De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De inhoud van dit thema: 1-1 1.2 Doelgroepen en organisaties 1.3 Behoeften van de cliënt 1.4 In de praktijk.

Verwante presentaties


Presentatie over: "De inhoud van dit thema: 1-1 1.2 Doelgroepen en organisaties 1.3 Behoeften van de cliënt 1.4 In de praktijk."— Transcript van de presentatie:

1 De inhoud van dit thema: Doelgroepen en organisaties 1.3 Behoeften van de cliënt 1.4 In de praktijk

2 Soorten dakloosheid: 1-2 •potentiële daklozen •feitelijke daklozen •residentiele daklozen •marginaal gehuisvesten •begeleid zelfstandig wonende ex-daklozen

3 Hulpverleningsinstanties voor dak- en thuislozen: 1-3 •centra voor dienstverlening •sociale pensions •woonbegeleidingscentra •gemeentelijke sociale dienst

4 Er zijn mensen met: 1-4 •een verstandelijke beperking •een lichamelijke beperking •lichamelijke en verstandelijke beperkingen

5 Instellingen, woongroepen en verpleeghuizen zijn er voor: 1-5 •alleen jongeren •alleen ouderen •zowel jongeren als ouderen •mensen met een lichamelijke beperking •mensen met een verstandelijke beperking •mensen met zowel een lichamelijke als een verstandelijke beperking

6 Doelen in de zorg voor mensen met een beperking: 1-6 •cliënten functioneren zo zelfstandig mogelijk •cliënten nemen voor zover mogelijk zelfstandig beslissingen over hun eigen leven •cliënten voelen zich veilig

7 Doelen van ouderenzorg: 1-7 •ouderen zijn zo zelfstandig mogelijk en nemen zelfstandig beslissingen over hun eigen leven •ouderen hebben een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven

8 Slachtofferhulp helpt slachtoffers van: 1-8 •geweld •beroving •inbraak •verkeersongevallen •seksueel geweld •huiselijk geweld •stalking

9 Tienermoeders: 1-9 meiden die vóór hun 21e zwanger geworden zijn en een kind hebben gekregen

10 Het Bureau Sociaal Raadslieden: 1-10 •geeft antwoord op vragen •verstrekt advies •verleent diensten •bemiddelt •begeleidt •kan zorgen voor verwijzing naar andere instellingen alle informatie, adviezen en diensten worden gratis verstrekt

11 Soorten verslavingen: 1-11 •bevredigen van lustgevoelens (internetten, computergames, hardlopen, seks, vet en zoet eten, sms’en, gokken) •opwekken van een roes (alcohol, heroïne) •kalmerende middelen (pijnstillers, slaapmiddelen, cannabis zoals marihuana en hasjiesj) •stimulerende middelen (koffie, tabak, cocaïne, XTC, amfetamines zoals doping, speed, pep) •hallucinogene middelen (LSD, cannabis, paddo’s)

12 Zwerfjongeren, mogelijke oorzaken: 1-12 •onwil en onmacht van de ouders •verkeerde schoolkeuze •onmacht en onkunde van de school •psychische problemen bij de jongere •verslaving

13 Kenmerken van de groep zwerfjongeren: 1-13 •jongens zijn in de meerderheid: 75% tegen 25% meisjes •de meeste zwerfjongeren zijn rond de 18 jaar, maar de groep wordt steeds jonger •50% heeft een autochtone achtergrond •50 % heeft een allochtone achtergrond •meer dan 50 % komt uit gebroken gezinnen •75% gebruikt softdrugs •er zijn steeds meer zwangere tienermeisjes

14 Wonen-Leren-Werken: 1-14 •een veilige plek •vertrouwde begeleiding •structuur •hulp bij het vinden van werk of bij het afronden van studie

15 Behoeften van de cliënt: 1-15 •voorwaarden om behoeften te kunnen vaststellen •soorten behoeften •de behoefte bepalen

16 Voorwaarden om behoeften te kunnen vaststellen: 1-16 •sociale kaart kennen •kennis van en vaardigheid in gesprekstechniek •open minded zijn

17 Soorten behoeften van de smd-cliënt: 1-17 •informatiebehoeften •praktische behoeften •materiële en immateriële behoeften

18 Praktische hulp en ondersteuning bij: 1-18 •huishoudelijke hulp •persoonlijke verzorging •financiële en administratieve taken •brieven schrijven en formulieren invullen

19 Verduidelijken van de behoefte: 1-19 •aandacht voor de immateriële behoeften •aandacht voor informatiebehoefte, praktische en materiële behoeften

20 De inhoud van dit thema: Directe en indirecte informatie 2.3Informatie zoeken 2.4De kwaliteit van de informatie 2.5Openstaan voor informatie

21 Informatie: 2-2 •directe informatie •indirecte informatie

22 Directe informatie van de cliënt: 2-3 •mededelingen •gesprekken •teksten (memo’s, brieven, aantekeningen) •non-verbale en zintuiglijke signalen

23 Zintuiglijke kanalen: 2-4 •geur •gezicht •gehoor •gevoel

24 Indirecte informatie over de cliënt: 2-5 •van familieleden of vrienden •uit het cliëntdossier •van collega’s •van andere instellingen •van internet en uit boeken over het ziektebeeld van de cliënt

25 Informatie van anderen: 2-6 •welk materiaal van anderen past bij jouw instelling? •hoe kom je aan dit materiaal?

26 Zoeken op internet: 2-7 •zoekmachine •zoekstrategie

27 Zoekstrategie: 2-8 •globaal •gericht

28 Gericht zoeken: 2-9 •beperk het onderwerp •bepaal hoe en waar je begint •selecteer •evalueer

29 Eisen aan informatie: 2-10 •volledigheid •redundantie •betrouwbaarheid •duidelijkheid •relevantie

30 Betrouwbare informatie: 2-11 •bekende instelling of schrijver •recente datum

31 Belemmeringen voor het opnemen van informatie: 2-12 •zelfbescherming •stereotypen en vooroordelen •attributies •halo- en horneffect

32 Stereotypen zijn: 2-13 •niet absoluut •niet statisch

33 Stereotypen en vooroordelen: 2-14 •stereotypen: tamelijk onschuldige eigenschappen •vooroordelen: negatieve oordelen

34 Attributie: 2-15 het toekennen van oorzaken aan gedrag twee manieren van attribueren: •externe attributie: oorzaken voor gedrag liggen buiten de persoon zelf •interne attributie: oorzaken voor gedrag liggen binnen de persoon zelf

35 Halo- en horneffect: 2-16 •halo-effect: één goede of leuke eigenschap overheerst alle andere eigenschappen •horneffect: één slechte of vervelende eigenschap overheerst alle andere eigenschappen

36 De inhoud van dit thema: De vraagstelling 3.3Een gesprek op gang houden 3.4Aanmelding en intake 3.5Vrijeattitude-interview 3.6Tips voor de praktijk

37 Veelvoorkomende vragen: 3-2 •open vragen: -echte open vragen -sturende vragen -verkennende vragen - vervolgvragen •stimulerende vragen en remmende vragen •confronterende vragen

38 Kenmerken open vragen: 3-3 •ze beginnen met wat, waarom of hoe •allerlei antwoorden zijn mogelijk

39 Soorten open vragen: 3-4 •echt open vragen: sturen het gesprek niet in een bepaalde richting •sturende vragen: sturen het gesprek in een bepaalde richting •verkennende vragen: snijden een nieuw onderwerp aan •vervolgvragen: vragen over een ander aspect van hetzelfde onderwerp

40 Vervolgvraag: 3-5 een vervolgvraag gaat in op het antwoord op een vorige vraag

41 Vervolgvragen: 3-6 •lossen vaagheden op •brengen ordening aan in een antwoord

42 Stimulerende en remmende vragen: 3-7 stimulerende vragen: •hebben een positief effect •de ander geeft er graag antwoord op remmende vragen: •hebben een negatief effect •de ander wil liever geen antwoord geven

43 Een gesprek kun je op gang houden door: 3-8 •een goede luisterhouding •spiegelen •het stellen van vervolgvragen

44 Vaardigheden voor actief luisteren: 3-9 •bezig zijn met de boodschap van de ander, niet met jezelf •non-verbaal uitnodigen tot vertellen •verbaal uitnodigen tot vertellen

45 Spiegelen: 3-10 •dezelfde houding aannemen als je gesprekspartner •hetzelfde gedrag vertonen als je gesprekspartner

46 Je kiest voor een VA-interview, als: 3-11 •er geen pasklare antwoorden zijn •je je cliënt niet hoeft te vergelijken met andere cliënten •de situatie complex is •de vraag van de cliënt onduidelijk is

47 Doelen van het VA-interview: 3-12 •kennisdoel •houdingsdoel •gedragsdoel

48 Fasen van het VA-interview: aanloopfase 2planningfase 3themafase 4slotfase

49 Je kunt feedback geven op: 3-14 •de inhoud van het gesprek (inhoudsniveau) •de manier waarop de boodschap gebracht wordt (betrekkingsniveau)

50 Communicatieaspecten: 3-15 •zakelijk aspect: welke feiten en gebeurtenissen wil ik overdragen? •expressieve aspect: wat laat ik van mezelf zien? •relationele aspect: wat vind ik van de ander? •appellerende aspect: wat wil ik dat de ander doet of nalaat?

51 De inhoud van dit thema: Systematisch informatie verzamelen 4.3Informatie verwerken 4.4Verbanden leggen 4.5Tips voor de praktijk

52 Systematisch informatie verzamelen: 4-2 •doel bepalen •informatiebronnen bepalen •plan •ordenen •analyseren •reproduceren •bewaren

53 Methoden om informatie te verzamelen: 4-3 •mondeling •schriftelijk •observatie

54 Mogelijke informatiebronnen: 4-4 •de cliënt •een sleutelfiguur •collega’s •de sociale kaart •instellingsdocumenten •vakbladen en bibliotheek •internet •persoonlijk netwerk

55 Informatieverwerking: 4-5 •ordenen van informatie •analyseren van informatie

56 Stappen bij informatie ordenen: 4-6 1ordeningscriteria bepalen 2hoofd- en bijzaken scheiden 3rubriceren 4bundelen en bewaren

57 Analyseren van informatie: 4-7 gegevens informatie interpreteren controleren en concluderen actie ondernemen

58 Verband tussen informatie: 4-8 •aanvullend •tegenstrijdig •nieuw

59 De inhoud van dit thema: De noodzaak van rapporteren 5.3Soorten rapporten 5.4De inhoud van het rapport 5.5Argumenteren 5.6Tips voor de praktijk

60 Functies van dossiervorming: 5-2 •overdracht •naslag •controle

61 Wat zijn volgens de Wbp persoonlijke gegevens? 5-3 •NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) • adressen •telefoonnummers •informatie over gezondheid en welzijn •bijzonderheden over de cliënt

62 Argumenten voor informatie-uitwisseling, hoewel de cliënt hiertegen is: 5-4 als het achterwege blijven van informatieoverdracht: •het belang van de cliënt schaadt •het belang van andere individuen of andere partijen schaadt •het maatschappelijk belang schaadt

63 De plicht van de cliënt : 5-5 het geven van correcte informatie over zichzelf

64 Voorbeelden van interne rapportages: 5-6 •intakeformulier •dienstverleningsplan •gespreksverslag •verslag van het dienstverleningsproces •overdrachtsrapport

65 Er vindt overdrachtsrapportage plaats over: 5-7 •cliënten die in een instelling verblijven (dagelijks) •cliënten die je naar een collega of andere instelling verwijst (eenmalig)

66 Voorbeelden van externe rapporten: 5-8 •overdrachtsrapporten •verzoekschriften en adviesrapporten •bezwaarschriften en beroepschriften

67 Verschil verzoekschrift en adviesrapport: 5-9 •verzoekschrift: de cliënt schrijft het zelf, al dan niet met hulp •adviesrapport: de hulp- of dienstverlener schrijft het

68 Verschil bezwaarschrift en beroepschrift: 5-10 •bezwaarschrift: de cliënt maakt bezwaar tegen een beslissing •beroepschrift: de cliënt gaat in beroep, omdat hij het niet eens is met het antwoord op het bezwaar

69 Inhoud van het bezwaarschrift: 5-11 •de datum waarop je het bezwaarschrift schrijft •NAW-gegevens van de aanvrager •een beschrijving van de beslissing waar het om gaat •argumenten voor je bezwaar tegen de beslissing •de handtekening van de aanvrager

70 Inhoud van het beroepschrift: 5-12 •de datum waarop je het beroepschrift schrijft •NAW-gegevens van de aanvrager •een beschrijving van de beslissing na het bezwaarschrift •je argumenten voor het in beroep gaan tegen die beslissing •de handtekening van de aanvrager

71 De vijf W’s: 5-13 •Wie?Wie zijn er bij het onderwerp van je rapport betrokken? •Wat?Wat is het onderwerp van je rapport? •Waar?Waar speelt het zich af? •Wanneer?Wanneer, in welke periode, gebeurt het of speelt het zich af? •Waarom?Waarom heb je dit rapport geschreven: wat was de aanleiding en wat is het doel?

72 Duidelijke tekst door: 5-14 •onderscheid feiten en meningen •goede hoofdvraag

73 Soorten argumentaties: 5-15 •enkelvoudige argumentatie •meervoudige argumentatie

74 Meervoudige argumentatie: 5-16 •onderschikkende argumentatie •nevenschikkende argumentatie

75 Sterke argumenten: 5-17 •autoriteiten •doel-middelenargumenten

76 De inhoud van dit thema: De hulpvraag 6.3Doelen formuleren 6.4Prioriteiten stellen 6.5Middelen organiseren 6.6Activiteiten plannen 6.7Het dienstverleningsplan 6.8Motivatie en evaluatie 6.9Tips voor de praktijk

77 Je kunt de hulpvraag verduidelijken door: 6-2 •aandacht geven •actief luisteren •open vragen stellen •doorvragen •samenvatten

78 Volgens de SMARTIE-formule is een doel: 6-3 •Specifiek •Meetbaar •Acceptabel •Realistisch •Tijdgebonden •Inspirerend en je hebt er •Eigen controle over

79 Termijnen voor doelen: 6-4 •korte termijn •middellange termijn •lange termijn

80 Termijnen voor doelen zijn afhankelijk van: 6-5 •de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt •de motivatie van de cliënt •de situatie •de middelen

81 Goede prioriteiten zijn: 6-6 •gericht op het doel •niet door persoonlijke voorkeuren bepaald

82 Prioriteiten stellen is: 6-7 •de volgorde van belangrijkheid bepalen •de urgentie bepalen

83 Soorten middelen: 6-8 •inspanningen van de cliënt •inspanningen van beroepskrachten •apparaten, gereedschappen •medicinale middelen •financiële middelen

84 Tussenevaluatie: 6-9 •wat ging goed bij de cliënt? •wat kan beter? •wat deed de smd’er goed? •wat kan beter?

85 De inhoud van dit thema: Methodisch handelen vanaf de intake 7.3Signaleren en observeren 7.4Valkuilen 7.5Interventiemethoden en -technieken 7.6Wonen, werk en vrije tijd 7.7Tips voor de praktijk

86 Methodisch werken is: 7-2 •bewust •doelmatig •doelgericht •volgens een plan handelen

87 Doelmatig/efficiënt werken is werken: 7-3 •in de juiste volgorde •op de juiste manier •met de juiste middelen •op het juiste moment •in een aanvaardbaar tempo

88 Structuur van het intakegesprek: 7-4 •aanloopfase: begroeten en social talk •planningsfase: rollen, doel en werkwijze bepalen •themafase: -informatie verstrekken -informatie vragen •slotfase: -vragen naar (on)duidelijkheid -afronden en afsluiten

89 Doelgerichtheid/effectiviteit is: 7-5 zo te werk gaan, dat je je doelen bereikt

90 Voordelen methodisch werken: 7-6 •je krijgt dezelfde soort informatie op dezelfde manier •informatie is vergelijkbaar •alle cliënten krijgen dezelfde soort gesprekken •alle cliënten krijgen diensten op dezelfde manier aangeboden

91 Gebieden waarop je problemen kunt signaleren: 7-7 •fysieke en psychische gesteldheid •de omgeving •het gedrag

92 Observatiemethoden bij dienstverlening: 7-8 •intervalobservatie •contextuele observatie •protocollaire observatie

93 Valkuilen bij het observeren: 7-9 •je krijgt wat je verwacht •eerste indruk •halo- en horneffect •falend geheugen

94 Interventiemethoden: 7-10 •verwijzen •begeleiden •belangen behartigen •praktische dienstverlening

95 Interventietechnieken: 7-11 •instructies geven •ondersteunen •gesprekken voeren •activiteiten aanbieden

96 Woonproblemen: 7-12 •woningnood •problemen met de kwaliteit van de woonruimte •financiële problemen

97 Instanties voor arbeidsvoorziening: 7-13 •CWI •uitzendbureaus

98 De inhoud van dit thema: Informatievoorziening 8.3Zakelijke correspondentie 8.4Registreren 8.5Archiveren 8.6Administratie met de computer 8.7Tips voor de praktijk

99 Informatievoorziening is: 8-2 ervoor zorgen dat iedereen in de organisatie alle kwalitatief goede informatie op het juiste tijdstip krijgt om het werk goed uit te voeren en zo nodig in de juiste richting bij te sturen

100 Kwalitatief goede informatie is: 8-3 •volledig •niet te gedetailleerd •betrouwbaar •duidelijk •relevant

101 Wijze van informatievoorziening: 8-4 •welk middel: -mondeling -schriftelijk -computer •hoeveelheid

102 Uiterlijke kenmerken van zakelijke brieven: 8-5 •huisstijl •vaste elementen •aanhef •slotformule

103 Vaste elementen: 8-6 •adressering •datum •onderwerp •uw kenmerk / ons kenmerk (niet verplicht)

104 Een juiste aanhef: 8-7 •geen voorletters •geen titels •voorvoegsels van achternamen met een hoofdletter

105 Onderdelen van een brief: 8-8 •inleiding •middenstuk •slot

106 Doelgroepgerichte brieven: 8-9 •kies bewust voor ‘u’ of ‘je’ •leef je in •pas je taalgebruik op gepaste wijze aan •houd het kort

107 Aspecten schriftelijke communicatie: 8-10 •zakelijk aspect: wat zeg ik precies? •relationele aspect: wat vind ik van de ander? •expressieve aspect: wat laat ik van mezelf zien? •appellerende aspect: wat wil ik van de ander?

108 Argumenten voor registratie: 8-11 •historische waarde •vervolgmogelijkheden •controle •wetten en regels •bewijs •geheugen

109 Registratie: 8-12 strategisch niveau •wie: bestuur en directie •wat: strategisch beleid, meerjarenplannen, fusies e.d. tactisch niveau •wie: (middle) management •wat: tactisch beleid, jaarplannen, veranderingen op deelgebieden operationeel niveau •wie: werkvloer met direct leidinggevenden •wat: beleidsuitvoering, werkplannen, activiteitenplannen cliëntniveau of deelnemersniveau •wie: behandelaren, dienstverleners, verzorgenden en verplegenden •wat: NAW-gegevens van cliënten, achtergrondinfor- matie, informatie van andere behandelaren en instellingen over de cliënt, belangstellingsregistratie, hobby’s, enzovoort

110 Onderwerpen voor gegevensregistratie: 8-13 •taken/activiteiten •evaluatiegegevens •cliënten •deelnemers/vrijwilligers •bezoekersaantallen •medewerkers •gebruiks- en verbruiksartikelen (voorraden) •correspondentie: -ingekomen brieven, bv. brief van ontevreden cliënt of klachtenbrieven van buurtbewoners -uitgaande brieven, bv. antwoord op klachtenbrieven, antwoord op aanvragen en verzoeken, verzoeken om informatie •telefoon •financiële gegevens (uitgaven en inkomsten)

111 Waarom deelnemerslijsten? 8-14 •belangstellingsregistratie •ontwikkeling van doelgroepgerichte activiteiten

112 Registreren en bewaren: 8-15 •klachten •belangrijke functionele mededelingen

113 Wat registreer je? 8-16 •datum van binnenkomst •afzender •aan wie gericht? •onderwerp •wie handelt het af? •controle op de afhandeling

114 Registratie van telefoontjes: 8-17 •datum en tijdstip van binnenkomst •van wie? •onderwerp •wie handelt het af? •controle op de afhandeling

115 Methoden om te registreren: 8-18 •chronologisch •op onderwerp •zaaksgewijs

116 Kenmerken archief: 8-19 •op voorschriften •systematisch •toegankelijk

117 Argumenten voor registratie en archivering: 8-20 •historische waarde •vervolgmogelijkheden •controle •wetten en regels •bewijs •geheugen

118 Belangrijkste onderwerpen van protocollen: 8-21 •bewaartermijn •vernietiging dan wel overbrenging •wijze van bewaren •privacybescherming

119 Ordeningssystemen: 8-22 •op onderwerp •chronologisch •alfabetisch •numeriek •zaaksgewijs

120 Soorten archieven: 8-23 •dynamisch archief •semistatisch archief •statisch archief

121 Hulpmiddelen voor handmatige administratie: 8-24 •kaartenbakken •ordners •ringbanden •hangmappen •tijdschriftencassettes

122 Beveiliging is nodig tegen: 8-25 •onbevoegden •zoekraken

123 Geautomatiseerd registreren en archiveren: 8-26 •post •documenten, eigen verslagen en rapporten, notulen •

124 Beveiliging tegen: 8-27 •onbevoegden •kwijtraken •beschadiging •virussen en dergelijke

125 De inhoud van dit thema: Sociale zekerheid 9.3Sociale verzekeringen 9.4Sociale voorzieningen 9.5Wmo 9.6Woonrecht 9.7Consumentenrecht 9.8Vreemdelingenrecht 9.9Arbeidsrecht 9.10Tips voor de praktijk

126 De sociale zekerheid wordt minder door: 9-2 •maatschappelijke ontwikkelingen •politieke ontwikkelingen

127 De sociale zekerheid bestaat uit: 9-3 •sociale verzekeringen •sociale voorzieningen

128 Soorten sociale verzekeringen: 9-4 •werknemersverzekeringen •volkverzekeringen

129 Werknemersverzekeringen: 9-5 •Ziektewet (ZW) •Werkloosheidswet (WW) •Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) •Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

130 WIA: 9-6 •IVA-uitkering: Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten •WGA-uitkering: Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

131 Volksverzekeringen: 9-7 •AOW: Algemene ouderdomswet •AWBZ: Algemene wet bijzondere ziektekosten •ANW: Algemene nabestaandenwet •AKW: Algemene kinderbijslagwet

132 Belangrijkste sociale voorzieningen: 9-8 •Wet werk en bijstand (WWB) •Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

133 Onder de Wmo vallen onder andere: 9-9 •maatschappelijke opvang •ondersteuning in het dagelijks leven van zieken, gehandicapten en ouderen •verslavingsbeleid •bestrijding van huiselijk geweld

134 Belangrijke punten bij de huurovereenkomst: 9-10 •huurbescherming •huuropzegging

135 Huurbescherming: 9-11 •niet voor hospita-kamerbewoners in de eerste negen maanden •wel bij verkoop van de woning •niet voor huurders van bijzondere woningen

136 De huurovereenkomst bevat: 9-12 •naam en adres van de huurder en van de verhuurder •datum en ingang van de huurovereenkomst •het adres en een omschrijving van het gehuurde pand (woonoppervlak, hoeveel kamers, tuin enzovoort) en de bestemming (= woning, winkelpand, opslagruimte etc.) van de woning •kale huur plus servicekosten, hoogte van de borgsom •manier en tijdstip waarop de huur betaald moet worden •afspraken over onderhoudsverplichting van huurder en verhuurder op basis van de wet •datum van de jaarlijkse huurverhoging •huisregels •handtekening van huurder en verhuurder

137 De verhuurder kan de huur opzeggen: 9-13 •als de huurder de huur niet betaalt •als de huurder overlast veroorzaakt •voor dringend eigen gebruik •aan het eind van een tijdelijke huurperiode •als de huurder een redelijk aanbod voor een nieuwe huurovereenkomst weigert

138 Consumenten zijn: 9-14 •personen •die goederen en diensten •consumeren •die geproduceerd worden in de economie

139 Belangrijke begrippen in het consumentenrecht: 9-15 •koopovereenkomst •recht op reparatie of vervanging •juridische overeenkomst

140 Het vreemdelingenrecht regelt: 9-16 •de toelating van vreemdelingen •het uitzetten van vreemdelingen •het toezicht op vreemdelingen die in Nederland verblijven •het bewaken van de grenzen

141 Het arbeidsrecht: 9-17 regelt de verhouding tussen werkgever en werknemer

142 Soorten arbeidsovereenkomsten: 9-18 •overeenkomst voor bepaalde tijd •overeenkomst voor onbepaalde tijd •nulurencontract •via een uitzendbureau

143 Manieren om een arbeidsovereenkomst te beëindigen: 9-19 •met wederzijds goedvinden •door ontslag op staande voet •via de kantonrechter •door eenzijdige opzegging

144 De inhoud van dit thema: Een kasboek bijhouden 10.3Begroten en budgetteren 10.4Inkomensondersteuning 10.5Schuldhulpverlening 10.6Methoden voor schuldhulpverlening 10.7Tips voor de praktijk

145 In een kasboek schrijf je op: 10-2 •je inkomsten •je uitgaven •wat je overhoudt of tekortkomt

146 Een begroting: 10-3 een schatting van de verwachte kosten

147 Een budget: 10-4 een vast bedrag dat je voor iets gereserveerd hebt

148 Voorwaarden voor een bijstandsuitkering: 10-5 de cliënt: •is 18 jaar of ouder •is Nederlander •woont of verblijft in Nederland •is niet gedetineerd •is niet vermogend

149 Cliënten met een bijstandsuitkering zijn verplicht: 10-6 •zich desgevraagd te legitimeren •álle wijzigingen in hun situatie te melden bij de gemeente •intensief te zoeken naar betaald werk •zich correct te gedragen tegenover medewerkers van de gemeente •zich te houden aan de budgetteringsplicht, als de gemeente die oplegt

150 Toeslagen: 10-7 •langdurigheidstoeslag •bijzondere bijstand •reserveringstoeslag

151 Bijzondere bijstand: 10-8 •eenmalige bijstand •periodieke bijstand

152 De reserveringstoeslag is bedoeld voor reparatie, vervanging of aanschaf van: 10-9 •fietsen •woningstoffering en -meubilering •duurzame gebruiksgoederen, zoals een koelkast, wasmachine, matras •huishoudelijke elektrische apparaten

153 Oorzaken van schulden: •koopkrachtdaling •ondersubsidiëring •overbesteding en compensatie

154 Overbesteding en compensatie: •overbesteding: -voldoende inkomen -hogere uitgaven dan inkomsten •compensatie: -onvoldoende inkomen -ontkenning van de eigen financiële situatie -dure uitgaven om niet onder te doen voor anderen

155 Vormen van schuldhulpverlening: •budgetadvies •budgetbegeleiding •budgetbeheer •schuldsanering •schuldbemiddeling

156 Schuldsanering: •zonder afkoop: cliënt lost zelf de hele schuld af •met afkoop: cliënt lost een gedeelte af, rest wordt kwijtgescholden

157 Schuldeisers: •preferente schuldeisers •concurrente schuldeisers

158 De inhoud van dit thema: Belangen behartigen, wanneer en waarom? 11.3Pleiten 11.4Bemiddelen 11.5Signaleren en onderzoeken 11.6Ethische kwesties 11.7Tips voor de praktijk

159 Belangen behartigen is: 11-2 •in ernstige kwesties •opkomen voor je cliënt •die dat niet voor zichzelf kan

160 Succesfactoren: 11-3 •kennis van de sociale kaart en andere hulpverleners •een weinig voorkomend probleem

161 De zes W’s: 11-4 •wie? •wat? •waar? •wanneer? •waarom? •op welke manier?

162 Opzetten en onderhouden van een netwerk: 11-5 •bezoek aan andere instellingen •meedoen in overleggroepen met andere instellingen •cliënten begeleiden naar andere instellingen •collega’s raadplegen •activiteiten ontwikkelen

163 Voorbereiding pleiten: 11-6 •informatie verzamelen •argumentatie opzetten •de situatie en het probleem van je cliënt helder maken •een beroep doen op de instelling (emotioneel én verstandelijk)

164 Opbouw van het gesprek: 11-7 •aanloopfase •planningfase •themafase •slotfase

165 In de themafase: 11-8 •luister je actief •breng je begrip op voor de ander •gebruik argumenten voor wat je wilt •weerleg tegenargumenten van de ander •blijf je vriendelijk en beleefd •houd je de relatie goed •ben je zo eerlijk mogelijk •zoek je naar gemeenschappelijke belangen •probeer je tot een oplossing te komen

166 Als bemiddelaar: 11-9 •zoek je naar een oplossing •die voor beide partijen aanvaardbaar is

167 Streefpunt en een weerstandspunt: •streefpunt: het maximaal haalbare resultaat •weerstandspunt: het minimum dat een partij nog haalbaar vindt

168 Voorwaarden voor bemiddeling: •beide partijen moeten vertrouwen hebben in de bemiddelaar •de machtsverschillen tussen beide partijen zijn niet erg groot •de cliënt kan en wil verantwoordelijkheid dragen voor het eigen gedrag •politie en justitie zijn niet bij het conflict betrokken

169 Signaleren is: •een tekort opmerken in wet- en regelgeving of in voorzieningen •waardoor cliënten niet optimaal kunnen functioneren

170 Bij problemen bij je cliënten moet je: •signaleren •registreren •analyseren •actie of geen actie ondernemen •controleren •evalueren

171 Gegevens op het signaleringsformulier: •je eigen naam en functie •de naam en het adres van de organisatie waar je werkt •het probleem dat je gesignaleerd hebt in één of twee zinnen •de doelgroep bij wie het probleem zich voordoet •de oorzaak van het probleem •een toelichting

172 Probleemanalyse: •wat is het probleem? •wie heeft het probleem? •moet het probleem opgelost worden? •hoe ziet het probleem eruit? •kan het probleem opgelost worden? •hoe moet het probleem opgelost worden? •wie moet het probleem oplossen?

173 Valkuilen: •loyaliteit aan de eigen organisatie •loyaliteit aan cliënten •het probleem van de ander tot je eigen probleem maken

174 Bij ethische dilemma’s kun je: •praten met je cliënt •praten met collega’s

175 Algemeen voorkomende ethische kwesties: •privacy •geld en goederen •strafbare handelingen

176 De inhoud van dit thema: Informatie, voorlichting en advies 12.3Voorlichting, wanneer en waarom? 12.4Vormen en doelen van voorlichting 12.5Persoonlijke voorlichting 12.6Voorbereiding van een voorlichtingsgesprek 12.7Praktijkvoorbeelden 12.8Adviseren van cliënten 12.9Adviesgesprekken 12.10Fasen in het adviesgesprek 12.11Tips voor de praktijk

177 Informatie, voorlichting en advies: 12-2 •informatie: losse en feitelijke gegevens die je met elkaar combineert •voorlichting: gegevens geordend tot een gestructureerd en neutraal verhaal over één onderwerp •advies: voorlichting, gericht op een persoonlijke vraag en situatie, vaak subjectief

178 Wanneer voorlichting? 12-3 •op verzoek van de cliënt •op eigen initiatief •op initiatief van de organisatie

179 Waarom voorlichting? 12-4 •de cliënt mist het overzicht •de cliënt mist kennis

180 Belang van voorlichting: 12-5 •de cliënt kan zelfstandig en •weloverwogen •een keuze maken uit het aanbod

181 Mogelijke vormen van voorlichting: 12-6 •informatieve voorlichting •educatieve voorlichting •preventieve voorlichting •vormende voorlichting •persuasieve voorlichting

182 Persoonlijke voorlichting: 12-7 •gericht op individuen of •gericht op een klein groepje waarvan de leden iets gemeenschappelijks hebben •meestal mondeling

183 Een voorlichtingsgesprek voorbereiden: 12-8 •beginsituatie onderzoeken •doelen formuleren •voorlichtingsmethode kiezen

184 Drie communicatiedoelen: 12-9 •kennisdoel; informatie en kennis overdragen •houdingsdoel; de attitude (houding) beïnvloeden •gedragsdoel; het gedrag veranderen

185 Advies geven of vragen, als: •het om ingewikkelde informatie gaat •de gevolgen van een besluit erg zwaar wegen •de persoon in kwestie moeilijk een besluit kan nemen

186 Resultaat van het adviesgesprek: •het is duidelijk wat het probleem is •de cliënt heeft het gevoel dat de smd’er het probleem begrijpt •de cliënt heeft een advies gekregen waarmee hij het probleem kan oplossen

187 Redenen voor advies: •de cliënt mist de juiste kennis om het probleem te kunnen oplossen •de cliënt heeft emotionele weerstand tegen (zelfbedachte) oplossingen •de cliënt kan het probleem niet analyseren

188 Twee structuren voor het adviesgesprek: •diagnose-receptmodel •participatiemodel

189 Fasen van het adviesgesprek: •de aanloopfase •de planningsfase •de themafase •de slotfase

190 De inhoud van dit thema: Massamediale voorlichting 13.3Publieksvoorlichting 13.4Vaststellen van de voorlichtingsbehoefte 13.5Bestaand informatiemateriaal omzetten in voorlichting 13.6Passende distributiekanalen benutten 13.7Voorlichting geven aan een cliëntgroep 13.8 Hanteren van (technische) hulpmiddelen 13.9Tips voor de praktijk

191 Aandachtspunten bij gebruik van massamedia: 13-2 •is het tijdstip van uitzending of plaatsing van het bericht goed? •is het middel goed gekozen? •bij tv en radio: is de zender goed gekozen?

192 Directe en indirecte voorlichting: 13-3 •directe voorlichting: er is direct contact tussen voorlichter en publiek •indirecte voorlichting: er bevinden zich een of meer schakels tussen voorlichter en publiek

193 Publieksvoorlichting: 13-4 •taak van bijvoorbeeld de overheid •vaak via massamediale middelen •ook via informatiebalies •of via mondelinge presentaties

194 Actieve en passieve voorlichting: 13-5 •actieve voorlichting: -het publiek moet iets weten -de voorlichter is actief •passieve voorlichting: -burgers willen iets weten -de voorlichter is passief

195 Twee basisgroepen: 13-6 •groepen die je van dichtbij kent •groepen die onbekend zijn voor je

196 Vragen voor de doelgroepanalyse: 13-7 •welke kennis heeft deze groep nodig? •welke kennis heeft ze al over dit onderwerp? •wat wil ik dat de doelgroep met de kennis doet? •wat moet de doelgroep kunnen na de voorlichting? •wat moet de doelgroep doen na de voorlichting?

197 Van onduidelijke naar duidelijke teksten: 13-8 •begrijpen wat er staat •de tekst herformuleren zonder moeilijke woorden of zinswendingen

198 Herformuleren: 13-9 •maak lange zinnen korter •vervang moeilijke woorden en vaktaal door eenvoudige woorden •orden de tekst •breng alinea’s aan •maak gebruik van kopjes

199 Distributiekanalen: •folders en brochures •massamedia •voordracht •beurzen en tentoonstellingen •andere distributiekanalen

200 Voorwaarden voor informatie geven op een beurs: •zorg voor duidelijke en heldere informatie •zorg ervoor dat de organisatie waarvoor je werkt, zich duidelijk kan profileren •ga alleen naar beurzen en tentoonstellingen als je zeker weet dat daar veel mensen uit jouw doelgroep komen •andere vormen van voorlichting

201 Niet-technische hulpmiddelen bij presentaties: •schoolbord of whiteboard •flip-over

202 Technische hulpmiddelen bij presentaties: •overheadprojector •beamer •dvd

203 Wat staat er op de hand-out? •spreekschema •achtergrondinformatie •toelichting op één of enkele onderdelen •grafieken, diagrammen of tabellen

204 De inhoud van dit thema: Vakkennis en vaardigheden bijhouden 14.3Supervisie 14.4Intercollegiale toetsing 14.5Intervisie 14.6Tips voor de praktijk

205 Supervisie is: 14-2 •onder begeleiding van een supervisor •door reflectie leren •jezelf te verbeteren •op een van tevoren bepaald gebied

206 Intercollegiale toetsing: onderwerp kiezen 2analyse van de huidige situatie 3doel vaststellen 4gewenste situatie 5de praktijk 6vastlegging

207 Voorwaarden voor intervisie: 14-4 •het probleem dat het groepslid inbrengt, is werkelijk een probleem voor dit groepslid •de collega’s in de groep schenken al hun aandacht aan het probleem en aan het groepslid, zonder te oordelen •de groepsleden komen niet met pasklare oplossingen aan •er is onderling vertrouwen en de groepsleden gaan integer met informatie om

208 Intervisie in acht stappen: inbreng van het probleem 2open vragen uit de groep voor probleemverheldering; de vragen worden opgeschreven 3aangeven of de vragen wel of niet te maken hebben met het dilemma 4opnieuw open vragen uit de groep, de probleemhebber beantwoordt ze direct, zonder discussie 5ieder groepslid beschrijft het probleem/dilemma 6de probleemhebber geeft aan in hoeverre de dilemma’s goed geformuleerd zijn en formuleert nu zelf het dilemma 7discussie over de oorzaak van dit dilemma 8groepsleden coachen de probleemhebber, zodat die een eigen oplossing kan formuleren

209 De inhoud van dit thema: Wat is kwaliteit? 15.3Kwaliteitssystemen 15.4Instructies en procedures opvolgen 15.5Ergonomisch werken 15.6Tips voor de praktijk

210 Kwaliteit is: 15-2 •een relatief begrip •een beleving

211 Kwaliteitszorg: 15-3 •betreft alle activiteiten •gericht op verbetering •van de dienstverlening

212 Aspecten van een kwaliteitssysteem: 15-4 •kwaliteitseisen •kwaliteitsinstrumenten •kwaliteitscontrole •kwaliteitsborging

213 Een kwaliteitsinstrument: 15-5 •is een middel •om te voldoen •aan de kwaliteitseisen

214 Kwaliteitsborging: 15-6 een garantie dat aan de kwaliteitseisen voldaan wordt

215 Ergonomische voorschriften: 15-7 waarom? •lichamelijke klachten voorkomen •psychische klachten voorkomen waarvoor? •goed meubilair •goed werkmateriaal

216 De inhoud van dit thema: Plannen 16.3Organiseren 16.4Vergaderen en overleggen 16.5Een overleg organiseren 16.6Samenwerken en afstemmen met collega’s 16.7Tips voor de praktijk

217 Verschil tussen beleidsplan en werkplan: 16-2 •beleidsplan: geeft aan wat de algemene doelen van de organisatie zijn •werkplan: geeft aan langs welke weg de organisatie deze doelen wil bereiken

218 Conceptwerkplan opstellen: bepaal de periode: macro, meso of micro 2bepaal een tijdpad 3verdeel de taken 4bepaal de mate van gedetailleerdheid 5verzamel informatie 6zoek afstemming 7vraag akkoord

219 Plannen: stappenplan maken 2draaiboek maken 3checklist maken

220 Een vergadering heeft: 16-5 •een agenda •een voorzitter •deelnemers •een notulist

221 BOB-fasen: 16-6 •beeldvorming •oordeelsvorming •besluitname en besluituitvoering

222 Besluitvormingsregels: 16-7 •meerderheid •consensus •unanimiteit •delegatie •veto

223 Organiseren incidenteel overleg: 16-8 •hoe benader ik medewerkers van andere instellingen? •welke teamleden moeten deelnemen aan het overleg? •is een eenmalig overleg voldoende of zijn er meer overlegrondes nodig? •heb ik deskundigen nodig? •welke status heeft het overleg? •wat zijn de randvoorwaarden?

224 Voorwaarden voor samenwerking: 16-9 •er is een gezamenlijk doel •iedereen is voldoende deskundig om zijn taak uit te voeren •de verhoudingen zijn duidelijk •iedereen is gemotiveerd

225 Bijeenkomst voor een samenwerkingsplan: •uiteenzetting van het samenwerkingsplan •keuze van geschikte doelen uit het plan •inventarisatie van de werkzaamheden •verdeling van de taken •vastleggen van afspraken

226 De inhoud van dit thema: Evaluatie van de dienstverlening 17.3Het evaluatiegesprek 17.4Bereikte resultaten 17.5Metacommunicatie 17.6Het evaluatierapport 17.7Tips voor de praktijk

227 Je evalueert de dienstverlening op basis van: 17-2 •het dienstverleningsplan •concrete doelen •bereikte doelen en niet-bereikte doelen •de manier waarop de doelen bereikt zijn

228 Doelen evaluatiegesprek: 17-3 •kennisdoel: je weet wat bereikt is en wat nog niet •houdingsdoel: cliënt is gemotiveerd nieuwe doelen te halen •gedragsdoel: cliënt doet zijn best doelen te halen

229 Structuur evaluatiegesprek: 17-4 •aanloopfase •planningfase •themafase •slotfase

230 Jouw houding in het evaluatiegesprek: 17-5 •je houdt rekening met het niveau van je cliënt •je geeft je cliënt ruimte om te spuien •je staat open voor ideeën van de cliënt

231 Twee soorten evaluatie: 17-6 •productevaluatie: het resultaat •procesevaluatie: de manier waarop het resultaat bereikt is

232 Resultaten evaluatie: 17-7 •doelen zijn gehaald, de dienstverlening wordt beëindigd •doelen zijn gedeeltelijk gehaald, er is meer tijd nodig voor de resterende doelen •doelen zijn niet gehaald en worden bijgesteld •doelen zijn niet gehaald, de dienstverlening wordt beëindigd

233 Een evaluatiegesprek bevat metacommunicatie: 17-8 •op inhoudsniveau •op betrekkingsniveau

234 Soorten evaluatierapporten: 17-9 •evaluatierapporten met een extern doel •evaluatierapporten met een intern doel

235 Een evaluatierapport: •maakt onderscheid tussen meningen en feiten •is concreet en duidelijk •houdt rekening met de doelgroep •bevat alleen relevante gegevens


Download ppt "De inhoud van dit thema: 1-1 1.2 Doelgroepen en organisaties 1.3 Behoeften van de cliënt 1.4 In de praktijk."

Verwante presentaties


Ads door Google