia 50Jeremia 50 [..] zullen geen schuld hebben; daarom [..] Jeremia 51Jeremia 51 [..] vol van schuld is), van [..] Amos 8Amos 8 [..] bij de schuld van Samaria, [..] Zacharia 11Zacharia 11 [..] voor geen schuld; en een [..] etc., etc., etc. nieuwe testament, christenbijbel Mattheüs 18 [..] dat de schuld zou betaald [..] en de schuld hem kwijtgescholden. [..] hij de schuld zou betaald [..] al die schuld heb ik [..] schuld hebben Lukas 23 [..] vind geen schuld in dezen [..] schuld vinden Mens geen schuld gevonden, van [..] heb geen schuld des doods [..] Johannes 18 [..] vind geen schuld in Hem. [..] schuld vinden Johannes 19 [..] Hem geen schuld vinde. Jezus [..] schuld vinden Hem geen schuld. De Joden [..] Handelingen 28 [..] omdat geen schuld des doods [..] Romeinen 4 [..] maar naar schuld. Doch dengene, [..] Romeinen 5 [..] gelijk de schuld was door [..] want de schuld is wel [..] misdaad de schuld gekomen is [..] schuld komt

30 b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 6:9-13 nom x non du père Onze Vader Die in de Hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Rijk kome; Uw wil geschiede op aarde zoals in de Hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven [ 'elevator pitch' wederkerigheidsrelatie; romeins: do ut des/negatief votum, ik geef (aan jou) opdat je (aan mij) zult geven ] – en leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade. Want van U is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. Matteüs 6:9-13 (onderdeel bergrede); Lucas 11:2-4

31 geef ons heden ons dagelijks brood

32 en vergeef ons onze schuld/zonde

33 14 Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. 15 Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.misdaden niet vergeeft 25 Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding? 26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? 27 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? 28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; 29 En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen? 31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? 32 Want al deze dingen zoeken de heidenen ; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. 33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad. b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap) mat. 6 nom x non du père

34 7 de /8 eeuw, tanameer, ethiopië zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven

35 lucas En Hij zeide tot hen een gelijkenis, en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen; 17 En hij overleide bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen. 18 En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen; 19 En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. 20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? eu-angèlion (goede/blijde boodschap) matteus 18 en lucas 12 nom x non du père matteus Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? 22 Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. 23 Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij n zeker koning die rekening met zijn dienstknechten houden wilde. 24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten. 25 En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden. 26 De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 27 En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden. [rabelais> pantagruel x panurge] 28 Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende Betaal mij wat gij schuldig zijt 29 Zijn mededienstknecht dan nedervallende aan zijn voeten bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij en ik zal u alles betalen. 30 Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben. 31 Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was. 32 Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt; 33 Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?34 En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.

36 zakelijke praktijken (tenach) 170. Handel eerlijk in koop en verkoop. (Lev. 25:14) 171. Je mag voor een lening aan een Israëliet geen rente vragen. (Lev. 25:37) 172. Koop iets niet met rente. Jouw geldschieter zou tot zonden aangezet kunnen worden. (Deut. 23:20) 173. Deel niet mee aan woekerpraktijken tussen de lener en de geldschieter; in dit geval woekeraar, niet als getuige, niet als schrijver die de contracten tussen de lener en de woekeraar. (Ex. 22:24) 174. Leen aan arme mensen. (Ex.22:24; Deut. 15:8); 175. Eis niet van een arme man dat hij de schuld aflost wanneer jij weet dat hij niet betalen kan. Dwing hem niet. (Ex.22:24) 176. Neem geen zaken in onderpand waarmee een persoon zich van eten had kunnen voorzien. (Deut. 24:6) 177. Neem niets in onderpand met geweld. (Deut. 24:10) 178. Neem niet iets in onderpand wanneer de eigenaar het voorwerp hard nodig heeft. (Deut. 24:12) 179. Geef het verpande voorwerp weer aan de eigenaar terug. (Deut. 24:13) 180. Neem niets van een weduwe in onderpand. (Deut. 24:17) 181. Fraudeer niet tijdens het afwegen van iets. (Lev. 19:35) 182. Wees zeker dat jouw gewichten en weegschaal correct zijn. (Lev. 19:36) 183. Heb geen onnauwkeurige middelen en gewichten in bezit. (Deut. 25:13-14)

37 na b ergrede: eu-angèlion (goede/blijde boodschap), mat.8 nom x non du père: wonder-baarlijke genezingen 1 Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd. 2 En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.3 En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij dit niemand zegt ; maar ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem, 6 En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 De hoofdman over honderd antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk één woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het. [ hegels heerknechtverhouding] 10 Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden.

38 schuld over waar-heid voor x door schepping der schuld 0. procreatrie x belofte 1. b ergrede 2. on-schuld in teken x taal 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

39 kruis/teken; gen.4: kaïn; ezechiël, begin/gebed confiteor/zondeschuldbekentenis

40 confiteor/schuldbelijdenis ( vanaf 1100); mea culpa ( vanaf 16 de eeuw) door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld S. Ik belijd voor de almachtige God, voor de heilige Maria, altijd Maagd, voor de heilige aartsengel Michaël, voor de heilige Johannes de Doper, voor de heilige apostelen Petrus en Paulus, voor alle heiligen en voor u Vader, dat ik zeer gezondigd heb, in gedachte, woord en daad, (hier klopt hij driemaal op de borst) door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld. Daarom smeek ik de heilige Maria, altijd Maagd, de heilige aartsengel Michaël, de heilige Johannes de Doper, de heilige apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen, en u, Vader, voor mij te bidden tot de Heer, onze God. P. Moge de almachtige God zich over u ontfermen, uw zonden vergeven, en u geleiden tot het eeuwig leven. S. Amen. ablatieve stijl: verdwijning stof aan oppervlak voorwerp

41 urbi et orbi pauszegen aan inwoners urbis/stad rome en/et orbis/rest der wereld> 12u kerst + pasen Door de gebeden en de verdiensten van de heilige Maagd Maria, van de heilige aartsengel Michaël, de heilige Johannes de Doper en de heilige apostelen Petrus en Paulus en alle heiligen, moge de almachtige God [uw vader] zich over u ontfermen, al uw zonden/schulden vergeven, en moge Jezus Christus u geleiden tot het eeuwige leven.Amen.de heilige Maagd MariaMichaëlJohannes de DoperPetrus PaulusheiligenalmachtigezondenJezus Christus eeuwige leven Moge de barmhartige Heer [uw vader] u kwijtschelding, vrijspraak en vergeving van al uw zonden, [ en wel via ] de ruimte van een ware en vruchtbare boetedoening, een altijd boetvaardig hart en verbetering van leven, de genade en wijsheid van de Heilige Geest en uiterste volharding in goede werken geven [<> sola fide protestanten; slavenmoraal nietzsche]. Amen.barmhartige boetedoeningHeilige Geest En moge dan de zegen van de Almachtige God: van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest op u nederdalen en daar altijd blijven. Amen. Verständnis des Segens Mit dem Segen Urbi et Orbi ist nach katholischer Lehre allen, die ihn hören oder sehen und die guten Willens sind, unter den gewöhnlichen Bedingungen ein vollkommener Ablass ihrer Sündenstrafen gewährt. War früher für diesen Empfang die physische Anwesenheit des Empfängers auf dem Platz bzw. in Sichtweite des Spenders notwendig, so kann nach dem auch vorher schon vorhandenen umfassenden Verständnis (orbi) der Segen seit 1967 auch über Radio, seit 1985 über das Fernsehen und seit 1995 auch über das Internet gültig empfangen werden.AblassInternet

42 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. 1 ste kinderen: kaïn en abel; kabiel en habiel 1. b ergrede 2. on- schuld x hieros gamos 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn

43 on-schuld begin (begin 'schepping') > boom des levens centraal punt matriarchaal polytheïsme x hieros gamos: vruchtbaarheidsrite boom des levens: axis mundi, maya boom des levens (gen.3) in het midden van de hof van eden; sterfelijkheid mens> uit voorzorg monotheïstische god (toen 'uniek') boek des levens (mozes, ex.32,32)

44 8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, die Hij geformeerd had. 9 En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze;hofgeplantEden,tegen het oosten,goed en [1] den boom des levens in het midden van den hof [centraal], en [2] de boom der kennis des goeds en des kwaads. 15 Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren. 16 En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; 17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. genesis 2, 8:9 en 15:17 (over het gebod in het aardse paradijs) genesis 3, 1:16 (over de voor te behoeden eeuwigheid, scene 'aardse paradijs' wijsheid gr. goden ) 22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

45 schuld= doel : middel doel= middel x schuld doel jhwh paradijs x/: eeuwigheid middel vrucht boom der kennis schuld vrucht boom der levens gehoorzaamheid

46 RKKerk: behoud en redding onlosmakelijk= verbonden met het ware geloof, vervolmaakt in het lidmaatschap van die Kerk en het gebruik van de sacramenten. Tevens beroven volgens de rooms-katholieke leer ernstige zonden/ schulden (doodzonde/n) gelovigen van de genade en zijn werken dus zeker van invloed op het heil evenals de menselijke vrije wil.reddingsacramentenheil on-schuld: Heidelbergse Catechismus [1618/19] in 129 Tweets sola fide: door geloof alleen (luther/calvijn/reformatie) 6 Schiep God mens slecht&verkeerd? Nee, juist naar zn beeld. Doel: God echt kennen, Hem liefhebben& met Hem in eeuwigheid leven, loven&prijzen. 7 Herkomst verdorven aard van mens? Uit val&ongehoorzaamheid van Adam&Eva; onze natuur werd verdorven: we worden allen met zonden geboren.8 Zijn we zo verdorven dat we totaal onbekwaam zijn tot goeds & uit op elk kwaad? Ja, behalve wanneer we door Gods Geest opnieuw geboren worden9 Overeising door God aan mens geen onrecht? Nee, God maakte mens zo dat ie dit kon doen. Mens luisterde niet, beroofde zichzelf hiervan10 Laat God dit ongestraft ? Nee, God=boos over alle zonden; wil die oordelen&bestraffen. Hij heeft gezegd: Vervloekt ieder die wet niet houdt. werd verdorven: we worden allen met zonden geboren.. 12 Hoe kunnen wij in genade worden aangenomen terwijl wij straf hebben verdiend? Zelf of door een ander volkomen betalen! 13 Kunnen wij zelf betalen? NEE! Schuld wordt juist elke dag groter! 14 Kan ik mijn schuld niet op 'n ander afschuiven? Helaas! God wil het (terecht) niet, en elke ander mist draagkracht. Een Ander is nodig. 15 Wat voor Superman moet die Ander wel zijn? Als mens en God on speaking terms met God en mens. Middelaar [tussen god en mens], Saviour, that's Him. Not Superman. eric van straaten, sola fide

47 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. 1 ste kinderen: kaïn en abel; kabiel en habiel 1. b ergrede 2. on- schuld: zuiverheid; zuiver; maagdelijk; chora 3. doel x middel: stel 'de waarheid is een vrouw'4. verschuldigd zijn: [ot] aan vrouw

48 schuld= doel : middel doel= middel x schuld doel jhwh paradijs x/: eeuwigheid middel vrucht boom der kennis schuld vrucht boom der levens gehoorzaamheid

49 schuld= doel : middel doel= middel x schuld doel jhwh/hoorn paradijs x/: eeuwigheid middel vrouw schuld vrouw gehoorzaamheid

50 on-schuld >< zondeval/eeuwige schuld: Surat Ţāhā :123 over Mozes (farao; geboden; gouden kalf; aäron); zondeval; dag des oordeels 115. En waarlijk wij gaven voorheen Adam een bevel, doch hij vergat het en Wij vonden in hem geen voornemen daartoe En toen Wij tot de engelen zeiden: "Bewijst Adam eer," bewezen zij allen eer, doch niet Iblies. Hij weigerde Daarom zeiden Wij: "O Adam, deze [Iblies] is voor u & uw vrouw een vijand; laat hij u derhalve niet uit de tuin verdrijven, anders zult gij ongelukkig worden."118. "(Daarin is voorraad voor u) opdat gij er niet zult hongeren noch naakt zult zijn." 19. "En dat gij er geen dorst zult lijden noch zult blootgesteld zijn aan de hitte van de zon." 120. Doch Satan fluisterde hem kwaad in, hij zeide: "O Adam, zal ik u voeren tot de Boom der Eeuwigheid, en een koninkrijk dat nimmer zal vergaan?" 121. Zo aten beiden er van [adem + eva], waardoor hun schaamte hun duidelijk werd en zij zich begonnen te bekleden met bladeren uit de tuin. En Adam was ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer, derhalve leed hij Alsdan verkoos zijn Heer hem, vergaf hem en leidde hem Hij (God) zeide: "Gaat allen tezamen hier vandaan, want gij zult elkander tot vijanden zijn. En indien er leiding van Mij tot u komt dan zal een ieder die Mijn leiding volgt, noch dwalen noch ongelukkig zijn." 124. Doch degene die zich van Mijn gedachtenis zal afwenden, zal in benarde omstandigheden leven en op de Dag der Opstanding zullen Wij hem blind doen opstaan." 125. Hij zal zeggen: "Mijn Heer waarom hebt Gij mij blind doen opstaan, terwijl ik kon zien?" 126. God zal zeggen: "Aldus kwamen Onze tekenen tot u en gij hebt er geen acht op geslagen en insgelijks zal op deze Dag op u geen acht worden geslagen." [sura 5, de tafel, zoon van adam en zijn vrouw] 127. Op deze wijze vergelden Wij hem die buitensporig is en niet gelooft in de tekenen van zijn Heer; en de straf van het Hiernamaals is zeker gestrenger en langer van duur Is het hun (bewoners van Mekka) dan niet duidelijk hoevele geslachten Wij van hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen zij wandelen? Voorwaar, daarin liggen tekenen voor degenen die met rede zijn begaafd En ware het niet om een woord dat reeds van uw Heer was uitgegaan over een vastgestelde termijn, dan zou de straf al gekomen zijn. [We destroyed before them...Indeed in that are signs for those of intelligence.]

51

52 genesis 3, 1:16 (over het verbod in het aards paradijs) 1 De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? 2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; 3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft. 4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; 5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. 6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten. 8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan de wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs. 9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt? 12 Toen zei Adam: De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven en ik heb gegeten. 13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.Wat is dit, 14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.tot die slang:zijt gij 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.En Ik zaluw zaadhaar zaad;en gij zult het 16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben >< schuld (~ heerknechtverhouding)Hij:Ik zal zeerkinderenbegeertehij zal over

53 genesis 26, 1:15 (over izaak, zoon van abraham en sarah/sarai, in gerar) 1 En er was honger in dat land, behalve den eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, 5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. 6 Alzo woonde Izak te Gerar.in datin deAbimelech,Gerar.Trek nietu aanzeggenal dezedien Ikuw zaadDaaromMijn bevel, 7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij, de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.als dezeide hij 8 En het geschiedde, als hij1 een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw.als hijjokkende 9 Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve.ik zeide: 10 En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben. 11 En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!schuldaanroert,zal voorzeker 12 En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem.vond inhonderd 13 En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was.groot, 14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. 15 En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde.schapen,grootmet aarde.

54 on-schuld> eenhoorn x zuivere incarnatie numeri 23,22 > “God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.” deuteronomium 33,17> “Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Pierre de Beauvais, Bestiarium: “Er bestaat een dier dat in het Grieks monoceros wordt genoemd, wat in het Latijn unicornus betekent. Physiologus zegt dat de eenhoorn van nature klein van gestalte is en lijkt op een geit. Het heeft een hoorn midden op de kop en is zo wild dat geen mens het kan vangen, tenzij op de volgende wijze: de jagers brengen een zuivere maagd naar de plaats waar de eenhoorn verblijf houdt, en zij laten haar alleen, zittend op een zetel, achter in het bos. Onmiddellijk als de eenhoorn het meisje ziet, springt hij bij haar op schoot en slaapt in. Op die manier kunnen de jagers het overmeesteren en naar de koninklijke paleizen voeren. Op gelijke wijze daalt Onze Heer Jezus Christus, hemelse eenhoorn, neer in de schoot van de Maagd, en omdat hij de gedaante van een mens had aangenomen werd hij door de Joden gegrepen en voor Pilatus geleid, aan Herodes getoond en vervolgens aan het H.Kruis genageld, terwijl hij voorheen naast zijn Vader was gezeten, voor onze ogen onzichtbaar; daarom zegt hij in de psalmen: ‘Mijn hoorn zal geheven worden zoals die van de eenhoorn’. eenhoorn: zinnebeeld Verlosser> ‘Mijn Vader en ik, wij zijn één; God is het hoofd van Christus’ eenhoorn: hardvochtig> hemelse krachten noch de hel kunnen Gods macht begrijpen eenhoorn: klein> Jezus Christus vernederde zich door zich te incarneren hoorn> symbool van macht: hoorn verhogen; oprijzen van hoorns= overwinning; breken van hoorns= nederlaag David> degene die goede werken zal verrichten zal naar het koninklijk paleis gevoerd worden, naar het Paradijs”; 7 hoorns Apocalyps> zeven geesten van God, waaronder alwetendheid en macht. latere christendom> verschuiving: hoorns> symbool van de duivel. gehoornde god= vertegenwoordiger van duivel en kwade machten; middeleeuwse Engeland: hoorns symbool van schande en ongenade; bedrogen echtgenoot

55 on-schuld> eenhoorn x zuiverheid

56

57 eenhoorn x re-ïncarnatie Hebr. tekst Oude Testament> "reêm"> G: monoceros> L: rinoceros; unicornus Lewysohn, Zoölogie van de Talmud> toen Noë's ark was voltooid, werden alle dieren binnen geroepen. Maar de reêm was te groot en kon niet door de opening. Daarom werd het dier met een touw achteraan de ark gebonden en om te voorkomen dat het dier zichzelf zou wurgen, maakte men het touw vast aan de hoorn. overgang christelijk symbolisme, 4de eeuw, h.basilius (ca ), de bisschop van Caesarea> eenhoorn: dualiteit tussen goed en kwaad; vergelijk met Christus, én, met sterke negatieve krachten. Gr. OT: Num. 23:22; 24:8; Deut ; Job 39:12 (9); Ps. 22 (21):22; 29 (28):6; PS. 78:69; 92 (91):11; Jes. 34:7 Lukas 1,69> “En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht” Osamu Tezuka (* ), little baby Unicorn who ends up in trouble with the Gods, and is fated to be constantly moved place to place by the West Wind to avoid banishment to the ends of the earth. He also possesses the ability to grant the wishes of people he loves, and can transform into a full grown Pegasus when danger is afoot. However when he makes people too happy, the West Wind arrives to wisk him away once more, and his memory is wiped for good measure too.

58 1.schepping van monotheïsme verstoort de 'natuurlijke orde'/gen.1 2.politieknoodzakelijke asymmetrievrouwmens/manmens = god:gemeente (paul) 3.negatie van de vrouwmens constueert idioom van abrahamitische religie 4.morele deficiëntie voor x door vrouw, heeft tegenpool in efficiëntie maagd nb: de madonna (moeder gods treedt in het denken x doen binnen, t.t.v. de kruistochten, analoog aan gekruisigde & lijdende christus -voordien de mensenvisser dan wel pantocrator) vs. wet/gebod/nom x uitwijzing/verbod/non door vaderl [jozef] resumé de schepping van de schuld: van vaders gebod naar moeders genot

59 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld 0. 1 ste kinderen: kaïn en abel; kabiel en habiel 1. b ergrede 2. on- schuld 3. doel x middel 4. verschuldigd zijn: heideggers aristoteles' causa

60 Es bleibt richtig: auch die moderne Technik ist ein Mittel zu Zwecken. Darum bestimmt die instrumentale Vorstellung von der Technik jede Bemühung, den Menschen in den rechten Bezug zur Technik zu bringen. Alles liegt daran, die Technik als Mittel in der gemäßen Weise zu handhaben. Man will, wie es heißt, die Technik «geistig in die Hand bekommen». Man will sie meistern. Das Meistern-wollen wird um so dringlicher, jemehr die Technik der Herrschaft des Menschen zu entgleiten droht. Gesetzt nun aber, die Technik sei kein bloßes Mittel, wie steht es dann mit dem Willen, sie zu meistern? Allein wir sagten doch, die instrumentale Bestimmung der Technik sei richtig. Gewiß. Das Richtige stellt an dem, was vorliegt, jedesmal irgend etwas Zutreffendes fest. Die Feststellung braucht jedoch, um richtig zu sein, das Vorliegende keineswegs in seinem Wesen zu enthüllen. Nur dort, wo solches Enthüllen geschieht, ereignet sich das Wahre. Darum ist das bloß Richtige noch nicht das Wahre. Erst dieses bringt uns in ein freies Verhältnis zu dem, was uns aus seinem Wesen her angeht. Die richtige instrumentale Bestimmung der Technik zeigt uns demnach noch nicht ihr Wesen. Damit wir zudiesem oder wenigstens in seine Nähe gelangen, müssen wir durch das Richtige hindurch das Wahre suchen. Wir müssen fragen: was ist das Instrumentale selbst? Wohin gehört dergleichen wie ein Mittel und ein Zweck? Ein Mittel ist solches, wodurch etwas bewirkt und so erreicht wird. Was eine Wirkung zur Folge hat, nennt man Ursache. Doch nicht nur jenes, mittels dessen ein anderes bewirkt wird, ist Ursache. Auch der Zweck, demgemäß die Art der Mittel sich bestimmt, gilt als Ursache. Wo Zwecke verfolgt, Mittel verwendet werden, wo das Instrumentale herrscht, da waltet Ursächlichkeit, Kausalität. Seit Jahrhunderten lehrt die Philosophie, es gäbe vier Ursachen: l. die causa materialis, das Material, der Stoff, woraus z. B. eine silberne Schaleverfertigt wird; 2. die causa formalis, die Form, die Gestalt, in die das Material eingeht; 3. die causa finalis, der Zweck, z. B. der Opferdienst, durch den die benötigte Schalenach Form und Stoff bestimmt wird; 4. die causa efficiens, die den Effekt, die fertigewirkliche Schale erwirkt, der Silberschmied. Was die Technik, als Mittel vorgestellt, ist, enthüllt sich, wenn wir das Instrumentale auf die vierfache Kausalität zurückführen. Wie aber, wenn sich die Kausalität ihrerseits in dem, was sie ist, ins Dunkel hüllt? Zwar tut man seit Jahrhunderten so, als sei die Lehre von den vier Ursachen wie eine sonnenklare Wahrheit vom Himmel gefallen. Indessen dürfte es an der Zeit sein zufragen: weshalb gibt es gerade vier Ursachen? Was heißt in Bezug auf die genannten vier eigentlich «Ursache» ? Woher bestimmt sich der Ursachecharakter der vier Ursachen so einheitlich, daß sie zusammen gehören. Solange wir uns auf diese Fragen nicht einlassen, bleibt die Kausalität und mit ihr dasInstrumentale und mit diesem die gängige Bestimmung der Technik dunkel undgrundlos. Man pflegt seit langem die Ursache als das Bewirkende vorzustellen. Wirken heißt dabei: Erzielen von Erfolgen, Effekten. Die causa efficiens, die eine der vier Ursachen, bestimmt in maßgebender Weise alle Kausalität. Das geht so weit, daß man die causa finalis, die Finalität, überhaupt nicht mehr zur Kausalität rechnet. Causa, casus, gehört zum Zeitwort cadere, fallen und bedeutet dasjenige, was bewirkt, daßetwas im Erfolg so oder so ausfällt. Die Lehre von den vier Ursachen geht auf Aristoteles zurück. Im Bereich des griechischen Denkens und für dieses hat jedoch alles, was die nachkommenden Zeitalter bei den Griechen unter der Vorstellung und dem Titel «Kausalität» suchen, schlechthin nichts mit dem Wirken und Bewirken zutun. Was wir Ursache, die Römer causa nennen, heißt bei den Griechen aition, das, was ein anderes verschuldet. Die vier Ursachen sind die unter sich zusammengehörigen Weisen des Verschuldens. Ein Beispiel kann dies erläutern verschuldigd zijn: heidegger, die frage nach der technik, 1953

61 casus, gehört zum Zeitwort cadere, fallen und bedeutet dasjenige, was bewirkt, daßetwas im Erfolg so oder so ausfällt. Die Lehre von den vier Ursachen geht aufAristoteles zurück. Im Bereich des griechischen Denkens und für dieses hat jedochalles, was die nachkommenden Zeitalter bei den Griechen unter der Vorstellung unddem Titel «Kausalität» suchen, schlechthin nichts mit dem Wirken und Bewirken zutun. Was wir Ursache, die Römer causa nennen, heißt bei den Griechen aition, das, was ein anderes verschuldet. Die vier Ursachen sind die unter sich zusammengehörigen Weisen des Verschuldens. Ein Beispiel kann dies erläutern. Das Silber ist das, woraus die Silberschale verfertigt ist. Es ist als dieser Stoff (hyle) mitschuld an der Schale. Diese schuldet, d. h. verdankt dem Silber das, woraus sie besteht. Aber das Opfergerät bleibt nicht nur an das Silber verschuldet. Als Schale er-scheint das an das Silber Verschuldete im Aussehen von Schale und nicht in demjenigen von Spange oder Ring. Das Opfergerät ist so zugleich an das Aussehen (eidos) von Schalenhaftem verschuldet. Das Silber, worein das Aussehen als Schale eingelassen ist, das Aussehen, worin das Silberne erscheint, sind beide auf ihre Weise mitschuld am Opfergerät. Schuld an ihm bleibt jedoch vor allem ein Drittes. Es ist jenes, was zum voraus die Schale in den Bereich der Weihe und des Spendens eingrenzt. Dadurch wird sie als Opfergerät umgrenzt. Das Umgrenzende beendet das Ding. Mit diesem Ende hört das Ding nicht auf, sondern aus ihm her beginnt es als das, was es nach der Herstellung sein wird. Das Beendende, Vollendende in diesem Sinne heißt griechisch telos, was man allzuhäufig durch «Ziel» und «Zweck» übersetzt und so mißdeutet. Das telos verschuldet, was als Stoff und was als Aussehen das Opfergerät mitverschuldet. Schließlich ist ein Viertes mitschuld am Vor- und Bereitliegen des fertigen Opfergerätes: der Silberschmied; aber keineswegs dadurch, daß er wirkend die fertige Opferschale als den Effekt eines Machens bewirkt, nicht als causa efficiens. Die Lehre des Aristoteles kennt weder die mit diesem Titel genannte Ursache, noch gebraucht sie einen entsprechenden griechischen Namen. Der Silberschmied überlegt sich und versammelt die drei genannten Weisen des Verschuldens. Überlegen heißt griechisch legein, logos. Es beruht im ???, zum Vorschein bringen. Der Silberschmied ist mitschuld als das, von wo her das Vorbringen und das Aufsichberuhen der Opferschale ihren ersten Ausgang nehmen und behalten. Die drei zuvor genannten Weisen des Verschuldens verdanken der Überlegung des Silberschmieds, daß sie und wie sie für das Hervorbringen der Opferschale zum Vorschein und ins Spiel kommen Ursachen so einheitlich, daß sie zusammengehören? Solange wir uns auf diese Fragen nicht einlassen, bleibt die Kausalität und mit ihr dasInstrumentale und mit diesem die gängige Bestimmung der Technik dunkel und grundlos. Man pflegt seit langem die Ursache als das Bewirkende vorzustellen. Wirken heißt dabei: Erzielen von Erfolgen, Effekten. Die causa efficiens, die eine der vier Ursachen, bestimmt in maßgebender Weise alle Kausalität. Das geht so weit, daß man die causa finalis, die Finalität, überhaupt nicht mehr zur Kausalität rechnet. Causa, In dem vor- und bereitliegenden Opfergerät walten somit vier Weisen des Verschuldens. Sie sind unter sich verschieden und gehören doch zusammen. Was einigt sie im voraus? Worin spielt das Zusammenspiel der vier Weisen des Verschuldens?Woher stammt die Einheit der vier Ursachen? Was meint denn, griechisch gedacht, dieses Verschulden? Wir Heutigen sind zu leicht geneigt, das Verschulden entweder moralisch als Verfehlung zu verstehen oder aber als eine Art des Wirkens zu deuten. In beiden Fällen versperren wir uns den Weg zum anfänglichen Sinn dessen, was manspäter Kausalität nennt. verschuldigd zijn: heidegger, die frage nach der technik, 1953

62 Sie lassen es dahin los und lassen es so an, nämlich in seine vollendete Ankunft. Das Verschulden hat den Grundzug dieses An-lassens in die Ankunft. Im Sinne solchen Anlassens ist das Verschulden das Ver-an-lassen. Aus dem Blick auf das, was die Griechen im Verschulden, in der aitia, erfuhren, geben wir dem Wort «ver-an-lassen» jetzt einen weiteren Sinn, so daß dieses Wort das Wesen der griechisch gedachten Kausalität benennt. Die geläufige und engere Bedeutung des Wortes «Veranlassung» besagt dagegen nur soviel wie Anstoß und Auslösung und meint eine Art von Nebenursache im Ganzen der Kausalität. Worin spielt nun aber das Zusammenspiel der vier Weisen des Ver-an-lassens ? Sie lassen das noch nicht Anwesende ins Anwesen ankommen. Demnach sind sie einheitlich durchwaltet voneinem Bringen, das Anwesendes in den Vorschein bringt. Was dieses Bringen ist, sagt uns Platon in einem Satz des «Symposion» (205 b): ??? ???.«Jede Veranlassung für das, was immer aus dem Nicht-Anwesenden über- und vorgeht in das Anwesen, ist poietis ist Her-vor-bringen.» Alles liegt daran, daß wir das Her-vor-bringen in seiner ganzen Weite und zugleich im Sinne der Griechen denken. Ein Her-vor-bringen, poietis, ist nicht nur das handwerkliche Verfertigen, nicht nur das künstlerisch- dichtende zum-Scheinen- und ins-Bild-Bringen. Auch die physis das von-sich-her Aufgehen, ist ein Her-vor-bringen, ist poietis. Die physis ist sogar poietis im höchsten Sinne. Denn das phy sei Anwesende hat den Aufbruch des Hervor-bringens, z. B. das Aufbrechen der Blüte ins Erblühen, in ihr selbst (en eanto). Dagegen hat das handwerklich und künstlerisch Her-vor-gebrachte, z. B. die Silberschale, den Aufbruch des Her-vor-bringens nicht in ihmselbst, sondern in einem anderen (en allo), im Handwerker und Künstler. Die Weisender Veranlassung, die vier Ursachen, spielen somit innerhalb des Her-vor-bringens. Durch dieses kommt sowohl das Gewachsene der Natur als auch das Verfertigte des Handwerks und der Künste jeweils zu seinem Vorschein. Wie aber geschieht das Her-vor-bringen, sei es in der Natur, sei es im Handwerk und in der Kunst? Was ist das Her-vor-bringen, darin die vierfache Weise des Veranlassens spielt? Das Veranlassen gehtdas Anwesen dessen an, was jeweils im Her-vor-bringen zum Vorschein kommt. Das Her-vor-bringen bringt aus der Verborgenheit her in die Unverborgenheit vor. Her-vor-bringen ereignet sich nur, insofern Verborgenes ins Unverborgene kommt. Dieses Kommen beruht und schwingt in dem, was wir das Entbergen nennen. Die Griechen haben dafür das Wort aleteia. Die Römer übersetzen es durch «veritas». Wir sagen «Wahrheit» und verstehen sie gewöhnlich als Richtigkeit des Vorstellens. Solange sich dieser Weg nicht öffnet, erblicken wir auch nicht, was das Instrumentale, das im Kausalen beruht, eigentlich ist. Um uns vor den genannten Mißdeutungen des Verschuldens zu schützen, verdeutlichen wir seine vier Weisen aus dem her, was sie verschulden. Nach dem Beispielverschulden sie das Vor- und Bereitliegen der Silberschale als Opfergerät. Vorliegenund Bereitliegen (???) kennzeichnen das Anwesen eines Anwesenden. Die vier Weisendes Verschuldens bringen etwas ins Erscheinen. Sie lassen es in das An-wesen vorkommen. verschuldigd zijn: heidegger, die frage nach der technik, 1953

63 schuld intelligible tourism : de schepping van de schuld vs. de abrahamitische grondslaggewoonte van de schuld van de schepping procreatrie x belofte bergrede on-schuld doel x middel verschuldigd zijn

64 schuld= doel : middel doel= middel x schuld doel jhwh paradijs x/: eeuwigheid middel vrucht boom der kennis schuld vrucht boom der levens gehoorzaamheid

65 het bestaan der erfzonde/etiologie/oorzakelijkheidsleer volgens: Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg, Katholiek Maandblad - 1e JAARGANG - No NOV 1989, leer over de erfzonde/zonde van de natuur x leer van de verlossing: door zijn lijden en dood heeft Christus zijn hemelse Vader verzoening aangeboden voor de zonden van alle mensen gezamelijk (objectieve verlossing), wat ons de mogelijkheid biedt ook persoonlijk verlost te worden (subjectieve verlossing; toepassing op ieder individueel van de vruchten van de objectieve v.). Was er geen zonde geweest, dan ook geen verlossing [> was er geen wet/gebod, dan was er geen overtreding, rom. Paulus, Rom 5, 12: "door één mens de wereld is binnengetreden en door de zonde de dood, en zo is de dood over alle mensen gekomen omdat allen gezondigd hebben". De dood, straf voor de zonde, [niet-eeuwigheid van de goden] is het deel geworden van hen die niet op de manier van Adam hebben gezondigd (vs 14). Eén mens, Jesus Christus, heeft verlossing gebracht voor die ene zonde van Adam (vs 17). De Apostel leert dit alles met de grootste nadruk en steunt daarbij op het verhaal van paradijs en zondeval, dat wij in Gen 2- 3 lezen; het is onze lezers bekend en hoeft hier niet te worden herhaald. In dit verhaal staat te lezen dat alle nakomelingen van Adam (dus de hele mensheid) de gevolgen van de eerste zonde moeten dragen en zondig zijn. Het is vooral Augustinus ( ) geweest die de katholieke leer der erfzonde theologisch heeft uitgewerkt. Het Concilie van Trente heeft haar nog eens uiteengezet met onfeilbaar leergezag. De Kerk kan er dus niet op terugkomen zonder zichzelf te verloochenen. Zou zij zich vergist hebben, dan zou zij niet Moeder en Leermeesters van de geopenbaarde waarheid zijn. Door de erfzonde is de mens, door de schuld van Adam, tot de natuurlijke toestand vervallen, waarin hij door God zou zijn gesteld wanneer Hij hem niet op bovennatuurlijke wijze bevoorrecht had geschapen.

66 Gen 2-3, “Het is onze lezers bekend en hoeft hier niet te worden herhaald. In dit verhaal staat te lezen dat alle nakomelingen van Adam (dus de hele mensheid) de gevolgen der eerste zonde moeten dragen en zondig zijn.” Gen 1-26:28, 1-31 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. ['when god created men, she was only joking'] 28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar [s.b.> bevolk haar], en hebt heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! 31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed [tov] Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. Gen 2-3:5 : En God heeft den zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken. 4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God ( “Na de voleinding van het werk der schepping, wordt hier allereerst God de naam van JEHOVAH [jhwh] gegeven, betekenende den zelfstandige, den zelfwezende, van zichzelven zijnde van eeuwigheid tot eeuwigheid en de oorsprong of oorzaak van het wezen aller dingen, [causaliteit pur sang, SPINOZA, causa sui] waarom ook deze naam den waren God alleen toekomt. Onthoud dit eens voor al: waar gij voortaan het woord HEERE met grote letters geschreven vindt, dat aldaar in het Hebr. het woord JEHOVAH of korter JAH staat.de aarde en den hemel maakte). 5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde [aarde = stof/woestijn], en er was [0] geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen [doeloorzaak schepping mens: gods causa finalis] [god's doel schepping mens: heerknechtverhouding> mens niet om zich geschapen maar ter bewerk/ing der aarde] Gen 2-6:7 [1] Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganse aardbodem. 7 [2] En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel [schepping gen.1-27> geen levende/ziel?]... Gen 2-8:9 Ook [3] had HEERE God een hof geplant in Eden tegen het oosten en Hij stelde aldaar den mens die Hij geformeerd had 9 En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en [a] den boom des levens in het midden van den hof, en [b] den boom der kennis des goeds en des kwaads.

67 Gen. 2-16:21: En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; 17 Maar van [4] den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; [5] want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (hebr.> stervende sterven)[dood> on/middellijke straf? opschorten dood: verbanning in/naar sterfelijkheid> voor hem dat is die altijd zij als in zijne tegenwoordigheid, hem wel gelijkende en bereid tot zijn hulp en dienst) wie dem vater, so dem sohne> hulp behoevendals tegen hem 19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn. 20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor de mens vond hij geen hulpe [doeloorzaak; causa finalis >< gen. 2-5], die als tegen hem over ware.bracht Hijtot Adam,levende zieldat zou haar naam zijn. 21 Toen deed HEERE God een diepen slaap op Adam [materiële oorzaak; causa materialis] vallen en hij sliep [aristoteles: potentia/actius> i.c. is verwerkelijkt]; en Hij nam een van zijn ribben [werkende oorzaak; causa efficiens] en sloot derzelver plaats toe met vlees.sloot 22 En de HEERE God bouwde [vormoorzaak; causa formalis] de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam [beweging]. 23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne [1864 v. (bijbelsche uitdrukking.) vrouw; [figuurlijk] heldin] heten, omdat zij uit den man genomen is. 24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven [hebr: iesj x iesja] ; en zij zullen tot 1/een vlees [hegel: éénheid] zijn. 25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet. Genesis 2: her-schepping van wat goed/tov/in evenwicht is, naar uitzondering/wet/gebod

68 1 De slang [gen.1-26> kruipend gedierte] nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? 2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; 3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs [a> boom des levens ] is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft. [> on-schuld/on-wetendheid manninne/vrouw/heldin]slangzij zeideIs het ookzullen wij booms,noch dieopdat gij 4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan [ b, boom van goed en kwaad] eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God/en wezen, kennende het goed en het kwaad. 6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken ; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.Gijlieden 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt? [goed is => zonder schaamte; schaamteloos; kwaad => schaamte> berouw] 12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt [1 ste oorzaak> god], die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten. 13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen [1 ste leugen> vrouw], en ik heb gegeten. 14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan [kruipend gedierte] en stof zult gij eten, al de dagen uws levens. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kind baren; en tot uw man zal uw begeerte/begierde zijn, en hij zal over u heerschappij hebben [entelecheia van doeloorzaak 'hulp', gen.2-18]. [ straf/zond/schuld/erfzonde gen.3-16 = doeloorzaak gen.2-18] 17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw [vlees], en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.

69 schuld/zonde/erfzonde/straf: Zo verzond hem de HEERE God uit de hof van Eden, om de aardbodem te bouwen, waaruit hij was genomen [gen.3-23 > aarde bewerken] uitwijzing: voldoende voorwaarde? noodzakelijke voorwaarde?...want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan. 22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, [1] kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en [2] ook neme van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens [vs. gen 1-26: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis> heerschappij over aardse goederen] eeuwige schuld aan sterfelijkheid//erfzonde (h.augustinus); schuld= naar binnengekeerde woede niet-goddelijk kunnen zijn mens/zoon [van] god= herstel mogelijkheid goddelijkheid mens

70 schuld= doel : middel doel= middel x schuld doel jhwh/hoorn paradijs x/: eeuwigheid middel vrouw schuld vrouw

71 de schuld van de natuur betalen; sterven het lot van de natuur betalen; dood gaan aristoteles en phylis geneviève van helden, david schouwt batseba, 2009 schuld= doel : middel doel= middel x schuld jhwh/vrouw#sterfelijk

72 rom. 2-13:24, horen : handelen = wet : gedrag (rom. 7.7) (13 Want de hoorders [zij die luisteren/adam naar eva, gen. der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden; 14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet [deontologie autonomie kant] ; 15 Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende). 16 In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. 17 Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God, 18 En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 19 En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn; 20 Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet. 21 Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij? 22 Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige? 23 Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet? 24 Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is. rom. 2-25:29, besnijdenis/wet gen.17-10:11 vs gedrag gen :11 Dit is Mijn verbond dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. 25 Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden. 26 Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden? 27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt? 28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; 29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

73 de schepping van de schuld Gen.1-27 God schiep den mens naar Zijn beeld/gelijkenis; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Gen [0]...en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen [doeloorzaak schepping mens: gods causa finalis] [2] En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde [pneuma; roach] Gen 2-8:9 [3] had HEERE God een hof geplant in Eden tegen het oosten en Hij stelde aldaar den mens die Hij geformeerd had [a] den boom des levens in midden> van hof van eden in oosten; [b] den boom der kennis des goeds en des kwaads [on-wetend] 2=manninne 1=adam [wetend] slang/kruipdier[wetend] heere god/jhwh [wetend] unieke status god/eeuwig/evenbeeld uitzondering/gebod/grens god bestaat door x voor eeuwig straf#schuld. Augustinus, De civitate Dei, XIII, 13 blz. 597 “Zij ervoeren namelijk een tevoren ongekende beweging van hun ongehoorzaam vlees, de bestraffende terugslag als het ware van hun ongehoorzaamheid.” “De mens echter heeft, na vrijwillig ontaard en met recht veroordeeld te zijn, ook ontaarde en veroordeelde mensen verwekt.” schuldbesef/zondebesef/vijgenblad: niet om naaktheid maar om seksuele opwinding die daarvoor kennelijk niet bestond > freud After completing the first 10 books of De Civitate Dei, in which Augustine sought to refute the claim that pagan deities had ensured that Rome enjoyed unbroken success and prosperity in this life and guaranteed its citizens a blessed life after death, Augustine devoted the remaining 12 books to discuss origins, development and destiny of the two cities of Babylon and Jerusalem, with the predominant emphasis on the city of God. In this volume, the seventh in Peter Walsh's series, Augustine turns to the problem of death as punishment for the sin of disobedience, resumes his attack on the Platonists and pursues a range of topics which emerge from consideration of Adam's sin.

74 christendom x erfzonde (oorzaak van t lijden in de wereld) eeuwige schuld voor/door sexualiteit/voortplanting erfzonde theodicee van de erfzonde [ theos (God); dikè (recht; rechtvaardiging) "rechtvaardiging van God"] accepteert God het bestaan van het kwaad in de wereld als straf voor de erfzonde> omdat de eerste mensen op aarde, Adam en Eva, aten van de boom van kennis van goed en kwaad. Dit was hun verboden en ze pleegden de eerste zonde op aandringen van een slang. God strafte hierom niet alleen Adam en Eva, maar ook hun volledige nageslacht: de hele mensheid. Dat zou de reden zijn waarom ook wij nu nog een leven hebben waarin lijden een prominente rol speelt. koran x erfzonde: Islam gelooft dat Adam en Eva van God het hele paradijs ter beschikking kregen, op de vruchten van één boom na - daarvan mochten ze niet eten. Satan, een hooghartige djinn, maakte Adam en Eva wijs dat deze vruchten bijzondere kennis bevatten en dat eenieder die er van at evenveel zou weten als God en dus zelf god zou zijn. Satan zei dat hun God een erg jaloerse god was en geen concurrentie duldde, en dat Hij hen daarom verboden had van deze vruchten te eten. Aanvankelijk hechtten Adam en Eva geen geloof aan wat Satan zei, en hielden zij zich aan het goddelijke verbod. Maar na verloop van tijd zwichtten zowel Adam als Eva voor wat Satan zei en aten zij beiden van de verboden vruchten. In de Islam sleurt Eva (de vrouw) Adam (de man) dus niet mee in de zonde. In de islam is het dus niet Eva (de vrouw) die Adam (de man) meesleurt in de zonde: zij vallen beiden voor de listen van Satan. Eva is in de islam dan ook niet beladen met het archetype van de verleidster tot zonde> 'helse tussentijd'paradijsSatandjinn

75 soera de kantelen, 7:11-25 (over de verdrijving) Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij tot de engelen: "Onderwerpt u aan Adam" en zij onderwierpen zich, behalve Iblis; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen. (God) zeide: "Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u (dat) gebood?" Hij antwoordde: "Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij uit vuur en hem uit klei geschapen. (God) zeide: "Verwijder u van hier - het is niet aan u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die vernederd zullen worden." Hij zeide: "Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen worden opgewekt." (God) zeide: "U is uitstel verleend." Hij antwoordde: "Welnu, daar gij mij liet dwalen zal ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad. Dan zal ik mij gewis vóór hen en achter hen en van hun rechter en van hun linker zijde tonen en Gij zult de meesten hunner niet dankbaar vinden." (God) zeide: "Ga heen, veracht en verworpen. Wie hunner u ook zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen." "O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat gij wilt, maar nadert deze boom niet, anders zul je tot de onrechtvaardigen behoren." Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat hij hun naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zeide: Uw Heer heeft u deze boom alleen verboden opdat gij geen engelen of eeuwig- levenden [levensboom] zoudt worden En hij zwoer tot hen: "Ik ben voor u zeker een oprechte raadgever." Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de boom proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te bedekken met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zeide: "Verbood Ik u die boom niet en zeide Ik niet tot u: ’Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u’?" Zij antwoordden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt, zullen wij zeker tot de benadeelden behoren. Hij zeide: "Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een bepaalde tijd." Hij zeide: "Gij zult daarop leven en sterven en gij zult daarvandaan worden opgewekt."

76 soera de koe, 2:30-39 (over de 1 ste profeet: adam) En toen uw Heer tot de engelen zei: "Ik wil een stedehouder op aarde plaatsen," zegden zij: "Wilt Gij er iemand plaatsen die er onheil zal stichten en bloed zal vergieten, terwijl wij U verheerlijken met de lof die U toekomt en Uw Heiligheid prijzen," antwoordde Hij: "Ik weet wat jij niet weet." En Hij leerde Adam al de namen. Dan plaatste Hij (de voorwerpen dezer) namen voor de engelen en zei: "Noemt Mij hun namen, indien jij in jouw recht staat." Zij zegden: "Heilig zijt Gij. Wij bezitten geen kennis, buiten hetgeen Gij ons hebt geleerd; waarlijk, U bent de Alwetende, de Alwijze. Hij zei: "O, Adam, zeg hen de namen van deze dingen", en toen hij de namen had genoemd, zei Hij: "Zegde Ik je niet: Waarlijk Ik ken de geheimen der hemelen en der aarde en Ik weet, wat jij onthult en wat jij verbergt?" En toen Wij tot de engelen zegden: "Onderwerpt je aan Adam", onderwierpen zich allen, behalve Iblis. Hij weigerde, hij was hoogmoedig. Hij behoorde tot de ongelovigen. En Wij zegden: "O Adam, verblijf jij met jouw gade in de tuin en eet overvloedig, waar je ook wilt, doch nader deze boom niet, anders zult je tot de zondaren behoren." Doch door middel van de boom verleidde Satan hen beiden en dreef hen uit de staat waarin zij zich bevonden. En Wij zegden: "Gaat heen - je bent elkander vijandig. Er zal op aarde een tijdelijke woonplaats en levensonderhoud voor je zijn." Toen leerde Adam enkele woorden van zijn Heer. Zo schonk Hij hem vergiffenis; voorwaar Hij is Berouwaanvaardend, Genadevol. Wij zegden: "Gaat allen weg van hier. En, indien er leiding van Mij tot je komt, zullen zij, die Mijn leiding volgen, vrees noch droefheid kennen. Doch zij, die niet geloven en Onze tekenen verloochenen, zullen de bewoners van het Vuur zijn; zij zullen daarin verblijven.Iblis Als straf voor hun zonde zette God hen uit het paradijs. Adam en Eva waren diep bedroefd en toonden berouw. Zij smeekten God hen te vergeven. God was hen genadig, aanvaardde hun smeekbede en vergaf hen hun zonde. Hij gaf de mens ook een 2 de kans: wanneer ze zich voortaan aan het gebod dat er geen god is dan God zouden houden, zouden zij een kans maken om na hun dood terug te keren naar het paradijs. Volgens de Islam bestaat er dus geen erfzonde: God heeft Adam en Eva immers vergeven, zodat elk kind vrij van zonde, als een onbeschreven blad en in perfecte harmonie geboren wordt.genadiggeen god is dan Godparadijs

77 'helse' tussentijd > vadermoord/wetsovertreding x offer; de bewoners van het Vuur > zij zullen daarin verblijven. Genesis 3:16> Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, …..en tot uw man zal uw begeerte zijn, “en hij zal over u heerschappij hebben.” 1 Timotheus 2:12-14> Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest. 1 Korinthiers 11:3 > Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus....Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man. Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. 1 Korinthiers 11:7> Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. 1 Korinthiers 14:34 > Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken. Surah 4 : Ayah 5> “De mannen zijn de toezichthouders over de vrouwen" Deuteronomium 22> Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij eens mans getrouwde vrouw, zo zullen zij ook beiden sterven, de man die bij de vrouw gelegen heeft en de vrouw; zo zult gij het boze uit Israel wegdoen.

78


Download ppt "Schuld ongecorrigeerd materiaal ongecorrigeerd materiaal."

Verwante presentaties


Ads door Google